Derde Bedrijf.
Eerste Tooneel.
Aldaar. Voor de tent van den Koning van Frankrijk.
Constance, Arthur en Salisbury komen op.
Constance.
Gaan huwen? zij? een vrede gaan bezweren?
Valsch bloed vereenigd met valsch bloed! verzoend!
Lood’wijk krijgt Blanca, Blanca de provinciën?
Zoo is ’t niet; gij verstondt verkeerd, verspreekt u;
Bezin u, zeg mij nogmaals uw bericht;
Het kan niet zijn; gij zegt alleen: zoo is ’t.
’k Vertrouw, dat ge onbetrouwbaar zijt; uw woord
Is de ijdele ademtocht slechts van een dienstman;
Geloof mij, man, ik schenk u geen geloof;
Ik heb voor ’t tegendeel eens konings eed.
Dat gij dien schrik mij aanjaagt, brengt u straf;
Want ik ben ziek, ontvanklijk—licht—voor vrees;
Verdrukt door onrecht en daarom vol vrees;
Verweduwd, gadeloos, ter prooi aan vrees;
Een vrouw, geboren van natuur tot vrees;
En al bekent gij nu, dat alles scherts was,
Dit sticht geen vrede in mijn ontroerd gemoed,
Dat beven, sidd’ren zal den ganschen dag.
Wat meent gij met dat schudden van uw hoofd?
Wat staart gij mijnen zoon zoo somber aan?
Wat meent gij met die hand op uwe borst?
Waarom staat u dat bange vocht in ’t oog, 22
Een stroom gelijk, die aan zijn bed ontzwelt?
Bevestigt al dit rouwgebaar uw woorden?
Spreek dan nog eens, maar niet uw gansch bericht,
Één woord slechts, dat mij zegt, ’t is waar of niet.
Salisbury.
Zoo waar, als gij hen waarlijk valsch moogt achten,
Die schuld zijn, dat het waar is, wat ik zeg.
Constance.
O, leert gij mij, dat ik dit leed geloof,
Leer dan dit leed ook, hoe ’t mij sterven doet;
Dat zóó ’t geloof en ’t leven samentreffen,
Als ’t woeden van twee kampers tot den dood,
Die storten bij den eersten schok, en sterven!—
Lood’wijk huwt Blanca! Waar blijft gìj dan, knaap?
Frankrijk wordt Englands vriend; wat wordt van mij?
Weg, mensch! ik kan uw aanblik niet verdragen;
Tot monster maakte u dit bericht voor mij.
Salisbury.
Welk ander leed deed ik u, eed’le vrouwe,
Dan dat ik ’t leed, dat andren doen, u meld?
Constance.
Dat leed is op zichzelve zoo afschuw’lijk,
Dat ieder diep mij grieft, die er van spreekt.
Arthur.
Ik bid u, eed’le moeder, kom tot kalmte.
Constance.
Waart gij, die mij tot kalmte maant, afzichtlijk, 43
Een blaam, een schande voor uw moeders schoot,
Vol booze puisten, niet te aanschouwen vlekken,
Vaal, lam, onnoozel, scheef, een wangeboorte,
Met zwarte moedermerken overzaaid,
Dan zou ik thans niet klagen, ik waar’ kalm;
Dan had ik u niet lief, en dan waart gij
Uw stam tot oneer en een kroon niet waardig.
Doch gij zijt schoon; u schiep, mijn dierbaar kind,
Natuur, vereenigd met Fortuin, tot grootheid;
In gaven der Natuur kunt gij u meten
Met roos en lelie. Doch Fortuin, helaas!
Ze is omgekocht, gedraaid, van u vervreemd;
Met uw oom Jan boeleert zij uur op uur,
En drijft met gouden handen Frankrijk voort,
Ontzag voor vorstenrecht in ’t stof te treden,
En maakt tot kopp’laar zijne majesteit,
Tot kopp’laar van Fortuin en koning Jan,
Der veile vrouw, des roovers van een kroon!—
Zeg, mensch! of Frankrijk niet meineedig is.
Vergiftig hem met woorden, of ga weg,
En laat het leed alleen, dat ik alleen
Te torsen heb.
Salisbury.
Te torsen heb. Vergeef mij, eed’le vrouwe,
’k Mag zonder u niet tot de vorsten keeren.
Constance.
Gij moet en zult; ik wil niet met u gaan.
Mijn hartzeer wil ik leeren trotsch te zijn;
Want leed is trotsch, het buigt, die ’t heeft, ter aard.
Laat vorsten zich tot mij en tot de grootheid
Mijns leeds vervoegen; zóó groot is mijn leed,
Dat enkel de aarde met haar vaste welving
Het torsen kan; ’k zet met mijn kommer fier
Mij hier ten troon en wacht uw vorsten hier.
(Zij zet zich op den grond.)
(Koning Jan, Koning Philips, Lodewijk, Blanca, Eleonore, de Bastaard, Oostenrijk en Gevolg komen op.)
Koning Philips.
Ja, lieve dochter, dezen dag van zegen
Herdenk’ nu Frankrijk immer met een feest.
Om dien te wijden, staat de gulden zon
Stil in zijn loop en speelt den alchymist;
De schitt’ring van zijn heerlijk oog verandert
De maag’re, kluitige aard in blinkend goud.
De loop des jaars, die dezen dag weer brengt,
Moet nooit hem zien, dan als een dag van heil.
Constance
(oprijzende). Een booze dag en niet een heil’ge dag! 83
Wat heeft die dag verdiend? en wat gedaan,
Dat hij in de’ almanak met gouden letters
Bij onze hooge feesten prijken zou?
Neen, werp dien dag eer uit, weg uit de week,
Dien dag van smaad, van eedbreuk, van verdrukking!
Of blijft hij staan, dan mogen zwang’ren bidden,
Dat deze dag haar last niet van haar neem’,
Opdat geen wangeboort’ haar hoop teleurstell’.
Op dezen dag slechts duchte een zeeman schipbreuk;
Geen koop, dan van deez’ dag, zij ooit verbroken;
Wat deze dag begint, loope uit op ramp,
Ja, zelfs de trouw verkeere in holle valschheid!
Koning Philips.
Bij God, vorstin, geen reden zult gij hebben,
Om ’t schoone werk van dezen dag te vloeken;
Heb ik u niet mijn majesteit verpand?
Constance.
Gij hebt mij met een valsche munt bedrogen,
Die majesteit geleek, maar bij den toets
Zich waardloos toont. Gij pleegdet meineed, meineed;
Ten strijd gerust, bedreigdet gij mijn vijand,
Maar nu is hij gerust, en won uw kracht.
De strijdmoed en ’t gefronst gelaat des oorlogs
Werd koel door vriendschap, geblanket door vrede,
En ons verderf bezegelt dit verbond.—
Straf, hemel, straf die eedvergeten vorsten!
Een weduw roept; wees gij mijn gade, hemel!
Duld niet, dat de uren van deez’ dag van zonde
In vrede voortgaan; sticht, eer de avond valt,
Krijg, tweedracht tusschen de eedvergeten vorsten!
Hoor, hoor mij!
Oostenrijk.
Hoor, hoor mij! Stil, Constance, stilte! vrede!
Constance.
Krijg! krijg; geen vrede! vrede is mij een krijg.
O Oostenrijk, Limoges! Gij onteert
Uw oorlogsbuit, gij slaaf, ellend’ling, lafaard!
Gij kleine held, maar groot in schurkerij!
Gij, aan de zij des sterk’ren altijd sterk!
Gij, ridder van Fortuin, die nimmer vecht,
Dan als die grillenrijke vrouw nabij is
En veiligheid u leert! Ook gij breekt eeden,
Door vleien grootheid zoekend. O, gij nar,
Gij kwispelnar, die pocht en stampt en zweert
Voor mijne zaak! Gij slaaf, koudbloedig wezen,
Spraakt gij met donderstem niet voor mijn zaak,
Als mijn gezworen krijger? moest ik niet
Op uw gesternte en heil, uw moed vertrouwen?
En valt gij af? loopt ge over naar den vijand?
Draagt gij een leeuwenhuid? Gij, werp die af,
En hang een kalfsvel om die vuige leden!
Oostenrijk.
O, dat een man die woorden tot mij sprake! 130
Bastaard.
En hang een kalfsvel om die vuige leden!
Oostenrijk.
Ik zeg u, bij uw leven, booswicht, zwijg!
Bastaard.
En hang een kalfsvel om die vuige leden!
Koning Jan.
Genoeg, te veel reeds! gij vergeet uzelf.
(Pandulf komt op.)
Koning Philips.
Daar komt de heilige afgezant des pausen.
Pandulf.
Heil u, gezalfde plaatsvervangers Gods!—
U, koning Jan, u geldt mijn heil’ge boodschap.
Ik, Pandulf, kardinaal van ’t schoon Milaan,
Legaat hier van zijn heiligheid den paus,
Ik vraag u namens hem hoogernstig af,
Waarom gij onze kerk en heil’ge moeder
Vermetel van u stoot, en Stephen Langton,
Verkoren aartsbisschop van Canterbury,
Zijn heil’gen zetel met geweld onthoudt?
Dit vraag ik plechtig in des heil’gen vaders,
Paus Innocentius’ naam, alhier van u.
Koning Jan.
Wat naam op aarde neemt den vrijen adem
Van een gewijden koning in ’t verhoor?
Geen naam is uit te denken, kardinaal,
Zoo nietig en onwaardig en belachlijk,
Om antwoord me af te vergen, als de paus.
Bericht hem dit, en voeg uit Englands naam
Nog dit er bij: geen Italiaansche priester
Zal in ons rijk ooit tiende of lasten heffen;
Zoo waar wij ’t opperhoofd zijn onder God,
Zoo willen we onder hem dat hoog bewind
Handhaven, waar wij ’t voeren, zelf, alleen,
En zonder bijstand van eens menschen hand.
Zeg dit den paus; geen eerbied hem betoond,
Hem, noch zijn aangematigd ambtsgezag!
Koning Philips.
Broeder van England, dit is heiligschennis.
Koning Jan.
Schoon gij, als elke vorst der christenheid,
Plomp door dien sluwen paap u leiden laat,
Zijn vloek, voor geld steeds af te koopen, duchtend,
En schoon gij allen voor laag goud, slijk, vuil,
Vervalschten aflaat inkoopt van een man,
Die zelf aldus zijn eeuwig heil verkoopt,—
Schoon gij en al die andren, grof misleid,
Dit guichelspel met land en rijkdom voedt,
Alleen zal ik den paus weerstaan; ik acht
Elk vijand, die zich buigt voor zijne macht.
Pandulf.
Dan, krachtens ’t wettig ambt, dat ik bekleed, 172
Zijt gij vervloekt en in den ban gedaan!
Gezegend zal hij zijn, die oproer maakt
En eed en leenplicht weigert aan een ketter;
En als verdienst’lijk zij die hand geroemd,
Gezaligd, als een heilige vereerd,
Die langs geheimen weg ’t vervloekte leven
Aan u ontrooft!
Constance.
Aan u ontrooft! O wettig zij ’t, dat ik
Met Rome ruimschoots hem een wijle vloek!
Roep, goede vader kardinaal, roep Amen
Op mijnen scherpsten vloek! slechts leed als ’t mijne
Verleent der tong de macht, naar recht te vloeken.
Pandulf.
De wet en macht staan mijnen vloek ter zij.
Constance.
En mijnen; waar de wet geen recht kan doen,
Zij ’t wettig, dat de wet geen onrecht stuite!
De wet kan hier mijn kind zijn rijk niet geven,
Want die zijn rijk beheerscht, beheerscht de wet.
Is dus de wet het onrecht zelf, hoe kan
De wet mijn tong verbieden, dat zij vloekt?
Pandulf.
Philips van Frankrijk, laat terstond, op straffe
Eens vloeks, de hand van dien aartsketter varen,
En stort met Frankrijks macht u ras op hem,
Tenzij hij zich voor Rome in deemoed buig’.
Eleonore.
Verbleekt gij, Frankrijk? trek uw hand niet weg.
Constance.
Let, Duivel, op, dat Frankrijk geen berouw krijg’
En loslaat, en uw hel een ziel ontroov’!
Oostenrijk.
Hoor, wat de kardinaal zegt, vorst Philips!
Bastaard.
En hang een kalfsvel om die vuige leden!
Oostenrijk.
Zoo ’k, fielt, dien schimp nu in mijn zak moet steken,
’t Is wijl ….
Bastaard.
’t Is wijl.... hij in uw zak tehuis hoort, man.
Koning Jan.
Philips, wat zegt gij tot den kardinaal?
Constance.
Niets anders, wacht ik, dan de kardinaal.
Lodewijk.
Bedenk nu, vader, wat de keus is: hier
’t Erlangen van den zwaren vloek van Rome,
En daar ’t verlies van Englands lichte vriendschap;
Verwerp het lichtste.
Blanca.
Verwerp het lichtste. Dat is Rome’s vloek.
Constance.
O prins, sta pal! de duivel lokt u hier
In de gedaant’ der pasgetooide bruid! 209
Blanca.
Vorstin Constance spreekt niet uit haar hart,
Maar uit haar nood.
Constance.
Maar uit haar nood. Zoo gij dien nood erkent,
Die enkel leeft, wijl trouw gestorven is,
Dan volgt noodwendig uit dien nood, dat trouw
Herleven zal bij ’t sterven van den nood;
Vertreed mijn nood dus en de trouw herrijst,
Versterk mijn nood en trouw ligt neer, vertreden.
Koning Jan.
De vorst is in zichzelf gekeerd en zwijgt.
Constance.
O keer van hem u af en spreek naar eisch.
Oostenrijk.
Juist, hang aan hem niet, vorst; zij raadt u goed.
Bastaard.
Hang gij een kalfsvel om, onnooz’le bloed!
Koning Philips.
Ik ben ontsteld en weet niet, wat te zeggen.
Pandulf.
Wat kunt gij zeggen, dat u niet nog meer
Ontstellen zal, als u de banvloek treft?
Koning Philips.
Eerwaarde vader, stel u in mijn plaats,
En zeg, hoe gij u hieruit redden zoudt.
Diens konings en mijn hand zijn nieuw vereend,
En de verbinding van ons beider zielen
Door huwlijk saamgeschakeld, door de kracht
Der heiligste geloften saamgesmeed;
De laatste in woordenklank zich uitende adem
Was hecht bezworen trouwe, vrede, vriendschap
Van beide rijken en hun opperheeren;
En juist vóór dezen vrede, kort er voor,
Zoodat wij nauw de handen konden wasschen
Ten handslag bij dit vorstlijk vreêverbond,—
God weet, zij waren rood en oververfd
Van ’t bloedpenseel der slachting, waar de wraak
Den schrikb’ren twist van booze vorsten maalde;—
En deze handen, pas van bloed gereinigd,
Tot liefde pas vereend, in beide sterk,
Zij zouden nu dien groet, dien druk te niet doen?
Met trouwe spelen? spotten met den hemel?
Ons zoo tot wispeltuur’ge kindren maken,
Dat we onze hand weer wrongen uit de hand,
Onze’ eed wegzwoeren, en met bloedig heer
Des blijden vredes bruidsbed overvielen,
En oproer wekten op het lieflijk voorhoofd
Van vrome oprechtheid? O, gij heilig man,
Eerwaarde vader, laat het zoo niet zijn.
Uw vroom gemoed bedenk’, besluit’, bevele
Een zachter uitkomst, dan zal ’t heerlijk zijn
Uw wil te doen en vrienden steeds te blijven.
Pandulf.
Die vorm is vormloos, reed’loos is de rede, 253
Die niet zich tegen Englands vriendschap kant.
Daarom ten kamp! wees strijder onzer kerk,
Of onze kerk en moeder werp’ haar vloek,
Een moedervloek, op haar oproer’gen zoon.
Frankrijk, gij houdt een slang eer bij de tong,
Een grammen leeuw eer bij de forsche klauw,
Een dollen tijger veil’ger bij ’t gebit,
Dan deze hand, die gij omklemt, in vrede.
Koning Philips.
Laat ik die hand ook vrij, mijn trouw is ’t niet.
Pandulf.
Zoo maakt gij trouw tot vijand van de trouw,
Stelt, als in burgerkrijg, eed tegen eed,
Tong over tegen tong. O, houd uw eed,
Den hemel ’t eerst gedaan, den hemel ’t eerst;
Gij zoudt—was de eed—der kerk ten strijder zijn;
Den eed, dien gij daarna deedt, zwoert gij tegen
Uzelf en kunt gijzelf dus niet volbrengen;
Want dat, wat gij bezwoert, verkeerd te doen,
Is niet verkeerd meer, als gij ’t goed verricht;
En onbetracht, zoo ’t doen ten booze voert,
Wordt plicht, door ’t niet betrachten, ’t best betracht,
’t Best is, dat hij, die in zijn plannen dwaalt,
Dan nog eens dwaalt; zij dit niet vrij van dwaling,
Die dwaling voert hem toch naar ’t goede doel;
Meineed maakt meineed goed, als vuur het vuur
Bij ’t aderschroeien van gebrande wonden.
De godsdienst is ’t, die eeden houden doet,
Maar wat gij zwoert, is met den godsdienst strijdig;
Gij zwoert dus tegen dat, waarbij gij zwoert,
En maakt een eed tot pand van trouwe tegen
Een andren eed; de waarheid, die ge onzeker
Bezweert, zweert dit: geen eed te zullen breken;
(Wat spotternij ware anders iedere eed!)
Maar gij zwoert toch uw eed te zullen breken,
En breekt hem, als gij houdt, wat gij bezwoert.
Uw latere eed is tegen uwen eersten,
Is in uzelven opstand tegen u;
Geen beet’re zege kunt gij ooit behalen,
Dan dat gij uw standvastig beter deel
Al wat u wuftheid inblaast, doet bestrijden.
’k Wil door gebed dit beter deel versterken,
Als gij dit niet versmaadt; doch doet gij ’t wel,
Weet, dan treft u de dreiging onzer vloeken,
Zóó zwaar, dat gij ze nimmer af zult schudden,
Maar om hun zwarten last in wanhoop sterft.
Oostenrijk.
In opstand zijt ge, in opstand!
Bastaard.
In opstand zijt ge, in opstand! Nog niet stil?
Kan zelfs een kalfsvel u den mond niet stoppen?
Lodewijk.
Te wapen, vader! 300
Blanca.
Te wapen, vader! Op uw huw’lijksdag?
En tegen ’t eigen bloed, dat gij gehuwd hebt?
Wat! moeten we op ons feest verslaag’nen nooden?
Moet schel trompetgeschal, dof tromgeroffel,
’t Geraas der hel onze’ optocht begeleiden?
Mijn gade, hoor mij!—ach! hoe nieuw is „gade”
Nog in mijn mond!—doch o! bij dezen naam,
Dien nooit voor nu mijn tong heeft uitgesproken,
Smeek ik u op mijn knieën, doe mijn oom
Geen oorlog aan!
Constance.
Geen oorlog aan! En ik, o, op mijn knieën,
Die lang verhard van ’t knielen zijn, smeek ik
U, deugdrijke dauphijn, verander niets
Aan ’t vonnis, door den hemel ingegeven!
Blanca.
Nu zal ik uwe liefde zien; wat kan
U sterker roeren dan de naam van „vrouw”?
Constance.
Dat, wat hèm steunt, die u daar steunt; zijn eer.
O Lood’wijk, denk, denk aan uw eer, uw eer!
Lodewijk.
’t Is vreemd, uw majesteit schijnt koud te blijven,
Nu zulk een hoog belang u voorwaarts dringt.
Pandulf.
Ik wil den vloek verkonden op zijn hoofd.
Koning Philips.
Neen, neen, ’t is nood’loos.—England, ik verzaak u,
Constance.
O, schoon herstel van kranke majesteit!
Eleonore.
O, vuig verraad van Fransche wankelheid!
Koning Jan.
Frankrijk, dit uur berouwt u nog dit uur.
Bastaard.
Paai Tijd de klokkeman, de kale koster,
Behaagt het hem?—Goed, dan berouwt het Frankrijk!
Blanca.
De zon is bloedig; schoone dag, vaarwel!
Wee mij! aan welke zijde moet ik treden?
Ik ben voor beide’; elk leger heeft een hand;
En wijl ik beiden vasthoud, scheuren woedend
Mij beide’ uiteen en rijten mij in stukken!
Mijn gade, ik kan niet bidden, dat gij ’t wint;
Oom, mijn gebed moet zijn, dat gij ’t verliest;
Mijn vader, ’k mag geen wensch doen u ten voorspoed;
Grootmoeder, uwen wensch wil ik niet wenschen;
Wie hier ook winne, ik ben het, die verlies,
Beslist verlies, en eer het spel begint.
Lodewijk.
Bij mij, prinses, zult ge uw geluk niet derven.
Blanca.
Waar mijn geluk leeft, moet mijn leven sterven. 338
Koning Jan.
Ga, neef, trek onze legermacht bijeen.—
(De Bastaard af.)
Frankrijk, van heeten toorn word ik verteerd,
Een woede, die ontvlamd is tot een gloed,
Dat niets haar kan bedaren, niets dan bloed,
Het bloed, het hoogst geschatte bloed van Frankrijk.
Koning Philips.
Uw toorn moet u verbranden, gij vergaat
Tot asch, aleer ons bloed dat vuur zal blusschen.
Pas op! u dreigt gevaar en tegenspoed!—
Koning Jan.
Niet meer dan mijn bedreiger.—Op, met moed!
(Allen af.)
Tweede Tooneel.
Frankrijk. Een vlakte bij Angers.
Strijdgedruisch en aanvallen. De Bastaard komt op met Oostenrijks hoofd.
Bastaard.
Zoo waar ik leef, dit wordt een heete dag;
Een booze luchtgeest spookt hier in het zwerk
En stort verderf neer.—Kop van Oostenrijk,
Lig daar, terwijl de bastaard adem schept.
(Koning Jan, Arthur en Hubert komen op.)
Koning Jan.
Hubert, bewaak den knaap.—Kom, Philip, op!
Mijn moeder werd in onze tent verrast
En is gevangen, vrees ik.
Bastaard.
En is gevangen, vrees ik. Wees gerust;
’k Heb haar bevrijd; zij is in veiligheid;
Toch op, mijn vorst! thans brengt geringe moeite
Dit groote werk ras tot een heuglijk eind.
(Allen af).
Derde Tooneel.
Aldaar.
Strijdgedruisch, aanvallen, terugtocht. Koning Jan, Eleonore, Arthur, de Bastaard, Hubert en Edellieden komen op.
Koning Jan
(tot Eleonore). Zoo zij het; uwe hoogheid blijv’ hier achter,
Met sterke wacht.—(Tot Arthur.) Zie niet zoo treurig, neef;
Grootmoeder heeft u lief en oom zal ook
Voor u zoo goed zijn, als uw vader was.
Arthur.
O, dit verdriet zal wis mijn moeder dooden.
Koning Jan.
(tot den Bastaard). Gij neef, spoed u naar Engeland, ons vooruit;
En schud, vóór onze komst, de buidels leêg
Van pottende abten; stel gevangen englen
In vrijheid, want ik moet mijn hong’rig krijgsvolk
Nu met des vredes vette ribben spijzen.
Rek onze volmacht uit, zoover zij reikt.
Bastaard.
Klok, boek en kaarsen drijven mij niet weg,
Als goud en zilver mij tot komen wenken.
Vaarwel, mijn vorst.—Grootmoeder, ik wil bidden—
Als ik eens de’ inval krijg van vroom te zijn—
Voor uw geluk, en kus u thans de hand. 16
Eleonore.
Vaarwel, mijn waarde kleinzoon.
Koning Jan.
Vaarwel, mijn waarde kleinzoon. Neef, vaarwel.
(De Bastaard af.)
Eleonore.
Kom hier, mijn kleine nazaat; luister eens.
(Zij neemt Arthur ter zijde.)
Koning Jan.
Treed nader, Hubert. O, mijn beste Hubert,
Wij zijn in uwe schuld; dit huis van vleesch
Omsluit een ziel, die u schuldeischer weet,
En uwe trouw met rente u wil betalen;
En uw vrijwillige eed, mijn lieve vriend,
Leeft hier, met zorg verpleegd, in deze borst.
Geef mij de hand. Ik had u iets te zeggen,—
Maar zoek nog steeds een beter melodie.
Hubert, bij God, ik ben bijna beschaamd
Te zeggen, hoe ik u genegen ben.
Hubert.
Ik ben uw majesteit recht veel verplicht.
Koning Jan.
Nog hebt gij, vriend, geen grond om zoo te spreken,
Doch heb geduld;—hoe traag de tijd ook kruip’,
Toch komt de dag, dat ik u goed zal doen.
Ik had u iets te zeggen,—maar toch, neen,
’t Is heldre zonneschijn; de trotsche dag,
Omstuwd van de vermaken van de wereld,
Is veel te speelsch, te vol van bonten pronk,
Om ’t oor te leenen. Zoo te middernacht
De klok, met ijz’ren tong en bronzen mond,
Voortgalmde in ’t loome sluipen van de nacht,—
Zoo ’t hier een kerkhof ware, waar wij staan,
En gij door duizend krenkingen bezeten,—
Of zoo die sombre geest, melancholie,
Uw bloed verdroogd had, zwaar en dik gemaakt,
Dat kitt’lend anders de aad’ren op- en afloopt
En naar het oog dien zotskap, ’t lachen, drijft,
Die dan de wangen spant tot ijd’len lust,
Een stemming, bij mijn plannen diep gehaat,—
Of, zoo gij zonder oogen mij kondt zien,
Mij hooren zonder oor, en zonder tong
Mij antwoord geven, met gedachten slechts,
Oor, oog noch boozen woordenklank gebruikend,—
’k Zou, trots het waakzaam broeden van den dag,
U mijn gedachten in den boezem storten.
Maar ach, ik wil niet;—toch ben ik uw vriend,
En meen, voorzeker, dat ook gij mijn vriend zijt.
Hubert.
Zoo zeer, dat, wat gij mij gebiedt te doen, 56
Al moest de dood ook volgen op de daad,
Ik toch, bij God, het doen zou.
Koning Jan.
Ik toch, bij God, het doen zou. Wist ik ’t niet?
Vriend Hubert! Hubert,—Hubert, werp uw blik
Op gindschen jongen knaap. Verneem, mijn vriend,
Hij is een echte slang op mijnen weg,
En waar mijn voet zich heenwendt, hij ligt vóór mij,
Steeds, overal. Verstaat gij mij? ’k Vertrouwde
Hem aan uw hoede.
Hubert.
Hem aan uw hoede. Ik wil hem zoo behoeden,
Dat uwe hoogheid niets te duchten heeft.
Koning Jan.
Dood.
Hubert.
Mijn vorst?
Koning Jan.
Mijn vorst? Een graf.
Hubert.
Mijn vorst? Een graf. Hij leve niet.
Koning Jan.
Mijn vorst? Een graf. Hij leve niet. Genoeg.
Nu kan ik vroolijk zijn. Hubert, ik ben
Uw vriend; wat ik u toedenk, zeg ik niet;
Houd in gedachten!—Eedle vrouw, vaarwel;
De krijgsmacht, u beloofd, zend ik u toe.
Eleonore.
Mijn zegen ga met u!
Koning Jan.
Kom, neef, naar England!
Hubert zij thans uw dienaar, begeleide u
Met echte trouw!—Komt, op nu, naar Calais!
(Allen af.)
Vierde Tooneel.
Aldaar. De tent van den Koning van Frankrijk.
Koning Philips, Lodewijk, Pandulf en Gevolg komen op.
Koning Philips.
Zoo wordt op zee door ’t loeien van een storm
Een gansche armada van vereende zeilen
Verspreid en hun verbond uiteengespat.
Pandulf.
Houd moed, getroost! dra gaat weer alles goed.
Koning Philips.
Hoe kan dat goed gaan, wat zoo kwalijk loopt?
Wij zijn geslagen en Angers genomen;
Arthur gevangen, waarde vrienden dood;
En bloedig England weêrgekeerd naar England,
Frankrijk ten spijt, trots elke hindernis.
Lodewijk.
Wat hij veroverd heeft, heeft hij versterkt;
Zóó vuur’ge spoed, zóó door verstand bestuurd,
Zóó kalm beleid bij zulk een stout bedrijf
Is zonder wedergâ. Wie las of hoorde
Ooit van een krijgstocht, zooals deze was? 14
Koning Philips.
Ik zou dien lof aan England kunnen gunnen,
Als ik van onze schande een voorbeeld vond.
(Constance komt op.)
Zie, wie komt daar? een graf van eene ziele,
Dat in des bangen adems lagen kerker
Haars ondanks de’ eeuw’gen geest besloten houdt.—
Vorstin, ik bid u, ga met mij van hier.
Constance.
Nu ziet gij, ziet gij de uitkomst van uw vrede!
Koning Philips.
Bedaar, Constance; wees getroost, melieve!
Constance.
Neen, ik versmaad alle andren raad en troost,
Dan ’t eind van elken raad, den waren troost,
Dood! dood!—O lieve, schoone, zoete dood!
Gij heerlijk geur’ge stank! gezond verderf!
Verhef u van uw bed der eeuw’ge nacht,
Gij haat en schrik van wie voorspoedig is,
En kussen wil ik uw verfoeid gebeente,
Mijn oogen in uw leêge kassen drukken,
Mijn vingren met uw huisgewormte ringlen,
Deze adempoort met walglijk stof verstoppen,
En zulk een rif en monster zijn als gij.
Kom, grijns mij toe, ’k wil denken, dat gij glimlacht,
En als uw vrouw u kussen. Kom tot mij,
Ellendes liefste!
Koning Philips.
O schoone droef’nis, stil!
Constance.
Neen, neen, zoo lang ik lucht heb, wil ik klagen.—
O, had de mond des donders mijne tong,
Dan zou mijn jammerklacht de wereld schokken,
En uit zijn slaap dat vreeslijk rif doen rijzen,
Dat eener vrouwe zwakken roep niet hoort
En lacht met een gewone geestbezwering!
Pandulf.
’t Is dolheid, vrouwe, wat gij uit, geen kommer.
Constance.
Onheil’ge man, die leugens van mij spreekt!
Ik dol! dit haar, waaraan ik ruk, is ’t mijne;
Ik heet Constance; ik was de vrouw van Godfried;
Mijn zoon is Arthur, en hij is verloren!
Ik dol!—o, gave God, dat ik het waar’!
Want dan zou ik mijzelf wellicht vergeten;
O, kon ik dit, wat leed vergat ik dan!—
Gij, predik wijsheid, om mij dol te maken,
En heiligspreking loont u, kardinaal. 52
Nu ik niet dol, maar van mijn leed bewust ben,
Nu wijst mij mijn verstandlijk deel den weg,
Hoe ik mij van dat wee bevrijden kan,
En leert mij, mij te dooden, te verhangen;
Doch ware ik dol, ik zou mijn zoon vergeten
Of zag een pop van doeken aan voor hem.
Ik dol! o al te wel, te wel gevoel ik
Van ieder onheil het veelvuldig wee!
Koning Philips.
Bind uwe vlechten op.—O, welke liefde
Ontwaar ik in die rijke lokkenpracht!
Waar bij geval een zilvren druppel viel,
Daar hechten duizend dradendunne vrienden
Zich aan dien druppel in vereende smart,
Als echte, als onafscheidbre trouwe lieven,
Die vast elkaar omklemmen in den nood.
Constance.
Naar England! wilt ge?
Koning Philips.
Naar England! wilt ge? Bind uw haren op.
Constance.
Dat wil ik, ja; en waarom wil ik ’t doen?
Ik reet hen uit hun banden en riep luid:
„O, konde deze hand mijn zoon zoo slaken,
Als zij de vrijheid aan mijn haren schenkt!”
Doch nu misgun ik hun die schoone vrijheid
En wil hen weder in hun boeien slaan,
Wijl mijn lief kind een arm gevangene is.—
En, vader kardinaal, ik hoorde u zeggen,
Dat we in den hemel de onzen zien en kennen;
Is ’t zoo, o, dan zie ik mijn zoon eens weer;
Want nooit sinds Kaïn, de eerste knaap, het licht zag,
Tot op den zuig’ling, die sinds gist’ren ademt,
Zag de aard een kind, zoo rijk begaafd als hij.
Nu zal de worm, het leed, mijn knop verderven,
Het jeugdig schoon verjagen van zijn wang,
En hol zal hij er uitzien als een spook,
Zoo bleek en mager als een koude koorts,
En zal zóó sterven, zoo ook weer verrijzen;
En als ik hem ontmoet in ’t hemelhof,—
’k Zal hem niet kennen; daarom nimmer, nimmer,
Neen, nimmer zie ’k mijn lieven Arthur weer.
Pandulf.
Gij geeft te zondig aan uw kommer toe.
Constance.
Zoo spreekt een man, die nooit een zoon bezat.
Koning Philips.
Gij mint uw smart niet minder dan uw kind.
Constance.
Smart vult de plaats van mijn afwezig kind, 93
Ligt in zijn bed, gaat op en neêr met mij.
En bootst zijn blikken, praat zijn woorden na,
Brengt al zijn lieflijkheid mij voor den geest,
Vult met zijn vorm zijn leege kleedren op;
En heb ik dan geen grond, de smart te minnen?—
Vaartwel, waart gij als ik beroofd, ik zou
U beter kunnen troosten, dan gij mij.—
Ik wil geen tooisel dulden op mijn hoofd,
Als zulk een stoornis heerscht in mijnen geest.
O God! mijn knaap, mijn Arthur, mijn lief kind!
Mijn hart, mijn heil, mijn levensbrood, mijn alles!
Mijn weduwtroost, mijn heulsap in het leed!
(Constance af.)
Koning Philips.
Ik vrees een wanhoopsdaad en wil haar volgen.
(Koning Philips af.)
Lodewijk.
Niets, niets ter wereld kan mij meer verheugen;
Het leven is langwijlig als een sprookje,
Een slaap’rig man tweemaal in ’t oor gereld;
Een bittre smaad vergalt de zoete wereld,
Zoodat zij smaad en bitterheid slechts schenkt.
Pandulf.
Kort vóór ’t genezen van een erge kwaal,
Als heeling volgt en nieuwe kracht, is de aanval
Het heftigst; en een kwaad, dat afscheid neemt,
Toont bij het heengaan juist zich op zijn ergst.
Wat ging te loor, toen gij den dag verloort?
Lodewijk.
De roem, de vreugd, ja, al ’t geluk mijns levens.
Pandulf.
Dat waar’ gebeurd, zoo gij gewonnen hadt.
Neen, neen, wanneer Fortuin den mensch wil goeddoen,
Dan blikt zij hem met dreigende oogen aan.
’t Is ongelooflijk, hoeveel Jan verloor
Door wat hij louter winst acht. U is ’t leed,
Wiet waar, dat Arthur hem in handen viel?
Lodewijk.
Gewis, zooveel als hem de vangst verblijdt.
Pandulf.
Uw geest is even jong nog als uw bloed.
Doch hoor, wat mijn profetengeest u zegt;
Want de adem zelfs, van wat ik zeggen wil,
Zal ieder stofje of halm, den kleinsten aanstoot,
Wegblazen van het pad, dat uwen voet
Naar Englands troon zal voeren; daarom hoor.
Jan heeft thans Arthur weggevoerd; onmooglijk
Kan de overweldiger des troons, kan Jan,
Zoolang warm leven in ’s kinds aad’ren speelt,
Een uur, een ademtocht zelfs rust genieten.
De hand, die tegen ’t recht een scepter greep,
Behoeft geweld voor ’t hoeden, als voor ’t winnen;
Wie op een gladde helling staat, versmaadt
Geen steun, hoe slecht ook, zoo die helpen kan.
Zoo Jan wil blijven staan, moet Arthur vallen;
Zoo zij het, want het kan niets anders zijn. 140
Lodewijk.
En wat kan ik door Arthurs val ooit winnen?
Pandulf.
Gij kunt in naam van Blanca, van uw gade,
Zijn rijk voor u dan eischen, als nu Arthur.
Lodewijk.
En rijk, lijf, alles derven, als nu Arthur.
Pandulf.
Wat zijt gij groen en jong in de oude wereld!
Voor u wroet Jan; de tijd spant saam met u;
Wie zijn geluk in bloed, echt bloed, gaat domp’len,
Vindt slechts een bloedig en onecht geluk.
Die boos bedreven daad zal ’t hart verkoelen
Van heel zijn volk, hun ijver doen bevriezen;
En juub’lend groeten zij de kleinste kans,
Die opkomt, om zijn troon omver te stooten;
Er komt geen luchtverheev’ling aan den hemel,
Geen werking der natuur, geen donk’re dag,
Geen bolle wind, geen alledaagsch verschijnsel,
Waarvan zij niet den waren aard miskennen,
Ze meteoren, wond’ren, teekens noemend,
Voorboden, wangeboorten, hemelstemmen,
Verkondigers der wraak, die Jan bedreigt.
Lodewijk.
’t Kan wezen, dat hij Arthurs leven spaart,
Door zijn gevangenschap zich veilig reek’nend.
Pandulf.
O, prins, wanneer hij van uw naad’ring hoort,
En Arthur nog niet uit den weg geruimd is,
Dan sterft hij op die tijding, en dan keert
Heel ’t volk het hart vol weerzin van hem af,
Kust onbekenden ommekeer de lippen,
En zuigt uit Jans bebloede vingertoppen
Gerechte gronden tot verzet en wraak. 168
En, o! wat broedt de tijd nog beet’re dingen
Dan deze u uit! De bastaard Faulconbridge
Is thans in England, brandschat daar de kerken
En krenkt de vromen; ware een twaalftal Franschen
Gewapend ginds, zij waren als een lokstem,
Die tienmaal duizend Engelschen hun handvol
Versterken deed, gelijk een vlokje sneeuw
Voortrollend tot een berg wordt. O, dauphijn,
Ga met mij naar den koning. ’t Is verbazend,
Wat zich uit hun misnoegdheid smeden laat,
Nu aller hart tot aan den rand vol wrok is.
Naar England dus; ik spoor den koning aan.
Lodewijk.
Ja, kom! een klemmend woord geeft hand’len klem,
En zegt gij ja, wacht dan geen neen van hem.
(Beiden af.)