WeRead Powered by ReaderPub
Koning Jan cover

Koning Jan

Chapter 1: Koning Jan.
Open in WeRead

About This Book

Een koninklijk drama volgt een heerser wiens aanspraak op de troon wordt betwist door een jonge uitdager en door buitenlandse inmenging, wat binnenlandse onenigheid en militaire confrontatie veroorzaakt. Hofscènes leggen nadruk op intriges, juridische geschillen en erfopvolging terwijl intieme momenten familieruzies en gewetensvragen onthullen. Buiten het hof tonen belegeringen, veldslagen en diplomatieke onderhandelingen de wisselende trouw van edelen en rivaliserende machten. Het stuk onderzoekt legitimiteit, de last van het koningschap, de spanning tussen recht en geweld en de menselijke tol van politieke ambitie. De structuur wisselt publieke vergaderingen af met privétaferelen, waarbij politieke retoriek wordt gemengd met tragische gevolgen tot een sombere afrekening.

Koning Jan.

  • Personen:

  • Koning Jan.
  • Prins Hendrik, zijn zoon.
  • Arthur, hertog van Bretagne.
  • William Mareschall, graaf van Pembroke.
  • Geffrey Fitzpeter, graaf van Essex.
  • William Longsword, graaf van Salisbury.
  • Robert Bigot, graaf van Norfolk.
  • Hubert de Burgh, kamerheer des Konings.
  • Robert Faulconbridge.
  • Philip Faulconbridge.
  • James Gurney, dienaar van Lady Faulconbridge.
  • Peter van Pomfret.
  • Philips, koning van Frankrijk.
  • Lodewijk, de Dauphijn.
  • De Hertog van Oostenrijk.
  • Kardinaal Pandulfo, pauselijk legaat.
  • Melun, een Fransch edelman.
  • Chatillon, Gezant van Frankrijk.
  • Eleonore, weduwe van koning Hendrik den Tweeden.
  • Constance, moeder van Arthur.
  • Blanca, dochter van koning Alfonso van Castilië.
  • Lady Faulconbridge.
  • Lords en Edelvrouwen, Burgers van Angers, een Sheriff, Herauten, Officieren, Soldaten, Boden en Gevolg.

Het tooneel is gedeeltelijk in Engeland, gedeeltelijk in Frankrijk.

Eerste Bedrijf.

Eerste Tooneel.

Northampton. Een statiezaal in het paleis.

Koning Jan, Koningin Eleonore, de Graven van Pembroke, Essex, Salisbury, en Anderen met Chatillon komen op.

Koning Jan.

Meld, Chatillon, wat Frankrijk van ons wil.

Chatillon.

Aldus spreekt, na begroeting, Frankrijks koning,

Door heel mijn doen, tot deze majesteit,

Tot de geborgde majesteit van England:—

Eleonore.

Een vreemd begin: geborgde majesteit!

Koning Jan.

Stil, lieve moeder, hoor de boodschap aan!

Chatillon.

Philips van Frankrijk, handlend voor ’t goed recht

Des zoons van wijlen uwen broeder Godfried,

Arthur Plantagenet, eischt wett’lijk op

Dit heerlijk eiland en de verdre landen:

Ierland, Poitiers, Touraine, Anjou en Maine;

Hij vordert, dat gij u van ’t zwaard ontdoet,

’t Welk wederrecht’lijk dit gebied beheerscht,

En dat gij ’t aan den jongen Arthur reikt,

Uw neef, uw koning en uw opperheer.

Koning Jan.

En wat staat ons te wachten, zoo wij weig’ren?

Koning Jan, Eerste Bedrijf, Eerste Tooneel.

Chatillon.

De trotsche dwang van fellen, bloedige’ oorlog,

Om u te ontrooven, wat ge als roover hebt.

Koning Jan.

Wij hebben krijg voor krijg en bloed voor bloed

En dwang voor dwang; breng dit aan Frankrijk over.

Chatillon.

Zoo zegt mijn vorst door mijn mond krijg u aan,

Als van mijn zending ’t allerlaatste woord.

Koning Jan.

Breng hem dan ’t mijne en ga in vrede heen;

Wees als een bliksemstraal voor Frankrijks oogen,

Want eer gij, dat ik kom, hem melden kunt,

Zal hij van mijn geschut den donder hooren.

Dus voort! wees gij trompet van onze gramschap,

Het somber voorspook van uw eigen val.—

Een eervol uitgeleide komt hem toe;

Pembroke, verleen dit.—Chatillon, vaarwel!

(Chatillon en Pembroke af.)

Eleonore.

Ziet gij, mijn zoon? heb ik niet steeds gezegd,

Constance’s eerzucht zou geen rust zich gunnen,

Aleer zij Frankrijk en geheel de wereld

Voor ’t recht haars zoons in vlammen had gezet?

Men had dit kunnen schikken en voorkomen

Door overreding, zachte minzaamheid,

Wat nu twee koninkrijken handlen doet,

Door schriklijk, bloedig doen beslecht moet worden.

Koning Jan.

Ons is de macht van het bezit, en ’t recht. 39

Eleonore

(fluisterend). De macht van het bezit veel meer dan ’t recht;

Of anders zou ’t ons beiden slecht vergaan.

Dit fluistert mijn geweten u in ’t oor,

Wat God en gij en ik, geen ander hoor’!

(De Sheriff van Northamptonshire komt op en spreekt zacht met Essex.)

Essex.

Mijn vorst, daar wordt van ’t platteland een zaak,

Het vreemdst geding voor uwen rechterstoel

Gebracht, dat ooit mij voorkwam.—Zal ik, heer,

De menschen voor u brengen?

Koning Jan.

De menschen voor u brengen? Dat zij komen!

(De Sheriff af.)

De kloosters en abdijen leev’ren mij

Het geld voor dezen tocht.

(De Sheriff komt weder op, met Robert Faulconbridge en diens Bastaardbroeder Philip.)

Het geld voor dezen tocht. Wie zijt gij beiden?

Bastaard.

Ik, heer, een onderdaan, u trouw, een jonker

Hier uit Northamptonshire, en oudste zoon,

Naar ik vermeen, van Robert Faulconbridge,

Een’ krijger, rijk in eer, wijl hem de hand

Van Leeuwenhart in ’t veld tot ridder sloeg.

Koning Jan.

En wie zijt gij?

Robert.

En wie zijt gij? De zoon en erfgenaam

Van wien hij noemt, den ridder Faulconbridge.

Koning Jan.

Hij de oudste zoon, en gij zijn erfgenaam?

Dus zijt gij, schijnt het, niet van ééne moeder?

Bastaard.

Van ééne moeder zeker, machtig koning;

Dit weet men; ook van éénen vader, meen ik;

Doch voor de zeek’re kennis dezer waarheid

Verwijs ik u tot God en tot mijn moeder;

Ik twijfel, zooals elk mans-kind mag doen.

Eleonore.

Foei, ruwe knaap! gij schandvlekt uwe moeder,

En wondt haar eer door zulk een achterdocht.

Bastaard.

Ik, eedle vrouwe? neen, ik heb geen reden;

Mijn broeder werpt den twijfel op, niet ik;

En als hij ’t kan bewijzen, dan ontkaapt hij

Voor ’t minst mij ’s jaars vijfhonderd pond. De hemel

Behoed’ mijn moeders eer en ook mijn land!

Koning Jan.

Een wakk’re stoute borst!—Waarom maakt hij, 71

De jongre zoon, dan aanspraak op uw erfgoed?

Bastaard.

Waarom? vermoedlijk om ’t bezit van ’t land.

Doch eens maar noemde mij zijn laster bastaard;

Maar of ik evenzoo in deugd verwekt ben

Of niet, kome enkel op mijn moeders hoofd;

Maar dat ik even goed verwekt ben, heer,—

’t Gebeente heil, dat eens om mij gesloofd heeft!—

Zie ons hier naast elkaar en oordeel zelf.

Verwekte ons de oude Robert beide’, en is

Die zoon zijn evenbeeld,—dan, oude Robert,

Mijn vader, dank ik op de knieën nu

Den hemel, dat ik niet gelijk op u!

Koning Jan.

Wat voor een dolkop stuurt ons daar de hemel!

Eleonore.

Hij heeft iets in ’t gelaat van Leeuwenhart;

En ook zijn spreken doet mij aan hem denken.

Vindt gij ook niet gelijk’nis met mijn zoon

In heel den forschen bouw van dezen man?

Koning Jan.

Mijn oog heeft heel zijn uiterlijk getoetst;

’t Is of men Richard zelf ziet.—(Tot Robert.) Kerel, spreek

Wat drijft u, om uws broeders land te vordren?

Bastaard.

Dat hij een half-gezicht heeft, als mijn vader!

Dat half-gezicht verlangt geheel mijn land,

Een halfkop-groot vijfhonderd pond in ’t jaar!

Robert.

Doorluchtig koning, toen mijn vader leefde,

Heeft menigmaal uw broeder hem gebezigd,—

Bastaard.

Wel man, zoo wint gij mij mijn land niet af;

Zeg eer, hoe hij mijn moeder bezighield.

Robert.

En eens zond hij hem als gezant naar Duitschland,

Om over zaken van het hoogst belang,

Toen hangend, met den keizer te onderhandlen.

De koning nam zijn afzijn toen te baat

En woonde intusschen in mijns vaders huis.

Daar slaagde hij, ik mag niet zeggen hoe,

Maar waar is waar;—een breede zee, veel land

Lag tusschen mijnen vader en mijn moeder,—

Zooals ik van mijn vader zelf vernam,—

Toen deze drieste jonker werd verwekt.

Op ’t doodsbed liet hij bij zijn laatsten wil

Zijn land aan mij en wilde er wel op sterven,

Dat hij, mijn moeders zoon, zijn zoon niet was;

Of, was hij ’t, dat hij volle veertien weken,

Aleer zijn tijd er was, ter wereld kwam.

Daarom, mijn beste vorst, geef mij het mijne,

Mijns vaders land, dat hij mij heeft vermaakt.

Koning Jan.

Uw broeder, heerschap, is een wettig zoon, 116

Geboren uit uws vaders vrouw, in ’t huwlijk;

En speelde zij valsch spel, dan draagt zij schuld,

Maar aan die schuld moet ieder man, die trouwt,

Zich wagen. Hoe toch, spreek, indien mijn broeder

Eens dezen zoon, dien hij verwekt heeft, zegt ge,

Als zijn zoon van uw vader had geëischt?

Uw vader kon, zelfs tegen heel de wereld,

Dat kalf van zijne koe voor zich behouden,

Naar recht; hem mocht, al was hij van mijn broeder,

Mijn broeder toch niet vordren, noch uw vader,

Al was hij niet van hem, verlooch’nen. Dus,

Mijn moeders zoon verwekte uws vaders erfzoon;

Uws vaders erfzoon erft uws vaders land.

Robert.

Mijns vaders laatste wil heeft dus geen kracht,

Om ’t kind te onterven, dat zijn kind niet is?

Bastaard.

Zoo min de kracht, om mij te onterven, man,

Als hij den wil had, om mij voort te brengen.

Eleonore.

Wat wilt gij liever zijn, een Faulconbridge,

En, als uw broeder, leven van uw land,

Of, als de zoon van Leeuwenhart geschat,

Heer van uzelf zijn, niet van land er bij?

Bastaard.

Vorstin, ja, had mijn broeder mijn gestalte,

En ik de zijne, die van de’ ouden Robert,

En was mijn been gelijk het zijne een zweepriet,

Mijn arm een opgevulde palinghuid,

En mijn gezicht zóó smal, dat ik geen roos

Mij achter ’t oor dorst steken, wijl het volk

Zou zeggen; „kijk eens, een twee-blanken-stuk!”

En erfde ik met dat uitzicht al zijn land,—

Zoo waar een ander man hier voor u staat—

’k Gaf elken voetbreed weg voor dit gelaat;

Sir Bob te zijn wordt diep door mij versmaad.

Eleonore.

Ik mag u wel. Wilt gij van ’t erfgoed afzien,

Uw land aan hèm vermaken en mij volgen?

Ik ben soldaat, en trek naar Frankrijk thans.

Bastaard.

Neem, broeder, gij mijn land, ik waag de kans.

Win ’s jaars met uw gezicht vijfhonderd pond.

Schoon ’t voor een schelling wis geen kooper vond.

Verheven vrouwe, ik volg u in den dood.

Eleonore.

Neen, daarin laat ik u veel liever voorgaan.

Bastaard.

Voor hoog’ren wijken wij op ’t land steeds uit. 156

Koning Jan.

Hoe is uw naam?

Bastaard.

Philip, heer, en, opdat ik ’t al ontvouw,

’k Ben oudste zoon van ouden Roberts vrouw.

Koning Jan.

Noem u voortaan naar hem, wien gij gelijkt.

Kniel, Philip;—blijf als ridder zonder smet;—

Rijs op, Sir Richard, en Plantagenet.

Bastaard.

Broeder van moederswege, reik me uw hand;

Mij schonk mijn vader eer, u de uwe land.—

Gezegende ure, die, bij nacht of dag,

Mij, toen Sir Robert ver was, worden zag!

Eleonore.

De geest, heel de aard van een Plantagenet!

Noem mij grootmoeder, Richard, want dat ben ik.

Bastaard.

Door toeval, maar niet wettig, dit erken ik;—

Wat nood? Men volgt een weg, al is hij krom;

De straat versperd, welnu, men neemt een steeg;

Wie dagschuw is, hij loopt bij nacht wat om;

Iets hebben blijft toch hebben, hoe men ’t kreeg;

Goed schiet, wie raakt, ’t moog’ ver zijn of nabij;

Ik ben, die ’k ben, hoe mijn geboorte ook zij.

Koning Jan.

Ga, Faulconbridge, voldaan en welgemoed,

Gegoed nu door een ridder zonder goed.—

Kom, moeder, Richard, kom, ons roept de strijd

Naar Frankrijk, Frankrijk; vlug, ’t is meer dan tijd.

Bastaard.

Vaar, broeder, wel; u sta ’t geluk ter zij;

En wees steeds met uw wettigzoonschap blij!

(Allen af, op den Bastaard na.)

In eer een voet verhoogd bij wat ik was,

Maar menig, menig voetbreed land verarmd.

Hoe ’t zij, elk Grietje kan ik lady maken.—

„Sir Richard, goeden avond!—„Dank u, man;”

En als hij Heintje heet, noem ik hem Peter;

Want nieuwe rang vergeet den naam van mind’ren;

’t Waar’ te gemeenzaam na zoo’n standverand’ring,

Te vriendlijk.—Nu zoo’n reiziger, gesierd

Met tandenstoker aan mijn ridderdisch;—

En is mijn welgeboren maag voldaan,

Dan zuig ik aan mijn tanden, en ik vraag

Den opgeprikten reisman:—„Zeg, mijn waarde,”

Begin ik, steunend op mijn elleboog,

„Doe mij ’t genoegen—”, dit nu is de vraag,

En antwoord volgt, als in den catechismus;

„O zeker, Sir,” zegt antwoord, „als gij wilt,

Gansch tot uw dienst, tot uw beschikking, Sir.”

„Neen,” zegt dan vraag weer, „neen, ik gansch tot de uwe.” 199

En zoo, eer antwoord weet, wat vraag verlangt,

Behalve alleen het complimenten wiss’len,

Volgt praten over Alpen, Apennijnen,

De Po, de Pyreneën en Milaan,

En sluipt de tijd van ’t avondeten aan.

Maar dit is ook hoogedele omgang, passend

Aan iemand, die omhoogstijgt, zooals ik;

Want hij is slechts een bastaard voor de wereld,

Die niet een bijsmaak heeft van wereldwijsheid,—

Ik ben het trouwens met of zonder bijsmaak,—

En niet alleen in praten en manieren,

In zichtbare’ opschik, uiterlijken vorm,

Maar bovendien door de aandrift om den smaak

Des tijds te streelen met zoet, zoet, zoet gif.

Ikzelf wil dit niet doen, om te bedriegen,

Doch leeren wil ik ’t, om bedrog te mijden;

Mijn opgaand pad is dik er mee bestrooid.

Maar wie komt met die haast, in rijgewaad?

Een vrouw, die renbode is? heeft zij geen man,

Die vóór haar op den horen blazen wil?

(Lady Faulconbridge en James Gurney komen op.)

O wee, het is mijn moeder!—Beste lady,

Wat voert u hier met zulk een haast naar ’t hof?

Lady Faulconbridge.

Waar is die schelm, uw broeder? waar, waar is hij,

Die jacht maakt, door de straten, op mijn eer?

Bastaard.

Mijn broeder Robert, zoon van de’ ouden Robert?

De Philistijnsche reus, de sterke man?

Is het Sir Roberts zoon, dien gij zoo zoekt?

Lady Faulconbridge.

Sir Roberts zoon! Ja, oneerbiedig wezen,

Sir Roberts zoon; wat spot gij met Sir Robert?

Hij is Sir Roberts zoon, zoowel als gij.

Bastaard.

James Gurney, laat ons hier een poos alleen.

Gurney.

Goed, beste Philip.

Bastaard.

Goed, beste Philip. Philip! noem een musch zoo!

Ga, James! er broeit iets; weldra hoort gij meer.

(Gurney af.)

Mevrouwe, ’k ben geen zoon van de’ ouden Robert;

Sir Robert mocht zijn deel aan mij vrij eten

Op Goeden Vrijdag; ’t brak zijn vasten niet.

Wat ook Sir Robert doen kon,—spreek, kon hij

Ooit mij verwekken? Neen, dit kon hij niet;

Wij weten, wat hij wrochtte.—Daarom, moeder,

Wien ben ik dank verplicht voor deze leden?

Nooit hielp Sir Robert, om dit been te maken.

Lady Faulconbridge.

Hebt gij ook met uw broeder saamgezworen? 241

Reeds om u zelf moest gij mijn eer behoeden.

Wat meent gij met dien spot, aartslompe knaap?

Bastaard.

Knaap?—Ridder, ridder; goede moeder, ja;

Ik heb den slag; hier zit hij op mijn schouder.

Maar, moeder, ik ben niet Sir Roberts zoon;

Ik heb Sir Robert en zijn land verloochend,

Mijn wettige geboorte, naam en alles.

Dies, goede moeder, zeg, wie was mijn vader?

Ik hoop, een wakker man; wie was het, moeder?

Lady Faulconbridge.

Hebt gij den naam van Faulconbridge verloochend?

Bastaard.

Zoo zeker, ja, als ik ’t den duivel doe.

Lady Faulconbridge.

Uw vader?—Koning Richard Leeuwenhart!

Verleid werd ik door lang en heftig dringen

Hem plaats te geven in mijn huwlijksbed.—

God! leg mij mijn misstap niet ten laste!

Gij zijt de vrucht der zonde, die mijn ziel

Zóó fel bestookte, dat ik, weerloos, viel.

Bastaard.

Bij God, ware ik nog eenmaal te verwekken,

Een beet’ren vader, moeder, wenschte ik niet.

O, enk’le zonden zijn op aard bevoorrecht,

Zoo de uwe; ’k zeg, uw feil was geen verdwaasdheid;

Gij moest voor liefde, die gebiedend was,

Uw hart aan hem, als hulde, ootmoedig wijden,

Met wiens voorbeeldelooze kracht en woede

Zelfs de onverschrokken leeuw niet kampen kon,

Die ’t vorstlijk hart aan zijne hand moest afstaan.

Wie met geweld aan leeuwen ’t hart ontrooft,

Verovert licht dat van een vrouw. Ja, moeder,

Ik dank van ganscher harte u voor mijn vader!

Wie zegt, dat mijn verwekking overspel

En zonde was, ik zend zijn ziel ter hel.

Kom, moeder, mijne maagschap moet u zien;

Dan hoort gij, of ’t niet eer hun zondig scheen,

Toen Richard u bestormde, hem te ontvliên;

Gij zondig? leugen is ’t; neen, zeg ik, neen!

(Beiden af.)

Tweede Bedrijf.

Eerste Tooneel.

Frankrijk. Voor de muren van Angers.

Van de eene zijde komt de Hertog van Oostenrijk met troepen op, van de andere Philips, koning van Frankrijk met troepen, Lodewijk, Constance, Arthur en Gevolg.

Lodewijk.

Wees welkom voor Angers, koen Oostenrijk!—

Arthur, uw groote bloedverwant en voorzaat,

Richard, die eens den leeuw het hart ontrukte,

Den heil’gen krijg in Palestina streed,

Zonk vroeg in ’t graf door dezen dapp’ren hertog;

En om dit aan zijn nazaat goed te maken,

Verscheen hij thans op onzen aandrang hier,

Om, knaap, voor u zijn krijgsbanier te ontplooien,

En Jan van England, uw ontaarden oom,

Te straffen voor zijn wet- en rechtloos doen.

Omarm, bemin hem, heet hem welkom hier.

Arthur.

God zal den dood van Leeuwenhart vergeven,

Te meer, nu gij zijn kroost nieuw leven schenkt,

Hun recht beschaduwt met uw oorlogswieken.

Met krachtelooze hand bied ik u ’t welkom,

Maar met een hart vol vlekloos reine liefde;

Wees welkom voor Angers, doorluchte hertog!

Lodewijk.

Een eed’le knaap! wie zou uw recht niet staven? 18

Oostenrijk.

Ik druk op uwe wang deez’ vuur’gen kus,

Als zegel op ’t verdrag van mijne liefde,

Dat ik niet eer terugkeer naar mijn huis,

Voordat Angers en heel uw recht in Frankrijk,

En ook dat bleek, dat wit uitziende strand,—

Welks voet het loeiend golfgeklots terugwerpt,

En ’t eilandvolk van andre landen afsluit,—

Voordat dit Engeland, door de zee omheind,

Dit vocht-omschanste bolwerk, dat zich zo

Voor elken vreemden aanslag veilig acht,

Voordat die verre westeruithoek u

Als koning groet; tot zoolang, lieve knaap,

Denk ik niet aan mijn huis, en blijf in ’t veld.

Constance.

Aanvaard zijn moeders dank, der weduw dank,

Totdat uw sterke hand hem sterkte geeft,

Om ruimer uwe liefde u te vergelden.

Oostenrijk.

Des hemels vrede loont een elk, die ’t zwaard

In zulk een heil’gen strijd als christen heft.

Koning Philips.

Komt dan, aan ’t werk! Op ’t voorhoofd dezer stad,

Die ons weerstaat, zij ons geschut gericht.

Roept onze meesters in de krijgskunst hier,

Om ’t beste plan voor de’ aanval uit te kiezen.

Al moest ik ook mijn vorstlijk rif hier laten,

Door ’t bloed van Franschen waden tot de markt,

Ik dwing de stad, den knaap als heer te erkennen.

Constance.

Wacht eerst het antwoord op uw zending af, 44

Opdat ge uw zwaarden niet te vroeg bevlekt.

Misschien brengt Chatillon in vrede ’t recht

Uit England, dat gij door den krijg hier eischt;

Dan zou ons ieder druppel bloeds berouwen,

Ten onrecht door te fellen haat geplengd.

(Chatillon komt op.)

Koning Philips.

Vorstin, een wonder!—zie, op uwen wensch

Komt onze bode Chatillon terug.

Zeg, edel heer, beknopt, wat England zegt;

Wij wachten kalm op u; spreek, Chatillon.

Chatillon.

Staak dan ’t beleg van deze armzaal’ge stad,

En spoor uw leger tot een grootscher taak.

England, uw billijke eischen driest verwerpend,

Heeft zich terstond gewapend. Tegenwind,

Welks duur ik af moest wachten, gaf hem tijd

Gelijk met mij zijn leger te doen landen.

Hij nadert deze stad met snelle marschen;

Zijn heer is sterk, zijn krijgers zijn vol moed;

En met hem komt de koninginnemoeder,

Een Ate, die tot bloed en strijd hem spoort;

Haar nicht verzelt haar, Blanca van Castilië;

Alsmede een bastaard des gestorv’nen konings;

En al de dolle drift van ’t gansche land,

Vrijwill’ge krijgers, niets ontziend, woest, vurig,

Met meisjeswangen en met drakenfelheid,

Zij hebben al hun goed’ren ginds verkocht,

En dragen fier hun erfdeel op den rug,

En zetten ’t hier op ’t spel voor nieuw geluk.

Kortom, een kloeker keur van koene harten,

Dan Englands vloot ons nu heeft toegevoerd,

Vlotte op het zwalpend nat voor dezen nooit,

Om christenlanden smaad en nood te brengen.

(Getrommel achter het tooneel.)

De stoornis van hun lompe trommen breekt,

Wat ik zou melden, af; zij zijn daar reeds

Tot strijd of onderhand’ling;—weest bereid.

Koning Philips.

Hoe snel en onverwacht is deze krijgstocht!

Oostenrijk.

Hoe minder hij voorzien was, des te meer

Ontwake onze ijver om hem af te slaan,

Want moed stijgt immer met den eisch des tijds;

Dat zij ons welkom zijn, wij staan gereed!

(Koning Jan, Eleonore, Blanca, de Bastaard en Pembroke komen op, met troepen.)

Koning Jan.

Aan Frankrijk vrede, als Frankrijk ons in vrede

Den intocht gunt in ’t land, door erfrecht ons;

Of Frankrijk bloede, en vrede stijg’ ten hemel,

Terwijl, als werktuig van Gods toorn, wij

Den hoon, die trotsch zijn vrede er heendrijft, straffen. 88

Koning Philips.

Aan England vrede, zoo de krijg uit Frankrijk

Naar England keert en daar in vrede leeft.

Wij minnen England en om Englands wil

Doet onzer rusting last ons zwoegen, zweeten.

Wat wij hier doen, ware eerder uwe taak;

Maar zoo ver is ’t van u, dat ge England mint,

Dat gij zijn rechten vorst hebt ondergraven,

De wettige erfopvolging doorgesneden,

Een kinderlijken koningsrang gehoond,

De maagdlijke onschuld van de kroon verkracht.

Zie hier ’t gelaat van uwen broeder Godfried;

Dat oog, die wenkbrauw is naar hem gevormd!

Dit kort begrip behelst dat alles, wat

In Godfried stierf; de hand des tijds zal ’t eens

Uitwerken tot een even grootsch geschrift.

Die Godfried was uw eigen ouder broeder,

En dit zijn zoon; England was Godfrieds recht,

En hij is Godfrieds zoon. In naam van God,

Hoe komt het dan, dat gij u koning noemt,

Schoon levend bloed in deze slapen klopt,

Waaraan de kroon, door u geroofd, behoort?

Koning Jan.

Van wien hebt gij die groote volmacht, Frankrijk,

Om op die punten me in ’t verhoor te nemen?

Koning Philips.

Van de’ opperrechter, die de zucht naar ’t goede

In ’t hart van elk, wien macht vertrouwd is, wekt,

Hem waken doet voor schennis van het recht.

Hij maakte mij tot hoeder van deez’ knaap;

Door hem gemachtigd, wraak ik uwen roof,

En met zijn bijstand hoop ik dien te straffen.

Koning Jan.

Gij matigt u het ambt eens rechters aan.

Koning Philips.

Alleenlijk om aanmatiging te rechten.

Eleonore.

Wien, Frankrijk, legt ge aanmatiging te last?

Constance.

Uw’ zoon, die zich een rijk heeft aangematigd.

Eleonore.

Zwijg, onbeschaamde! uw bastaard wilt gij kronen, 122

Opdat gijzelf als koninginne heerscht.

Constance.

Steeds was mijn bed uw zoon wis even trouw

Als ’t uwe aan uwen gade; en deze knaap

Gelijkt zijn vader Godfried meer in trekken,

Dan Jan op u, al zijt ge als droppels water,

Of Satan en zijn moeder, één van aard.

Mijn zoon een bastaard! Nu, bij God! ik denk,

Zijn vader werd geenszins zoo echt verwekt;

Dit kan niet zijn, daar gij zijn moeder waart.

Eleonore.

Een goede moeder, knaap! zij hoont uw vader.

Constance.

Een goede grootmoê, knaap! die u onteert.

Oostenrijk.

Stil!

Bastaard.

Stil! Hoort den roeper daar!

Oostenrijk.

Stil! Hoort den roeper daar! Wie duivel zijt gij?

Bastaard.

Een man, die u den duivel spelen zal,

Krijgt hij u met uw vel alleen te pakken,

Gij zijt de haas, wiens moed, naar ’t spreekwoord zegt,

Een dooden leeuw wel aan den baard durft trekken.

Ik rook uw pelsrok uit, als ik u pak;

Vriend, pas dus op! ik doe ’t, voorwaar, ik doe ’t.

Blanca.

O, prachtig stond dat kleed des leeuws aan hem,

Die zelf den leeuw dat kleed had uitgetogen.

Bastaard.

Het plooit zich op zijn rug niet minder sierlijk,

Dan op den ezel held Alcides’ tooi. —

’k Doe, ezel, dra dat sieraad u verzaken,

En zal door andren druk uw schouders kraken.

Oostenrijk.

Wie is die kraker, die het oor verdooft,

Met zulk een overvloed van ijd’len wind?—

Gij, koning,—Lood’wijk, spreek, wat doen wij fluks?

Lodewijk.

Gij vrouwen, narren, staakt uw mondgesprek.—

Wat we eischen, Koning Jan, is kortweg dit:

England en Ierland, Maine, Anjou, Touraine,

Die vorder ik, als Arthurs recht, van u.

Staat gij die af, en legt ge uw waap’nen neder?

Koning Jan.

Mijn leven eer! ik tart u, Frankrijk, uit.—

Vertrouw op mij slechts, Arthur van Bretagne;

Ik schenk uit zuivre liefde u meer, dan Frankrijk

Met laffe hand kan winnen. Geef aan mij

U over, knaap! 159

Eleonore.

U over, knaap! Kom bij grootmoeder, kind.

Constance.

Ja, doe dat, kind, ga gij naar grootmâ, kind,

Geef koninkrijk aan grootmama; zij zal

Een kers of wat, een pruim, een vijg u geven.

Die goede grootmama!

Arthur.

Die goede grootmama! Stil, lieve moeder!

Ware ik in de aard, in ’t graf gelegd! ik ben

’t Geraas niet waard, dat om mij wordt gemaakt.

Eleonore.

Om moeders doen beschaamd! arm kind, hij weent.

Constance.

Nu, wat zijn moeder doe of niet, schaam gij u!

Geen schaamte om mij, neen, toorn om u, ontlokt

Zijn oog die droppels, die den hemel roeren;

De hemel zal ze ontvangen als een handgeld,

Zal zwichten voor die paarlen van kristal,

En zal hem recht en wraak op u verschaffen.

Eleonore.

Gij monster-schendtong, aarde en hemel last’rend!

Constance.

Gij monster-schendster, aarde en hemel tergend!

Noem mij geen schendtong; gij en de uwen rooven

Deze’ onderdrukten knaap zijn recht, zijn land,

Zijn kroon. Hij is de zoon uws oudsten zoons,

Rampzalig door niets anders dan door u;

Uw zonden worden aan deze’ armen knaap

Aldus bezocht; de straf der wet treft hem,

Als van uw schoot, die zonde ontving en droeg,

Niet verder dan in ’t tweede lid verwijderd.

Koning Jan.

Gij dolhuiskranke, zwijg!

Constance.

Gij dolhuiskranke, zwijg! Hoor dit nog slechts;—

Niet enkel òm haar zonde moet hij lijden,

Maar God deed hare zonde en haar de straf zijn

Voor dezen nazaat, die voor haar bezocht wordt

Met hààr straf, hare zonde; wat hij lijdt,

Is hààr vergrijp, de geesel harer boosheid,

Waarvan dit kind de volle straf moet dragen,

En dit geheel voor haar. Gods vloek op haar!

Eleonore.

Verstokte lastertong, een laatste wil

Bestaat, en stuit het erfrecht van uw zoon.

Constance.

Gewis! een laatste wil! een booze wil,

Een vrouwenwil, een wangrootmoeders wil!

Koning Philips.

Stil, stil, vorstin! houd op of matig u.

Geen bijvalroepen past aan dezen kring

Bij zulk een schril en zoo herhaald geschimp.—

Dat een trompet de burgers van Angers

Naar hunne wallen roepe; laat ons hooren,

Wiens recht, van Jan of Arthur, zij erkennen.

(Trompetgeschal.Burgers verschijnen op den stadsmuur.)

Een Burger.

Wie is het, die ons op de wallen roept? 201

Koning Philips.

Frankrijk, voor England.

Koning Jan.

Frankrijk, voor England. England, voor zichzelf.

Gij mannen van Angers, trouwe onderdanen,—

Koning Philips.

Getrouwe burgers, Arthurs onderdanen,

Wij nooden u tot vriendlijk onderhoud.

Koning Jan.

In òns belang; hoort daarom òns eerst aan.—

Al deze Fransche vanen, opgerukt

Tot in ’t gezicht, voor ’t oog van uwe stad,

Verschenen hier, om u verderf te brengen;

Van grimmigheid zijn hun kanonnen vol;

Zij staan gericht, om al dien ijz’ren toorn

Te spuwen tegen uwen vestingmuur;

Der Franschen voorbereiding tot een aanval,

En bloedig, wreed beleg en storm bedreigt

De poorten, uwer stad gesloten oogen;

En zonder onze naad’ring ware reeds

Dit slapende gesteente, dat als gordel

U houdt omsloten, door hun schutgevaarte

Verdrongen uit zijn stevig mortelbed,

En baande aan bloedig krijgsgeweld verwoesting

Den weg reeds om uw vrede te bestormen.

Doch op het zien van ons, uw rechten koning,

Die moeizaam en met meen’gen snellen marsch

Een tegenleger voor uw poorten voerde,

Om uwer veste wangen, fel bedreigd,

Voor schrammen te beveil’gen,—ziet, nu gunt

Onthutst de Franschman u een mondgesprek;

In stede van met vuur omvlamde kogels,

Om als door koorts uw muren te doen rillen,

Schiet hij slechts zachte, in rook gehulde woorden,

Om door verraad uw ooren te verdwazen.

Vertrouwt hem naar verdienste, waarde burgers,

En laat òns binnen, ons, uw rechten koning,

Wiens moede kracht, door zooveel haast amechtig,

Herberging in uw veste dringend vraagt.

Koning Philips.

Hoort mij nu aan, en geeft dan beiden antwoord.

Ziet, hier aan mijne rechte,—wier bescherming

Ten heiligste is beloofd aan ’t recht van hem,

Op wien zij rust,—staat prins Plantagenet,

De zoon van de’ oudren broeder dezes mans,

En koning over hem en al het zijne.

Om zijn vertreden recht vertreden wij

Met ijz’ren voet het veld voor uwe stad,

Niet méér als vijand tegen u gestemd,

Dan ons de drang van onzen vriendschapsijver,

Tot hulp van dezen onderdrukten knaap,

Naar onzen eed beveelt. ’t Behage u dus,

Zooals ’t behoort, uw hulde hèm te brengen,

Wien zij behoort, ’k meen, dezen jongen prins;

Der waap’nen wrok zal, als een beer met muilband, 249

In schijn slechts vreeslijk, dan gekneveld zijn;

’t Geschut zal ijdel dan zijn boosheid spillen

Op de onverwondbre wolken van het zwerk;

En na een blijden, vrijen aftocht brengen

Wij, zonder buts of kerf aan helm en zwaard,

Het krachtig bloed weer thuis, dat ter besprenging

Van uw onwill’ge veste was bestemd,

En laten u met vrouw en kroost in vrede.

Maar zoo ge ons goedig aanbod dwaas versmaadt,

Zal u de ronding uwer grijze muren

Niet veil’gen voor de boden onzes krijgs,

Al waar’ heel ’t Engelsch leger met zijn krijgskunst

Geherbergd binnen uw versterkten kring.

Beslist; erkent ons uwe stad als heer

Ter wil van hem, voor wien wij hulde vordren?

Of moeten wij aan toorn het teeken geven,

Onze’ intocht doen, in ònze stad, in bloed?

Burger.

Wij achten Englands koning onzen vorst,

En houden onze stad voor hem bezet.

Koning Jan.

Erkent den koning dan en laat mij binnen.

Burger.

Dit mogen wij niet doen; wie koning blijkt

Naar recht, zijn wij getrouw, maar tot dien tijd

Blijft onze poort versperd voor heel de wereld.

Koning Jan.

Wijst niet de kroon u uit, wie koning is?

Erkent gij ’t niet, dan breng ik u getuigen,

Driemaal tienduizend echte zonen Englands,—

Bastaard.

Met bastaards en zoo voort.

Koning Jan.

Om met hun leven ons goed recht te staven.

Koning Philips.

Geen minder tal, van even edel bloed,—

Bastaard.

Waarbij ook enkle bastaards.

Koning Philips.

Staat hier om zijne vordring te weerspreken.

Burger.

Tot gij beslecht, wiens recht het beste is, willen

Wij tegen beiden ’t hoeden voor den beste.

Koning Jan.

Vergeev’ dan God de zonden al dien zielen,

Die heden, vóór de dauw van de’ avond valt,

Ontzweven zullen naar haar eeuw’ge woning

Bij ’t schrikk’lijk bloedgeding om ’t koningschap!

Koning Philips.

Amen!—Te paard, mijn ridderschap! te wapen! 287

Bastaard.

Sint George, die den draak kastijdde en sedert

Te paard zit boven elke tappersdeur,

Leere ons wat vechtkunst!—(Tot Oostenrijk.) Kerel, ware ik ginds,

In uw hol, kerel, ginds bij uw leeuwin,

Ik zette een stierkop op uw leeuwenvel,

En maakte u tot een monster!

Oostenrijk.

En maakte u tot een monster! Zwetser, stil!

Bastaard.

Gij hoort een leeuw, die brult! dus beef en ril!

Koning Jan.

De vlakte hooger op! daar kunnen wij

Al onze troepen scharen en ontplooien.

Bastaard.

Snel dan, opdat gij ’t voordeel hebt van ’t veld.

Koning Philips.

(Tot Lodewijk.) Zoo moet het zijn;—en aan den tweeden heuvel

Sta ’t overschot gereed.—God en ons recht!

(Allen af.)

(Engelsche en Fransche troepen komen weder op. Strijdgedruisch en schermutselingen; daarna wordt het veld door beide partijen, na terugroepingsseinen, ontruimd. Een Fransch Heraut, vergezeld van trompetters, nadert de poort.)

Fransche Heraut.

Ontsluit uw poorten, mannen van Angers,

En haalt Bretagne’s hertog, Arthur, in,

Die dezen dag door Frankrijks hand veel tranen

Aan Eng’lands moeders heeft ontperst, wier zoons

Verspreid nu liggen op ’t bebloede veld;

Van meen’ge weduw ligt de man in ’t stof,

Den roodverkleurden grond verstijfd omarmend

En zegepraal met een gering verlies

Speelt op der Franschen dansende banieren;

Zij naad’ren reeds en komen triumfeerend

Hun intocht doen, om Arthur uit te roepen

Als Englands koning, tevens uwen vorst.

(Een Engelsch Heraut komt op, van trompetters vergezeld.)

Engelsche Heraut.

Gij burgers van Angers, luidt blij de klokken!

Nabij is Englands koning, Jan, uw vorst,

Verwinnaar op deez’ heeten, boozen dag.

De pantsers, zilverblank bij ’t gaan, zijn nu

Bij ’t keeren met der Franschen bloed verguld.

Geen vederbos, op Englands helmen prijkend,

Werd weggenomen door een Fransche lans;

De vanen wapp’ren in dezelfde handen,

Die haar ontplooiden bij den uittocht ginds;

En als een blijde jagertroep komt juub’lend

Oud-Englands volk, de handen gansch gepurperd,

In des ontkleurden vijands moord gekleurd.

Ontsluit de poort! Laat de overwinnaars binnen!

Burger.

Herauten, van de torens zagen wij

Den aanval en terugtocht beider legers

Van de’ aanvang tot het eind; op hun gelijkheid

Vermocht het scherpst gezicht niets af te dingen;

’t Was bloed voor bloed; een houw vergold een houw; 329

Macht tartte macht en kracht mat zich met kracht;

Gelijk zijn zij, gelijk ook in onze achting.

Één gelde meer; tot zoo lang houden wij

De stad voor geen van beide, en toch voor beide.

(Van de eene zijde komen op: Koning Jan met zijn troepen, verder Eleonore, Blanca en de Bastaard; van de andere zijde: Koning Philips, Lodewijk, Oostenrijk, en troepen.)

Koning Jan.

Spreek, Frankrijk, hebt gij nog meer bloed te spillen?

Of laat gij thans ons recht den vrijen loop?

Zijn stroom zal, zoo uw wederstand hem tart,

Zijn bed verlaten, en, van gramschap zwellend,

Uw aangelegen oevers overstelpen,

Indien gij aan zijn zilvren waat’ren niet

Een vrije baan naar de’ oceaan vergunt.

Koning Philips.

England, gij hebt geen druppel bloeds bespaard

In dezen heeten wedstrijd, meer dan Frankrijk;

Eer meer verloren. En, bij deze hand,

Die heerscht zooverre deze hemel blikt,

Wij leggen ’t zwaard niet af, voor ’t recht getogen,

Eer gij geveld zijt, wien dit zwaard bekampt;

Of onzer dooden tal vermeêre een koning,

Die aan de lijst der offers van deze’ oorlog

Den luister schenke van een koningsnaam.

Bastaard.

Ha, majesteit, hoe hoog heft zich uw roem,

Zoo ’t edel koningsbloed ontgloeit en vlamt!

Thans sterkt de dood met staal zijn doode kaken,

En krijgerszwaarden vormen zijn gebit;

Thans brast hij, nu hij menschenvleesch verscheurt,

Bij onbeslechte felle koningstwisten!—

Waarom staan deze legers zoo verstomd?

Roept: moord! gij vorsten! keert naar ’t bloedig veld,

Gij evensterke, in vuur ontvlamde harten!

Des eenen val verleen’ den andren vrede;

Tot zoolang heersche strijd, en bloed, en dood!

Koning Jan.

Wiens zijde kiezen nu de stedelingen?

Koning Philips.

Spreekt, burgers; England wil ’t; wie is uw koning?

Burger.

’t Is Englands koning, als het blijkt, wie ’t is.

Koning Philips.

Ziet hem in ons, die voor zijn recht hier staan.

Koning Jan.

In ons, die van onszelve volmacht hebben

En in persoon onze aanspraak gelden doen,

Als meester van onszelf, Angers en u. 367

Burger.

Een hoog’re macht dan wij verwerpt dit alles;

En tot het uitgemaakt is, sluiten wij

Den voor’gen twijfel achter sterke poorten,

Beheerscht van onze vrees, tot deze vrees

Door een onwraakbaar heerscher wordt onttroond.

Bastaard.

Bij God! Angers’ gespuis,—het hoont u, vorsten,

En staat daar veilig op zijn hoogen muur

Als in een schouwburg, gaapt u aan en wijst

Op uw volijvrig spel vol moordtooneelen.

Verheven vorsten, laat van mij u raden:

Doet als de muiters in Jeruzalem,

Weest vrienden voor een wijl, en hoopt vereend

Uw scherpsten haat in daden op die stad.

Gij, Frankrijk, England, plant in ’t oost en westen

Uw bresgeschut, geladen tot den mond;

Dat raze met zijn zielverschrikkend buldren

De kiezelribben neer dier drieste stad;

Ik zou op dit gepeupel rustloos vuren,

Tot hen verwoesting zoo ontbloot, zoo naakt,

Gelijk de lucht hier om ons, achterliet.

Is dit geschied, hereent dan elk uw troepen,

Voert uw vermengde vanen weer uiteen

En ziet elkaâr in ’t oog, biedt spits aan spits,

En in een oogwenk leest Fortuin zich dan

Van de eene zijde wis haar liev’ling uit,

Wien zij den roem des daags in gunste schenkt,

En dien zij met een trotsche zege kust.

Bevalt de dolle raad u, hooge machten?

Niet waar, hij smaakt toch wel naar staatsmanskunst?

Koning Jan.

Nu, bij den hemel boven onze hoofden,

Mij staat hij aan.—Spreek, Frankrijk, willen wij

Te zaam Angers eerst slechten tot den bodem,

Dan vechten, wie er koning van zal zijn?

Bastaard.

Hebt gij eens konings kern in u, zoo keert,

Daar u als ons die dwaze stad beschimpt,

De monden van uw zwaar geschut nu fluks,

Met ons vereenigd, op die stoute muren;

En hebt gij die den grond gelijk gemaakt,

Daagt dan elkander uit, verwoed en fel,

En zendt elkaar ten hemel of ter hel!

Koning Philips.

Het zij zoo.—Zeg, waar gij den aanval doen wilt.

Koning Jan.

Van ’t westen uit wil ik vernieling zenden

In ’t hart der stad.

Oostenrijk.

Van ’t noorden ik.

Koning Philips.

Mijn donder zal van ’t zuiden

Zijn kogelbui doen haag’len op de stad. 412

Bastaard

(ter zijde). Zuid, noord; noord, zuid! Zoo schiet, o slim verbond!

Dat broederpaar, de een de’ ander in den mond;

Ik zet hen er toe aan.—Op dan, maakt voort!

Burger.

Gij vorsten, toeft, vergunt aan mij een woord;

Dan toon ik u het zoet gelaat des vredes;

Wint onze veste zonder slag of wond:

Spaart hen, die leven, laat in bed hen sterven,

Die hier als offers kwamen voor het veld.

Volhardt niet, groote vorsten, maar hoort toe.

Koning Jan.

Spreek dan, ’t is u vergund; wij willen hooren.

Burger.

De dochter daar van Spanje, jonkvrouw Blanca,

Is nicht van England. Ziet nu op de jaren

Des jongen Lood’wijks en der lieve maagd,

Zoo dartle liefde ’t oog op schoonheid vest,

Waar vindt zij die ooit schooner dan in Blanca?

Zoo vrome liefde deugd zoekt bovenal,

Waar vindt zij die ooit reiner dan in Blanca?

En vraagt eergier’ge liefde naar geboorte,

Wie roemt op eedler bloed dan jonkvrouw Blanca?

En juist als zij in schoonheid, deugd, geboorte,

Is de dauphijn volkomen in elk opzicht;

Zoo niet volkomen,—nu, hij is niet zij;

En haar ook mangelt niets, wat manglen heet,

Tenzij ’t een mangel waar’, dat zij niet hij is.

Hij is de helft van een gezegend man,

Die zijn voltooiing wacht van eene als zij,—

En zij welschoone uitmuntendheid, gedeeld,

Die eerst door hem volmaaktheid worden kan.

Twee zulke zilverstroomen, samenvloeiend,

Verleenen de’ oevers glans, die hen begrenzen.

Zulke oevers van twee zoo vereende stroomen,

Twee zulke grenzen, koningen, zijt gij

Voor dit doorluchte paar, als gij hen huwt.

Deze echt zal meer doen, dan geschut vermag,

Aan onze sterke veste, want bij ’t huwlijk

Vliegt met meer vaart, dan buskruit af kan dwingen,

De wijde doorgang onzer poorten open

En laat u binnen; zonder dezen echt

Is de opgezette zee niet half zoo doof,

Geen leeuw zoo onverschrokken, berg en rotsen

Niet onverzetlijker, ja, zelfs de dood

Niet half zoo vastbesloten fel te moorden,

Als wij, de stad te houden.

Bastaard.

Als wij, de stad te houden. Ziet, wat remmer!

Die ’t afgerotte rif des ouden doods

Schudt uit zijn vodden! Ziet, wat groote mond,

Die dood en bergen, rotsen, zeeën uitspuwt,

Zoo recht vertrouwlijk spreekt van gramme leeuwen,

Als dertienjaar’ge meisjes van hun mop.

Wat voor een kanonnier heeft hem verwekt?

Hij spreekt kanonnen, vuur en slag en rook;

Stokslagen deelt hij uit met rappe tong,

Slaat ons om de ooren; ieder woord van hem

Geeft erger stompen dan een Fransche vuist.

Verdoemd! ik kreeg met woorden nooit zoo slaag,

Sinds ik mijn moeders man „papa” genoemd heb.

Eleonore.

Zoon, luister naar dien voorslag, sluit dien echt, 468

Geef onze nicht een flinken bruidschat mee;

Want door dien band knoopt gij de veiligheid

Zoo zeker aan uw thans onveil’gen troon,

Dat wis voor gindschen groenen knaap geen zon

Den bloesem rijpt, die schoone vrucht belooft.

Ik lees toegeef’lijkheid in Frankrijks blik;

Zij fluistren, zie; bestorm hen, nu hun hart

Toeganklijk is voor dit eerzuchtig plan,

Aleer hun ijver, thans verweekt, gesmolten

Door de’ adem van gesmeek, berouw, erbarmen,

Weer even stug en hard wordt, als hij was.

Burger.

Waarom geeft geen der majesteiten antwoord

Op ’t vredesvoorstel der bedreigde stad?

Koning Philips.

England, spreek gij het eerst, zooals gij ’t eerst

De stad hebt toegesproken; wat zegt gij?

Koning Jan.

Zoo in dit boek der schoonheid de dauphijn,

Uw eedle zoon, kan lezen: „ik bemin”,

Schenk ik aan haar een koninginne-bruidsgift:

Poitiers, het schoon Touraine, Anjou en Maine,

En al het land aan deze zij der zee,—

Behalve deze nu berende stad,—

Aan onze kroon en heerschappij leenplichtig,

Verguld’ haar bruidsbed, make haar zoo rijk

In titels, aanzien, macht en grondgebied,

Als zij in schoonheid, afkomst en beschaving

Met elke koningsspruit der aard zich meet.

Koning Philips.

Wat zegt gij, zoon? zie thans de jonkvrouw aan.

Lodewijk.

Dat doe ik, heer, en in haar oog aanschouw ik

Een wonder, of een wonderbaar mirakel.

’k Zie van mijzelf een schaduw in haar oog;

De schaduw van uw zoon wordt door die spiegling

Tot zon en maakt tot schaduw uwen zoon.

Ik zweer u, dat ik nooit mijzelven minde,

Tot ik mijzelf daar vastgenageld zag,

In harer oogen schoone lijst gevat.

(Hij fluistert met Blanca.)

Bastaard.

In harer oogen lijst gevat, gehangen

Aan haar gefronste wenkbrauw, in haar hart

Gevierendeeld! Is dat de straf ontvangen

Voor hoogverraad aan liefde? ’k Zie met smart

Gevat, gehangen, gekwartierd als hij,

Een vlegel, die geen schat verdient als zij!

Blanca.

De wil mijns ooms hierin is ook de mijne. 510

Zoo hij in u iets ziet, dat hem behaagt,

Dan plant ik dat, wat hem behaagt bij ’t zien,

Gewis ook lichtlijk over in mijn wensch;

Of wilt gij, dat ik duid’lijker zal spreken,

Ik dwing het aan mijn liefde lichtlijk op.

Ik wil, mijn prins, u verder zoo niet vleien,

Dat al, wat ik bespeur, tot liefde dringt,

Doch waar is ’t, dat ik niets in u bespeur,—

Al moest de wangunst zelf uw rechter zijn,—

Wat een’gen haat mij toeschijnt te verdienen.

Koning Jan.

Wat zegt het jonge paar? wat zegt mijn nicht?

Blanca.

Dat zij door eer en plicht gehouden is

Te doen, wat uwe wijsheid wil bevelen.

Koning Jan.

En gij, dauphijn, kunt gij die maagd beminnen?

Lodewijk.

Vraag eer, of ik de min ontkomen kan,

Want innig, ongeveinsd bemin ik haar.

Koning Jan.

Zoo geef ik hier Poitiers, Anjou, Touraine,

Volquessen, Maine, al deze vijf provinciën,

Met haar aan u, en bovendien als toegift

Nog dertigduizend mark in Engelsch geld.

Philips van Frankrijk,—stemt gij hiermeê in,

Laat dan die twee elkaâr de handen reiken.

Koning Philips.

’t Zij!—Jonge vorsten, voegt de handen saam.

Oostenrijk.

En ook de lippen; want,—het heugt mij goed,—

Die vrijheid van den vrijer was mij zoet.

Koning Philips.

Nu, burgers van Angers, ontsluit uw poorten

En laat de vriendschap in, door u gesticht;

Want in uw Sint-Marije-kerke zij

Terstond de huwlijksplechtigheid volbracht.—

Vorstin Constance is niet bij onzen stoet?—

Voorzeker niet; dit thans besloten huwlijk

Had zij wis fel bestreden, waar’ zij hier.

Waar is zij met haar zoon? wie kan ’t mij zeggen?

Lodewijk.

Zij klaagt bekommerd in uw hoogheids tent.

Koning Philips.

Nu waarlijk, dit verbond, door ons gesloten,

Geeft wis aan haar bekomm’ring weinig heul,

Hoe, broeder England, stellen wij die weduw

Alsnu tevreden? Voor haar recht verscheen ik,

Doch koos nu, God vergeve ’t, om mijn voordeel

Een andren weg.

Koning Jan.

Wij maken alles goed;

Haar jonge prins zij hertog van Bretagne

En graaf van Richmond; en hij zij ook heer

Van deze rijke stad.—Ontbied haar hier; 553

Een vlugge bode ga terstond haar nooden

Tot ons groot feest. Wij zullen, zoo ik hoop,

Zoo wij de maat niet vullen van haar wenschen,

Toch in die mate haar tevredenstellen,

Dat ze in haar luide klachten is gestuit.

Thans op, zoo goed de haast het ons veroorlooft,

Naar ’t onverwachte, onvoorbereide feest!

(Allen af, op den Bastaard na.—De Burgers verlaten de muren.)

Bastaard.

O dwaze, dolle wereld! dwaze vorsten!

Dol vergelijk! Zie, koning Jan deelt nu,

Om Arthurs aanspraak op ’t geheel te stuiten,

Volgaarne een deel van ’t zijne aan andren toe;

En Frankrijk, wien de plicht het harnas gespte,

Wien vrome christenliefde dreef in ’t veld

Als krijger Gods, hij laat zich ’t oor bepraten

Door u, besluitverand’raar, sluwe duivel,

U, kopp’laar, die aan trouw de hersens inslaat,

Die daag’lijks eeden breekt, van allen wint,

Van vorsten, beed’laars, grijsaards, jonkers, maagden,—

Wien gij, zoo de armen niets verliezen kunnen,

Haar eenig goed, den naam van maagd ontsteelt,—

U, schoone jonker, kitt’lende Eigenbaat,

Ja, Eigenbaat, scheef overwicht der wereld,

Der wereld, zelf met goed verdeeld gewicht,

Die recht zou rollen op een effen grond,

Indien niet winst, die valsche, scheeve zwaarte,

Die reeglaar der beweging, Eigenbaat,

Met niets ontzienden wil haar zijwaarts drong,

Uit baan en richting, loop en doen en streven;—

En dit scheef overwicht, die Eigenbaat,

Die maak’laar, kopp’laar, ’t al verand’rend woord,

Op ’t oog gedrukt van Frankrijks wanklen vorst,

Trekt van de hulp, door hem beraamd, hem af

Van de’ oorlog, die besloten, eervol was,

Naar zulk een lagen, lafgesloten vrede!

En waarom scheld ik zoo op Eigenbaat?

Alleen, wijl die mij nooit verliefd gevleid heeft;

Niet wijl ik macht heb om de vuist te sluiten,

Als hij zijn eng’len me in de hand wil drukken;

O neen, wijl mijn nog nooit verzochte hand,

Gelijk een beedlaar, op de rijken scheldt.

Nu, ’k schelde dus, zoolang ik beedlaar ben,

En zegg’, dat de een’ge zonde rijkdom is;

Doch word ik rijk, dan wordt die roep gesmoord,

En ’t beedlaar zijn wordt zondig, meer dan moord.

Wees, breekt uit eigenbaat een vorst zijn woord,

Gij winst, de god, aan wien mijn hart behoort!

(De Bastaard af.)

Koning Jan, Derde Bedrijf, Eerste Tooneel.