WeRead Powered by ReaderPub
Koning Hendrik de Zesde cover

Koning Hendrik de Zesde

Chapter 67: EERSTE TOONEEL.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The play opens with a recent king's funeral and scenes of political fragmentation as a young heir ascends, prompting rival nobles to jockey for control. Military reverses in France and the rise of a charismatic French leader undermine English authority abroad, while celebrated commanders suffer setbacks. At home, feuds among powerful dukes and courtiers escalate into factional violence between competing houses, and legal and ecclesiastical maneuvers complicate governance. Omens and public unrest foreshadow deeper national decline. The action alternates battlefield episodes with court intrigue, showing how personal ambition and factional strife weaken a realm already strained by foreign war.

KONING HENDRIK DE ZESDE.

DERDE DEEL.

  • PERSONEN:

  • Koning Hendrik de Zesde.
  • Edward, Prins van Wales, zijn zoon.
  • Lodewijk de Elfde, koning van Frankrijk.
  • De Hertog van Somerset, de Hertog van Exeter, de Graaf van Oxford, de Graaf van Northumberland, de Graaf van Westmoreland en Lord Clifford, aanhangers des Konings.
  • Richard Plantagenet, Hertog van York.
  • Edward, Graaf van March, later Koning Edward de Vierde, zoons van den Hertog van York.
    Edmond, Graaf van Rutland,
    George, later Hertog van Clarence,
    Richard, later Hertog van Gloster,
  • De Hertog van Norfolk, de Markies van Montague, de Graaf van Warwick, de Graaf van Pembroke, Lord Hastings en Lord Stafford, aanhangers van den Hertog van York.
  • Sir John Mortimer en Sir Hugo Mortimer, ooms van den Hertog van York.
  • Hendrik, de jonge Graaf van Richmond.
  • Lord Rivers, broeder van Lady Grey.
  • Sir William Stanley, Sir John Montgomery en Sir John Somerville.
  • De Leermeester van Rutland.
  • De Mayor van York, de Slotvoogd van den Tower en een Edelman.
  • Twee Boschwachters en een Jager.
  • Een Zoon, die zijn Vader gedood heeft.
  • Een Vader, die zijn Zoon gedood heeft.
  • Koningin Margaretha.
  • Lady Grey, later Gemalin van Koning Edward den Vierden.
  • Bona, zuster van de Koningin van Frankrijk.
  • Soldaten en verder Gevolg van Koning Hendrik en van Koning Edward, Boden, Wachten, enz.

Het Tooneel is gedurende een deel van het Derde Bedrijf in Frankrijk, voor het overige in Engeland.

[Inhoud]

EERSTE BEDRIJF.

[Inhoud]

EERSTE TOONEEL.

Londen. Het Parlementshuis.

Getrommel. Eenige Soldaten van de partij van York dringen de zaal binnen. Daarna komen op: de Hertog van York, met zijn zoons Edward en Richard, de Hertog van Norfolk, de Markies van Montague, de Graaf van Warwick en Anderen, met witte rozen aan den hoed.

Warwick.

’t Verbaast mij, dat de koning ons ontkwam.

York.

Terwijl wij fel zijn ruiters uit het noorden

Vervolgden, sloop hij van zijn leger weg,

Waarop de groote lord Northumberland,

Wiens krijgersooren nooit terugtocht duldden,

Het matte leger moed wist in te storten;

Hijzelf, lord Clifford en lord Stafford naast zich,

Stormde in op onze voorste rij, brak door,

Maar viel, met hen, door ’t zwaard van mind’re krijgers.

Edward.

De hertog Buckingham, lord Stafford’s vader,

Moet of gesneuveld zijn of zwaar gewond;

Ik spleet hem met een fellen houw den helm;

Zie, vader, als getuig’nis hier zijn bloed.

(Hij toont zijn bloedig zwaard).

Montague

(tot York). En zie het bloed hier, broeder, van graaf Wiltshire,

Met wien ik bij ons treffen heb gekampt.

(Hij toont mede zijn bloedig zwaard.)

Richard.

Spreek gij voor mij en zeg hun, wat ik deed.

(Hij werpt het hoofd van Somerset ter aarde.)

[699]

York.

Richard verdient den prijs vóór al mijn zoons.—

Wat, heer, gij dood, mylord van Somerset?

Norfolk.

Dit wachte heel den stam van Jan van Gent!

Richard

(het hoofd weer opnemend). Zoo hoop ik koning Hendriks hoofd te schudden.

Warwick.

En ik met u.—Zeeghafte prins van York,

Tot ik ù zeet’len zie op dezen troon,

Door ’t huis van Lancaster zich aangematigd,

Sluit ik deze oogen nimmer, neen, bij God!

Dit hier is het paleis des laffen konings,

En dit des konings stoel; bestijg hem, York;

U komt hij toe, niet Koning Hendriks erven.

York.

Help dan, mijn beste Warwick, en ik wil het;

Want ingebroken zijn wij met geweld.

Norfolk.

Wij allen staan u bij; wie vlucht, zal sterven.

York.

Dank, waarde Norfolk.—Blijf mij bij, mylords;—

En gij, soldaten, neemt hier nachtkwartier.

Warwick.

En komt de koning, grijpt niet naar de wapens,

Tenzij hij met geweld u wil verdrijven. 34

(De Soldaten trekken zich terug.)

York.

De koningin houdt heden parlement hier.

Wis niet vermoedend, dat wij meê vergaad’ren.

Of woord of zwaard verschaffe ons hier ons recht.

Richard.

Laat ons hier allen, zoo gewapend, blijven.

Warwick.

Plantagenet, hertog van York, zij koning,

En die beschroomde Hendrik afgezet,

Wiens lafheid ons ten spot des vijands maakt,—

Of ’t bloedig parlement zij dit geheeten.

York.

Nu dan, mylords, verlaat mij niet; staat pal;

Ik denk bezit te nemen van mijn recht.

Warwick.

De koning, noch wie hem het meest bemint,

De stoutste, die voor Lancaster het opneemt,

Waagt zelfs geen vleugelslag, indien lord Warwick,

Uw edelvalk, zijn bellen rink’len laat.

Ik plant Plantagenet; wied’ hem, wie ’t waagt.—

Beslis nu, Richard; vorder Englands troon.

(Warwick geleidt York naar den troon; deze zet er zich op neder.)

(Trompetgeschal. Koning Hendrik, Clifford, Northumberland, Westmoreland en Anderen komen op, met roode rozen op den hoed.)

Koning Hendrik.

Ziet, lords, ziet dien vermeet’len oproerling;

Hij zit daar op ’s rijks stoel; hij streeft, zoo schijnt het,

Op Warwick steunend, op dien valschen pair,

Naar onze kroon, en wil als koning heerschen.—

Northumberland, uw vader viel door hem,

Ook de uwe, Clifford; beiden zwoert gij wraak

Aan hem, zijn zoons, zijn gunst’lingen en vrienden.

Northumberland.

Wreek ik mij niet, dan wreek’ zich God aan mij!

Clifford.

’t Is om die hoop, dat Clifford rouwt in ’t staal.

Westmoreland.

Wat! zouden wij dit dulden? Sleurt hem neer!

Van woede vlamt mijn hart; ik lijd dit niet.

Koning Hendrik.

Geduld, mijn beste graaf van Westmoreland!

Clifford.

Geduld is goed voor lafaards zooals hij;

Hij zat daar niet, indien uw vader leefde.

Genadig heer, laat ons in ’t parlement

Hier op den stam van York een aanval doen.

Northumberland.

Zeer goed gesproken, neef, ja, zij het zoo!

Koning Hendrik.

Ach! weet gij ’t niet? De stad begunstigt hen,

En troepen krijgers wachten op hun wenken!

Exeter.

Die vluchten wis, zoodra de hertog valt. 69

Koning Hendrik.

O ver van Hendriks hart steeds de gedachte,

Dit parlement een slachthuis te doen zijn!

Neef Exeter, neen, woorden, blikken, dreiging,

Dat is de krijg, dien Hendrik voeren wil.

(Hij treedt, door zijn Lords gevolgd, op York toe.)

Oproer’ge hertog York, verlaat mijn troon,

Kniel om genade en gunst aan mijne voeten;

Ik ben uw heer en vorst.

York.

Ik ben uw heer en vorst. Neen! ik ben de uwe.

Exeter.

Kom af, gij dankt hem ’t hertogdom van York.

York.

Mijn erfdeel was dat, zooals ’t graafschap March.

Exeter.

Uw vader pleegde aan kroon en vorst verraad.

Warwick.

Gij, Exeter, pleegt aan de kroon verraad,

Wanneer gij de’ usurpator Hendrik volgt.

Clifford.

Wien zou hij volgen, dan zijn echten koning?

Warwick.

Juist, Clifford; dat is Richard, hertog York.

Koning Hendrik.

Wat! moet ìk staan? gij zitten op mijn troon?

York.

Zoo moet en zal het zijn; dus, leer u schikken.

[700]

Warwick.

Wees hertog Lancaster, en hij zij koning.

Westmoreland.

Hij is dit, en ook hertog Lancaster;

Dit zal de lord van Westmoreland u staven.

Warwick.

En Warwick zal ’t u looch’nen. Gij vergeet,

Dat wij het zijn, die u van ’t veld verjaagden,

Uw vaders doodden, met ontplooide vanen

Door Londens straten trokken naar ’t paleis.

Northumberland.

Ja, Warwick, dit herdenk ik tot mijn leed;

En bij zìjn ziel, u rouwt dit en uw huis.

Westmoreland.

Plantagenet, meer levens zal ik nemen

Van u, uw zoons, uw magen, vrienden, dan

Er drupp’len bloeds in mijnen vader waren.

Clifford.

Terg ons niet verder, of, in plaats van woorden,

Zal ik u, Warwick, zulk een bode zenden,

Dat die, eer ik mij roer, zijn dood zal wreken.

Warwick.

Hoort Clifford! hoe belach ik ijdel dreigen!

York.

Laat ons onze aanspraak op de kroon bewijzen;

Zoo niet, dan wijze in ’t veld ons zwaard het uit.

Koning Hendrik.

Wat recht hebt gij, verrader, op de kroon? 104

Uw vader was, als gij, hertog van York;

Uw moeders vader was de graaf van March;—

Mijn vader was de groote vijfde Hendrik,

Die Frankrijk buigen deed en den dauphijn,

Hun steden en hun landen heeft veroverd.

Warwick.

Spreek niet van Frankrijk; ’t werd door u verloren.

Koning Hendrik.

Dat deed de lord protector, en niet ik;

’k Was negen maanden oud, toen ik gekroond werd.

Richard.

Thans zijt gij oud genoeg, en toch verliest gij.

Ontruk die kroon hem, vader, u ontroofd.

Edward.

Ja, vader, juist, druk die uzelf op ’t hoofd.

Montague

(tot York). Mijn broeder, eert gij waap’nen, zijn ze u lief,

Zoo win uw zaak door strijd en niet door twisten.

Richard.

Blaast! roert de trom! dan vlucht de koning wis.

York.

Stil, zoons!

Koning Hendrik.

Stil gij, en laat den koning aan het woord.

Warwick.

Plantagenet, spreek eerst; lords, hoort hem aan;

En luistert zwijgend en aandachtig toe;

Wie in de rede valt, hij zal niet leven.

Koning Hendrik.

Waant gij, dat ik mijn koningstroon verlaat,

Waarop mijn vader en diens vader zaten?

Neen, eer moge oorlog dit mijn rijk ontvolken,

En hunne vanen,—vaak in Frankrijk wapp’rend,

Doch nu in England, tot mijn harteleed,—

Mijn lijkwâ zijn!—Wat blikt gij weiflend, lords?

Mijn recht is goed, veel beter dan het zijne.

Warwick.

Toon ’t, Hendrik, aan, en draag de kroon als vorst.

Koning Hendrik.

Hendrik de vierde won haar door veroov’ring.

York.

Neen, neen, door opstand tegen zijnen vorst.

Koning Hendrik

(ter zijde). Wat nu te zeggen? want mijn recht is zwak.

(Luid.) Een vorst kan toch een erfgenaam benoemen?

York.

Wat verder?

Koning Hendrik.

Indien hij ’t kan, dan ben ik wettig koning,

Want Richard heeft, in ’t bijzijn veler lords,

Zijn kroon den vierden Hendrik afgestaan;

Die liet haar aan mijn vader, deze aan mij.

York.

Hij was in opstand tegen hem, zijn koning,

En dwong hem door geweld, zijn troon te ontruimen. 142

Warwick.

Doch stelt, mylords, hij deed het zonder dwang,

Gelooft, dat dit zoo het kroonrecht dwong?

Exeter.

Dat niet; want zoo kon hij geen afstand doen,

Dat niet de naaste in ’t bloed de kroon zou dragen.

Koning Hendrik.

Gij, hertog Exeter, gij tegen ons?

Exeter.

Vergeef mij, maar aan zijne zijde is ’t recht.

York.

Wat fluistert gij, mylords, en geeft geen antwoord?

Exeter.

’t Geweten zegt mij, hij is wettig koning.

Koning Hendrik

(ter zijde). Nu zullen ze allen overgaan tot hem.

Northumberland.

Plantagenet, wat gronden gij ook noemt,

Waan niet, dat Hendrik zoo wordt afgezet.

Warwick.

De afzetting zal, trots heel de wereld, volgen.

Northumberland.

Voorwaar, gij dwaalt; al uwe macht in ’t zuiden,

In Essex, Norfolk, Suffolk of in Kent,—

Die u zoo trotsch en overmoedig maakt,—

Kan niet, trots mij, den hertog ooit verhoogen.

Clifford.

Zij ’t recht van koning Hendrik goed of niet,

Lord Clifford zweert u, Heer, voor u te strijden;[701]

Die plek moog’ gapen, levend mij verslinden,

Waar ik ooit voor mijns vaders moord’naar kniel!

Koning Hendrik.

O Clifford, hoe versterkt uw taal mijn hart!

York.

Hendrik van Lancaster, leg neer de kroon!—

Wat mompelt gij, wat hebt gij voor, mylords?

Warwick.

Kent dezen hoogen hertog York zijn recht toe,

Of van gewapend volk vervul ik ’t huis,

En boven dezen praalstoel, waar hij zetelt,

Schrijf ik zijn recht met usurpatorsbloed!

(Hij stampvoet, de Soldaten verschijnen.)

Koning Hendrik.

Mylord van Warwick; hoor een enkel woord,

Laat mij mijn leven lang als koning heerschen.

York.

Bekrachtig mij de kroon en aan mijn erven,

En rustig heerscht gij heel uw leven lang.

Koning Hendrik.

Ik neem het aan, Richard Plantagenet,

Na mijn verscheiden zij de kroon uw deel.

Clifford.

Welk onrecht pleegt gij aan den prins, uw zoon!

Warwick.

Wat winst verwerft hij voor zichzelf en England! 177

Westmoreland.

Versaagde, moedelooze, laffe Hendrik!

Clifford.

Wat hebt gij daar uzelf en ons gekrenkt!

Westmoreland.

Ik blijf niet om dit vreêverdrag te hooren.

Northumberland.

Ik evenmin.

Clifford.

Kom, neef, dit plan de koningin gemeld!

Westmoreland.

Vaarwel, kleinmoedige en ontaarde vorst,

In wiens koud bloed geen vonkje eere leeft!

Northumberland.

Wees gij een buit voor ’t huis van York, en sterf

In boeien voor dit man-onteerend doen!

Clifford.

Word gij in schrikb’ren krijg steeds overwonnen,

Of leef in vreê steeds eenzaam en veracht!

(Northumberland, Clifford en Westmoreland af.)

Warwick.

Blik hierheen, Hendrik, sla geen acht op hen!

Exeter.

Zij zoeken wraak, en daarom zijn ze onbuigzaam.

Koning Hendrik.

Ach, Exeter!

Warwick.

Ach, Exeter! Waarom dat zuchten, Heer?

Koning Hendrik.

Niet om mijzelf, lord Warwick, om mijn zoon,

Dien ik zoo onnatuurlijk moet onterven.—

Doch zij dit hoe het wil, hiermeê vermaak ik

De kroon voor eeuwig u en uwen erven;

Met dit beding, dat gij den eed hier doet,

Den burgerkrijg te staken en mij steeds,

Zoolang ik leef, als heer en koning te eeren,

En noch door open krijg, noch door verraad

Te streven naar mijn val om zelf te heerschen.

York

(van den troon stijgend). Dien eed doe ik volgaarne en zal hem houden.

Warwick.

Leef, Hendrik, lang!—Plantagenet, omarm hem!

Koning Hendrik.

Leef lang ook gij, en deze uw kloeke zoons!

York.

Zoo zijn dan York en Lancaster verzoend.

Exeter.

Vervloekt zij hij, die vijandschap wil zaaien!

(Trompetgeschal. De Lords treden vooruit.)

York.

Vaarwel, mijn vorst, ik ga naar mijn kasteel.

Warwick.

En ik zal Londen met mijn volk bezetten.

Norfolk.

En ik ga met mijn volgers weer naar Norfolk.

Montague.

En ik weer naar de kust, van waar ik kwam. 209

(York en zijn Zonen, Warwick, Norfolk, Montague, Soldaten en Gevolg af.)

Koning Hendrik.

En ik, met leed en kommer naar mijn hof.

(Koningin Margaretha en de Prins van Wales komen op.)

Exeter.

Daar komt de koningin: haar blik spelt toorn;

’k Wil henensluipen.

Koning Hendrik.

Exeter, ook ik.

(Hij wil heengaan.)

Koningin Margaretha.

Neen, ga niet van mij weg; ik zal u volgen.

Koning Hendrik.

Wees kalm, mijn lieve gade, en ik zal blijven.

Koningin Margaretha.

Wie kan bij ’t uiterst leed aan kalmte denken?

Onzalig man! ware ik als maagd gestorven,

Hadde ik u nooit gezien, geen zoon gebaard,

Die zulk een vader had, zoo onnatuurlijk!

Heeft hij ’t verdiend, zijn erfrecht zoo te derven?

Hadt gij hem half zoo veel bemind als ik,

Hadt gij voor hem geleden, wat ik leed,

Hadt gij, als ik, hem met uw bloed gevoed,

Eer hadt ge uw dierbaarst hartebloed gegeven,

Dan ooit dien woestaard erfgenaam gemaakt,

En dezen uwen een’gen zoon onterfd.

Prins.

Mijn erfdeel, vader, kunt gij mij niet nemen;

Zijt gij hier Koning, dan volg ik u op.

[702]

Koning Hendrik.

Vergeef, Marg’retha,—lieve zoon, vergeef mij;—

Graaf Warwick en de hertog dwongen mij.

Koningin Margaretha.

Zij dwongen u! gij, koning, laat ge u dwingen?

Ik schaam mij u te hooren spreken! Lafaard!

Gij bracht uzelf ten val, uw zoon en mij,

En gaaft aan ’t huis van York zoo groot een macht,

Dat gij slechts heerschen zult, als zij het dulden.

Uw kroon aan hem, zijn erven, te vermaken,

Wat anders is ’t, dan zelf uw graf te delven,

Er in te sluipen, lang vóór uwen tijd?

Warwick is kanselier, beheerscht Calais,

De onbuigb’re Faulconbridge de nauwe zee,

De hertog is protector nu van ’t rijk,

En acht ge u veilig? zulk een veiligheid

Geniet een sidd’rend lam, omringd van wolven.

Ware ik, een zwakke vrouw, slechts hier geweest,

Eer had ik door de krijgers op hun pieken

Mij laten rijgen, dan dat ik mij ooit

Tot zulk een onderhand’ling had verstaan;

Maar gij verkiest uw leven boven de eer;

En wijl ik zie, dat gij dit doet, zoo scheide ik

Mij, Hendrik, van uw disch en bed, totdat

Dit parlementsbesluit vernietigd is,

Waarbij mijn’ zoon zijn erfdeel is ontroofd.

De lords van ’t noorden, die uw vaan verzaakten,

Zij volgen wis de mijne, waar zij wappert;

En wapp’ren zal zij, u tot bitt’ren smaad,

En ’t gansche huis van York ten ondergang.

Aldus verlaat ik u.—Kom, zoon, van hier;

Ons leger staat bereid; kom dus, hen na! 256

Koning Hendrik.

Blijf, lieve Margaretha, laat mij spreken.

Koningin Margaretha.

Te veel hebt gij alreeds gesproken; ga!

Koning Hendrik.

Edward, mijn lieve zoon, blijft gij niet bij mij?

Koningin Margaretha.

O ja! opdat de vijand hem vermoorde!

Prins.

Als ik van de’ oorlog zegevierend keer,

Kom ik tot u; tot zoolang volg ik haar.

Koningin Margaretha.

Kom, zoon, wij mogen zoo niet dralen; kom!

(Koningin Margaretha en de Prins van Wales af.)

Koning Hendrik.

Die arme vrouw! haar drijft haar teed’re liefde

Voor mij en voor haar zoon tot woeste vlagen!

God wreke haar op dezen boozen hertog,

Wiens eerzucht, van begeert’ bevleugeld, mij

De kroon zal kosten, als een hong’rige aad’laar

Mijn vleesch verscheuren zal en dat mijns zoons!—

Die afval der drie lords bezwaart mijn hart;

Ik zal hun schrijven, vleiend tot hen smeeken.—

Kom, waardige oom, gij moet mijn bode zijn.

Exeter.

En ik, ik hoop hen allen te verzoenen.

(Beiden af.)

[Inhoud]

TWEEDE TOONEEL.

Een vertrek in het slot Sandal, nabij Wakefield.

Edward, Richard en Montague komen op.

Richard.

Vergun mij, broeder, schoon ik jonger zij,—

Edward.

Neen, neen, ik kan voor reed’naar beter spelen.

Montague.

Maar ik heb gronden van gewicht en kracht.

(York komt op.)

York.

Hoe is het, zoons en broeder? aan ’t krakeelen?

Waarover hebt gij twist en hoe begon die?

Edward.

Geen twist, alleen een kleinen woordenstrijd.

York.

Waarom?

Richard.

Om iets wat u, en ook ons allen aangaat:

De kroon van England, die aan u behoort.

York.

Aan mij, knaap? niet vóór koning Hendrik dood is.

Richard.

Uw recht hangt aan zijn dood en leven niet.

Edward.

Het erfrecht hebt gij; neem haar daarom nu;

Laat gij de Lancasters op adem komen,

Dan schieten zij ten laatste u nog vooruit. 14

York.

Ik zwoer, dat hij in vrede zou regeeren.

Edward.

Maar eeden mag men breken voor een kroon;

Ik brak er duizend om één jaar te heerschen.

Richard.

Verhoede God, dat gij meineedig wierdt!

York.

Dit word ik, zoo ik naar de waap’nen grijp.

Richard.

’k Bewijs het tegendeel, als gij wilt hooren.

York.

Dit kunt gij niet, mijn zoon, het is onmoog’lijk.

Richard.

Een eed is zonder een’ge kracht, tenzij

Een echte, wettige overheid hem afneemt,

Die over hem, die zweert, gezag bezit;

Gezag had Hendrik niet, dan aangematigd;

Merk op, dat hij het was, die de’ eed u afnam,—

En dus, mylord, uw eed is nul en nietig.

Daarom, te wapen! En bedenk eens, vader,

Hoe schoon het is, een diadeem te dragen,

Hoe in zijn omtrek een Elysium is,

En elk geluk en heil, dat dichters malen.

Waarom zoo lang gedraald? Ik heb geen rust,

Alvorens ik de witte roos, die ’k draag,

In ’t lauwe hartebloed van Hendrik kleur.

York.

Richard, genoeg: ’k wil koning zijn, of sterven.—

(Tot Montague) Gij, broeder, zult terstond naar Londen ijlen;[703]

Spoor Warwick tot deze onderneming aan.—

Gij, Richard, haast u naar den hertog Norfolk,

En deel hem heim’lijk onze plannen mee.—

Gij, Edward, zult u naar lord Cobham spoeden,

Met wien de Kenters gaarne zullen opstaan;

Op hen vertrouw ik, want zij zijn soldaten,

Kloek, wakker, welgezind, vol geest en moed.

Wat blijft, terwijl gij dit bezorgt, te doen,

Dan dat ik uitdenk, hoe wij zullen opstaan,

Zóó, dat de koning niets vermoedt van ’t plan,

Noch iemand van het huis van Lancaster?

(Een Bode komt op.)

Maar stil,—wat is er? waartoe zulk een haast?

Bode.

De koningin, met al de lords van ’t noorden,

Heeft plan, u in uw slot hier te beleeg’ren.

Zij rukt met twintigduizend man ginds aan;

Versterk daarom uw veste goed, mylord.

York.

Ja, met mijn zwaard. Gij waant, dat wij hen vreezen?—

Edward en Richard, gij zult bij mij blijven;—

Mijn broeder Montague, ga snel naar Londen,

En zeg Graaf Warwick, Cobham en al de and’ren,

Die bij den koning als protectors bleven,

Met krachtig staatsbeleid zich te versterken,

Den zwakhoofd Hendrik noch zijn eeden achtend.

Montague.

Ducht, broeder, niets; ik win hen voor uw plan; 60

Ik spoed mij heen en neem dienstwillig afscheid.

(Montague af.)

(Sir John en Sir Hugo Mortimer komen op.)

York.

Mijn ooms, Sir John en Hugo Mortimer,

Gij komt te goeder ure in Sandal aan;

De macht der koningin wil ons beleeg’ren.

Sir John Mortimer.

Niet noodig; wij ontmoeten haar in ’t veld.

York.

Wat! met vijfduizend man?

Richard.

Ja, vader, met vijfhonderd man des noods;

Een vrouw is generaal, wat is te duchten?

(Een marsch in de verte.)

Edward.

Ik hoor hun trommen; fluks ons volk geordend;

Naar buiten dan; den slag hun aangeboden!

York.

Vijf tegen twintig! Groot is de overmacht;

Maar, oom, ik twijfel niet aan de overwinning.

In Frankrijk heb ik meen’gen slag gewonnen,

Waarin de vijand tien was tegen één;

Waarom zou ik niet even goed nu slagen?

(Alarmsignalen.—Allen af.)

[Inhoud]

DERDE TOONEEL.

Eene vlakte nabij slot Sandal.

Krijgsgedruisch. Schermutselingen. Rutland en zijn Leermeester komen op.

Rutland.

Ach, waarheen vlucht, ontkom ik aan hun handen?

Zie, meester, de bloedgier’ge Clifford komt!

(Clifford komt op, met Soldaten).

Clifford.

Weg, priester, weg; uw stand redt u het leven;

Maar hier dit jong van den vervloekten hertog,

Den moord’naar van mijn vader, hij moet sterven.

Leermeester.

Ik wil, mylord, daarin zijn makker zijn.

Clifford.

Soldaten, sleept hem weg.

Leermeester.

O Clifford, pleeg geen moord op ’t schuldloos kind,

En maak u niet gehaat bij God en menschen.

(Hij wordt door soldaten weggevoerd.)

Clifford.

Wat, is hij nu reeds dood? Of is het vrees,

Die de oogen hem doet sluiten? Ik wil ze oop’nen.

Rutland.

Zoo blikt de onthokte leeuw zijn offer aan,

Dat onder zijn vraatgier’ge klauwen rilt;

Zoo schrijdt hij voort, trotsch juublend om zijn prooi,

Zoo komt hij nader om ze uiteen te rijten!—

O, lieve lord, versla mij met uw zwaard,

En niet met zulk een wreeden, fellen blik.

O beste Clifford, hoor mij, eer ik sterf:

Te nietig ben ik, dat ge op mij u wreekt;

Neem wraak op mannen, en laat mij het leven!

Clifford.

Gij spreekt vergeefs, arm kind; mijn vaders bloed

Stopt de’ ingang toe, waardoor uw woord moest dringen. 22

Rutland.

Laat dan mijns vaders bloed dien weder oop’nen;

Hij is een man, en, Clifford, kamp met hem.

Clifford.

Al had ik ook uw broeders hier, hùn leven

En ’t uwe waar’ mijn wrake niet genoeg.

Neen, dolf ik ’t graf van uw voorvaad’ren op,

Hing ik hun rotte kisten op in keet’nen,

Mijn wrok waar’ niet gestild, noch ’t hart voldaan.

Het zien van wien ook van het huis van York

Is als een furie, die het hart mij foltert;

En tot ik hun vervloekt geslacht verdelgd heb,

Geen leven sparend,—leef ik in de hel.

Daarom,—

Rutland.

O laat mij bidden, eer de dood mij treft;—

Ik smeek tot ù: heb deernis, lieve Clifford!

Clifford.

Die deernis, die de punt van ’t staal verleent.

Rutland.

Ik griefde u nooit, waarom wilt gij mij dooden?

Clifford.

Uw vader deed het wel.

Rutland.

Vóór mijn geboorte.

Gij hebt één zoon,—spaar mij om zijnentwil,

Opdat hij niet,—God is gerecht!—uit wrake

Verslagen word’, zoo jammervol als ik.

O, laat mij levenslang gevangen zijn,[704]

En geef ik ooit u grond tot ergernis,

Zoo dood mij dan, want nu hebt gij geen reden.

Clifford.

Geen reden?

Uw vader sloeg den mijnen dood; dus—sterf.

(Hij doorsteekt hem.)

Rutland.

Di faciant, laudis summa sit ista tuæ.

(Hij sterft.)

Clifford.

Plantagenet! ik kom, Plantagenet!

Dit bloed uws zoons, dat aan mijn kling hier kleeft,

Zal op mijn wapen roesten, tot uw bloed

Gestold met dit, mij ’t saam afwisschen laat.

(Clifford af.)

[Inhoud]

VIERDE TOONEEL.

Een ander gedeelte der vlakte.

Strijdgedruisch. York komt op.

York.

De macht der koningin behoudt het veld:

Om mij te redden vielen beî mijn ooms;

Voor ’s vijands fellen aanval deinzend, vluchten

Mijn volgers, snel als schepen voor den wind,

Of lamm’ren voor den uitgevasten wolf.

Mijn zoons,—God weet, wat lot hun wedervoer;

Dit weet ik slechts; zij hielden zich als mannen,

Tot roem geboren, beide in dood en leven.

Driemaal hieuw Richard zich een baan tot mij,

En riep driemaal: „Moed, vader, vecht het uit!”

En even vaak kwam Edward mij op zijde,

Met purperroode kling, tot aan ’t gevest

Met zijner weerpartijders bloed geverfd;

En toen de meest geharde krijgers weken,

Riep Richard steeds: „Valt aan! geen stap terug!”

Edward: „Een kroon!—zoo niet, een roemvol graf!

Een scepter, of een kleinen kuil in de aarde!”

Toen grepen wij opnieuw hen aan, maar ach!

Wij deinsden weer, zooals ik vaak een zwaan

Vergeefs den springvloed tegenroeien zag, 20

Zijn kracht in de onweerstaanb’re golven spillend.

(Een kort strijdgedruisch achter het tooneel.)

Daar naad’ren, hoor, die mij ter dood vervolgen;

En ik ben mat, kan voor hun wrok niet vluchten;

En ware ik sterk, ik zou hun wrok niet mijden.

Geteld is ’t zand, waarmee mijn leven eindt;

’k Moet toeven hier, mijn leven hier besluiten.

Koning Hendrik VI, Derde Gedeelte, Eerste Bedrijf, Vierde Tooneel.

(Koningin Margaretha, Clifford, Northumberland, de jonge Prins van Wales en Soldaten komen op.)

Komt, Clifford, man des bloeds,—Northumberland,

Gij woestaard,—nadert! uw onleschb’re woede

Blaas ik hier aan tot feller razernij.

Ik ben uw doelwit en ik wacht uw schot.

Northumberland.

Geef op genade u over, trotsche York.

Clifford.

Ja, een genade, als eens zijn moordnaarsarm

Als afbetaling aan mijn vader schonk!

Ziet, uit zijn kar is Phaëton getuimeld

En deed het avond zijn op ’t middaguur.

York.

Mijn asch kan, als de Feniks doet, een vogel

Verwekken, die mij op u allen wreekt;

En in die hoop sla ik mijn oog ten hemel,

En ik belach, wat gij mij aandoen kunt.

Wat! komt gij niet?—Zoo velen, en lafhartig?

Clifford.

Zoo vechten, als het vluchten uit is, lafaards:

Zoo pikt de duif naar ’s haviks scherpen klauw;

Zoo braken, met de galg voor oogen, dieven

Schimpreed’nen op de dienaars van ’t gerecht.

York.

O Clifford, denk een oogenblik terug,

En roep mijn vroeg’ren tijd u voor den geest,

En blik, vergunt de schaamte u dit, mij aan;

Bijt stuk uw tong, die hèm een lafaard noemt,

Wiens booze blik u rillen deed en vluchten.

Clifford.

Ik wil niet woord voor woord u wedergeven,

Maar slagen wiss’len tweemaal twee voor een.

(Hij trekt zijn zwaard.)

Koningin Margaretha.

Halt, dappre Clifford, want om duizend reed’nen

Wil ik een poos des booswichts leven rekken.—

(Clifford dringt op York steeds aan.)

(Tot Northumberland.)

Drift maakt hem doof; spreek gij, Northumberland!

Northumberland.

Halt, Clifford; te veel eer waar’ ’t hem, indien 54

Ge uw vingers prikt, zelfs om zijn hart te treffen.

Noemt gij het dapper, bij een hond, die grimbrekt,

De hand te steken tusschen ’t scherp gebit,

Wanneer gij met den voet hem weg kunt schoppen?

’t Is oorlogsrecht, zijn voordeel waar te nemen;

Tien tegen een werpt op den moed geen smet.

(Soldaten grijpen York aan, die zich verzet.)

Clifford.

Ja, ja, zoo strijdt de houtsnip met den strik.

Northumberland.

Zoo trappelt het konijntje in het net.

(York wordt gevangen genomen.)

York.

Zoo juub’len dieven om een goeden buit;

Zoo geeft een eerlijk man zich prijs aan roovers.

Northumberland.

Wat wenscht uw hoogheid, dat wij met hem doen?

Koningin Margaretha.

Gij dapp’ren, Clifford en Northumberland,

Komt, plaatst mij op dien molshoop nu den man,

Wiens arm, ver uitgestrekt, naar bergen greep,

Maar met zijn hand alleen hun schaduw deelde.—

Waart gij het, spreek, die Englands vorst moest zijn,

Die in ons parlement den baas kwaamt spelen,

Zoo prachtig roemdet van uw hoogen stam?

Waar is uw viertal zoons om u te steunen?

De dartele Edward en de lachbek Clarence!

En waar het dapp’re kromme wangedrocht,

Uw lieve Dick, die met zijn knorstem staâg

Zijn oudjen aan te wakk’ren wist tot muiten?[705]

En waar, met de and’ren, is uw liev’ling Rutland?

Zie, York, ik doopte dezen doek in ’t bloed,

Dat dapp’re Clifford met de punt des zwaards

Liet stroomen uit de borst van uwen knaap;

Indien uw oogen om hem schreien kunnen,

Zoo neem dien om uw wangen mee te drogen.

(Zij werpt hem den doek toe.)

Ach, arme York! ik zou, indien mijn haat

Min dood’lijk ware, uw jammerlot beklagen.

Ik bid u, schrei, en maak mij vroolijk, York.

Wat! droogde uw vurig hart u zoo gansch uit,

Dat gij voor Rutland’s dood geen enk’len traan hebt?

Blijft gij zoo kalm nog? razen moest gij nu;

Ik hoon u zoo, om razend u te maken;

Stamp, scheld, word dol, opdat ik zinge en dans’!

O, gij wilt loon, ja, eer gij grappig wordt;

York spreekt geen woord, aleer een kroon hem siert!—

Een kroon voor York!—en, lords, buigt diep voor hem.—

Houdt gij hem vast; ik zet de kroon hem op.

(Zij zet York een papieren kroon op het hoofd.)

Ja, nu ziet hij er als een koning uit!

Die man was ’t, ja, die Hendriks zetel innam;

Die man was ’t, die zijn erfgenaam zou zijn.—

Maar hoe komt dit, dat vorst Plantagenet 99

Zoo vroeg gekroond werd, en zijn eed verbrak?

Heb ik het wel, dan zoudt ge eerst koning zijn,

Als Hendrik aan den dood de hand gereikt had.

En wilt ge uw hoofd in Hendriks glorie steken,

Zijn slapen van den diadeem berooven,

Nu hij nog leeft, uw heil’gen eed ten trots?

O, dit vergrijp is zwaar, is onvergeeflijk.—

Neemt weg die kroon, en, met de kroon, zijn hoofd!

Telt één, en fluks zij hem de hals gekloofd!

Clifford.

Mìjn ambt zij dit, ter wille van mijn vader.

Koningin Margaretha.

Neen, wacht; wij hooren, hoe hij bidden zal.

York.

Wolvin van Frankrijk, wolfscher dan zijn wolven,

Wier tong meer gift heeft dan een addertand!

Hoe kwalijk staat het aan uw kunne, aldus

Te juub’len als een Amazone-snol

Bij ’t wee van hen, die ’t lot in boeien slaat!

Ware uw gelaat niet roerloos als een mom,

Niet schaamteloos door ’t stadig onrechtplegen,

Ik zou beproeven, trotsche koningin,

Een blos u aan te jagen, want te zeggen

Van waar gij kwaamt en afstamt, waar’ genoeg

Tot uw beschaming, zoo gij schaamte kendet.

Uw vader draagt den koningstooi van Napels,

De twee Siciliën en Jeruzalem,

Maar is zoo rijk niet als een Engelsch burger;

Heeft u die arme vorst uw trots geleerd?

Maar, trotsche koningin, dit baat u niets,

Dan dat het spreekwoord waar blijkt: „Als een beed’laar

Te paard ooit komt, hij jaagt zijn rijdier dood.”

Ja, schoonheid maakt de vrouwen vaak hoovaardig;

Maar klein, God weet het, is uw deel hiervan.

’t Is deugd, die meer dan iets haar doet bewondren;

Bij u staat elk verbaasd om ’t tegendeel.

’t Is zelfbeheersching, die haar godd’lijk maakt;

Gij zijt, door die te missen, afschuwwekkend.

Van al wat goed is zijt gij afgekeerd,

Zoozeer als de Antipoden ’t zijn van ons,

Of evenals het noorden ’t is van ’t zuiden.

O tijgerhart, in vrouwehuid gehuld!

Hoe kondt gij ’t levensbloed des kinds verzaam’len,

Opdat de vader de oogen er mee wischte,

En toch het uitzicht hebben van een vrouw?

Zacht zijn de vrouwen, week, meedoogend, plooizaam,

Gij stug, verstokt, steenhard, ruw, deernisloos.

Ik moest hier razen? nu, gij hebt uw wensch.

Ik moest hier weenen? nu, gij hebt uw wil.

Want storm, die raast, blaast zware buien saam,

En als het razen luwt, dan komt de regen.

Mijn tranen pleng ik aan mijn lieven Rutland,

En elke druppel schreeuwt om wraak op u,

Ontmenschte Clifford, valsche Fransche vrouw!

Northumberland.

Vervloekt, zijn woest gejammer roert mij zoo, 150

Dat ik met moeite een tranenvloed weerhoud.

York.

Geen bende kannibalen had, hoe hong’rig,

Ooit zijn gelaat gedeerd, met bloed bevlekt;

Maar gij zijt meer onmenschlijk, onvermurwbaar,

Ja, tienmaal meer, dan tijgers van Hyrcanië.

Zie, furie, eens rampzaal’gen vaders tranen!

Gij dooptet in mijns jongens bloed dien doek,

En ’t bloed wasch ik hier met mijn tranen weg;

Hier, neem dien doek terug en pronk er mee;

(Hij werpt den doek terug.)

En doet gij ’t jammervol verhaal naar waarheid,

Bij God, uw hoorders zullen tranen storten,

Ja, zelfs mijn haters bitt’re tranen storten,

En zeggen: „Ach, dit was een gruweldaad!”—

Daar, neem de kroon, en met de kroon mijn vloek,

(Hij werpt de papieren kroon neer.)

En vind, in uwen nood, denzelfden troost,

Als thans uw al te wreede hand mij biedt!—

Kom, felle Clifford, maai mij weg van de aard!—

Mijn ziel aan God, mijn bloed op uwe hoofden!

Northumberland.

Al had hij allen van mijn bloed geslacht,

Toch moest ik, bij mijn leven, met hem weenen,

Nu ik dien diepen zielejammer zie.

Koningin Margaretha.

Wat! rijp tot weenen, lord Northumberland!

Herdenk het kwaad, dat hij ons allen deed;

Dit zal die weeke tranen ras u drogen.

Clifford.

Dit voor mijn eed, dit voor mijns vaders dood!

(Hij doorsteekt York.)

[706]

Koningin Margaretha.

En dit voor ’t recht van onzen zachten koning!

(Zij doorsteekt York mede.)

York.

Ontsluit uw hemelpoort, genadig God!

Door deze wonden vliedt mijn ziel tot u.

(Hij sterft.)

Koningin Margaretha.

Hem ’t hoofd af! steekt dat op de poort van York;

Zoo overblikke York zijn veste York.

(Trompetgeschal. Allen af.)