WeRead Powered by ReaderPub
Koning Hendrik de Zesde cover

Koning Hendrik de Zesde

Chapter 61: TWEEDE TOONEEL.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The play opens with a recent king's funeral and scenes of political fragmentation as a young heir ascends, prompting rival nobles to jockey for control. Military reverses in France and the rise of a charismatic French leader undermine English authority abroad, while celebrated commanders suffer setbacks. At home, feuds among powerful dukes and courtiers escalate into factional violence between competing houses, and legal and ecclesiastical maneuvers complicate governance. Omens and public unrest foreshadow deeper national decline. The action alternates battlefield episodes with court intrigue, showing how personal ambition and factional strife weaken a realm already strained by foreign war.

[Inhoud]

VIJFDE BEDRIJF.

[Inhoud]

EERSTE TOONEEL.

Een veld tusschen Dartford en Blackheath.

Aan de eene zijde het legerkamp des Konings. Van de andere zijde komt York op met Gevolg, met trommen en vaandels; zijn Troepen op eenigen afstand.

York.

Zoo komt uit Ierland York en eischt zijn recht,

En rukt de kroon van ’t hoofd des zwakken Hendriks;

Galmt, klokken, luid; brandt, vreugdevuren, schitt’rend,

En groet den echten vorst van ’t machtig England.

Sancta majestas! wie kocht u niet duur?

Dat hij gehoorzaam’, die niet heerschen kan;

De hand hier werd gevormd om enkel goud,

Niets anders, te hanteeren; aan mijn woorden

Kan zij de volle kracht en klem niet geven,

Geeft niet een zwaard of scepter ’t juist gewicht.

En bij mijn ziel, een scepter zal zij hebben,

Waarop ik Frankrijks leliën hechten wil.

[688]

(Buckingham komt op.)

Wie komt daar,—Buckingham?—om mij te storen?

De koning zendt hem wis; ik moet nu huich’len.

Buckingham.

Zoo gij als vriend komt, York, dan groet ik vriendlijk.

York.

Humfried van Buckingham, dank voor uw groet.

Komt gij als bode hier, of uit uzelf?

Buckingham.

Vanwege Hendrik, onzen heer en vorst,

Vraag ik: waartoe in vrede deze waap’ning?

Waarom hebt gij, een onderdaan als ik,

Trots uwen eed en uw bezworen trouw,

Zulk leger zonder machtiging gelicht,

En waagt gij, ’t zoo nabij het hof te brengen?

York

(ter zijde). Ik spreek met moeite, zoo vergramd ben ik.

O, rotsen kon ik kloven, keien werpen,

Zoo toornig word ik bij die snoode taal;

Ja, ’k zou nu, zooals Ajax Telamonius,

Mijn woede op ossen en op schapen koelen.

Ik ben veel hooggeboor’ner dan de koning,

Meer koning in mijn denken, in mijn aard;

Doch ik moet nog een wijl mooi weder spelen,

Tot Hendrik zwakker is en sterker ik.—

(Luid.) O, Buckingham, houd, bid ik, mij ten goede,

Dat ik u al dien tijd geen antwoord gaf;

Mijn geest was van zwaarmoedigheid bevangen.

Ik wil,—dit is mijn doel met deze heermacht,—

Den trotschen Somerset het hof doen ruimen,

Wijl hij den koning en het rijk verraadt. 37

Buckingham.

Te veel aanmatiging van u, voorwaar!

Intusschen, heeft uw tocht geen ander doel,

Dan heeft de koning uw verzoek bewilligd;

De hertog Somerset is in den Tower.

York.

Dus is hij, op uw eer, een staatsgevang’ne?

Buckingham.

Ja, op mijn eer, hij is een staatsgevang’ne.

York.

Dan, Buckingham, dank ik mijn leger af.—

Hebt, mannen, allen dank; verstrooit u thans;

Komt morgen tot mij, op ’t Sint George’s veld,

Dan krijgt gij uw soldij, al wat gij wenscht.

En zoo mijn vorst, de deugdenrijke Hendrik,

Mijn oudsten zoon begeert, ja, al mijn zoons,

Als panden van mijn liefde en trouw, ik zend

Hem, zoo gewillig als ik leef, die allen;

Land, goedren, paarden, waap’nen,—wat ik heb,

’t Is tot zijn dienst, zoo Somerset maar sterft.

Buckingham.

Die need’rige onderwerping prijs ik, York;

Gaan wij te zamen naar des konings tent.

(Koning Hendrik treedt op, met Gevolg.)

Koning Hendrik.

Is, Buckingham, van York niets kwaads te duchten,

Dat gij zoo met hem aankomt, arm in arm?

York.

In alle need’righeid, vol onderwerping,

Verschijnt hier York voor uwe majesteit.

Koning Hendrik.

En wat bedoelt de krijgsmacht, die gij meebrengt?

York.

Den valschen Somerset van hier te drijven,

En de’ aartsverrader Cade een les te geven;—

Ik hoor eerst nu, dat hij verslagen is.

(Iden komt op, met Cade’s hoofd.)

Iden.

Als een eenvoudig man, zoo laag van rang,

Voor de oogen van een koning treden mag,

Breng ik uw hoogheid eens verraders hoofd,

Van Cade, in tweegevecht door mij gedood.

Koning Hendrik.

Het hoofd van Cade?—O God, gij zijt rechtvaardig!—

O, laat mij het gelaat des dooden zien,

Die levend zooveel onrust mij gewrocht heeft.

Zeg, vriend, zijt gij de man, die hem versloegt?

Iden.

Ik was ’t, indien ’t uw majesteit behaagt.

Koning Hendrik.

Hoe is uw naam, en hebt gij een’gen rang?

Iden.

Alexander Iden is mijn naam, uit Kent,

Een need’rig grondheer, die zijn vorst bemint.

Buckingham.

Zoo ’t u behaagt, mijn vorst, het ware goed,

Voor zulk een dienst tot ridder hem te slaan.

Koning Hendrik.

Kniel neder, Iden.—(Iden knielt.) Sta als ridder op. 78

Wij geven u tot loon éénduizend mark,

En willen, dat gij voortaan om ons zijt.

Iden.

Moge Iden leven, zulk een goedheid waardig;

Hij leve niet, dan trouw aan zijnen vorst.

(Hij rijst op.)

Koning Hendrik.

Zie, Buckingham! mijn vrouw met Somerset!

Ga, zeg haar, ras voor York hem te verbergen.

(Koningin Margaretha en Somerset komen op.)

Koningin Margaretha.

Zijn hoofd verberg’ hij voor geen duizend Yorks,

Maar zie met fieren blik hem in ’t gelaat.

York.

Wat, Somerset in vrijheid? Nu dan York,

Ontboei uw langgekerkerde gedachten,

En zij uw tong de trouwe tolk van ’t hart.

Zou ik het zien van Somerset verdragen?—

Gij, valsche koning, braakt gij mij uw woord,

Ofschoon gij weet, hoe noode ik krenking duld?

Noemde ik u koning? neen, gij zijt geen koning;

Zoudt gij ooit menigten besturen, teug’len,

Die geen verrader teug’len durft noch kunt?

Uw hoofd daar is niet voor een kroon gevormd,

Uw hand slechts om een pelgrimsstaf te grijpen,

Een echten vorstenscepter siert zij niet.

Dat goud omspann’ geen voorhoofd dan het mijne,

Welks lach of dreiging, als Achilles’ speer,[689]

Door zijn verand’ring dooden kan of heelen.

Hier is een hand, die, hoog den scepter houdend,

’t Gezag der wetten klem verleenen kan.

Maak plaats; bij God! gij zult geen heerscher zijn

Van hem, dien God tot uwen heerscher schiep.

Somerset.

O aartsrebel!—In hecht’nis neem ik u

Om hoogverraad aan vorst en kroon! Gehoorzaam;

Kniel, driest verrader; vraag genade, York.

York.

Ik knielen? laat mij eerst aan dezen vragen,

Of ’t hun behaagt, dat York voor iemand kniel’.

Vriend, roep gij hier mijn zoons om borg te zijn;

(Een van York’s volgers af.)

Ik weet, eer zij me in hecht’nis laten gaan,

Verpanden zij hun zwaard voor mijn bevrijding.

Koningin Margaretha.

Roep Clifford hier; zeg hem terstond te komen;

Hij zegge ons, of de bastaardzoons van York

Huns valschen vaders borgen kunnen zijn.

(Buckingham af.)

York.

Napolitaansche, gij, met bloed bespat,

Napels’ verstoot’ling, Englands doornenroê;

York’s zonen, uwe beet’ren in geboorte,

Zij zullen ’s vaders borgen zijn; wee hem,

Die mijner zonen borgtocht weig’ren durft. 121

(Edward en Richard Plantagenet komen van de eene zijde met troepen op; van de andere, eveneens met troepen, de oude Clifford en zijn Zoon.)

Daar zijn zij, ziet; ik zweer, hun pand is goed.

Koningin Margaretha.

En Clifford hier wijst hunnen borgtocht af.

Clifford.

Geluk en welvaart aan mijn heer en koning!

(Hij knielt.)

York.

Ik dank u, Clifford; spreek, wat komt gij melden?

Neen, maak ons niet verschrikt door booze blikken;

Wìj zijn uw koning, Clifford; kniel nog eens;

En deze uw dwaling willen we u vergeven.

Clifford.

Daar staat mijn koning, York; ik dwaal hier niet;

Maar gij dwaalt zeer, zoo gij mij dwalend acht;—

Brengt hem naar ’t dolhuis! is de man waanzinnig?

Koning Hendrik.

Ja, Clifford, eerzucht en een vlaag van waanzin

Drijft hem tot weêrstand aan zijn koning aan.

Clifford.

Een aartsverrader; zend hem naar den Tower,

En sla zijn muitziek hoofd hem van den romp.

Koningin Margaretha.

Hij is er toe verwezen, maar hij weigert;

Zijn zonen, zegt hij, spreken goed voor hem.

York.

Dat doet gij, zoons, niet waar?

Edward.

Ja, eed’le vader, zoo ons woord iets geldt.

Richard.

En gelden woorden niet, dan geldt ons zwaard.

Clifford.

Ziet, welk een broedsel is dit van verraders!

York.

Zie in den spiegel, geef uw beeld dien naam;

Ik ben uw koning, gij een valsch verrader.—

Roept aan den paal hier mijn twee wakk’re beren,

Opdat het ramm’len hunner keet’nen reeds

Dien kwaden honden schrik in ’t harte jaag’;

Zegt Salisbury en Warwick, hier te komen.

(Getrommel. Warwick en Salisbury komen op, met troepen.)

Clifford.

Is dat uw berenpaar? wij hitsen ’t dood,

En leggen dan hun hoeder in hun keet’nen,

Als gij hen op de kampplaats brengen durft.

Richard.

Vaak zag ik, hoe een felle, heete hond

Omsprong en beet, omdat men hem weerhield,

Maar losgelaten op den berenklauw,

Met ingetrokken staart begon te janken;

En zulk een stuk voert gij waarschijnlijk op,

Als gij u met lord Warwick waagt te meten.

Clifford.

Weg, aardkluit van Gods toorn, onmooglijk wezen,

Van ziel en lichaam evenzeer verdraaid! 158

York.

Geduld, gij krijgt het warm, als we u bestoken.

Clifford.

Pas op, dat niet uw hitte uzelf verbrand’!

Koning Hendrik.

Nu, Warwick, heeft uw knie verleerd te buigen?

En Salisbury, schande op uw zilv’ren haar,

Gij dwaas misleider van uw dollen zoon!—

Wat! op uw doodsbed speelt gij nog den woestaard

En zoekt met uwen bril het onheil op?

O, waar is trouw, waar is aanhank’lijkheid?

Is zij verbannen van ’t besneeuwde hoofd,

Waar zal zij dan op aarde herberg vinden?—

Wilt gij een graf, om krijg te vinden, delven,

Met bloed uw eerlijke’ ouderdom onteeren?

Waartoe werdt ge oud, zoo gij ervaring derft?

Of hebt gij die, waarom misbruikt gij haar?

O, schaam u, buig naar plicht voor mij uw knie,

Die reeds naar ’t graf zich buigt door hoogen leeftijd.

Salisbury.

Mylord, gewogen heb ik in mijzelf

De aanspraken van den hoogberoemden hertog,

En naar geweten acht ik volgens ’t recht

Hem erfgenaam van Englands koningstroon.

Koning Hendrik.

Hebt gij mij niet als leenman trouw gezworen?

Salisbury.

Dat heb ik.

Koning Hendrik.

Kunt gij voor God u van deze’ eed ontslaan?

[690]

Salisbury.

’t Is groote zonde, op zonde een eed te doen,

Doch grooter zonde, een zondige’ eed te houden.

Wie kan zich door een heil’gen eed verbinden.

Een moord te doen, diefstal en roof te plegen,

Een kuische maagd der reinheid bloem te ontwringen,

Een wees van ’s vaders erfdeel te versteken,

Een weduw haar gerechtlijk deel te ontrooven,—

En zonder een’gen and’ren grond voor ’t onrecht,

Dan dat een plechtige eed er hem toe bond?

Koningin Margaretha.

Drogreed’nen staan verraders steeds ten dienste.

Koning Hendrik.

Roep Buckingham en zeg, dat hij zich waap’ne.

York.

Roep Buckingham en al uw vrienden op;

Ik ben besloten: dood of ’t koningschap!

Clifford.

Ik sta voor ’t eerste u in, zoo droomen waar zijn.

Warwick.

Best gingt gij naar uw bed om weer te droomen;

Gij waart er veilig voor des slagvelds storm.

Clifford.

Ik ben besloten grooter storm te tarten,

Dan uw bezwering heden op kan roepen;

En dit zal ik u op uw stormhoed schrijven,

Zoo ik aan ’t teeken van uw huis u ken. 201

Warwick.

Nu, bij mijns vaders Nevil’s helmtooi,

Den opgerichten beer aan de’ ouden paal,

Hoog wil ik heden mijnen stormhoed dragen,—

Zooals de ceder op een bergtop uitsteekt,

Maar, hoe de storm ook loei’, haar kroon bewaart,—

Om u te ontzetten door ’t gezicht er van.

Clifford.

En van uw stormhoed ruk ik u dien beer

En treed dien vol verachting in het stof;

Ja, trots den hoeder, die den beer beschermt.

De jonge Clifford.

En, nu ten strijd, mijn zegerijke vader,

Ter fnuiking van de muiters en hun bent!

Richard.

Foei, christ’lijk! schaam u! niet die felle taal!

U wacht bij Jezus Christus ’t avondmaal.

De jonge Clifford.

Geteekende, wis niet door uw bestel!

Richard.

Gij vaart, zoo niet ten hemel, wis ter hel.

(Allen af, naar verschillenden kant.)

[Inhoud]

TWEEDE TOONEEL.

Sint-Albaans.

Krijgsgedruisch; schermutselingen. Warwick komt op.

Warwick.

Clifford van Cumberland, hoor Warwick’s roep!

Indien gij niet u voor den beer verschuilt,

Nu de verbolgen krijgstrompet alarm blaast

En stervenskreten de ijle lucht vervullen,

Dan zeg ik, Clifford, kom en vecht met mij!

Noordlandsche trotsche lord van Cumberland,

Kom, Clifford! Warwick riep zich heesch om u.

(York komt op.)

Hoe is het, eed’le lord, waarom te voet?

York.

Clifford’s verdelgershand versloeg mijn ros;

Maar leer om leer heb ik het hem vergolden,

En ’t wakker dier, dat steeds zijn liev’ling was,

Werd door mijn hand een buit van raaf en kraai.

(Clifford komt op.)

Warwick.

Voor een van ons, of beide’, is ’t uur nu daar.

York.

Neen, Warwick, neen, zoek gij u ander wild;

Dit hert zij mijn; dit jage ikzelf ter dood.

Warwick.

Dan vorstlijk, York, uw strijd is om een kroon.—

Zoo waar ik heden hoop op zege, Clifford,

Is ’t hard, den strijd met u niet aan te gaan.

(Warwick af.)

Clifford.

Wat ziet gij, York, in mij? waartoe dit talmen?

York.

Ik wierd op uwe dapperheid verliefd.

Indien gij niet zoo fel mijn vijand waart.

Clifford.

Ook uwen moed ontbrak het niet aan lof, 22

Indien hem niet de blaam van trouwbreuk smette.

York.

Zoo help’ hij mij bij ’t kampen met uw zwaard,

Zoo waar ik hem voor mijn goed recht wil staven.

Clifford.

Mijn lijf en ziele beide op dezen strijd!

York.

Een schrikk’lijke inzet! Sta gereed en weer u!

(Zij vechten. Clifford valt.)

Clifford.

La fin couronne les oeuvres!

(Hij sterft.)

York.

Zoo gaf de krijg u vrede; gij zijt stil!

Zij vrede ook met uw ziel, zoo God het wil!

(York af.)

(De jonge Clifford komt op.)

De jonge Clifford.

Schande en verwarring! Alles wijkt en vlucht.

Door vrees wordt orde wanorde, en verwondt

Wat zij moest hoeden. Krijg, gij zoon der hel,

Dien ’s hemels gramschap zich tot dienaar kiest,

Werp in de ijskoude borsten van ons leger

Der wrake kolen!—Dat geen krijger vlied’!

Wie waarlijk zich den krijg wijdt, kent geen zucht

Tot zelfbehoud; en die zichzelf bemint,

Erlangt niet naar zijn wezen, slechts door toeval,

Den naam van dapper.—

(Hij ziet het lijk zijns vaders.)

Den naam van dapper.— Booze ’wereld, eindig!

En gij, vervroegde vlammen des gerichts,[691]

Boeit aarde en hemel saâm!

Weergalme nu des jongsten dags bazuin,

En overstemm’ die elken aardschen klank,

Elk klein geraas!—Was ’t u beschoren, vader,

In vrede uw jeugd te zien verloren gaan,

Om in de’ eerwaarden tooi der wijze grijsheid,

In uwe leunstoeldagen, zoo te sterven

In ’t wilde slaggewoel?—O, bij deze’ aanblik

Versteent mijn hart, en zal, zoolang het mijn is,

Steen blijven. York spaart onze grijsaards niet,

Zoo ik hun wichtjes niet; mij zullen tranen

Van maagden zijn, wat dauw is voor het vuur;

En schoonheid, die een woestaard vaak verzacht,

Voor ’t blaken van mijn toorn als vlas en olie.

Niets wil ik nu voortaan van deernis weten;

Zoo ik een zuigling vind van ’t huis van York,

Ik houw dien zoo in hapjes, als de woeste

Medea ’t eens den jonge’ Abyssus deed;

Mijn wreedheid zij het, die mij roem verwerve.

Kom, gij, nieuw puin van ’t huis des ouden Cliffords,

(Hij neemt het lijk op.)

Als eens Æneas de’ oude’ Anchises droeg,

Zoo draag ik u thans op mijn manneschouders;

Maar hij droeg toen een last, die leven had,

Niet half zoo zwaar als dit mijn harteleed.

(De jonge Clifford af.)

(Richard Plantagenet en Somerset komen op, vechtende. Somerset wordt gedood.)

Richard.

Zoo, lig gij daar!— 66

Want onder eener herberg uithangschild,

„’t Kasteel van Sint-Albaans”, schonk Somerset

Dien geestbezweerder in zijn dood nog roem.

Zwaard, blijf gestaald; u, hart, zij wrok geboden:

Voor haters bidden priesters, prinsen dooden.

(Richard af.)

(Strijdgedruisch; schermutselingen. Koning Hendrik, Koningin Margaretha en Anderen komen op, terugtrekkende.)

Koningin Margaretha.

Voort, mijn gemaal! wat draalt gij? berg het lijf!

Koning Hendrik.

Is Gods wil ooit te ontgaan? mijn gade, blijf!

Koningin Margaretha.

Wat zijt gij toch, die vechten wilt noch vluchten?

Nu is het kloekheid, wijsheid, tegenstand,

Te wijken voor den vijand, ons te bergen

Door wat wat wij kunnen, en dit is—slechts vlucht.

(Strijdgedruisch op een afstand.)

Zoo men u vangt, dan zien wij ook den bodem

Van al ons heil; maar als de vlucht gelukt,—

Wat licht, tenzij gij sammelt, ons gebeurt,—

Dan zijn wij dra te Londen, waar men u

Genegen is, en waar wij deze bres

In ons geluk gemakk’lijk kunnen dichten.

(De jonge Clifford komt weder op.)

De jonge Clifford.

Wanneer mijn hart niet zon op verder onheil,

Dan vloekte ik God, eer ik tot vluchten ried;

Maar vluchten moet ge; onheelb’re moedeloosheid

Beheerscht het hart al onzer vrienden hier.

Voort, redt u; opdat we eens een dag beleven

Als zij nu, wij ons lot hun wedergeven!

Voort, voort, mijn vorst, van hier!

(Allen af.)

[Inhoud]

DERDE TOONEEL.

Een veld bij Sint-Albaans.

Strijdgedruisch; terugtocht. Trompetgeschal; daarop komen York, Richard Plantagenet, Warwick en Troepen op, met trommen en vaandels.

York.

Wie weet iets van den ouden Salisbury?

Dien winterleeuw, die in zijn fiere woede

Al ’t kneuzen, schuren van den tijd vergeet,

En, als een held in ’s levens vaag, zijn kracht

Hernieuwt door ’t strijden? Deze blijde dag

Verloor zijn glans, geen voetbreed is gewonnen,

Zoo Salisbury ontbreekt.

Richard.

Zoo Salisbury ontbreekt. Mijn eed’le vader,

Ik hielp hem heden driemaal op zijn paard,

Stond driemaal over hem, en voerde driemaal

Hem weg, ontried hem telkens verd’ren strijd;

Maar telkens, waar gevaar was, vond ik hem;

Als in een arme hut een rijk tapijt,

Zoo was in ’t oude, zwakke lijf zijn wil.

Doch zie, hij komt, en edel als altoos. 14

(Salisbury komt op.)

Salisbury.

Nu, bij mijn zwaard, gij hebt u braaf gekweten;

Dat deden we allen, ja!—Ik dank u, Richard;

God weet, hoe lang ik nog te leven heb;

En ’t was zijn wil, dat gij op heden driemaal

Mij redden zoudt uit dreigend doodsgevaar.—

Doch, lords, nog is het onze ’t onze niet;

’t Is niet genoeg, dat onze vijand vlood;

Hij kan,—het is zijn aard,—zich ras herstellen.

York.

Ik weet het, in ’t vervolgen ligt ons heil,

Want Hendrik, naar ik hoorde, vlood naar Londen,

En roept zijn parlement er daad’lijk op.

Vervolgt hem dus, eer hij het op kan roepen!

Wat dunkt lord Warwick? zetten wij hem na?

Warwick.

Hem na? Neen, komen we, als het kan, hem voor!

Bij God, mylords, dit was een dag van roem;

De slag, door den roemruchten York gewonnen,

Van Sint-Albaans, blijft eeuwig wijd vermaard.—

Klinkt, trom en krijgsklaroen!—Naar Londen allen;

Moog’ zulk een dag ons meer ten deele vallen!

(Allen af.)

[692]

[Inhoud]

AANTEEKENINGEN

In het jaar 1445 kwam Margaretha van Anjou in Engeland aan; in het jaar 1455 viel de slag van Sint-Albaans voor, waarin voor de eerste maal het huis van Lancaster moest zwichten voor de wapens van den hertog van York. Het tweede deel van „Koning Hendrik de Zesde” omvat dit geheele tijdperk, of eigenlijk nog vijf jaar meer, daar de slag van Northampton, die in 1460 plaats vond, door Sh. met dien van Sint-Albaans vereenzelvigd is. Één gebeurtenis heeft Shakespeare uit een vroegeren tijd hier overgebracht, namelijk den val van de hertogin van Gloster, blijkbaar om alles, wat op den ondergang van den hertog van Gloster betrekking heeft, bijeen te brengen, en tevens de heerschzucht der jonge koningin in een helder licht te stellen. Reeds in 1441 werd Eleonore Cobham, echtgenoote, vroeger minnares van Gloster, aangeklaagd en schuldig verklaard, dat zij met den duivelbanner Roger Bolingbroke, de heks Margory Jourdain en den kanunnik Thomas Southwell de zwarte kunst had beoefend en daarmede den koning naar het leven had gestaan. Zij werd veroordeeld om in het boetelingshemd door Londens straten gevoerd te worden, en verder naar het eiland Man verbannen. Haar gemaal werd door zijn noodlot zes jaren later achterhaald, naar het schijnt niet geheel onverdiend, al droeg hij ook bij het volk den naam van den goeden hertog Humfried. Hij werd in Bury Sint Edmond bij het parlement van hoogverraad beschuldigd en in hechtenis genomen, maar vóór zijn zaak in onderzoek was, werd hij dood in zijn bed gevonden. Weldra liep het gerucht, dat hij onder kussens verstikt was, en het volk ontzag zich niet, de vreemde koningin en den gehaten markies van Suffolk van de wandaad te beschuldigen.—Dat de kardinaal Beaufort de hand in het spel zou gehad hebben, is volstrekt onbewezen en wordt eerst bij den kroniekschrijver Hall gevonden, die onder Hendrik VIII leefde. Slechts dit is waar, dat de prelaat kort na Gloster stierf, maar hij had toen reeds zes jaren zich van het staatstooneel geheel teruggetrokken. Zijn karakterschets heeft Sh. aan genoemden kroniekschrijver ontleend, die den kardinaal als eergierig en hebzuchtig schildert en hem ook op zijn sterfbed o. a. laat uitroepen: „Waarom moet ik sterven, ik, die zoo vele rijkdommen bezit?”

Na den dood van Gloster was William de la Pole, die in 1448 tot hertog van Suffolk verheven werd, de eigenlijke regent van Engeland. Hij zond den hertog van York als stadhouder naar Ierland, ongetwijfeld om den eerzuchtigen man van het hof verwijderd te houden. De hertog John van Somerset, die op dezen post gerekend had, doodde in een vlaag van wanhoop zichzelf. Slag op slag werd Engeland door onheilen getroffen. In Frankrijk liep de Engelsche heerschappij te niet; Talbot en Edmund van Somerset moesten, van alle hulp uit Engeland verstoken, voor de Franschen bukken; niet alleen de veroveringen van Hendrik V, maar ook de sinds drie eeuwen met de Engelsche kroon vereenigde erflanden der Plantagenets gingen verloren en omstreeks 1450 was Calais de eenige plaats op het vasteland, die nog in de macht der Engelschen was. Toen verhief zich een geweldige storm tegen Suffolk; het huis der Gemeenten beschuldigde hem van hoogverraad; hij wist zich met zooveel klem te verdedigen, dat er geen doodvonnis kon uitgesproken worden, maar het huis der Lords kon het niet wagen hem vrij te spreken; hij werd voor vijf jaren verbannen en onderwierp zich aan het vonnis. Maar nauwelijks had hij de haven van Dover verlaten om het kanaal over te steken, of hij werd door eenige schepen, die op hem geloerd hadden, overvallen en gevangengenomen; het woedend scheepsvolk sprak het doodvonnis over hem uit; hij werd in een boot onthoofd en zijn lijk op het strand geworpen.

Op de kust van Kent, waar dit gebeurde, was het volk in gisting. Kort na Suffolk’s dood in 1450, brak er een opstand uit, die tegen het huis Lancaster gericht was, en waarvan de kroniek van Hall uitvoerig gewaagt. Aan het hoofd stond een jonge Ier, van krachtigen lichaamsbouw, John Cade, die, zeker om de talrijke aanhangers van het huis Mortimer op zijn zijde te krijgen, zich voor een natuurlijken zoon van den laatsten graaf van March uitgaf en den naam van John Mortimer aannam. Aan het hoofd van twintigduizend man rukte hij op naar Blackheath, zoo het heette om den koning de bezwaren van de gemeenten van Kent mede te deelen, die ook schriftelijk verspreid werden; zij behelsden zware beschuldigingen tegen de regeering en klaagden over de verwijdering van den Hertog van York. Sir Humfried Stafford,—men zie de geslachtslijst,—trachtte de oproerlingen met een handvol koninklijke troepen van den rechter Theemsoever terug te drijven, maar werd neergehouwen en John Cade tooide zich met de wapenrusting en sporen van den gevallen ridder. Het hof rekende zich niet meer veilig in Londen, week naar het slot Kenilworth in Warwickshire, en zond den aartsbisschop van Canterbury en den hertog Humfried van Buckingham naar het leger der opstandelingen om met hen te onderhandelen. John Cade weigerde echter zijn leger te ontbinden, tenzij de koning in eigen persoon tot hem kwam en al zijn vorderingen toestond. [693]

Toen hij vernam, dat de koning naar Kenilworth geweken was en in den Tower alleen een bezetting had achtergelaten onder bevel van Lord Scales, brak hij naar Londen op, nam zijn verblijf in „Het witte hert” in de voorstad Southwark, en trok den volgenden dag in Stafford’s harnas over de brug en de city binnen. Op de grens sloeg hij met zijn zwaard op den „Londener steen”, riep: „Nu is Mortimer meester van deze stad” en reed met vorstelijke praal door de straten. Lord Say, een der vrienden van Suffolk, schatbewaarder van het rijk, viel in zijn handen en werd onthoofd; hetzelfde lot trof den schoonzoon van Say, Sir James Cromer, die als Sheriff van Kent bijzonder streng was geweest. Beider hoofden werden op twee lange palen door de straten gedragen, maar op iederen hoek bij elkaar gehouden om „elkander te kussen.” Hierop volgden allerlei verdere gruwelen, brandschatting, plundering, terechtstellingen, bij welke laatste Cade ook zijn eigen volk niet verschoonde, want wie ongehoorzaam was of hem geen genoegzamen eerbied bewees, werd zonder genade onthoofd.

Eindelijk vermanden zich de burgers om tegenweer te bieden en grepen naar de wapens; de bevelhebber van den Tower stond hen bij met geschut en gaf hun een dapperen aanvoerder, Sir Matthias Gough, die in Normandië wakker tegen de Franschen gestreden had. Na een schrikkelijk gevecht bij nacht op de Londener brug, waarin Gough sneuvelde, gelukte het, de opstandelingen terug te drijven naar den zuidelijken oever van de Theems en hun de belofte af te persen, dat zij de city met vrede zouden laten. Zij trokken af naar Rochester en kregen er twist over de verdeeling van den buit; zij begonnen naar huis te verlangen; toen nu de koning een algemeene vergiffenis af liet kondigen voor hen, die van John Cade afvielen, verliep het geheele leger in een enkele nacht, zonder hun aanvoerder vaarwel te zeggen. John Cade, op wiens hoofd een prijs van duizend mark gesteld was, ontvlood te paard naar een boschrijke streek en zwierf eenige dagen rond, tot hij door Alexander Iden, Sheriff van Kent, in een tuin aangetroffen en strijdend gedood werd.

Weldra werd de troon door een nog feller gevaar bedreigd. De ontevredenheid was ook na Suffolk’s val algemeen; de weelde van het hof, de druk der hovelingen, der groote heeren en der geestelijkheid hield steeds aan; de koning deed niets en verdiepte zich slechts in vrome mijmeringen; de koningin voerde voor hem het bewind en koos als haar helper ’s konings neef, Edmund Beaufort, na den dood van zijn broeder John, hertog van Somerset1, die pas met de overblijfselen van het Engelsche leger uit Normandië terug was gekeerd en in het oog des volks de schuld droeg van de in Frankrijk ondervonden nederlagen; hij werd tot groot-connetabel van het rijk benoemd, wat bij het volk en een groot deel van den adel het misnoegen nog deed stijgen.—Onder deze omstandigheden landde Richard, hertog van York, stadhouder van Ierland, die, naar men beweerde, ook in den opstand van John Cade reeds de hand had gehad, in den herfst van 1450 onverwachts op de kust van Wales, verzamelde een vierduizend mannen en trok naar de hoofdstad om het wanbestuur van Somerset te doen ophouden.

Hij had vele der machtigste edellieden op zijn zijde en wel met name de familie der Nevils. Deze had, behalve haar oude erfgoederen, belangrijke bezittingen door huwelijk in eigendom, de graafschappen namelijk van Salisbury en Warwick; de vader had de eerstgenoemde,—de zoon, de later als koningmaker beroemde Warwick, had de tweede bezitting verworven door het huwelijk met de erfdochters der twee graafschappen. De vrouwen uit deze familie gingen aanzienlijke huwelijken aan; de gemalin van Richard van York zelf was een Nevil, zuster van Lord Salisbury, dochter van Ralf Nevil, graaf van Westmoreland, en van Johanna Beaufort, zooals in de geslachtslijst vermeld is. Zulke edellieden hadden een groote macht, onderhielden troepen, bezaten kanonnen en krijgsschepen, wat in een tijd, toen de vorsten slechts over weinige troepen konden beschikken, van groote beteekenis was; de steden en kasteelen der edelen waren vestingen. Nabij Shakespeare’s geboortestad verhief zich het grootsche slot, Warwick-castle, welks bouwvallen nog heden getuigen van de macht der vroegere bezitters. En inderdaad, vorstelijk was de huishouding van Richard, graaf van Warwick, den zoon van Lord Salisbury. Dagelijks werden er,—zoo verhaalt een oude kroniek,—zes ossen voor zijn ontbijt geslacht; in alle taveernen was van dit vleesch voorhanden, want wie in zijn huis slechts eenigszins bekend was, mocht er zooveel gekookt of gebraden vleesch uit medenemen, als hij op een langen dolk dragen kon.—De graaf van Warwick was de meest beminde edelman in Engeland, een der weinige, van wie het volk geloofde, dat zij voor de welvaart en de eer van Engeland hart hadden; ja, het was overtuigd, dat, zoo de zaak van hem had afgehangen, de veroveringen in Frankrijk niet verloren zouden gegaan zijn.

Maar, al mocht Richard van York ook op Salisbury, Warwick en andere invloedrijke edelen steunen, zoo snel als de dichter het voorstelt, was de gang der gebeurtenissen niet. Hij trachtte aanvankelijk den Hertog van Somerset door [694]middel van het parlement te verdrijven, maar hoeveel bijval hij bij het huis der Gemeenten vinden mocht, de hertog Edmund van Somerset, door de koningin ondersteund, wist zich in het bewind te handhaven. Eerst toen in 1452 de Hertog van York, steeds betuigende dat hij den koning trouw was, met een groote legermacht naar Londen optrok, om allen, die naar ’s volks oordeel verraders waren, uit ’s konings raad te verwijderen, stemde de koning, die ook te velde was getogen, toe, en beloofde, dat Somerset in hechtenis zou genomen worden. Toen gebeurde, wat Shakespeare in het eerste tooneel van het vijfde bedrijf voorstelt. York ontsloeg zijn leger en trad, vertrouwend op ’s konings woord, in diens tent. Daar echter vond hij Somerset in vrijheid, even fier als altijd; het kwam tot heftige woorden. York werd gevangen naar Londen gevoerd; zijn zoon Edward rukte weldra tot ontzet aan, maar eerst toen York in de Sint-Paulskerk gezworen had, levenslang een getrouw vazal en onderdaan van zijn genadigen heer en koning te zullen zijn, werd hij weder ontslagen.

Doch reeds in het volgende jaar vond hij weder aanleiding om zich te roeren. In 1453 werd de tachtigjarige held Talbot, toen hij het land bij de Garonne weder onder Engelsch bewind trachtte te brengen, geslagen en met zijn zoon en vele anderen gedood; in den herfst overviel den koning een zwakte zijner verstandelijke vermogens, die hem voor de regeering ongeschikt maakte; terzelfder tijd beviel de koningin van een zoon, waardoor voor York de hoop vervloog om op vreedzame wijze eenmaal de kroon te erlangen. Hij wist van de ontevredenheid over den loop der zaken in Frankrijk gebruik te maken om zich door middel van het parlement van het regentschap te verzekeren; Somerset werd in hechtenis genomen en, schoon men hem gerechtelijk niet aan verraad schuldig kon verklaren, in den Tower opgesloten; York werd tot „Protector en Defensor” van het rijk verklaard.

Maar York had ook vele tegenstanders, wier aantal vermeerderde, toen de voornaamste ambten in handen der vrienden van York kwamen. In het noorden stonden weldra de Percy’s, die reeds lang op de macht der Nevils naijverig waren, met vele anderen in de wapens. Terwijl de regent zelf tegen hen te velde toog, herstelde in Febr. 1455 plotseling de koning, stelde Somerset in vrijheid en deze herkreeg door de gunst der koningin weldra zijn vroegeren invloed. De Hertog van York moest, reeds uit zucht tot zelfbehoud, zich doen gelden; hij verzamelde zijn getrouwen, waaronder in de eerste plaats zijn zwager Henry Nevil, graaf van Salisbury en diens zoon Warwick, verder Lord Cobham en vele anderen en trok met drieduizend man op de hoofdstad aan, nog steeds zijn trouw aan den koning betuigend. Bij Sint-Albaans stieten zij, 21 Mei 1455, op tweeduizend gewapenden, met welke macht de hertogen van Somerset en Buckingham, de graven van Northumberland en Pembroke, Lord Clifford en vele anderen het hof naar Leicester wilden begeleiden. Nog eens vorderde York de afzetting en bestraffing zijner tegenstanders, en op het streng en weigerend antwoord volgde een hevig gevecht, dat vooral door de onstuimige dapperheid van Warwick ten voordeele van York beslist werd. Somerset, Northumberland, Clifford en vele anderen vielen; Koning Hendrik zelf, door een pijlschot in den nek verwond, geraakte in de macht der overwinnaars, die den volgenden dag met hem naar Londen togen.

Shakespeare heeft den slag van Sint-Albaans, waarmede het tweede deel van „K. Hendrik VI” eindigt, als het ware vereenzelvigd met den slag van Northampton, die vijf jaren later, 10 Juli 1460, plaats vond en waarin Warwick de strijdmacht der koningin geheel vernietigde. Want op den slag van Sint-Albaans volgde niet onmiddellijk, zooals het in het eerste tooneel van het derde deel van „K. Hendrik VI” wordt voorgesteld, het optreden van York als kroonpretendent; hij stelde zich, toen de koning weldra weder aan zijn vorige kwaal ter prooi was, tevreden met de waardigheid van protector en moest de vrienden der Lancasters nog steeds ontzien. Van 1455 tot 1459 was hij in onophoudelijken strijd om het gezag met de koningin en haar aanhangers; wel werd er in 1458 op verzoek van den weder herstelden koning schijnbaar een zoen getroffen, maar weldra braken er weder onlusten uit; er werd opnieuw naar de wapens gegrepen, in October 1459 werden York en de zijnen bij Ludlow geslagen en op den rand des ondergangs gebracht, maar in het volgend jaar werd op 10 Juli door den graaf van Warwick en York’s oudsten zoon Edward een beslissende overwinning bij Northampton behaald, waarin de Hertog van Buckingham en wel driehonderd andere koningsgezinde edelen vielen, zoodat de koningin Margaretha met haar zevenjarigen zoon hulpeloos en verlaten naar Schotland moest vluchten.—Voor het overige waren de omstandigheden na den slag bij Sint-Albaans en dien bij Northampton zeer gelijk; ook bij Northampton viel de koning in de macht der overwinnaars en moest hen naar Londen volgen, waar zij zich haastten de vruchten hunner overwinning door het parlement te laten bekrachtigen.—De dichter mocht zich dus volkomen gerechtigd achten om beide gebeurtenissen samen te smelten.

In het bovenstaande is bevat, wat de dichter in zijn bronnen voor zijn doel verwerkt heeft.


[695]

I. 1. 124. Die Suffolk! ’s Hemels sulfervuur dien hertog! In ’t Engelsch is het spelen met de klanken duidelijker: „For Suffolk’s duke, may he be suffocate!” Zulke woordspelingen met namen zijn, vooral in den mond van het volk, zeer gewoon.—Wil men van het spelen met de klanken afzien, dan kan men vertalen: „Die Suffolk! stikk’ hij aan zijn hertogdom!”

I. 1. 132. Een fraaie, nooit gehoorde grap, dat Suffolk Zoo groot bedrag, een vijftiende durft vragen Voor ’t halen en de kosten van den tocht. Het vijftiende, dat Suffolk vraagt, is hoogstwaarschijnlijk de vijftiende penning, die tot bestrijding van de kosten van den tocht geheven zou worden, in plaats van den tienden penning, waar de koning vroeger (I K. Hendrik VI, V, 5. 93.) van gesproken had. De buitengewone belastingen, die het parlement toestond, werden over de ingezetenen naar hun geschat inkomen omgeslagen en heetten tiende of vijftiende, naarmate er van iederen tienden of vijftienden penning een penning moest betaald worden. Een vijftiende, dus een inkomsten-belasting van 6⅔ ten honderd, komt in de oudere Engelsche geschiedenis niet zelden voor. Men bedenke bij de beoordeeling, dat zulke belastingen tot de buitengewone heffingen behoorden, en dat het geschatte, niet het geheele inkomen getroffen werd.—Delius verklaart dit vijftiende als het vijftiende deel van de opbrengst der belastingen; is deze opvatting de ware, dan kan de vertaling der plaats luiden:

Een fraaie, nooit gehoorde grap, dat Suffolk

’t Vijftiende deel der lasten van het volk

Vraagt voor de kosten van den overtocht.

I. 1. 194. En uwe daden, broeder York, in Ierland. York ging eerst vier jaar later als onderkoning naar Ierland. Salisbury noemt York broeder, omdat deze met zijn zuster, Cecilia Nevil, gehuwd was.

I. 1. 207. Dit zegt ook York, hij heeft den meesten grond. Namelijk als erfgenaam van ’t rijk; de stervende Mortimer had York,—zie 1 K. Hendrik VI, II, 5,—met zijn rechten bekendgemaakt. In den volgenden regel zegt Salisbury in het oorspronkelijke: „look into the main”, let op de hoofdzaak, waarop dan de woordspeling met het eveneens klinkende Maine volgt; de vertaler moest zich hier met mijne en Maine redden.

I. 1. 234. Als eens Althæa’s onheilzwanger brandhout Voor ’t harte van den Prins van Calydon. De prins van Calydon is Meleager, die volgens de oud-Grieksche mythe zoo lang leven zou, als een stuk hout, dat zijn moeder Althæa uit de vlammen gered had en bewaarde, onverbrand zou blijven.

I. 1. 240. Daarom sluit ik mij bij de Nevils aan. De Nevils: Salisbury en Warwick.

I. 2. 42. Booze Eleonora. Er staat eigenlijk: slecht opgevoede.

I. 2. 68. Waar blijft gij toch, Sir John? Sir was de titel, waarmede priesters werden aangesproken.

I. 3. 4. Allen gezamenlijk. In the quill, een zeer verschillend verklaarde uitdrukking, zie H. Irving’s Shakespeare II. p. 80, waar de beteekenis in a body hoogstwaarschijnlijk gemaakt wordt. Volgens een andere verklaring zou „zwart op wit” een juiste vertaling zijn.

I. 3. 15. Voor den lord Protector? Hier moet zeker, zooals Marshall opmerkt, for en niet to gelezen worden.

I. 3. 29. Tegen mijnen meester, Thomas Horner. Volgens de kronieken had in 1446 met een wapensmid inderdaad plaats, wat hier vermeld wordt. Ook het voorval met den blinde, die ziende werd, dat in het eerste tooneel van het volgend bedrijf voorkomt, steunt op een verhaal der kronieken.

I. 3. 141. Mijn waaier, vlug! De koningin houdt zich alsof zij een hofdame voor zich meent te hebben en eerst later haar vergissing bespeurt. Zulke eeredames waren nog aan het hof van koningin Elizabeth niet veilig voor een vorstelijke oorveeg.

I. 3. 171. Mylord van Somerset mij hier zou houden. York zinspeelt er op, dat Somerset hem niet heeft bijgestaan om Talbot te redden; zie „K. Hendrik VI”, IV. 3.

I. 4. 33. Een hertog, een die leeft, zet Hendrik af. Het orakel is dubbelzinnig, daar Een Hertog, zoowel als Hendrik, onderwerp of voorwerp zijn kan; in ’t oorspronkelijke is het evenzoo met that en Henry het geval. Ook het hij in den volgenden regel is onbepaald. Daarom wordt deze uitspraak later door York vergeleken met het orakel, dat Pyrrhus, koning van Epirus, van Delphi ontving, toen hij vroeg of hij de Romeinen zou overwinnen, dat op dezelfde wijze zoo wel kan beteekenen: „Ik zeg, afstammeling van Æacus, dat gij de Romeinen kunt overwinnen”, als: „dat de Romeinen U kunnen overwinnen”.

I. 4. 53–79. Weg met hen enz. Deze regels zijn hier, volgens de opmerkingen van Marshall, aan York toegekend.

II. 1. 4. De oude Hans. Naam van een jachtvalk.

II. 1. 24. Tantæne animis cælestibus iræ? Huist in hemelsche gemoederen zulk een gramschap? Uit Vergilius.—Twee bladzijden verder wordt ook de spreuk: „Geneesheer, genees uzelven”, in het Latijn gedeeltelijk aangehaald. De jeugdige Shakespeare wil zijne schoolherinneringen eens luchten of het geleerdheids-vertoon zijner voorgangers navolgen. Twee regels verder [696]is vertaald naar Marshall’s verbetering: With so much holiness can you not do it?

II. 1. 126. Deze toespraak van Gloster wordt vaak, misschien niet ten onrechte, als proza gedrukt.

II. 2. 64. Koning ben ik niet, Voor ik gekroond ben. Volgens de beschouwing der middeleeuwen maakte eerst de kroning tot koning. Zie pag. 429 de aanteekening op „Koning Jan”, IV. 2. 42.

II. 3. 13. Bij Sir John Stanley op het eiland Man. De Stanleys waren de beheerders van het eiland Man en bleven dit lang; eerst in deze eeuw verloor het huis Stanley, welks hoofd graaf van Derby is, door een parlementsbesluit deze waardigheid.

II. 3. 63. Charneco. Een zoete Portugeesche wijn, naar een dorp bij Lissabon benoemd.

III. 1. 59. Doodstraffen voor geringe schuldbedrijven. In de bij het parlement te Bury ingediende aanklacht tegen Gloster werd onder anderen het invoeren van onwettige wijzen van doodstraf hem verweten. De hertog, zegt Holinshed, wist zich te rechtvaardigen, maar zijn onschuld vermocht hem niet meer te redden.

III. 1. 63. Wat daag’lijks in die steden oproer wekte. Daar de Engelsche bezettingen geen soldij bekwamen en verliepen, zoodat de steden zich van het Engelsche juk konden ontslaan.

III. 1. 361. Een bende Kernen. De woeste Keltische boeren van Ierland.—Met moorendanser, 4 regels lager, wordt een danser bedoeld uit den oud-Engelschen volksdans, morisco of morrisdance, die in Mei en omstreeks Pinksteren op de straten werd uitgevoerd; de nar uit den stoet droeg schelletjes. Men vergelijke blz. 610 de aanteekening op „K. Hendrik V”, II. 4. 25.

III. 2. 76. Als de adder doof geworden. Naar het volksgeloof was de adder doof.

III. 2. 89. Koop’ren grotten. Toespeling op Æolus, die volgens de ouden de winden in een grot opgesloten hield.

III. 2. 116. Mij te betoov’ren, evenals Ascanius. Zinspeling op de plaats in Vergilius’ Æneis, waar Amor, na de gedaante te hebben aangenomen van Æneas’ zoon Ascanius, bij de koningin Dido de daden en deugden van den Trojaanschen held roemt en daardoor de liefde der koningin voor Æneas aanwakkert.

III. 2. 226. Bloedzuiger en belager in den slaap. Warwick denkt aan de Vampyrs, die slapenden bloed afzuigen en hen daardoor dooden.

III. 2. 310. Zoo vloeken dood bracht als de alruinenkreet. Men zie de aanteekening op „Romeo en Julia”, blz. 309.

III. 2. 344. Dat gij bij ’t zeeg’len steeds aan deze dacht. De koningin wijst bij het woord deze op haar lippen, gelijk uit den volgenden regel blijkt.

IV. 1. 3. De knollen, elders door Sh. ook wel het drakenspan der Nacht genoemd.

IV. 1. 29. Zie mijn Sint George. Suffolk wijst op zijn medaille met het beeld van Sint George, die hij als ridder van den Kouseband draagt.

IV. 1. 35. Door Water zoude ik sterven. In het Engelsch is de woordspeling beter, want Walter en Water worden eveneens of nagenoeg gelijk uitgesproken.

IV. 1. 54. Behangen muildier. Een lang kleed of schabrak, over het zadel geworpen, waardoor bijna het geheele paard of muildier bedekt was, werd alleen door personen van rang gebezigd.

IV. 1. 70. Ja, Poole. De kapitein onthoudt aan Suffolk den titel mylord en noemt hem eenvoudig met zijn familienaam Poole,—spreek uit: Poel,—en beleedigt, als Suffolk hierover verontwaardigd is, nog verder door een woordspeling op dien naam.

IV. 1. 99.Invitis nubibus”. Invitis nubibus, trots de wolken. De Hertog van York nam het embleem aan van koning Edward III, een door wolken heenbrekende zon, met genoemd onderschrift. Vandaar wordt meermalen van de zon van York gesproken; men zie de eerste regels van Shakespeare’s „Koning Richard III.”

IV. 1. 108. De sterke Bargulus. Shakespeare kan dezen zeeroover der oudheid hebben gekend uit Cicero’s boek De officiis (II, cap. 11.), waarvan er in zijn tijd reeds twee Engelsche vertalingen bestonden.

IV. 1. 117. Pene gelidus timor occupat artus. Schier bevangt kille schrik mijn leden. Van waar dit stuk van een Latijnschen versregel herkomstig is, is onbekend.

IV. 1. 136. Brutus’ bastaardhand. In Sh.’s „Julius Cæsar” wordt in het geheel niet gezinspeeld op de meening, dat Brutus een natuurlijke zoon van Cæsar zou geweest zijn.—Dat Pompejus door woest eiland volk vermoord is, is niet juist; misschien verwarde Sh. den moord met een anderen.

IV. 2. 37. Onze vijanden moeten vallen.—Dit vallen is een woordspeling met het latijnsche „cade”, „val!” In het oorspronkelijke zegt de slager Dick ter zijde: „Of liever, wijl hij een tonnetje (cade) haring gestolen heeft.”—Bij het hier gebezigde „keet” denke men aan de tegenwoordige Engelsche uitspraak van Cade (keed).

IV. 2. 47. Uit het geslacht van de Spencers. In het oorspronkelijke staat: „van de Lacies”, waarop Dick meent, dat zij wel laces (veters) kan verkocht hebben.

IV. 2. 62. Drie marktdagen achtereen.—Tuchtigingen werden op marktdagen uitgedeeld, om haar meer openbaarheid te geven.

IV. 2. 106. Emanuël.Emanuël beteekent: „God zij met u” en werd in dien zin meermalen [697]boven officieele bekendmakingen en brieven geplaatst.

IV. 2. 119. Enkele kerel.—In ’t Engelsch: thou particular fellow; „particular” bijzonder, in tegenstelling van „general”, algemeen.

IV. 2. 166. Duitenwerpen.—In ’t Engelsch spancounter; een spel, waarbij men een munt zoo dicht mogelijk tracht te werpen bij het door den vorigen speler geworpen geldstuk; is de afstand met de hand te overspannen, dan wint men den inzet of het eerstgeworpen stuk. In den tijd van Hendrik V, zegt Cade, speelde men dit spel, in plaats van met duiten, met goudstukken uit den buit, op de Franschen behaald.

IV. 3. 7. De vastentijd zal enz. In den vastentijd mochten de vleeschhouwers niet slachten, maar Dick zal er vergunning toe krijgen en wel voor 99 beesten.

IV. 3. 11. Dit gedenkteeken van de overwinning enz. De wapenrusting van den verslagen Stafford, die volgens Holinshed met gouden nagels beslagen was.

IV. 4. 44. Killingworth. Een oudere naam voor Kenilworth, het beroemde slot in Warwickshire.—Tot het juist verstaan van de berichten der boden bedenke men, dat de opstandelingen van het zuiden aanrukten en eerst Southwark namen, de zuidelijke voorstad van Londen, op den rechteroever van de Theems tegenover de City gelegen, daarna de Londenbrug, die toen de eenige was, welke de beide oevers verbond. Zij was van hout gebouwd en met huizen bezet.

IV. 6. 2. Londener steen. Een van oude tijden her bekende steen, die eeuwen lang in de Cannon street lag en hetzij een Romeinsche mijlsteen, hetzij een Saksische grenssteen was. Hij is later bij een kerk geplaatst.—Een oogenblik later wordt van the pissing-conduit gesproken, misschien een fontein in den trant van „den oudsten burger van Brussel.”

IV. 7. 2. Het Savooische huis. In het Engelsch kortweg the Savoy. Het was een paleis, in 1245 door Peter, graaf van Savoye, gebouwd, aan den oever van de Theems. Het werd soms door den koning, soms door een der prinsen bewoond. Shakespeare schrijft hier aan Cade toe, wat door Holinshed bericht wordt van den vroegeren bekenden opstandeling. Wat Tyler, bij wiens opstand het Savooische huis vernield werd.—Deze was het ook, die gezegd heeft, dat binnen vier dagen de wetten van Engeland uit zijn mond zouden komen.

IV. 7. 24. Die ons een-en-twintig maal den vijftienden penning heeft laten betalen en een schelling van het pond bij de laatste oorlogsschatting.—Say had alzoo tijdens zijn beheer een-en-twintig maal den vijftienden penning, en bij de laatste oorlogsbelasting bovendien een schelling van het pond, dus een twintigsten penning laten betalen.

IV. 7. 27. Zoo, gij Say, gij saai enz. In het Engelsch staat: Ah, thou say, thou serge, nay, thou buckram lord! Say is fijner stof dan serge, en dit weer beter dan buckram, zoodat Say gedegradeerd wordt. In ’t Nederlandsch had misschien saai, serge en karsaai kunnen gekozen zijn.—Monsieur Baesimeku, dat volgt, een schimpnaam voor een Franschman, is verbasterd van baise mon cul.

IV. 7. 61. Bona terra, mala gens. Het land goed, maar het volk kwaad.

IV. 7. 66. De liefste streek. In Arthur Golding’s vertaling van Julius Cæsar (1565) kon Shakespeare lezen: Of all the inhabitants of this isle the Kentishmen are the civilest. Sh. spreekt hier ook van the civil’st place.

IV. 7. 131. Koopwaren op te nemen, waar onze bijlen borg voor spreken. In ’t Engelsch staat: take up commodities upon our bills. Bill beteekent zoowel wissel of schuldbekentenis, als hellebaard.

IV. 8. 13. Een oproerling. Hier is de blijkbaar juiste emendatie gevolgd: Or let a rebel etc.

IV. 8. 48. „Vigliacco!” roept tot elk, dien hij ontmoet.—Het Italiaansche woord vigliacco (lomperd, ellendeling), dat, viliacco geschreven, bij Engelsche schrijvers van Sh.’s tijd meermalen voorkomt, b.v. bij Ben Jonson, en dat in Florio’s Italiaansch woordenboek (van dien tijd) verklaard wordt met a rascal, a base varlet. In de Folio-uitgave, staat villiago, waarvan men ook wel villageois heeft willen maken.

IV. 9. 26. Galloglassen. Evenals Kernen woeste Iersche troepen, ook in Macbeth, I. 2. 13. vermeld. Galloglassen zijn zwaar-, Kernen lichtgewapenden.

IV. 10. 9. Haver in plaats van helm. In ’t oorspronkelijke vindt men een woordspeling met sallet, dat zoowel helm als salade beteekent.

V. 1. 144. Roept aan den paal hier mijn twee wakk’re beren. De Nevils, waartoe Salisbury en Warwick behoorden, voerden een aan een paal geketenden beer in hun wapen.

V. 2. 28.La fin couronne les oeuvres.” Cliffords wapenspreuk en oorlogskreet.

V. 2. 59. Medea. Medea deelde bij haar vlucht met Jason haar gedooden broeder Abyssus in stukken, om haar vader bij zijn vervolging op te houden.

V. 2. 68.’t Kasteel van Sint-Albaans.” Men herinnere zich de voorspelling: „Kasteelen moog’ hij mijden!” blz. 661, I. 4. 38. [698]


1 Shakespeare heeft van de beide broeders één persoon gemaakt.