WeRead Powered by ReaderPub
Koning Hendrik de Zesde cover

Koning Hendrik de Zesde

Chapter 82: VIERDE BEDRIJF.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The play opens with a recent king's funeral and scenes of political fragmentation as a young heir ascends, prompting rival nobles to jockey for control. Military reverses in France and the rise of a charismatic French leader undermine English authority abroad, while celebrated commanders suffer setbacks. At home, feuds among powerful dukes and courtiers escalate into factional violence between competing houses, and legal and ecclesiastical maneuvers complicate governance. Omens and public unrest foreshadow deeper national decline. The action alternates battlefield episodes with court intrigue, showing how personal ambition and factional strife weaken a realm already strained by foreign war.

[Inhoud]

VIERDE BEDRIJF.

[Inhoud]

EERSTE TOONEEL.

Londen. Een vertrek in het paleis.

Gloster, Clarence, Somerset en Montague komen op.

Gloster.

Nu, zeg mij, broeder Clarence, wat dunkt u

Van dezen nieuwen echt met lady Grey?

Kon onze broeder beter keuze doen?

Clarence.

Helaas, gij weet, ’t is ver van hier naar Frankrijk;

Hoe kon hij wachten, tot de graaf terug was?

Somerset.

Mylords, staakt dit gesprek, daar komt de koning.

Gloster.

Met hem zijn jonge, welgekozen vrouw.

Clarence.

Ik wil hem ronduit zeggen, hoe ik denk.

(Trompetgeschal. Koning Edward komt op met gevolg, Lady Grey als koningin, Pembroke, Stafford en Hastings.)

Koning Edward.

Nu, Clarence, wat dunkt u van onze keus,

Dat gij zoo peinzend staart, als half misnoegd?

Clarence.

Hetzelfde als koning Lood’wijk of graaf Warwick,

Die wis zoo zwak van oordeel zijn en moed,

Dat ze onzen smaad niet euvel zullen duiden.

Koning Edward.

En duiden zij ’t ook euvel zonder grond,

Zij zijn slechts Lood’wijk, Warwick; ik ben Edward,

Uw en graaf Warwick’s heer; mijn wil drijft boven. 16

Gloster.

Dit doet hij, wijl gij onze koning zijt;

Maar toch, een haastige echt blijkt zelden best.

Koning Edward.

Zoo, broeder Richard, duidt ook gij het euvel?

Gloster.

Neen, neen, ik niet;

Verhoede God, dat ik verdeeld zou wenschen,

Wat God heeft saamgevoegd; ja, zonde waar’ het

Te scheiden, wat zoo heerlijk samenpast.

Koning Edward.

Nu, afgezien van spot of tegenzin,

Noemt éénen grond, waarom niet Lady Grey

Mijn vrouw zou zijn en Engelands koningin;—

En gij ook, Somerset en Montague,

Zegt ronduit uwe meening.

Somerset.

Welnu, mijn meening is, dat koning Lood’wijk

Uw vijand wordt, omdat gij hem bij ’t aanzoek

Om jonkvrouw Bona hoonend hebt misleid.

Gloster.

En Warwick, die daar uwen last volbracht,

Is door dit nieuwe huw’lijk nu onteerd. 33

Koning Edward.

En als ik beide’ eens kon tevredenstellen

Door ’t een of ander middel, dat ik uitdenk?

Montague.

Dan nog had een verbond als dit met Frankrijk,

Ons tegen vreemde stormen meer versterkt,

Dan eenige echt met een landsdochter doet.

Hastings.

Weet Montague dan niet, hoe veilig England

Is in zichzelf, zoo ’t trouw blijft in zichzelf?

Montague.

Ja, maar gedekt door Frankrijk veil’ger nog.

Hastings.

Frankrijk veeleer gebezigd, dan vertrouwd!

Laat ons door God en van de zee gedekt zijn,

Die hij ons als onneembaar bolwerk schonk;

Verweren wij ons enkel met hun hulp;

In hen en in onszelf ligt onze kracht.

Clarence.

Voor dit gezegde alleen verdient lord Hastings,

De erfdochter van lord Hungerford te erlangen.

Koning Edward.

Welnu, wat zou dit? ’t is mijn wil en gunst;

En ditmaal zal het wet zijn, wat ik wil.

[722]

Gloster.

Toch, dunkt mij, deed uw hoogheid lang niet goed,

Fluks aan den broeder van uw jonge vrouw

De erfdochter weg te schenken van lord Scales;

Aan mij of Clarence kwam zij eerder toe;

Maar in uw vrouw begraaft gij broederschap.

Clarence.

Ja, anders hadt gij zeker voor haar zoon

Lord Bonville’s erfgename niet bestemd,

En zoo uw broeders elders laten uitzien.

Koning Edward.

Ach, arme Clarence! ’t is dus om een vrouw,

Dat gij verstoord zijt? ’k Zal ook u verzorgen.

Clarence.

Uw eigen keus getuigde van uw oordeel;

Daar dit niet diep gaat, zij het mij vergund,

Dat ik als maak’laar van mijzelven optreed;

En daartoe ga ik eerstdaags u verlaten.

Koning Edward.

Verlaat me, of blijf; Edward wil koning zijn

En niet gebonden aan zijns broeders wil.

Koningin Elizabeth.

Mylords, aleer ’t zijn majesteit behaagde,

Mij als zijn gade vorstenrang te schenken,

Was ik,—weest billijk en erkent wat waar is,—

Van afkomst niet onedel; en aan mind’ren

Dan ik, viel vroeger ’tzelfde heil te beurt.

Doch nu mijn rang mij en de mijnen eert,

Dreigt tegenzin van u, wier liefde ik wenschte,

Mijn vreugd te omwolken met gevaar en leed.

Koning Edward.

Geliefde, vlei hun booze luim niet verder. 75

Wat leed of wat gevaar zou ooit u treffen,

Zoolang slechts Edward uw getrouwe vriend

En hun monarch is, wien zij moeten dienen?

Zij zullen ’t doen en u beminnen ook,

Als zij niet willen, dat mijn haat hen treft;

En doen zij dit, nu, ik behoed u steeds,

En hun doe ik mijn felle wraak gevoelen.

Gloster

(ter zijde). Ik hoor, doch zeg niet veel; maar denk te meer.

(Een Bode komt op.)

Koning Edward.

Zoo, bode; nu, wat brieven of berichten

Uit Frankrijk?

Bode.

Mijn heer en vorst, geen brieven, weinig woorden,

Maar zoo, dat ik niet waag die te herhalen,

Dan zoo uw hoogheid mij vergiff’nis schenkt.

Koning Edward.

Ga voort; vergiff’nis hebt ge; zeg dus kort,

Zoo woordlijk als gij ’t melden kunt, hun antwoord.

Wat zeide koning Lood’wijk op mijn schrijven?

Bode.

Zijn eigen woorden waren bij mijn afscheid:

„Zeg valschen Edward, uw vermeenden koning,

„Dat Lood’wijk hem speellieden zenden zal,

„Die ’t jonge paar een dansje zullen veed’len.”

Koning Edward.

Zoo dapper, ei! Hij houdt mij wis voor Hendrik.

Doch wat zegt jonkvrouw Bona van mijn echt?

Bode.

Haar woorden waren smaadlijk in hun zachtheid:

„Zeg hem, ik draag, wijl ik ras weduwnaar

„Hem hoop te zien, om hem den wilgekrans.”

Koning Edward.

Verschoonlijk; weinig minder kon zij zeggen;

Zij werd gekrenkt. Doch hoe sprak Hendriks gade?

Want naar ik hoorde, was zij mede daar.

Bode.

Zij sprak: „zeg hem: mijn treurkleed dank ik af,

„En sta gereed, het harnas aan te gespen.”

Koning Edward.

Het schijnt, zij wil voor amazone spelen.

Doch Warwick, wat sprak hij bij al dien hoon?

Bode.

Hij, veel gramstoor’ger op uw majesteit

Dan al die and’ren, gaf mij dit in last:

„Zeg hem van mij: zwaar heeft hij mij gekrenkt,

„En ik ontruk de kroon hem, eer hij ’t denkt.”

Koning Edward.

Wat! waagde de verrader zulk een taal? 112

Ik rust, vooruit gewaarschuwd, fluks mij toe,

En breng hun krijg; zij boeten voor hun trots.

Is Warwick, spreek, bevriend met Margaretha?

Bode.

Ja, heer en vorst; zoo innig is hun vriendschap,

Dat haar prins Edward Warwick’s dochter huwt.

Clarence.

Dan de oudste wis, want Clarence wil de jongste.

Vaarwel nu, broeder koning, zetel vast;

Ik ga van hier tot Warwick’s and’re dochter,

Opdat ik, schoon ook zonder koninkrijk,

In huwlijksglans voor u niet onderdoe.—

Wie mij en Warwick liefheeft, volge mij.

(Clarence af, gevolgd door Somerset.)

Gloster

(ter zijde). Niet ik;

Mijn streven is naar hoog’re dingen. Ik

Blijf hier, om Edward niet, maar om de kroon.

Koning Edward.

Wat Clarence, Somerset naar Warwick over!

Toch ben ik tegen ’t ergste zelfs gewapend;

Maar dreigend is ’t gevaar en spoed is noodig.—

Pembroke en Stafford, gaat en licht ons krijgers;

Rust alles duchtig tot den oorlog toe.

Zij zijn geland of zullen ’t spoedig zijn;

Ikzelf zal in persoon terstond u volgen.

(Pembroke en Stafford af.)

Doch voor ik ga, Hastings en Montague,

Heft gij mijn twijfel op. Gij, voor alle andren,

Bestaat door bloed en huw’lijk Warwick na;

Spreekt dus, bemint gij Warwick meer dan mij?[723]

Mocht dit zoo zijn, gaat beiden dan tot hem;

Een vijand is mij liever dan een schijnvriend;

Maar denkt gij jegens mij uw trouw te houden,

Zoo geve een eed van u mij zekerheid,

Opdat ik nimmer u wantrouwen moog’!

Montague.

Zoo help’ God Montague, als hij u trouw blijft!

Hastings.

En Hastings, als hij u te dienen wenscht.

Koning Edward.

En, broeder Gloster, houdt gij u aan ons?

Gloster.

Ja, trots wien ook, die tegen u zich kant.

Koning Edward.

Goed, dan ben ik van de overwinning zeker.

Van hier, geen uur verspild, geen rust genomen,

Tot Warwick en zijn vreemde krijgers komen!

(Allen af.)

[Inhoud]

TWEEDE TOONEEL.

Een vlakte in Warwickshire.

Warwick en Oxford komen op met Fransche en Engelsche troepen.

Warwick.

Mylord, geloof mij, alles gaat zeer goed;

In zwermen stroomt het mind’re volk ons toe.

(Clarence en Somerset komen op.)

Doch zie, daar komen Somerset en Clarence!

Zegt ons terstond, mylords, zijn we allen vrienden?

Clarence.

Heb daar, mylord, geen zorg voor.

Warwick.

Wees, waarde Clarence, dan aan Warwick welkom;

Wees welkom, Somerset!—Ik acht het lafheid,

Argwaan te koest’ren, als een edel hart

Tot vriendschapsblijk zijn open hand verpandt;

’k Mocht anders denken: Clarence, Edwards broeder,

Is een geveinsde vriend slechts van ons doen;

Doch welkom, vriend! mijn dochter geef ik u.—

Wat thans te doen, dan, door de nacht omhuld,

Terwijl uw broeder zorgloos is gelegerd,

Zijn volk in ’t rond in steden is verspreid,

En slechts een kleine wacht zijn tent omgeeft,

Hem te overromp’len en naar wensch te vatten?

’t Scheen den verspieders licht te doen, dat wij,

Gelijk Ulysses en held Diomedes

Met list en moed naar Rhesus’ tenten slopen

En Thraciës rossen, noodlots tolken, roofden,

Zoo, door het zwart gewaad der nacht omhuld,

De wacht van Edward onvoorziens verslaan,

Hemzelven grijpen; ik zeg niet, hem dooden,

Want enkel hem verrassen is mijn doel.—

Gij, die mij bij dit pogen volgen wilt,

Begroet met mij dan juub’lend Hendriks naam!

Allen.

Ho! Hendrik! Hendrik!

Warwick.

En nu, den tocht aanvaard in alle stilte!

Voor Warwick’s krijgerschaar, God en Sint George!

(Allen af.)

[Inhoud]

DERDE TOONEEL.

Edwards legerkamp bij Warwick.

Eenige Wachten bij ’s Konings tent komen op.

Eerste Wachter.

Komt, makkers, ieder man nu op zijn post;

De koning heeft zich reeds gezet tot slapen.

Tweede Wachter.

Wat, gaat hij niet te bed?

Eerste Wachter.

Wel neen; hij heeft een plechtige’ eed gedaan,

Dat hij de rust van ’t bed niet zou genieten,

Eer Warwick, of hijzelf, vernietigd is.

Tweede Wachter.

Die dag, zoo denk ik, zal wel morgen zijn.

Als Warwick zoo nabij is als men zegt.

Derde Wachter.

Maar zeg mij eens, wie is toch de edelman,

Die met den koning in zijn tent hier slaapt?

Eerste Wachter.

Dat is lord Hastings, de eerste vriend des konings.

Derde Wachter.

O, die? Maar zeg, waarom beveelt de koning,

Dat al zijn volk schier in de steden ligt,

Terwijl hijzelf het koude veld verkiest? 14

Tweede Wachter.

’t Biedt meer gevaar en brengt dus grooter eer.

Derde Wachter.

Nu, ik verkies eer achtbaarheid en rust;

Die heb ik liever dan gevaar en eer.

Als Warwick wist, hoe hier de zaken staan,

Dan vrees ik zeer, dat die hem wekken zou.

Eerste Wachter.

Als onze hellebaarden hem niet hoedden.

Tweede Wachter.

Juist, waartoe zijn wij wachters bij zijn tent,

Dan om een overval bij nacht te keeren!

(Warwick, Clarence, Oxford, Somerset, komen op met Troepen, in alle stilte.)

Warwick.

Dit is zijn tent; ziet slechts, daar staat zijn wacht.

Moed, vrienden! Nu of nimmer, roem en eer!

Volgt mij slechts en terstond is Edward ons.

Eerste Wachter.

Wie daar?

Tweede Wachter.

Blijft staan, of sterft!

(Warwick en de Overigen roepen allen: „Warwick! Warwick!” en vallen de Wacht aan, die vlucht onder het geroep „Te wapen!” Warwick en de Anderen vervolgen hen.—Daarna komen Warwick en de Anderen onder getrommel en trompetgeschal terug en brengen den Koning, in nachtgewaad, op zijn stoel gezeten, uit zijn tent. In de verte ziet men Gloster en Hastings vluchten.)

[724]

Somerset.

Wie zijn het, die daar vluchten?

Warwick.

Wie zijn het, die daar vluchten? Richard is ’t,

Met Hastings; laat hen maar; hier is de hertog.

Koning Edward.

Hertog! Ei, Warwick, toen wij onlangs scheidden,

Heette ik uw koning!

Warwick.

Heette ik uw koning! Ja, maar ’t is nu anders.

Toen gij mij als gezant beschaamd deedt staan,

Toen heb ik u als koning afgezet,

En thans benoem ik u tot hertog York.

Ach, hoe zoudt gij een koninkrijk regeeren,

Gij, die niet weet, hoe men gezanten eert,

Noch, hoe men zich met ééne vrouw vernoegt,

Noch, hoe men broeders broederlijk behandelt,

Noch, hoe men ’t welzijn van het volk behartigt,

Noch, hoe men voor een vijand zich behoedt.

Koning Edward.

Zoo, broeder Clarence, zijt gij ook hierbij?

Dan zie ik, nu is Edwards val beslist.—

Toch, Warwick, trots alle ongunst van het lot,

Trots u en al uw medesaamgezwoor’nen,

Zal Edward steeds als koning zich gedragen;

Stoote ook Fortuin vergramd mijn troon omver,

Mijn geest zweeft boven ’t went’len van haar rad.

Warwick.

Zij Edward in zijn geest dan Englands koning, 48

(Hij neemt hem de kroon af.)

Maar Hendrik is ’t, die Englands kroon zal dragen

En waarlijk koning zijn, gij slechts de schim.—

Mylord van Somerset, draag, bid ik, zorg,

Dat hertog Edward daad’lijk naar mijn broeder,

Den aartsbisschop van York, word’ heengevoerd.

Heb ik met Pembroke en zijn volk gestreden,

Dan volg ik u en deel hem mee, welk antwoord

Hem Lood’wijk en de jonkvrouw Bona zenden.—

En nu vaarwel, mijn waarde hertog York.

Koning Edward.

De mensch verduur’ zijn noodlot, goed of kwaad;

En wind èn tij te trotsen, geeft geen baat.

(Koning Edward wordt weggevoerd, begeleid door Somerset.)

Oxford.

En wat blijft ons nu nog te doen, mylords,

Dan met ons heer naar Londen op te rukken?

Warwick.

Daarheen, ja; ’t eerste, wat ons staat te doen,

Is, Hendrik uit zijn hecht’nis te bevrijden,

En weer te plaatsen op zijn koningstroon.

(Allen af.)

[Inhoud]

VIERDE TOONEEL.

Londen. Een vertrek in het paleis.

Koningin Elizabeth en Rivers komen op.

Rivers.

Wat, zuster, maakt u plots’ling zoo neerslachtig?

Koningin Elizabeth.

Hoe, broeder Rivers, moet gij thans eerst hooren,

Wat schrikk’lijk onheil koning Edward trof?

Rivers.

Verloor hij, spreek, een veldslag tegen Warwick?

Koningin Elizabeth.

Neen, maar zijn eigen vorstlijke persoon.

Rivers.

Is dus mijn heer en vorst gedood?

Koningin Elizabeth.

Ja, schier gedood, want hij is krijgsgevangen,

Hetzij zijn valsche lijfwacht hem verried,

Hetzij de vijand onverwachts hem aangreep;

En verder hoorde ik, dat hij aan de hoede

Des aartsbisschops van York is toevertrouwd,

Die Warwick’s broeder is en dus ons haat.

Rivers.

Ik moet erkennen, ’t is een zware slag;

Maar draag dien, tracht u tegen ’t leed te weren;

Wint Warwick heden, morgen kan ’t verkeeren.

Koningin Elizabeth.

Die hoop belet de smart, mij te verteren;

Te meer nog houd ik mij van wanhoop verre,

Uit zorg voor Edwards telg in mijnen schoot;

Dit is het, wat mij dwingt, mijn smart te teug’len,

Gelaten mij dit onheil dragen doet; 20

Ja, daarom houd ik meen’gen traan terug,

En meen’gen zucht, die ’t bloed verteren zou;

Licht ware traan of zuchten ten verderve

Van Edwards telg, die Englands kroon eens erve!

Rivers.

En, eed’le vrouwe, waar is Warwick nu?

Koningin Elizabeth.

Mij werd gemeld, dat hij op Londen aantrekt,

En Hendriks hoofd nog eenmaal kronen wil.

Gis zelf wat volgt; elk valt, die Edward aanhangt.

Maar om de wraak des woest’lings te voorkomen,—

Want die eens trouwe brak, zij nooit vertrouwd,—

IJl ik terstond nu naar de heil’ge vrijplaats

En red den erfgenaam van Edwards recht;

Daar ben ik veilig voor geweld en list.

Kom dus; gevlucht, nu vlucht nog moog’lijk is;

Grijpt Warwick ons, de dood is ons gewis.

(Beiden af.)

[Inhoud]

VIJFDE TOONEEL.

Een park bij het slot Middleham in Yorkshire.

Gloster, Hastings, Sir William Stanley en Anderen komen op.

Gloster.

Nu, Mylord Hastings en Sir William Stanley,

Verbaast u langer niet, dat ik hierheen

In ’t dichtst van dit geboomte u medetroonde.

Ziethier de zaak. Gij weet, mijn broeder Edward

Is als gevang’ne bij den bisschop hier,

Die hem veel vrijheid laat en goed behandelt,

Zoodat hij vaak, door wein’gen slechts bewaakt,

Zich met de jacht vermakend, hierheen komt.

’k Heb door geheime midd’len hem verwittigd,

Dat, zoo hij op dit uur zich herwaarts wendt,

Voorgevend zijn gewoon vermaak te zoeken,

Hij hier zijn vrienden, paarden, manschap vindt

En zijn gevangenschap verbreken kan.

[725]

(Koning Edward en een Jager komen op.)

Jager.

Hierheen, mylord, op dit veld ligt het wild.

Koning Edward.

Neen, hierheen, man; gij ziet, daar staan de jagers.—

Zoo, broeder Gloster, Hastings, en gij and’ren,

Verscholen om in ’s bisschops park te stroopen?

Gloster.

De tijd, mijn broeder, dringt; de zaak wil spoed.

Uw paard staat aan den hoek van ’t bosch gereed.

Koning Edward.

Maar waarheen wilt gij nu?

Hastings.

Naar Lynn, mijn vorst; daar gaan wij scheep naar Vlaand’ren.

Gloster.

Voorwaar, uitmuntend; zoo was ook mìjn plan.

Koning Edward.

Stanley, ik zal uw ijver u vergelden.

Gloster.

Waartoe getalmd? ’t is nu geen pratenstijd.

Koning Edward.

Wat zegt gij, jager, wilt gij met ons gaan?

Jager.

Ja, eer dan blijven om de galg te kussen.

Gloster.

Kom dan, van hier! geen verder oponthoud!

Koning Edward.

Bisschop, vaarwel! hoed u voor Warwick’s wraak,

En bid, dat God mij weder koning maak’.

(Allen af).

[Inhoud]

ZESDE TOONEEL.

Een vertrek in den Tower.

Koning Hendrik, Clarence, Warwick, Somerset, de jonge Richmond, Oxford, Montague, de Slotvoogd van den Tower, en Gevolg komen op.

Koning Hendrik.

Heer slotvoogd, nu door God en trouwe vrienden

Edward gebonsd is van den koningstroon,

En mijn gevangen staat verkeerd in vrijheid,

Mijn vrees in hoop, mijn leed in vreugd, zoo spreek,

Wat loon bij onze slaking u wel toekomt!

Slotvoogd.

Geen onderdaan mag iets van vorsten vord’ren;

Maar zoo een bede in ootmoed iets vermag,

Smeek ik vergiff’nis van uw majesteit.

Koning Hendrik.

Waarvoor dan, slotvoogd? voor uw goed bejeeg’nen?

Neen, neen; voorwaar, ik wil uw goedheid loonen,

Die mij mijn hecht’nis een genot deed zijn;

Ja, een genot, zooals de vogel smaakt,

Die in zijn kooi, na veel droefgeestige onrust,

In ’t eind, bij ’t zingen van zijn huis’lijk lied,

’t Verlies der vrijheid gansch en al vergeet.—

Gij Warwick, hebt, na God, mij nu bevrijd,

Ontvang daarom, na God, mijn besten dank;

Hij was hiervan de ontwerper, gij het werktuig;—

Opdat ik ’s noodlots nijd nu overwinne,

Door needrig leven waar mij ’t lot niet deert,

En niet het volk van dit gezegend land

Getuchtigd worde met mijn boos gesternte,

Zoo, Warwick, schoon mijn hoofd de kroon steeds draag’,

Geef ik aan u het landsbestuur hier over,

Want u geleidt geluk bij al uw doen.

Warwick.

Mijn vorst, als deugdzaam werdt gij steeds geroemd,

Maar nu betoont ge u even wijs als deugdzaam,

Daar gij des noodlots wrok bespiedt en mijdt;

Want zelden volgt de mensch den wenk der sterren;

Slechts hierin faalt ge,—en dit moet ik weerstreven,—

Schoon Clarence hier is, mij uw stem te geven.

Clarence.

Neen, Warwick, neen! ’t bewind zijt gij volwaardig,

Gij, wien ’t gesternte in ’t uur van uw geboorte

De’ olijftak en de lauwerkroon bestemde,

Als die in vrede en oorlog schitt’ren zoudt;

En daarom geef ik willig u mijn stem.

Warwick.

En ik kies Clarence enkel voor protector.

Koning Hendrik.

Warwick en Clarence, reikt mij beide’ uw hand. 38

Vereent uw handen, en daarmee uw harten,

Opdat geen tweedracht nu ’t regeeren stoor’;

Weest beiden,—’k wil ’t,—protectors van dit rijk,

Opdat ikzelf, gelijk een burger levend,

Mijn verd’re dagen aan bespieg’ling wijde,

Mijn Schepper love en booze zonde mijde.

Warwick.

Wat antwoordt Clarence op zijns konings wil?

Clarence.

Zegt Warwick ja, dan stem ik mede toe;

Want op uw goed geluk verlaat ik mij.

Warwick.

Dan geef ik, schoon ongaarne, mij gewonnen.

Dat wij in één gareel, als dubb’le schaduw

Van Hendrik zelf, getrouw zijn plaats vervangen.

’k Bedoel, den last hem dragen van ’t bewind,

Want de eere hebb’ hijzelf, en kalme rust.

En Clarence, nu terstond is ’t meer dan noodig,

Dat we Edwards handelwijs voor hoogverraad

En al zijn land en goed verbeurdverklaren.

Clarence.

Gewis;—en dat wij de erfopvolging reeg’len.

Warwick.

Waarbij zijn deel aan Clarence niet ontgaat.

Koning Hendrik.

Doch bij uw eerste zaken van gewicht

Bid ik u dit:—want ik beveel niet meer;—

Zendt naar uw koningin en naar mijn Edward,

Dat zij terstond uit Frankrijk wederkeeren;

Tot ik hen hier zie, wordt door bange vrees

De vreugde van mijn vrijheid half verduisterd.

[726]

Clarence.

Dit zal geschieden, Heer, met allen spoed.

Koning Hendrik.

Mylord van Somerset, wie is die knaap,

Voor wien gij, naar het schijnt, zoo teeder zorgt?

Somerset.

Mijn vorst, de jonge Hendrik, graaf van Richmond.

Koning Hendrik.

Treed nader, Englands hoop.

(Hij legt hem de hand op het hoofd.)

Indien geheime machten echte waarheid

Inblazen aan mijn verrezienden geest,

Wordt deze schoone knaap eens Englands zegen.

Zijn blik is vol van kalme majesteit,

Zijn hoofd geschapen om een kroon te dragen,

Zijn hand tot scepterzwaaien, en hijzelf

Om zeeg’nend eens een koningstroon te sieren.

Houdt hem in eere, lords; hij brengt uw staat

Meer heil en hulp, dan ik ooit heb geschaad.

(Een Bode komt op.)

Warwick.

Wat meldt gij, man?

Bode.

Dat Edward aan uw broeder is ontsnapt,

En, naar hij hoorde, vluchtte naar Bourgondië.

Warwick.

Dit is een bitt’re tijding! hoe ontkwam hij? 80

Bode.

Richard, hertog van Gloster, en lord Hastings

Bevrijdden hem; zij hebben hem bespied,

In ’t groen verscholen aan den rand van ’t woud,

En aan des bisschops jagers hem ontrukt;

Want daag’lijks was de jacht zijn tijdverdrijf.

Warwick.

Mijn broeder was te zorgloos in die zaak.—

Doch kom, mijn vorst, opdat wij kruiden lezen,

Om elke wond, die voorkomt, te genezen.

(Allen af, behalve Somerset, Richmond en Oxford.)

Somerset.

Mylord, die vlucht van Edward is een ramp;

Want zeker vindt hij bijstand in Bourgondië,

En dan ontstaat er even wis weer krijg.

Heeft Hendriks heilvoorspelling daar mijn hart

Van hoop vervuld voor dezen jongen Richmond,

Thans is ’t beangst om wat in deze twisten

Hem kan weervaren, hem en ons ten onheil.

Dus, Oxford, om het ergste te voorkomen,

Gehandeld! Naar Bretagne moog’ hij gaan,

Tot hier de tweedrachtsstormen zijn gedaan.

Oxford.

Ja, want ik vrees, stijgt Edward weer ten troon,

Licht deelde Richmond in der and’ren loon.

Somerset.

Bretagne zij zijn toevluchtsoord, ja goed;

Maar dan ook daad’lijk, want de tijd wil spoed.

(Allen af.)

[Inhoud]

ZEVENDE TOONEEL.

Voor York.

Koning Edward, Gloster en Hastings komen op, met troepen.

Koning Edward.

Nu, broeder Gloster, Hastings en gij and’ren,

Tot dusver maakt het lot ons alles goed,

En spelt ons, dat ik mijn vervallen staat

Nog eens weer ruil voor Hendriks koningskroon.

Wij staken tweemaal nu de zee goed over,

Bourgondië heeft naar wensch ons hulp verleend;

Wij kwamen van de haven Ravensburg

Reeds voor de poort van York; wat blijft dus oov’rig,

Dan ’t binnentrekken onzer hertogsstad?

(Hastings klopt aan de poort.)

Gloster.

De poort gesloten!—Dit bevalt mij niet;

Voor menigeen is struik’len aan den drempel

Een teeken van ’t gevaar, dat binnen loert.

Koning Edward.

Stil, man, geen teekens mogen ons verschrikken;

Want goed- of kwaadschiks, binnen moeten wij;

’t Is hier, dat onze vrienden tot ons komen.

Hastings.

Ik klop nog eens, heer, dat zij opendoen.

(Hij klopt nog eens. De Mayor en de Raadsleden van York verschijnen op den muur.)

Mayor.

Mylords, wij sloten, van uw komst verwittigd, 17

Uit zorg voor onze veiligheid de poort,

Want thans zijn wij aan Hendrik trouwe schuldig.

Koning Edward.

Moog’ Hendrik, heer, uw koning zijn, toch blijft

Steeds Edward voor het minst hertog van York.

Mayor.

Ja, waarde lord, dit wil ik u niet looch’nen.

Koning Edward.

Welnu, ik vorder slechts mijn hertogdom,

Waarmede ik gansch en al tevreden ben.

Gloster

(ter zijde). Doch heeft de vos maar eerst zijn neus er binnen,

Dan zorgt hij ras, dat ook het lichaam volgt.

Hastings.

Wat staat gij nog en aarzelt, beste mayor?

Doe open, wij zijn koning Hendriks vrienden.

Mayor.

Verklaart gij dit? Nu, dan doen wij u open.

(De Mayor en Raadsleden boven af.)

Gloster.

Een wijs, recht wakker man, ras overreed!

Hastings.

Die oude heer ziet liefst, dat alles goed gaat,

Zoo hij slechts buiten spel blijft; doch hoe ’t zij,

Zijn wij eens binnen, weldra zullen wij

Hem en geheel zijn raad tot rede brengen.

[727]

(De Mayor en twee Raadsleden treden de poort uit.)

Koning Edward.

Zoo, waarde heer, de poort zij niet gesloten,

Dan in de nacht of als er oorlog is.

Neen, man, ducht niets en geef de sleutels af;

(Hij neemt hem de sleutels uit de hand.)

Want Edward is ’t, die u, uw stad en al

Wie mijne zijde kiest, beschutten zal.

(Een marsch. Montgomery komt op, met troepen.)

Gloster.

Zie, broeder, zie, Sir John Montgomery,

Zoo ik niet dwaal, een echte, trouwe vriend.

Koning Edward.

Welkom, Sir John, doch waarom zoo gewapend?

Montgomery.

Tot koning Edwards hulp in dezen stormtijd,

Gelijk ’t een trouwen onderdaan betaamt.

Koning Edward.

Dank, wakk’re vriend; doch ik vergeet alsnog

Mijn aanspraak op de kroon, en eisch alleen

Mijn hertogdom, tot God het meerd’re zendt.

Montgomery.

Vaar gij dan wel, want dan ga ik terug;

Een koning kwam ik dienen, niet een hertog.—

De trom geroerd en weder afgetrokken!

(De trommen beginnen een marsch te slaan.)

Koning Edward.

Blijf nog, Sir John; wij kunnen overwegen,

Hoe wij op veil’ge wijs de kroon herwinnen.

Montgomery.

Wat wilt gij overwegen? kort en goed, 53

Zoo gij hier niet tot koning u verklaart,

Dan laat ik hier u over aan uw lot,

Ook hen weerhoudend, die tot bijstand komen.

Waartoe te vechten, als ge uw recht niet eischt?

Gloster.

Waarom toch, broeder, al die zwarigheden?

Koning Edward.

Wij doen onze eischen, als wij sterker zijn;

Nu doen wij wijs, zoo wij ons doel verhelen.

Hastings.

Weg met bezwaren, nu regeere ’t zwaard!

Gloster.

Wie moedig klimt, bereikt het eerst de kroon.

Wij roepen, broeder, nu terstond u uit;

’t Gerucht er van brengt u veel vrienden aan.

Koning Edward.

Het zij zooals gij wilt; ’t is toch mijn recht,

En Hendrik matigt zich de kroon slechts aan.

Montgomery.

O, nu spreekt weer mijn koning als hijzelf;

En nu ook wil ik Edwards strijder zijn.

Hastings.

Trompetters, blaast! Wij roepen Edward uit.—

Hier kameraad, lees gij de proclamatie.

(Hij geeft aan een der krijgslieden een papier.—Trompetgeschal.)

Soldaat

(leest). „Edward de vierde, bij de gratie Gods koning van Engeland en Frankrijk, en heer van Ierland, enz.”

Montgomery.

En wie er twijf’le aan koning Edwards recht,

Hij kome, ik daag hem tot een tweegevecht.

(Hij werpt zijn handschoen neder.)

Allen.

Lang leve Edward de vierde!

Koning Edward.

Dank, vriend Montgomery! en u allen dank!

Helpt mij ’t geluk, dan loon ik uwe liefde.

Laat ons in York deze eene nacht verwijlen;

En als de morgenzonne weer haar kar

Aan de oosterkimme ginds verrijzen doet,

Dan opgerukt naar Warwick en zijn aanhang,

Want Hendrik, weet een ieder, is geen krijgsman.—

O wreev’le Clarence, welk een boos bestaan,

Als Hendriks knecht uw broeder te verlooch’nen!

Doch naar vermogen straf ik u en Warwick.—

De zege wacht ons, dapp’ren, twijfelt niet;

En groot zal ’t loon zijn, dat de zege u biedt!

(Allen af.)

[Inhoud]

ACHTSTE TOONEEL.

Londen. Een vertrek in het paleis van den Bisschop.

Trompetgeschal. Koning Hendrik, Warwick, Clarence, Montague, Exeter en Oxford komen op.

Warwick.

Lords, wat te doen? Van België uit heeft Edward

Met rappe Duitschers, plompe Nederlanders,

De smalle zee in veiligheid doorkliefd,

En rukt reeds met zijn troepenmacht naar Londen

En ’t wufte volk vloeit hem bij scharen toe.

Koning Hendrik.

Men lichte krijgers om hem af te slaan.

Clarence.

Een kleine vlam is schielijk uitgetreden;

Maar woelt zij voort, dan bluscht een stroom haar niet.

Warwick.

In Warwickshire heb ik betrouw’bre vrienden,

In vrede rustig, leeuwen in den krijg;

Die roep ik op;—en schoonzoon Clarence, rep u,

En wek in Suffolk, Norfolk en in Kent

De ridders op, heel de’ adel, u te volgen;

Gij, broeder Montague, in Buckingham,

Northampton, Leicestershire, daar vindt gij wis

Veel mannen, welbereid uw roep te volgen;—

Gij, dappere Oxford, wondervol bemind

In Oxfordshire, zult daar uw vrienden monst’ren.—

Mijn vorst zal, van zijn trouwe burgerschaar

Omgeven, als zijn eiland van de zee,

Of als de kuische jachtgodin van nymfen,

In Londen blijven, tot wij wederkeeren.—

Neemt afscheid, lords, en spoedt u, antwoordt niet.

Vaarwel, mijn vorst en heer.

[728]

Koning Hendrik.

Vaarwel, mijn Hector, gij mijn Troje’s hoop.

Clarence.

Als pand van trouwe kus ik u de hand.

Koning Hendrik.

Ga, welgezinde Clarence, wees gelukkig!

Montague.

Houd moed, mijn vorst;—dus neem ik afscheid, heer.

Oxford

(den Koning de hand kussend). En zoo bezegel ik mijn trouw; vaarwel!

Koning Hendrik.

Mijn wakkere Oxford, waarde Montague,

Gij allen, hart’lijk zeg ik u vaarwel.

Warwick.

Vaartwel, lords; Coventry zij zamelplaats.

(Warwick, Clarence, Oxford en Montague af.)

Koning Hendrik.

Hier in ’t paleis wil ik een wijl nu rusten.

Mijn oom van Exeter, wat oordeelt gij?

Mij dunkt, de macht, die Edward in het veld heeft,

Is niet in staat, de mijne te weerstaan.

Exeter.

Ja, zoo hij maar die and’ren niet verleidt.

Koning Hendrik.

Dit vrees ik niet! mijn doen wordt hooggeroemd.

’k Heb voor hun vragen nooit mijn oor gesloten.

Geen beden uitgesteld van dag tot dag;

Mijn deernis was een balsem voor hun wonden,

Mijn zachtheid was een heulsap voor hun kommer,

Mijn goedheid stilde hunner tranen vloed;

Naar hunnen rijkdom was ik nooit begeerig,

Nooit heb ik hen gedrukt door zware lasten,

Nooit heb ik, hoe ze ook dwaalden, fel gestraft.

Waarom zou Edward hun dus liever zijn?

Neen, zulk een goedheid, oom, brengt goeds te weeg;

En heeft de leeuw eenmaal het lam geliefkoosd,

Dan loopt het lam hem immer achterna.

(Men hoort buiten geschreeuw: „voor York! voor York!”)

Exeter.

Hoor, hoor, mijn vorst! wat is dat voor geschreeuw?

(Koning Edward, Gloster en Krijgslieden komen op.)

Koning Edward.

Vat, grijpt den blooden Hendrik, voert hem weg;

En roept ons weder uit tot Englands koning.—

Gij zijt de bron, die kleine beken voedt;

Uw spreng verdroogt, mijn zee slokt alles op,

En rijst, wijl zìj thans ebben, des te hooger.—

Weg met hem naar den Tower; laat hem niet spreken.

(Koning Hendrik wordt door eenigen weggevoerd.)

En, lords, naar Coventry ons nu gespoed,

Waar de op gezag beluste Warwick staat.

Heet schijnt de zon, verzuim gaav’ licht het hooi,

’t Gehoopte, aan snerpend winterweer ter prooi.

Gloster.

Van hier, eer hij zijn macht vereent; bestookt

Den grootgeworden landverrader plots’ling;

Op, wakk’re krijgers, recht naar Coventry!

(Allen af.)