VIJFDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Voor Coventry.
Op den stadsmuur verschijnen: Warwick, de Mayor van Coventry, twee Boden en Anderen.
Warwick.
Waar is de bode van den dapp’ren Oxford?
Hoe ver is nog uw meester, goede vriend?
Eerste Bode.
Nu wis te Dunsmore en op marsch hierheen.
Warwick.
Waar is de man, die Montague ons zond?—
Hoe ver is onze broeder Montague?
Tweede Bode.
Nu reeds te Daintry, met een groote macht.
(Sir John Somerville komt op.)
Warwick.
Nu, Somerville, wat zegt mijn waarde schoonzoon?
En hoe nabij is Clarence, naar gij gist?
Somerville.
’k Vertrok van hem en van zijn macht te Southam;
Twee uur kan ’t duren, maar dan is hij hier.
(Men hoort getrommel.)
Warwick.
Dan is nu Clarence daar; ik hoor zijn trommen. 11
Somerville.
Dat is hij niet, mylord; (Hij wijst naar het zuidwesten.) Southam ligt daar;
’t Getrommel, dat gij hoort, rukt aan van Warwick.
Warwick.
Wie zou daar komen? onverhoopte vrienden?
Somerville.
Daar zijn zij reeds; gij zult het daad’lijk weten.
(Een marsch. Trompetgeschal. Koning Edward en Gloster komen op met hun troepen.)
Koning Edward.
Trompetter, ga en vraag een onderhoud.
Gloster.
Zie wreev’len Warwick daar den wal bezetten.
Warwick.
Verwenschte streek! de dartele Edward hier?
Waar sliepen onze spieders, wie kocht ze om,
Dat wij geen tijding kregen van zijn naad’ren?
Koning Edward.
Nu, Warwick, wilt gij ons de stadspoort oop’nen?
Spreek nog deemoedig, buig, vol rouw, uw knie,[729]
Noem Edward koning, vraag van hem genade,
En hij vergeeft u de’ ondervonden smaad.
Warwick.
Ik vraag: wilt gij uw macht terug doen gaan?
Erken, wie u verhoogd heeft en deed vallen;
Kies Warwick u ten schutsheer, wees boetvaardig,
En blijven zult ge en zijn, hertog van York.
Gloster.
Ik dacht, hij zou ten minste „Koning” zeggen;
Of was ’t een onwill’keur’ge scherts van hem?
Warwick.
Is dan een hertogdom geen fraai geschenk?
Gloster.
Ja zeker, van een schaam’len graaf vooral;
Ik wil u leendienst doen voor zulk een gave.
Warwick.
Ik was ’t, die ’t koninkrijk uw broeder schonk.
Koning Edward.
Dan is ’t ook mijn, schoon slechts door Warwick’s gave.
Warwick.
Gij zijt geen Atlas voor een last, zoo groot;
Weet, week’ling, Warwick nam zijn gift terug;
Hendrik is koning, Warwick is zijn dienaar.
Koning Edward.
Maar Warwick’s koning is Edwards gevang’ne;
En, dapp’re Warwick, geef eens hierop antwoord:
Wat is het lichaam, zoo het hoofd ontbreekt?
Gloster.
Wel spijtig, dat het Warwick moest ontgaan, 42
Hoe sluw, toen hij de tien te nemen dacht,
Hem uit zijn spel zijn heer ontfutseld werd!
Den armen vorst liet ge in ’t paleis des bisschops;
Tien tegen een, thans woont hij in den Tower.
Koning Edward.
Zoo is ’t; maar toch, gij zijt nog altijd Warwick!
Gloster.
Kom, Warwick, neem uw tijd waar; kniel, ja kniel!
Nog niet? Smeed thans het ijzer, eer ’t bekoelt.
Warwick.
Veel liever zoude ik deze hand mij kappen
En die met de and’re u sling’ren in ’t gelaat,
Dan dat ik ooit voor u de zeilen strijk.
Koning Edward.
Zeil hoe ge wilt, heb wind en tij te vriend,—
De hand hier grijpt u dra in ’t koolzwart haar,
En zal, terwijl uw afgehouwen hoofd
Nog warm is, met uw bloed in ’t stof hier schrijven:
De windhaan Warwick draait nu nimmermeer.
(Oxford komt op, met slaande trom en vliegende vaandels.)
Warwick.
O, troostrijk vaangewapper! Oxford komt!
Oxford.
Oxford, Oxford, voor Lancaster!
(Oxford trekt met zijn troepen de stad binnen.)
Gloster.
De poort is open; open ook voor ons!
Koning Edward.
Dan konden and’ren in den rug ons vallen.
Neen, blijven wij geschaard; zij stroomen spoedig
De poort uit om een slag ons aan te bieden;
Zoo niet, de stad is zwak, dan vallen wij
Hen aan en dwingen ’t muit’renrot tot vechten.
Warwick.
Wees welkom, Oxford; noodig is uw hulp.
(Montague komt op, met slaande trom en vliegende vaandels.)
Montague.
Montague, Montague, voor Lancaster!
(Montague trekt met zijn troepen de stad binnen.)
Gloster.
Gij en uw broeder zullen dit verraad
Betalen met uw dierbaarst hartebloed.
Koning Edward.
Hoe sterker weerpartij, te grootscher zege;
En overwinning, heil spelt mij mijn hart.
(Somerset komt op, met slaande trom en vliegende vaandels.)
Somerset.
Somerset, Somerset, voor Lancaster!
(Somerset trekt met zijn troepen de stad binnen.)
Gloster.
Twee hertogen van Somerset, als gij,
Verkochten reeds aan ’t huis van York hun leven,
Gij wordt de derde, zoo dit zwaard niet breekt.
(Clarence komt op, met slaande trom en vliegende vaandels.)
Warwick.
En ziet, hoe George Clarence tot ons ijlt; 76
Met macht genoeg om Edward aan te grijpen!
Hem geldt een edele ijver voor het recht
Meer dan natuur, meer dan eens broeders liefde.—
(Clarence staakt den marsch. Gloster treedt nader en fluistert met hem.)
Kom, Clarence, kom; gij komt, als Warwick roept.
Clarence.
Weet gij, wat dit beteekent, vader Warwick?
(Hij neemt de roode roos van den hoed.)
Zie hier: wat mij onteert, werp ik u toe;
Het huis mijns vaders, die zijn bloed vergoot
Om ’t saam te voegen, breng ik niet ten val;
’k Richt Lancaster niet op. Wat! waant gij, Warwick,
Clarence zoo stomp, zoo hard, zoo onnatuurlijk,
Van tegen zijnen broeder, zijnen vorst,
Des oorlogs dood’lijk wapentuig te keeren?
Gij houdt wellicht mijn heil’gen eed mij voor?
Het houden van dien eed waar’ goddeloozer
Dan Jeptha’s doen, toen hij zijn dochter slachtte.
Zoozeer heb ik berouw van mijn vergrijp,
Dat ik, om van mijn broeder dank te erlangen,
Mij uw gezworen vijand hier verklaar,
En vast besluit, waar ik u ook moog’ treffen,—[730]
En treffen zal ik u, zoodra ge u roert,—
U, die mij boos verleid hebt, fel te straffen.
Zoo keer ik, trotsche Warwick, u den rug,
En naar mijn broeder mijn beschaamde wang.—
Vergeef mij, Edward, ik wil boete doen;
Wees, Richard, om mijn feilen niet vergramd;
Van nu af ben ik nimmer wankelmoedig.
Koning Edward.
Wees welkom thans, en tienmaal meer bemind,
Dan zoo gij onzen haat nooit hadt verdiend!
Gloster.
Wees welkom, Clarence; dit is broederzin.
Warwick.
O aartsverrader, trouw’loos en meineedig!
Koning Edward.
Nu, Warwick, komt gij voor den dag en vecht gij?
Of wacht gij daar de steenen om uw hoofd?
Warwick.
Ach, ’k ben hier niet gekooid tot tegenweer!
Ik trek terstond van hier naar Barnet op;
Daar bied ik u een slag aan, zoo gij durft.
Koning Edward.
Ja, Warwick, Edward durft en trekt u voor.—
Lords, naar het veld! Sint George en overwinning!
(Getrommel. Allen af.)
TWEEDE TOONEEL.
Een slagveld bij Barnet.
Krijgsrumoer en strijdgewoel. Koning Edward komt op, met den zwaar verwonden Warwick.
Koning Edward.
Lig daar; sterf gij, en onze vrees met u;
Gij waart een bietebauw, dien we allen duchtten.—
Nu, Montague, zit vast; ik zoek u thans;
Warwick’s gebeente en ’t uwe ruste saâm!
(Koning Edward af.)
Warwick.
Wie is nabij? Ach, vriend of vijand, kom,
En zeg, wie heeft de zege, York of Warwick?
Maar ach, wat vraag ik? Dit verminkte lichaam,
Dit bloed, mijn lillend hart, mijn onmacht toont,
Dat ik aan de aard dit lichaam geven moet,
En door mijn val de zege aan mijnen vijand.
Zoo valt voor de aks de ceder, in wiens armen
De koningsarend schutse vond, wiens schaduw
Den woesten leeuw in slaap zag, en wiens kruin
Neêrzag op Jupiters verkoren boom
En struikjes hoedde voor des winters vlagen.
Dit oog, nu zwart omsluierd door den dood,
Was eens doordringend als de middagzon,
Heeft eens der wereld sluipverraad doorschouwd;
De rimpels van mijn voorhoofd, nu vol bloed,
Zijn vaak met koningsgraven vergeleken;
Waar was de vorst, wiens graf ik niet kon delven?
Of een die lachte, als Warwick ’t voorhoofd fronste?
Nu is mijn glans besmeerd met stof en bloed!
Mijn gaarden, bosschen, hoeven, die ik had,
Begeven mij; van al mijn landbezit
Rest niets mij, dan de lengte van mijn lichaam.
O! wat dan aard en stof is praal, macht, eer?
Leeft hoe gij wilt, eens velt de dood u neer.
(Oxford en Somerset komen op.)
Somerset.
Ach, Warwick, Warwick! waart gij zooals wij,
O, dan herwonnen we al, wat wij verloren!
Uit Frankrijk, hoorden we, is de koningin
Met groote macht geland; o, kondt gij vluchten!
Warwick.
Ook dan zelfs vluchtte ik niet.—O Montague,
Mijn broeder, zoo gij hier zijt, vat mijn hand,
En houd mijn ziel terug met uwe lippen!
Bemint gij mij? neen, broeder, want dan wieschen
Uw tranen ’t koude dikke bloed af, dat
Mijn lippen toekleeft, mij niet spreken laat.
Kom spoedig, Montague, of ik ben dood.
Somerset.
O, Warwick! Montague blies de’ adem uit,
En riep tot aan zijn laatsten snik om Warwick,
En zeide: „groet van mij mijn dapp’ren broeder.”
Hij wilde meer nog zeggen, sprak ook meer,
Maar ’t klonk zooals een roep in een gewelf
En was niet te verstaan; maar toch, op ’t laatst
Vernam ik nog, hoe hij al roch’lend uitte:
„Vaarwel, mijn Warwick!”
Warwick.
Zacht ruste zijne ziel!—Redt u, mylords;
Warwick zegt u vaarwel, tot weerziens boven!
(Hij sterft.)
Oxford.
Voort, voort! naar ’t groote heer der koningin!
(Beiden af, met Warwick’s lijk.)
DERDE TOONEEL.
Een ander gedeelte van het slagveld.
Trompetgeschal. Koning Edward komt zegepralend op, met Clarence, Gloster en de Overigen.
Koning Edward.
Tot dusver is ons krijgsgeluk aan ’t stijgen,
En sieren zegekransen ons het hoofd.
Doch in den middagglans van dezen dag
Ontwaar ik nog een zwarte wolk, die dreigt
En strijden wil met onze gouden zon,
Eer die in ’t west haar rustig bed bereikt;
Mylords, de strijdmacht, die de koningin
In Gallië samenbracht, is reeds geland,
Rukt, naar wij hooren, aan, en zoekt den strijd.
Clarence.
Een stijve bries verstrooit welras die wolk,
En blaast haar naar de bron, vanwaar zij kwam;
Uw stralen zelfs verdrogen ras die dampen;
Niet ied’re wolk verwekt een onweersbui.
Gloster.
Men schat de koningin op dertigduizend;[731]
Tot haar vlood Somerset, en Oxford ook;—
Kan zij op adem komen, wees verzekerd,
Dan wordt haar aanhang even sterk als de onze.
Koning Edward.
Van trouwe vrienden kregen wij bericht,
Dat zij op marsch nu zijn naar Tewksbury.
Gaan wij, nu Barnet ons in ’t voordeel bracht,
Terstond daarheen, want ijver kort den weg;
En onderweg groeit onze macht wis aan
In ieder graafschap, waar wij ons vertoonen.—
De trom geroerd! roept: „Moedig!” en vooruit!
(Trompetgeschal. Allen af.)
VIERDE TOONEEL.
Een vlakte bij Tewksbury.
Een marsch. Koningin Margaretha, Prins Edward, Somerset, Oxford en Soldaten komen op.
Koningin Margaretha.
Verheven lords,
Geen wijze zit en jammert om verliezen;
Neen, moedig streeft hij naar ’t herstel er van.
Zij ook de mast ons overboord gewaaid,
De kabel middendoor, het anker weg,
En ’t halve scheepsvolk door de zee verslonden,
Toch leeft de stuurman; geeft het pas, dat hij
Het roer verlaat, en als een schuchter knaapje
Met vochtige oogen vocht giet bij de zee,
En dat versterkt, wat al te sterk reeds is,
Terwijl bij zijn gejammer ’t schip, dat moed
En vlijt kon redden, op de klippen stoot?
O welk een schande, welk een schuld waar’ dit!
Was Warwick ook ons anker,—wat dan nog?
En Montague de bramsteng,—wat dan verder?
Onze andre dooden ’t touwwerk,—wat dan nu?
Is Oxford hier ons niet een ander anker,
En Somerset een and’re goede mast,
En onze Fransche vrienden want en tuig? 18
Kan ik met Edward niet, schoon onervaren,
Voor eens den plicht doen van de’ ervaren loods?
Wij laten ’t roer niet los om uit te weenen;
Al zegg’ de storm ook neen, wij sturen ’t schip
Van zand en klippen weg, die schipbreuk dreigen.
Of gij de baren hoont of prijst, is een.
En wat is Edward dan een booze zee?
En Clarence dan een drijfzand vol bedrog?
En Richard dan een dood’lijk scherpe rots?
Die allen zijn onze arme hulk vijandig.
Zegt ge: „ik kan zwemmen”, ach, dit duurt niet lang;
Tracht op het zand te staan, dra zinkt ge er in;
Omklem de rots, de vloed spoelt u er af,
Of gij verhongert;—’t is driedubb’le dood.
Dit zeg ik, lords, opdat gij wel verstaat,
Dat gij, zoo een van u mocht willen vluchten,
Niet meer genade bij de broeders vindt,
Dan bij de woeste baren, ’t zand, de klippen.
Dus, moed! Om dat te jamm’ren, dat te duchten,
Wat onvermijd’lijk is, waar’ kindervrees.
Prins.
Mij dunkt, een vrouw van zulk een dapp’ren geest,
Zou, als een lafaard dit haar zeggen hoorde,
Zijn borst vervullen van een heldenmoed,
Om naakt een man in waap’nen te verslaan.
Ik zeg dit niet, als twijfelde ik aan u;
Want als ik iemand hier van vrees verdacht,
’k Gaav’ hem verlof bijtijds van hier te gaan,
Opdat hij in den nood geen ander aansteek’
En van denzelfden geest doe zijn als hij.
Doch is zoo iemand hier,—wat God verhoede!—
Dan ga hij vrij, eer hij ons noodig is.
Oxford.
Een vrouw, een knaap, zoo fier en groot van moed,—
En krijgers laf! dit ware een eeuw’ge schande.—
O wakk’re prins! in u treedt uw beroemde
Grootvader weer in ’t leven; leef gij lang
En word zijn evenbeeld, vernieuw zijn glorie!
Somerset.
En wie voor zulk een hoop niet vechten wil,
Ga stil naar bed, en wekke, als de uil bij dag,
Zoodra hij opstaat, spot op en verbazing.
Koningin Margaretha.
Dank, beste Somerset;—waarde Oxford, dank!
Prins.
Ook dank van hem, die nog niets anders heeft! 59
(Een Bode komt op.)
Bode.
Bereidt u, lords, want Edward is nabij,
Geheel slagvaardig; daarom, snel gehandeld!
Oxford.
Ik dacht wel, dat hij snel te werk zou gaan;
Hij hoopt ons nog onvoorbereid te vinden.
Somerset.
Doch komt bedrogen uit; wij zijn gereed.
Koningin Margaretha.
’t Verheugt mijn hart, volijv’rig u te zien.
Oxford.
Hier scharen we ons ten strijd en deinzen niet.
(Trompetgeschal en tromgeroffel. Koning Edward, Gloster en Clarence komen op, met troepen).
Koning Edward
(tot de zijnen). Ginds, dapp’re vrienden, staat het doornenwoud,
Dat wij, door ’s hemels hulp en uwe kracht,
Voor de’ avond bij den wortel moeten kappen.
’k Behoef geen brandstof bij uw vuur te voegen,
Ik weet, gij gloeit reeds om hen neer te branden.—
Het teeken tot den strijd! Valt aan, mylords!
Koningin Margaretha
(tot de haren). Lords, ridders, eed’len! wat ik zeggen wilde,
Ontzeggen tranen mij; bij ieder woord,
Ziet! moet ik ’t water van mijn oogen drinken.
Dies enkel dit: uw koning is gevang’ne
Zijns vijands, overweldigd is zijn troon,
Zijn rijk een slachthuis en zijn volk vermoord,
Zijn schatkist leêg geroofd, zijn wet verscheurd;
En ginder is de wolf, die dit bedreef.[732]
Gij strijdt voor ’t recht; in Gods naam dus, mylords,
Weest kloek en geeft het teeken voor ’t gevecht!
(Beide legers af).
VIJFDE TOONEEL.
Een ander gedeelte van het veld.
Strijdgedruisch; krijgsgewoel; daarna seinen ter terugroeping. Dan komen op: Koning Edward, Clarence, Gloster en Troepen, met Koningin Margaretha, Oxford en Somerset als gevangenen.
Koning Edward.
Zoo heeft dit muitziek twisten nu een einde.
Wat Oxford aangaat, voert hem naar ’t slot Ham;
En Somerset, het schuldig hoofd hem af!
Gaat, voert hen weg; niets wil ik van hen hooren.
Oxford.
Ik zal u niet met woorden lastig vallen.
Somerset.
Noch ik; gelaten draag ik wat mij treft.
Koningin Margaretha.
Wij scheiden treurig in dit jammerdal;
Het schoon Jeruzalem vereene ons blijde.
(Oxford en Somerset af, met een wacht).
Koning Edward.
Is ’t omgeroepen, dat wie Edward vindt,
Een vorstlijk loon erlangt, en hij zijn leven?
Gloster.
Ja, ’t is geschied; en zie, daar komt de knaap! 11
(Krijgslieden komen op, met Prins Edward.)
Koning Edward.
Brengt hier den jonker; ’k wil eens met hem spreken.—
Ei, ei, begint een doorn zoo jong te steken?
Edward, hoe kunt gij mij voldoening geven
Voor ’t grijpen naar de wapens, ’t oproerstoken,
En al den verd’ren last, dien gij mij deedt?
Prins.
Spreek als een onderdaan, eergier’ge York,
En denk, dat hier mijn vader tot u spreekt:
Ontruim uw troon en kniel gij, waar ik sta,
Terwijl ik u dezelfde vragen stel,
Waarop gij, muiter, antwoord eischt van mij.
Koningin Margaretha.
O, ware uw vader ook zoo kloek geweest!
Gloster.
Dan hadt gij steeds den vrouwerok gedragen,
En nooit aan Lancaster de broek ontkaapt.
Prins.
Æsopus moge in winternachten faab’len;
Hier passen zulke hondsche raadsels niet.
Gloster.
Bij God, gij strang, ik straf u voor dit woord.
Koningin Margaretha.
Gij kwaamt op aard om ieders straf te zijn.
Gloster.
Om Gods wil, weg met die gevangen scheldtong!
Prins.
Neen, snoer dien bultrug eer den grooten mond.
Koning Edward.
Stil, drieste knaap, of ik bezweer uw tong.
Clarence.
Gij onbeschofte knaap, gij schreeuwt te luid.
Prins.
Ik ken mijn plicht en gij verzaakt uw plichten;
Wellustige Edward,—eedvergeten George,—
En gij wanschapen Dick,—ik zeg u allen:
Ik ben uw meerdere, oproerlingen gij,
En roovers van mijns vaders recht en ’t mijne.
Koning Edward.
Neem dit, gij evenbeeld der smaalster daar!
(Hij doorsteekt hem.)
Gloster.
Gij trilt? neem dit; het make uw doodstrijd licht!
(Hij doorsteekt hem.)
Clarence.
En dit, wijl gij van eedbreuk mij beticht!
(Hij doorsteekt hem.)
Koningin Margaretha.
O, doodt ook mij!
Gloster.
Voorwaar, terstond! 42
(Hij richt het zwaard op haar).
Koning Edward.
Neen, Richard, neen! wij deden reeds te veel.
Gloster.
Wat! zou zij met haar woorden de aard vervullen?
Koning Edward.
Zij valt in onmacht? brengt haar weder bij.
Gloster
(ter zijde tot Clarence). Gij, Clarence, groet mijn vorst en broeder van mij;
Een zaak van groot belang roept mij naar Londen;
Gij hoort, eer gij er komt, gewichtig nieuws.
Clarence.
Wat? wat?
Gloster.
De Tower! de Tower!
(Gloster af.)
Koningin Margaretha.
Mijn kind! lief kind! spreek tot uw moeder, knaap!
Kunt gij niet spreken?—O, verraders! moord’naars!
Die Cæsar doodden, deden geenen moord,
Misdreven niets, verdienden geen berisping,
Wordt deze wandaad naast hun doen gesteld;
Hij was een man en dit een kind bij hem;
Geen mensch is hij, die woede op kindren koelt.
Moord’naars! wat is er erger, dat ik ’t noeme?
Neen, neen, mijn hart zal bersten, als ik spreek;
En spreken wil ik, dat het hart mij berste.—
Slachters en schurken! wreede kannibalen!
Wat zoete plant hebt gij te vroeg gemaaid!
Gij hebt geen kind’ren, slachters! hadt gij die,
Dan hadde u de gedachte aan hen geroerd;
Maar valt u ooit een kind ten deel, wacht dan
Dit in zijn jeugd zoo weggerukt te zien,
Als, beulen, dezen jongen prins door u!
[733]
Koning Edward.
Weg met haar! gaat, voert met geweld haar weg!
Koningin Margaretha.
Neen, voert mij niet van hier! maakt hier mij af!
Bergt hier uw zwaard, mijn dood vergeef ik u.
Wat! wilt gij niet?—dan, Clarence, volbreng gij het.
Clarence.
Bij God, ik wil u zulk een troost niet schenken.
Koningin Margaretha.
Kom, goede Clarence, beste Clarence, doe het.
Clarence.
Gij hebt gehoord, ik zwoer het niet te doen.
Koningin Margaretha.
Ja, maar gij zijt gewoon uw eed te breken;
Toen was dit zonde, nu een christ’lijk doen.
Wat! wilt gij niet? Waar is des duivels slachter,
De somb’re Richard? Richard, waar zijt gij?
Gij zijt niet hier; moord is uw aalmoes-geven;
Een smeekgebed om moord wijst gij niet af.
Koning Edward.
Weg, zeg ik; ik beveel ’t, brengt haar van hier!
Koningin Margaretha.
’t Ga u en de uwen, als dien jongen prins. 82
(Koningin Margaretha wordt weggevoerd.)
Koning Edward.
Waar is nu Richard heen?
Clarence.
Spoorslags naar Londen; gis ik wel, dan houdt hij
Daar in den Tower een bloedig avondmaal.
Koning Edward.
Hij is zeer haastig, als hem iets in ’t hoofd komt.
Nu snel van hier; ontslaat het mind’re volk
Met geld en dank; dan trekken wij naar Londen,
En zien, hoe onze lieve gade ’t maakt;
Zij heeft, zoo hoop ik, nu een zoon voor mij.
(Allen af.)
ZESDE TOONEEL.
Londen. Een vertrek in den Tower.
Koning Hendrik zit aandachtig in een boek te lezen; de Slotvoogd van den Tower staat naast hem. Gloster komt op.
Gloster.
Gegroet, mylord!—Zoo in uw boek verdiept?
Koning Hendrik.
Ja, goede lord, of liever enkel: „lord”;
Vleitaal is zonde, en vleien waar’ dit „goede”;
Want „goede Gloster” ware als „goede duivel”,
Niet min verkeerd; daarom niet „goede lord”.
Gloster.
Laat ons alleen; wij moeten iets bespreken.
(De Slotvoogd af.)
Koning Hendrik.
Zoo vlucht de slechte herder voor den wolf;
Zoo levert eerst het zachte schaap zijn wol
En dan zijn gorgel aan het mes des slachters.—
Welk bloedig stuk heeft Roscius nu te spelen?
Gloster.
Argwaan waart in het schuldig hart steeds om;
De dief vermoedt in elke ruigte een rakker.
Koning Hendrik.
De vogel, eens in ’t kreupelhout gelijmd,
Wantrouwt met schuwe vleug’len elke’ struik;
Ik, troost’looze oude van één lieflijk jong,
Zie nu het schrikbeeld voor mij, waar mijn liev’ling
Gelijmd door werd, gevangen en gedood.
Gloster.
Nu, ’t was een lompe dwaas, die man uit Creta,
Die aan zijn zoon de vlucht des vogels leerde!
Trots al zijn vleugels, zie, verdronk de dwaas.
Koning Hendrik.
’k Ben Dædalus, mijn knaap was Icarus,
Uw vader Minos, die den weg ons afsloot,
Edward de zon, wiens gloed mijn lieven jongen
De vleugels afsmolt, en gijzelf de zee,
Wier booze kolk zijn leven heeft verslonden.
O, dood mij met uw wapen, niet met woorden;
Mijn borst verduurt eer uwer dagge spits,
Dan ooit mijn oor den gruwel van dit treurspel.
Doch wat komt gij hier doen? zoekt gij mijn leven?
Gloster.
Gij houdt mij dus, zoo schijnt het, voor een beul?
Koning Hendrik.
Gij zijt een man des bloeds, dit weet ik zeker;
Is ’t moorden van onnooz’len beulenwerk,
Dan, zeker, zijt ge een beul. 33
Gloster.
Uw zoon versloeg ik om zijn drieste taal.
Koning Hendrik.
Waart gìj bij ’t eerste drieste woord gedood,
Dan stierft gij, lang eer gij mijn zoon kondt dooden.
En zoo voorspel ik: vele duizend zielen,
Die nog geen zweem van mijnen afschuw voelen,
En veler grijsaards, veler weeuwen zuchten,
En veler weezen óverstroomend oog,—
Grijsaards om zonen, vrouwen om haar gaden,
En weezen om der oud’ren vroegen dood,—
Bejamm’ren ’t uur, dat gij geboren werdt.
Toen schreeuwde de uil, een onheilspellend teeken;
De nachtraaf kraste, een boozen tijd verkondend;
Storm loeide en velde boomen; honden huilden;
De raaf streek neder op den schoorsteentop;
En eksters krijschten oordoorborend saâm.
Uw moeder voelde meer dan moederweeën,
Toch bracht zij minder dan een moeders hope,
Maar slechts een ruw, onrijp gedrocht ter wereld,
Niet als de vrucht van zulk een eed’len stam;
En tanden hadt gij reeds bij uw geboorte,
Ten blijk, dat gij de wereld bijten kwaamt;
En is het and’re waar, dat ik vernam,
Dan kwaamt gij—
[734]
Gloster.
Niet verder;—sterf, profeet, in uwe rede!
(Hij doorsteekt hem.)
Hiertoe, bij voorbeeld, werd ik ook bestemd.
Koning Hendrik.
Ja, en tot vele moorden nog na dezen.
O God, vergeef mijn zonden,—en ook hem!
(Hij sterft.)
Gloster.
Hoe! ’t hooge strevend bloed van Lancaster
Zinkt in den grond? Opstijgen zou het, dacht ik;
Zie, hoe mijn zwaard om de’ armen koning weent!
O, steeds vergiete ’t zulke purp’ren tranen
Om elk, die van ons huis den omkeer wenscht!—
Zoo in u nog een sprankje levens huist,
Voort, voort ter hel,—en zeg, dat ik u zond;
(Hij doorsteekt hem nog eens.)
Ik, die geen deernis, vrees noch liefde ken.
Ja, ja, ’t is waar, wat Hendrik daar vermeldde,—
En vaak heb ik ’t mijn moeder hooren zeggen,—
Dat ik, de voeten voor, ter wereld kwam.
En had ik dan geen grond tot spoed, om hen,
Die ons ons recht verkortten, te doen vallen?
De vroedvrouw stond verbaasd; de wijven schreeuwden: 74
„Help, Jezus, help! dit wicht brengt tanden mee!”
Die had ik ook, en blijkbaar wijst dit aan,
Dat ik moest snarsen, bijten als een hond.
Nu, heeft de hemel zoo mijn lijf gevormd,
Dan maak’ de hel mijn geest niet min verdraaid.
Ik heb geen broeder, ben niet als mijn broeders;
En liefde, aan oude mannen godd’lijk schijnend,
Zij wone in menschen, die elkaar gelijken,
Maar niet in mij; ik ben mijzelf alleen.—
O, hoed u, Clarence, gij staat mij in ’t licht;
Pikzwarte dagen zal ik u verwekken;
Want profetieën zal ik gonzen doen,
Die Edward angst inboez’men voor zijn leven;
En dan heel ik zijn angst en ben uw dood.
Hendrik ging onder, met den prins zijn zoon;
Clarence, gij volgt, en de and’ren binnenkort;
Ik acht mij niets, totdat ik de eerste word.—
Ik sleep zijn lichaam in het naast vertrek;
Dat Hendriks dood tot mijn verheffing strekk’!
(Gloster af, met het lijk.)
ZEVENDE TOONEEL.
Koning Edward op den troon. Koningin Elizabeth met den kleinen Prins; Clarence, Gloster, Hastings en Anderen, om hem heen.
Koning Edward.
Op nieuw bezetten we Englands koningstroon,
Met onzer haat’ren bloed teruggekocht.
Wat dapp’re tegenstanders hebben wij,
Als koren, neergemaaid in al hun trots!
Drie hertogen van Somerset, driewerf
Beroemd als stoute, nooit verschrokken strijders;
Twee Cliffords, zoo den vader als den zoon;
En twee Northumberlands, de kloekste ridders,
Die bij trompetgeschal ooit rossen spoorden;
En dan dat onversaagde berenpaar,
Warwick en Montague, dat met hun keet’nen
Den koninklijken leeuw gekluisterd hield
En ’t woud, wanneer zij brulden, sidd’ren deed.
Zoo vaagden we argwaan weg van onzen troon
En maakten veiligheid tot onze voetbank.—
Kom, Betty, dat ik nu mijn jongen kuss’!
Voor u, mijn kind, heb ik met beide uw ooms
In ’t harnas vaak de winternacht doorwaakt,
Te voet des zomers middaggloed verduurd,
Opdat gij eens uw kroon in vrede draagt;
Gij zult de vrucht van onze moeite plukken.
Gloster
(ter zijde). Legt gij het hoofd eens neer, dan stoor ik de’ oogst;
Want nu ziet mij de wereld nog niet aan.
Tot heffen werd mijn rug zoo hoog gevormd,
En heffen zal hij lasten, of hij breekt.
(Op zijn hoofd wijzend en daarna de hand uitstrekkend.)
Gij, effen mij den weg, en gij, voer uit! 25
Koning Edward.
Clarence en Gloster, schenkt mijn lieve gade
Uw liefde,—en, broeders, kust uw vorstlijk neefje!
Clarence.
De trouw, uw majesteit gewijd, bezegel
Ik op de lippen van dit lieflijk wicht.
Koningin Elizabeth.
Dank, eed’le Clarence; waarde broeder, dank!
Gloster.
Hoe ik den boom, waar gij uit sproot, bemin,
Getuig’ de teed’re kus, der vrucht gegeven.—
(Ter zijde.) Voorwaar, zoo kuste Judas zijnen heer
En zeide: „Heil!” terwijl hij onheil meende.
Koning Edward.
Nu troon ik naar mijns harten wensch; ’k verwierf
Den vreê mijns lands en mijner broed’ren liefde.
Clarence.
Mijn vorst, hoe nu te doen met Margaretha?
Reignier, haar vader, heeft aan koning Lood’wijk
Sicilië en Jeruzalem verpand;
En dit is als haar losgeld hier gezonden.
Koning Edward.
Dan weg met haar! voert haar naar Frankrijk over.—
En wat nu verder, dan den tijd te wijden
Aan grootsche feesten, luim’ge zinnespelen,
Zooals dit aan de vreugde past van ’t hof?
Schalt, pauken en trompetten! Leed, vaar heen!
Want nu, zoo hoop ik, wacht ons lust alleen.
(Allen af.)
[735]
AANTEEKENINGEN
Reeds in de aanteekeningen bij het vorige stuk is er op gewezen, dat de slag van Sint-Albaans niet die gevolgen had, welke Shakespeare er aan toekent; eerst vijf jaren later, in 1460, werd bij Northampton de macht van het huis Lancaster zoo gebroken, dat de Hertog van York het wagen kon, met zijn aanspraken op den troon openlijk op te treden. Margaretha van Anjou vlood met haar jongen zoon naar Schotland, koning Hendrik viel in de macht der overwinnaars en werd als gevangene door hen naar Westminster gevoerd, waar York van het parlement als wettig koning verlangde erkend te worden. De dichter laat Hendrik niet als gevangene, maar, hoezeer verslagen, toch als vrij man in Westminster vertoeven en laat ook Margaretha met den Prins van Wales er aanwezig zijn, waardoor de levendigheid van voorstelling zeer wint en het beloop der gebeurtenissen en de hartstochten, die werkzaam waren, duidelijk voor oogen gesteld worden.
Want, afgezien van deze dichterlijke vrijheid, houdt Shakespeare zich zeer getrouw aan zijn bron. Volgens de kroniek van Hall reden York en Warwick onder het geschal der trompetten door Londens straten naar Westminster en begaven zich naar de zaal der Pairs, waar de Hertog den troon besteeg en in een uitvoerige rede ontvouwde, dat hem als rechten erfgenaam van Richard II de kroon toekwam, terwijl Hendrik VI zijn rechten aan den overweldiger Bolingbroke ontleende. De Lords zwegen, maar York’s bewijsgronden werden door zijn zegevierende wapenen al te nadrukkelijk ondersteund, dan dat men een ernstig overwegen der aangevoerde gronden had kunnen ontwijken. Er hadden dus onderhandelingen plaats, waarbij aan weerszijden dezelfde gronden werden gebezigd, die Shakespeare in het eerste tooneel van dit stuk den twee mededingers in den mond legt. York vestigde zich intusschen in het koninklijk verblijf en gedroeg zich geheel, alsof hem de kroon reeds was toegezegd. Toen Hendrik hem eens voor een mondeling onderhoud bij zich ontbood, was zijn antwoord, dat Hendrik van Lancaster hem als leenheer had te beschouwen en daarom tot hem moest komen. Maar het was hem nog niet gegeven, het beoogde doel te bereiken. Het langjarig troonsbezit van het huis van Lancaster, Hendriks bijna veertigjarige regeering, de ook door York en zijn aanhangers aan Hendrik gezworen eed van trouw, dit alles woog zoozeer op tegen het nader geboorterecht van den Hertog van York, dat ook deze eindelijk tot een vergelijk moest komen. Hendrik VI zou levenslang koning blijven, York regent en troonopvolger zijn; van Hendriks zoon Edward was geen sprake. Hendrik moest toestemmen.
Margaretha was ondertusschen de vrouw niet, om zich zulk een vernedering te getroosten. Zij verzamelde in de noordelijke graafschappen de vrienden van het huis van Lancaster om zich heen; de Hertogen van Somerset en van Exeter, alsmede Lord Clifford spoedden zich tot haar, en weldra trok zij met twintigduizend man zuidwaarts. Toen men in Londen van haar krijgstoerustingen hoorde, begaf zich York met den graaf van Salisbury naar zijn slot Sandal in Yorkshire en trok van alle kanten versterkingen tot zich; zijn oudsten zoon, Edward, graaf van March, zond hij naar Wales en Herefordshire om daar de vazallen der Mortimers op de been te brengen; Warwick bleef in Londen om den koning en de hoofdstad te bewaken. York had slechts vijf- of zesduizend man bij zich, toen de koningin met haar leger zijn slot naderde; onstuimig en vol zelfvertrouwen verliet hij, tegen den raad van meer bedachtzame vrienden in, zijn sterkten en trok de drievoudige overmacht te gemoet. Bij Wakefield kwam het tot een gevecht, en in een half uur waren zijn troepen uiteengespat; hijzelf en zijn twee bastaardooms, Sir John en Sir Hugo Mortimer, werden gedood; de graaf van Salisbury viel den overwinnaars in handen en werd den volgenden dag onthoofd. York’s jeugdige zoon, Edmond, graaf van Rutland, een zeventienjarige, of, zooals Holinshed schrijft, twaalfjarige knaap werd, toen zijns vaders kapelaan hem uit het bloedbad trachtte te redden, door lord Clifford ingehaald en, schoon hij voor hem knielde, nedergestooten. „Nòch zijn teedere leeftijd”, zegt de kroniekschrijver, „nòch zijn droevig gelaat, nòch zijn opgeheven handen,—want de schrik had hem zijn stem benomen,—roerden lord Clifford’s wreed hart, zoodat hij wegens dezen onbarmhartigen moord aan den jongen edelman zich met groote schande belaadde.”
Van York’s uiteinde bericht Holinshed: „Lord Clifford liet aan zijn lijk het hoofd afhouwen, er een papieren kroon op plaatsen en het zoo op een staak naar de koningin brengen. Enkelen echter schrijven, dat zij den Hertog levend in handen gekregen en hem tot smaad op een molshoop hebben gezet en hem een kroon van biezen of gras op het hoofd gedrukt, en voor hem nederknielden, zooals de Joden het voor Christus gedaan hebben, uit hoon, en zeiden: „Heil u, koning, zonder rijk! Heil u, koning, zonder erfgenaam! Heil u, hertog, zonder land en onderdanen!” en dat zij hem, nadat zij hem aldus met [736]smaadredenen overladen hadden, het hoofd hebben afgeslagen en dit aan de koningin gebracht. De hoofden van York en van Salisbury werden op de poort van York geplant”.
York’s zonen waren, behalve Rutland, verre van het tooneel dezer gruwelen. Edward was in Herefordshire en hield zich daar goed staande; George en Richard waren nog kinderen en vertoefden met hun moeder veilig in Bourgondië. Shakespeare laat hen veel vroeger optreden en stelt met name Richard als ijverig, vastberaden en krachtdadig helper van zijn broeder voor; hij handelt hier als dichter, die met den tijd vrij te werk gaat, want zijn bronnen gaven er hem geen aanleiding toe; zijn kronieken maken eerst later gewag van Richard en schetsen hem dan als trouw helper van zijn broeder, zoodat hij na diens dood plotseling als een koelbloedig moordenaar optreedt. De dichter kon hier geen genoegen mede nemen; de indrukken, die Richard in zijn jeugd tijdens de bloedige burgeroorlogen ontvangen had, moesten in zijn ziel de kiemen planten zijner latere misdaden; en wie Richards optreden in deze stukken nagaat, bevindt, dat de grondtrekken van zijn karakter reeds dezelfde zijn, die in het volgend stuk, Koning Richard III, zoo scherp uitkomen.
De slag bij Wakefield had op den dertigsten December 1460 plaats gehad; in het begin van het volgende jaar volgde hierop een nederlaag van den graaf van Warwick. Deze trok na het ontvangen der noodlottige tijding de koningin tegen; Koning Hendrik moest hem begeleiden. Bij Sint-Albaans, waar de beide Rozen reeds eenmaal gestreden hadden, had de ontmoeting plaats; de anders steeds zegevierende graaf werd geslagen, koning Hendrik door de zijnen bevrijd. In Clifford’s tent zag hij zijn gemalin en zijn zoon weder; den laatste sloeg hij op het slagveld tot ridder. Maar lang zou de zegepraal der Lancasters niet duren. De benden der koningin stroopten tot in de voorsteden van Londen; maar de koningin waagde zich niet in de hoofdstad; zij wist, hoe het zuiden van Engeland haar ongunstig gezind was, en voerde haar woeste scharen weder naar het noorden. Middelerwijl had York’s oudste zoon, de negentienjarige Edward, op 2 Februari 1461, in Herefordshire bij Mortimer’s Kruis een overwinning behaald; door den dood van Owen Tudor en vele andere edelen had hij zijns vaders dood gewroken. Hij was daarna, met Warwick vereenigd, Londen binnengetrokken, en beiden rukten nu, met alle macht, die zij bijeen konden brengen, naar Yorkshire op om den beslissenden slag te leveren. Ook het huis Lancaster had alle krachten ingespannen on half Engeland was in de wapenen om aan den strijd der beide Rozen een einde te maken. Nadat in een voorpostengevecht Lord Clifford gevallen was, kwam het op de vlakte van Towton, niet verre van York, op 28 Maart 1461 tot een slag, waarin met alle inspanning en verbittering gevochten werd, want ieder had den dood te wreken van dierbare bloedverwanten. Eindelijk behaalden Warwick en Edward van York de overwinning; meer dan dertigduizend dooden bedekten het slagveld; het leger der Lancasters stoof in wilde vlucht uiteen; de koning en Margaretha vloden naar Schotland, van waar zij weldra naar Frankrijk moesten wijken; van de poorten der stad York werden de hoofden van York en Salisbury afgenomen om plaats te maken voor die der graven van Devonshire en Wiltshire en andere terechtgestelde krijgsgevangenen. Warwick voerde den erfgenaam van York, die in alle steden onderweg tot koning werd uitgeroepen, in triumf naar Londen. Onder het gejubel des volks werd de schoone en levenslustige jongeling als Edward IV te Westminster plechtig gekroond; het parlement had hem als wettig koning erkend. Zijn broeders George en Richard werden tot hertogen van Clarence en van Gloster benoemd.
De eerste regeeringsjaren van den jongen koning leverden wel vele gevechten in het noorden van Engeland op, maar geen onderwerp voor den dichter; dat de koningin Margaretha in 1461 hulp bij den Franschen koning zocht, heeft hij in een anderen samenhang verwerkt. Van de gebeurtenissen in het jaar 1464 heeft hij de komst gebezigd van koning Hendrik over de grenzen; deze werd na eenigen tijd herkend, gevat, naar Londen gebracht en in den Tower opgesloten; verder ontleent hij er het huwelijk aan van Edward VI met Elizabeth Grey. Hiervan bericht de kroniek het volgende:
Toen Koning Edward vast gezeteld was op zijn troon, begon hij naar een geschikte gemalin om te zien. Hij zond daarom den Graaf van Warwick naar Frankrijk om daar de zuster der koningin ten huwelijk te vragen. Zoowel de prinses als de koning, Lodewijk XI, namen het aanzoek gunstig op. Ongelukkiger wijze had Edward ondertusschen bij de hertogin van Bedford, die toen voor de tweede maal gehuwd was en wel met Lord Woodeville, diens dochter Elizabeth Woodeville, weduwe van den Ridder John Grey, die in den strijd voor het huis van Lancaster bij Sint-Albaans gevallen was, leeren kennen, en was zoo hartstochtelijk op haar verliefd geworden, dat hij haar tegen elken prijs wenschte te bezitten. De goederen van Sir John Grey waren na de zegepraal van het huis van York verbeurdverklaard; en nu smeekte de jonge weduwe den koning, haar ten minste haar weduwgoed weder terug te geven. „Haar eerbaar gedrag”, zegt de kroniekschrijver, „haar [737]bevallig voorkomen, haar bekoorlijk lachje, dat niet te stoutmoedig en niet te bedeesd was, en daarbij haar aangename tong en geest” betooverden den koning; daar zij echter bepaald weigerde zijn minnares te worden, en dit „op zoo gepaste wijs en met zoo welgekozen woorden, als er maar te bedenken zijn”, besloot hij, zonder iemand raad te vragen, haar tot zijn gemalin te verheffen. Zijn moeder deed al het mogelijke om hem van zijn voornemen te doen afzien; zij verklaarde dezen echt voor onmogelijk, omdat hij reeds met Elizabeth Lucy verloofd was, maar alles tevergeefs; de arme riddersweduwe werd koningin van Engeland. Weldra regende het genadebewijzen, eereposten en rijkdommen op haar verwanten. Haar vader werd graaf Rivers en tot rijksconnetabel benoemd; haar oudste broeder Anton werd door den koning aan de erfdochter van Lord Scales uitgehuwd; een van haar zusters huwde met den hertog van Buckingham; haar oudste zoon uit haar eerste huwelijk werd Markies van Dorset en kreeg de rijke erfgename van Lord Bonville tot vrouw. De oude aanhangers van het huis York zagen dit opkomen eener tot dusverre onbeteekenende familie met klimmend misnoegen; meer dan allen meende Warwick reden te hebben om vergramd te zijn. Hij, de machtigste man des lands, die zich als de schepper van het nieuwe vorstenhuis meende te mogen beschouwen, wiens aanzien in het rijk zoo groot was, „dat, als hij afwezig was, het den menschen voorkwam, alsof de zon van den hemel verdwenen was”, hij zag door dezen stap des konings zijn persoonlijke eer ten opzichte van een vreemd hof bezoedeld, en hij zwoer, van stonden aan, den niets ontzienden vorst een onverzoenlijken haat. Lodewijk XI daarentegen en Bona namen de zaak kalmer op en spoedig troostten zij zich, vooral daar weldra voor de prinses een ander aannemelijk gemaal gevonden werd in den persoon van den hertog van Milaan.
Aldus geven, zooals gezegd is, Shakespeare’s bronnen rekenschap van Warwick’s afval; maar inderdaad werd Warwick zoowel door de ontevredenheid over de verheffing van het geslacht der koningin als door staatkundige beweegredenen gedreven, want eerst vijf jaren na Edwards huwelijk, in 1469, brak de opstand der Nevils, die hem geheel onverwacht kwam, uit. Eerst had de graaf van Warwick zijn beide broeders, George Nevil, den aartsbisschop van York, die rijkskanselier was, en John Nevil, die de bezittingen der Percy’s verworven had en door Edward tot markies van Montacute of Montague verheven was, in zijn plannen ingewijd; hij zeide, besloten te zijn om den valschen en ondankbaren vorst te doen vallen, die mindere lieden tot hooge waardigheden bevorderde en oude vrienden op onwaardige wijs behandelde. Vervolgens wist hij ook den hertog van Clarence te winnen, wien hij zijn oudste dochter ten huwelijk gaf en waarschijnlijk uitzicht opende op den troon. Aanvankelijk lachte de krijgskans den opstandelingen toe; niet alleen behaalden zij in een gevecht bij Banbury de overwinning, maar het gelukte hun zelfs, Edward in zijn legerkamp te overvallen en gevangen te nemen. Maar weldra nam hun zaak een andere wending. De gevangen koning was aan de hoede van den aartsbisschop van York toevertrouwd, maar werd, toen hij in diens wildpark jaagde, door zijn aanhangers bevrijd, en van dit oogenblik af was het krijgsgeluk hem gunstig. Warwick en Clarence moesten naar Frankrijk vluchten, en eerst nu sloot Warwick met zijn doodvijandin Margaretha van Anjou een verbond, dat, met den bijstand van koning Lodewijk XI, tot doel had het huis van Lancaster weder ten troon te verheffen. Ter bevestiging van dit verbond werd een huwelijk tot stand gebracht tusschen Margaretha’s zoon, den jongen prins van Wales, en Warwick’s tweede dochter Anna. Clarence ondertusschen was weinig gediend met deze vernietiging zijner eerzuchtige verwachtingen en begon te betreuren, dat hij van zijn broeder was afgevallen; hij knoopte, nog in Frankrijk zijnde, geheime onderhandelingen aan met Edward, die niet in gebreke bleef, hem schoone beloften te doen, als hij zijn vereeniging met Warwick wilde opgeven.
Ondersteund door een Fransche zeemacht, deed Warwick den overtocht naar de kust van Devonshire in September 1470. Behalve Clarence en den graaf van Oxford, een getrouw vriend van het huis Lancaster, had hij ook den graaf van Pembroke bij zich, een stiefbroeder van Hendrik VI, een zoon van Owen Tudor, met wien Catharina van Frankrijk, de weduwe van koning Hendrik V, een tweede huwelijk had aangegaan. De oudste zoon uit dit huwelijk, de graaf van Richmond, gehuwd met Margaretha van Somerset, was reeds gestorven, maar had een zoon, Hendrik van Richmond toen ter tijd een knaap van tien jaren, nagelaten, die op een slot in Wales zich bevond. Warwick werd in Engeland door de bevolking met gejubel ontvangen; en zoo snel en onverwacht was zijn inval, dat koning Edward aan geen weerstand kon denken, maar in allerijl met zijn broeder Richard van Gloster, met lord Scales, den broeder zijner gemalin, door hem aan de erfdochter der Scales uitgehuwd, en met lord Hastings, Warwick’s zwager, naar Holland moest vluchten en zijn rijk zonder slag of stoot aan zijn tegenstanders overliet. Warwick spoedde zich naar Londen en kwam er op denzelfden dag aan, dat de hoogzwangere gemalin van Edward IV in de heilige vrijplaats van Westminster vluchtte, [738]waar zij aan een zoon het leven schonk, Edward, den prins van Wales, die dertien jaar later in den Tower omkwam. Uit den Tower werd nu na zesjarige gevangenschap Hendrik VI te voorschijn gehaald. Hij werd weder op den troon geplaatst, maar moest Warwick en Clarence tot rijksbestuurders benoemen, en Clarence als troonopvolger erkennen voor het geval, dat hijzelf geen nakomelingschap achterliet. De graaf van Pembroke haastte zich, den jongen Hendrik van Richmond uit Wales te halen en naar Londen te brengen, waar hij hem aan den vromen koning voorstelde. Toen, luidt het verhaal, riep Hendrik uit: „Dezen knaap zullen wij en onze tegenstanders alles nalaten!” „Zoodat het schijnt,” zegt Holinshed, „dat de heilige vorst van den geest der voorspelling vervuld was”. Toen kort daarna het huis York weder de overhand kreeg, bracht de graaf van Pembroke zijn neef in veiligheid aan het hof van den hertog van Bretagne. Van daar keerde de jeugdige Richmond eerst 15 jaar later naar Engeland terug, om er weldra als Hendrik VII den troon te beklimmen.
Reeds in Maart 1471 landden Edward en Richard met hun vrienden en een kleine, in Bourgondië geworven krijgersschaar, ongeveer tweeduizend man sterk, te Ravensburg aan de Humber, in het noorden van Engeland, waar vroeger ook Bolingbroke zijn zegetocht begonnen was. Evenals deze verklaarde hij aanvankelijk, dat hij slechts kwam om zijn vaderlijk erfdeel in bezit te nemen en niet om aan den koning zijn troon te betwisten. Toen echter zijn aanhang weldra verbazend aangroeide en velen zijner vrienden, met name Sir Francis Montgomery, verklaarden, dat zij wel voor koning Edward, maar niet voor den hertog van York wilden vechten, wierp hij het masker af en ontplooide te Nottingham de koninklijke banier. Warwick vermeed voorzichtig een slag in het open veld en bleef in Coventry, waar hij ongeveer zevenduizend man bijeengebracht had, en trachtte zich te versterken, waartoe hij ook op zijn schoonzoon Clarence rekende. Deze trachtte hem tot een vergelijk met Edward te overreden. Maar het toornig antwoord luidde: „dat hij zijn ondergang verkoos boven het breken van zijn bezworen woord”. Toen ging Clarence tot de tegenpartij over, en Warwick’s eigen broeder, de aartsbisschop van York, volgde zijn voorbeeld. Ja, den graaf werd in het oor gefluisterd, dat ook zijn broeder Montague op afval en verraad bedacht was, maar Warwick weigerde hooghartig hieraan geloof te slaan. Toen hij zijn macht bijeen had, rukte hij te velde en ontmoette bij Barnet, bijna in het gezicht van de hoofdstad, het leger van Edward, die in Londen met gejubel ontvangen was. Daar had op Paaschdag 14 April 1471, in den nevel van den vroegen morgen, de beslissende slag plaats. Hier was Richard van Gloster voor het eerst in de gelegenheid zich als moedig krijgsman te doen kennen; hij voerde de voorhoede aan en bracht veel tot de overwinning bij; ook Edward streed met ongehoorde dapperheid. De zege was volkomen; de beide broeders Warwick en Montague vielen in den slag; het lijk van den machtigen graaf vond men geheel uitgeplunderd in het kreupelhout liggen. Nog op Paaschdag kon Edward in de hoofdkerk van Londen zijn dankgebed voor de behaalde zege uitstorten.—Koning Hendrik werd weder naar zijn kerker in den Tower teruggebracht.
Margaretha van Anjou was juist met Fransche hulptroepen op de zuidkust van Engeland bij Weymouth geland, toen zij het bericht van deze onherstelbare nederlaag vernam. Zij gaf de hoop op en wilde omkeeren, maar de hertog van Somerset bewoog haar, den strijd voort te zetten; zij rukte op, onderweg door vele aanhangers versterkt, naar Glostershire. Maar de broeders Edward en Richard hadden zich met hun macht reeds daarheen gespoed en bij de abdij van Tewksbury werd op 4 Mei de bloedige slag geleverd, die, hoe dapper de aanhangers der koningin ook streden, in weinige uren aan haar geheele onderneming een einde maakte. Vele edelen sneuvelden; zijzelve, haar nu zeventienjarige zoon, die dapper gestreden had, en haar voornaamste vrienden,—waaronder Somerset, die terechtgesteld werd, de laatste Beaufort!—vielen den overwinnaars in handen. De prins was door een ridder gevangengenomen, die hem tegen een rente van honderd pond en op de belofte, dat zijn leven gespaard zou blijven, aan den koning uitleverde. Edward vroeg den jongeling, hoe hij zoo driest geweest was om met vliegende vanen Engeland binnen te dringen, waarop de prins moedig antwoordde: „Om mijns vaders rijk te herwinnen, dat hij van zijn grootvader en zijn vader geërfd heeft en mij eens zal nalaten.” Zonder een woord te zeggen stiet de koning hem van zich, of sloeg hem met den handschoen, waarop Clarence, Gloster, Hastings en Dorset, die er bij stonden, hem plotseling vermoordden. „En voor deze wreede daad,” merkt Holinshed hier op, „moest het meerendeel der daders in lateren tijd denzelfden kelk drinken, naar Gods rechtvaardige vergelding en verdiende straf.” Margaretha van Anjou werd gevangen gehouden, tot haar vader Reignier haar voor vijftigduizend kronen vrijkocht. Zij stierf in 1482 in haar geboorteland.
Nu leefde van alle afstammelingen van Jan van Gent in mannelijke lijn alleen Hendrik VI nog; op 19 Mei vond men hem dood in zijn cel. „Naar het standhoudend gerucht,” zegt Holinshed, „heeft Richard, hertog van Gloster, hem met zijn [739]dolk nedergestooten, opdat zijn broeder Edward met grootere veiligheid zou regeeren”; enkelen echter schrijven, „dat hij, op het vernemen van zijner vrienden nederlaag en zijns zoons dood, van verdriet gestorven is.”
In het voorgaande is alles bevat, wat Shakespeare uit zijn kronieken geput en tot zijn voorstelling van dezen rampzaligen tijd verwekt heeft. De lezer bedenke, dat bij deze voorstelling de bronnen, waarvan Shakespeare zich bediende, gevolgd zijn, en niet de uitkomsten, waartoe vroegere en latere geschiedvorschers geraakt zijn, medegedeeld moesten worden. Dan toch zou de zending van Warwick om Bona van Savoije, de schoone zuster des Franschen konings, die een verzinsel is, hier niet vermeld zijn, en evenmin de oplichting van Edward IV in zijn legerkamp, die een romantische voorstelling is van de afhankelijkheid van de Nevils en meer bepaald van den koningmaker Warwick, waarin door verschillende opstanden Koning Edward omstreeks 1469 geraakt was1. Hier was het doel, te doen zien, uit welke gegevens de dichter zijn tafereel van dit gruwelijk gedeelte der Engelsche geschiedenis geput heeft, en hoe zijn geest leven heeft ingeblazen aan de personen, wier handelingen door de kronieken verhaald worden. Men zal moeten erkennen, dat ook dit werk van den nog jeugdigen Shakespeare den grooten dichter waardig is.
I. 1. 9. Door ’t zwaard van mind’re krijgers. Sh. vergeet hier, dat hij in het Tweede Deel van K. Hendrik VI, V. 2. 19, Clifford door de hand van York vallen laat; wat hij hier vermeldt, is overeenkomstig de kronieken. Zulke afwijkingen in kleinigheden komen bij Sh. meer voor; hier behoeft men er zich volstrekt niet over te verwonderen, daar het handschrift van het vorige stuk wel in den schouwburg zal berust hebben en niet terstond kon nageslagen worden.
I. 1. 25. Dit hier is het paleis des laffen konings. Het woord paleis is blijkbaar in ruimeren zin op te vatten, als de plaats, waar de koning zijn heerschappij uitoefent; want dit tooneel speelt in het parlementshuis en de koning zelf zegt later, reg. 210, dat hij naar zijn hof wil gaan.
I. 1. 47. Uw edelvalk. Dit woord is ingelascht, om het in Sh.’s tijd voor ieder begrijpelijk beeld terstond duidelijk te maken.
I. 1. 72. Neef Exeter. De Hertog van Exeter was een afstammeling van den stiefbroeder van Richard II. Hij is niet met Thomas van Exeter te verwarren, den toen reeds overleden zoon van Jan van Gent.
I. 1. 78. Mijn erfdeel was dat, als het graafschap March. Duidelijkheidshalve is de naam March, die in het oorspronkelijke niet staat, bijgevoegd. York geeft hier een belangrijk antwoord, want het graafschap was hem, na het uitsterven van het geslacht der Mortimers, door zijn moeder toegevallen, aan wie hij ook zijn nader recht op den troon ontleende.
I. 1. 105. Uw vader was, als gij, hertog van York. Eigenlijk niet juist: York’s vader was graaf van Cambridge, en was, onder Hendrik V, wegens hoogverraad terechtgesteld, vóór het hertogdom door zijns broeders dood op hem was overgegaan.
I. 1. 116. Mijn broeder. Montague en Warwick noemen York bij herhaling broeder. York was wel met een Nevil getrouwd, maar deze, Cecilia Nevil, was niet hun zuster, maar hun moei, de zuster van hun vader, graaf Salisbury.
I. 1. 207. Ik ga naar mijn kasteel. Hij bedoelt zijn slot Sandal Castle in Yorkshire.
I. 1. 239. De onbuigb’re Falconbridge Thomas Nevil, een bastaard van Lord Falconbridge, was door Warwick tot vice-admiraal benoemd, met de opdracht van tusschen Dover en Calais wacht te houden, dat geen aanhangers van Hendrik uit Frankrijk naar England overstaken.
I. 3. 12. De onthokte leeuw. Er staat the pent-up lion. Bedoeld is: een leeuw, die een poos lang zonder voedsel in een hok is opgesloten geweest en er uitgelaten wordt om een veroordeelde te verslinden.
I. 3. 48. „Di faciant, laudis summa sit ista tuæ.” Dit vers van Ovidius is te vinden in de Heroides, II, 66. „Geven de goden, dat gij nooit iets doet, dat dit uw doen nog overtreft!”
I. 4. 16. Edward: „Een kroon!” De naam „Edward” is verkieslijk boven de woorden And cried, zooals de tekst heeft. De verbetering is aan de Irving-editie ontleend.
I. 4. 76. Met zijn knorstem. Richard voerde een ever op zijn helm en werd door zijn tijdgenooten meermalen ever genoemd.
II. 1. 40. Drie blonde zonnen. Werkelijk voerde het huis York na Hertog Richards dood drie [740]zonnen in zijn wapen; de oorsprong er van wordt hier der kroniek naverteld.—Naar aanleiding van de nagenoeg gelijke uitspraak van sun, zon, en son, zoon, antwoordt in het oorspronkelijke Richard op Edwards zeggen, dat hij drie suns in zijn wapen zal voeren: „Neen, voer liever drie dochters, want gij hebt de voedsters altijd liever dan de mannetjes.”
II. 1. 145. En George, uw broeder enz. Dit is niet historisch.
II. 2. 48. Wiens vader om zijn schrapen voer ter helle. Het spreekwoord, waarop hier gezinspeeld wordt, luidt: Happy the child, whose father went to the devil; „Gelukkig het kind, welks vader door den duivel is gehaald!” Als een vader, die op zondige wijze rijk geworden is, sterft, erft de zoon wel het goed, maar heeft voor de zonden niet meer te boeten. Koning Hendrik betwijfelt blijkbaar de juistheid van het spreekwoord.
II. 2. 133. Wie u ook hebb’ verwekt, daar staat uw moeder. Dadelijk bij de geboorte van Prins Edward werd door velen het vaderschap van koning Hendrik betwijfeld; daarom wordt deze hier ook een oogenblik later Menelaus genoemd.
II. 2. 144. Een stroowisch ware een duizend kronen waard. Kijfzieke of liederlijke vrouwen werden met een stroowisch voor de borst op de kaak gesteld; of haar werd tot hoon een stroowisch voorgehouden.
II. 3. 15. Reeds dronk de dorstige aard uws broeders bloed. Dat in dezen slag een broeder van Warwick zou gesneuveld zijn, vindt men nergens vermeld, maar wel bericht Holinshed, dat in de gevechten, die den slag voorafgingen, een bastaard van den graaf van Salisbury, Warwick’s vader, viel.
II. 5. 61. Wie is ’t?—O God, het is ’t gelaat mijns vaders! Men denke, dat de zoon de helmklep van den doode oplicht.
II. 5. 92. O zoon, uw vader schonk te vroeg u ’t leven, Beroofde u nu van ’t leven;—o te laat! In ’t Engelsch luidt de tweede regel: And hath bereft thee of thy life too late. Dat de zoon te vroeg geboren is, omdat hij nu den burgerkrijg beleefd heeft, is duidelijk genoeg; maar leest men den tweeden aaneen, „en heeft u te laat van uw leven beroofd,” dan is deze vrij wel onzin, en de verklaring, die de uitgevers er van trachten te geven, gaat niet op. De vertaler heeft de twee laatste woorden, too late, van de vorige gescheiden en dit schijnt alle bezwaren op te lossen; de vader heeft geklaagd, dat zijn zoon te vroeg geboren is, en dat hij, de vader, hem gedood heeft; de woorden te vroeg doen er hem aan denken, dat hij zijn zoon te laat herkend heeft, en deze gedachte spreekt hij afgebroken uit; in oogenblikken van heftige gemoedsbeweging spreekt men niet met afgeronde zinnen.—Zoo is ook het laatste zeggen van den koning, reg. 77, 78: Gij, hart en oogen, enz. niet vrij van verwardheid.
II. 6. 107. Want Gloster’s hertogdom spelt weinig heils. In de kroniek van Hall, welke aan Sh. bekend was, vindt men, dat velen opgemerkt hadden, dat de titel van Hertog van Gloster voor velen zijner bezitters onheilvol geweest was. Trouwens zoowel Thomas van Gloster, de zoon van Edward III, als Humfried van Gloster, de zoon van Hendrik IV, werden vermoord, en ook Richard van Gloster vond een bloedigen dood.
III. 2. 113. Voor ’t minst tien dagen zou ’t een wonder heeten. Een wonder duurt naar ’t zeggen negen dagen.
III. 3. 188. Gezwegen bij de onteering van mijn nicht. Sh. doelt hier op een gebeurtenis, die in het stuk niet verder ter sprake komt, maar in Holinshed aldus vermeld wordt. „Koning Edward beproefde eens in ’s graven huis iets, wat de eerbaarheid des graven veel te na kwam; of hij zijn dochter of zijn nicht trachtte te defloreeren, werd om beider wil niet ruchtbaar, maar zeker, zoo iets werd door koning Edward beproefd.”—Wat Warwick in den vorigen regel zegt van den ontijdigen dood zijns vaders, doelt op Salisbury’s onthoofding na het gevecht bij Wakefield.
III. 3. 224. Dat Lood’wijk hem speellieden zenden zal. In ’t oorspronkelijke staat masquers, want in Oud-Engeland werden voorname huwelijksfeesten steeds opgeluisterd door allegorische voorstellingen, pantomimes en maskerades.—De koning doelt natuurlijk op de krijgers, waarmede hij koningin Margaretha ondersteunen wil.—Een paar regels later zegt Prinses Bona, dat zij om hem een wilgekrans zal dragen. De wilg komt in de Oud-Engelsche volkspoëzie vaak voor als het symbool van ongelukkige liefde, met name voor verlaten meisjes. Vergelijk De Koopman van Venetië, V. 1. 10. „Den wilgekrans om iemand dragen” is dus: „om hem als trouweloozen minnaar treuren.”
III. 3. 242. Mijn oudste dochter. Prins Edward huwde Warwick’s tweede of jongste dochter, Anna Nevil; in „K. Richard III” wordt dit juist opgegeven. Clarence huwde de oudste, Isabella Nevil, niet de jongste, zooals men uit zijn zeggen, IV. 1. 118, zou opmaken.
IV. 1. Bij het opkomen van Koning Edward zegt de Folio-uitgave: „Vier staan er op de eene en vier op de andere zijde”; dit wil zeggen: de koning staat in ’t midden; aan zijn eene zijde staat koningin Elizabeth met haar vrienden Pembroke, Stafford en Hastings, aan [741]zijn andere Gloster, Clarence, Somerset en Montague.
IV. 1. 29. Welnu mijn meening is enz. De Folio-uitgave kent deze woorden aan Clarence toe; blijkbaar moet Somerset ze spreken, want deze wordt door den koning uitgenoodigd, zijn meening te uiten en Clarence heeft dit reeds, en met meer klem, gedaan.
IV. 1. 47. Voor dit gezegde alleen verdient Lord Hastings De erfdochter van Lord Hungerford te erlangen. Volgens de kroniek werd niet aan Lord Hastings zelf, maar aan een zijner zoons de erfdochter van Lord Hungerford uitgehuwelijkt. Als de mannelijke lijn van een geslacht uitgestorven was, vergaf de leenheer gewoonlijk de hand der erfdochter, en in verscheiden staten werd dit als een prerogatief der kroon beschouwd.
IV. 6. 67. De jonge Hendrik, graaf van Richmond. Hier wordt blijkbaar de jonge graaf van Richmond,—men zie de geslachtslijst,—later koning Hendrik VII, de stamvader van het huis Tudor en grootvader van koningin Elizabeth, opzettelijk verheerlijkt.—Tevens wordt hier het slot van het volgend stuk, K. Richard III, voorbereid.
IV. 8. 50. In de meeste uitgaven vindt men in de tooneelaanwijzing ten onrechte den uitroep A Lancaster; blijkbaar moet A York gelezen worden.
V. 1. 4 en 5. Waar is de man enz. Deze twee regels staan in de uitgaven in omgekeerde volgorde als hier; de omzetting, zooals die in de Irving-uitgave voorkomt, is noodig. De naam Daintry in regel 6 is de volksuitspraak voor Daventry.
V. 1. 45. Den armen vorst liet ge in ’t paleis des Bisschops. In het paleis des Bisschops van Londen.
V. 2. 44. ’t Klonk zooals een roep in een gewelf. In de quarto-uitgaven vindt men: like a clamour in a vault, dat hier gekozen is; de folio-uitgave heeft like a cannon: „Maar ’t klonk als in gewelven een kanonschot.”
V. 5. 2. Naar het slot Ham. Het slot Ham in Picardië, dat ook in deze eeuw een belangrijken staatsgevangene heeft gehuisvest.
V. 5. 25. Æsopus moge in winternachten faab’len. De Prins vergelijkt Richard met den mismaakten fabeldichter Æsopus.
V. 6. 10. Welk bloedig stuk heeft Roscius nu te spelen? Roscius, de beroemde Romeinsche tooneelspeler, de tijdgenoot van Sulla en van Cicero, bij wie hij in hooge achting stond, was ook bij het Engelsche publiek van Sh.’s tijd bekend als uitmuntend treurspeler. Hij wordt in de stukken van dien tijd meermalen genoemd, door Shakespeare in Hamlet, II. 2. 410.
V. 6. 55. En is het and’re waar, dat ik vernam, Dan kwaamt gij—De koning wil zeggen, dat Richard met de voeten vooruit ter wereld gekomen is, maar Gloster laat hem den tijd niet om uit te spreken.
V. 6. 86. Want profetieën zal ik gonzen doen. Men vergelijke het volgende stuk, K. Richard III. I. 1. 39 en 54.
V. 7. 15. Dat ik nu mijn jongen kusse. Koningin Elizabeth heeft in het geheel haar gemaal, behalve twee jongens, van welke hier de oudste, Edward, pas geboren is, nog vijf dochters geschonken, voor wie Koning Edward reeds vroegtijdig naar echtgenooten uitzag. In de geslachtslijst behoefde van deze alleen Elizabeth genoemd te worden, die later met Hendrik VII Tudor huwde.—Dat de dichter in dit en het vorige tooneel het volgende stuk, Koning Richard III, voorbereidt, is onmiskenbaar.
1 Die de geschiedenis nader wil kennen, moge het een of ander uitgebreid werk over algemeene geschiedenis, zooals dat van Weber of Schlosser, welke vrij algemeen verbreid zijn, of bijzondere werken over dit tijdvak raadplegen.—De hier gebezigde uittreksels uit de kronieken zijn in de uitgaven van Sh. door Knight, Delius en anderen en ook in afzonderlijke werken, met name van Simrock, te vinden. Hier is vooral het uitmuntend overzicht, door Gildemeister als inleiding bij zijn Hoogduitsche vertaling van „K. Hendrik VI” gevoegd, ten grondslag gelegd. ↑