Vierde Bedrijf.
Eerste Tooneel.
Northampton. Een vertrek in het slot.
Hubert en twee Dienaars komen op.
Hubert.
Maakt mij die ijzers heet, en schuilt dan weg
Daar achter ’t wandtapijt; komt, als mijn voet
Der aarde boezem stampt, fluks voor den dag,
En bindt den knaap, dien gij dan bij mij vindt,
Vast aan den stoel; geeft acht! Nu heen, en luister!
Eerste Dienaar.
’k Hoop, dat uw volmacht toereikt voor die daad.
Hubert.
Onnooz’le twijfling! ducht gij niets, let op!
(De Dienaars af.)
Kom, jonge knaap; ik heb u iets te zeggen.
(Arthur komt op.)
Arthur.
Goeden morgen, Hubert.
Arthur.
Zóó kleine prins,—hoe groot mijn aanspraak zij
Om meer te zijn,—als moog’lijk,—Gij ziet somber.
Hubert.
Ik ben wel vroolijker geweest.
Arthur.
Ik ben wel vroolijker geweest. Mijn hemel!
Mij dunkt, geen mensch moest somber zijn dan ik;
Toch weet ik nog recht goed, ik zag in Frankrijk
Wel jeugdige eed’len somber als de nacht,
Uit grilligheid. Zoo waar ik christen ben,
Ware ik slechts vrij, al ware ik schapenhoeder,
Den lieven langen dag zou ’k vroolijk zijn;
Ja, ’k zou het hier zelfs zijn, als ik niet vreesde,
Dat mij mijn oom nog erger leed wil doen,
Want hij is bang voor mij en ik voor hem.
Kan ik het helpen, dat ik Godfrieds zoon ben?
Toch zeker niet; bij God, ik wenschte, Hubert,
Dat ik úw zoon was, als gij van mij hieldt.
Hubert
(ter zijde.) Spreek ik met hem, dan zal zijn kinderpraat
Mijn medelijden, dat nu dood is, wekken;
’k Wil daarom snel te werk gaan en het doen.
Arthur.
Gij ziet er bleek uit, Hubert; zijt gij ziek?
Nu, ’k wenschte wel, dat gij ’t een weinig waart,
Opdat ik heel de nacht bij u mocht waken;
Ik wed, gij zijt mij liever dan ik u. 31
Hubert.
Zijn praten neemt mijn boezem in bezit.—
Hier, lees dit, Arthur.
(Hij laat hem een papier zien.)
Hier, lees dit, Arthur. (Ter zijde.) Welk onnoozel vocht!
Wijst gij de deur aan onmeedoogend foltren?
’k Moet kort zijn, anders drupt mijn vast besluit
Mij de oogen uit in weeke vrouwetranen.—
Kunt gij ’t niet lezen? is ’t niet goed geschreven?
Arthur.
Te goed, te goed voor zulk een boozen inhoud.
Moet gij met gloeiend ijzer beî mijn oogen
Uitbranden?
Hubert.
Uitbranden? Knaap, ik moet.
Arthur.
Uitbranden? Knaap, ik moet. En wilt gij?
Hubert.
Uitbranden? Knaap, ik moet. En wilt gij? Ja.
Arthur.
Hebt gij er ’t hart toe? Toen gij pijn in ’t hoofd hadt,
Bond ik u stijf mijn zakdoek om het hoofd,—
Mijn besten, mij door een prinses gewerkt,—
En heb dien nooit van u teruggevraagd.
’k Hield met de hand die nacht het hoofd u vast,
En, zooals waakzaam de minuten ’t uur,
Verkortte ik u den loomen gang des tijds,
En vroeg: „Wat scheelt u?” en: „Waar hebt gij pijn?”
Of: „Wat kan ik nu doen om u te helpen?”
Ik denk, wel menig burgerkind waar’ blijven liggen,
En had geen vriendlijk woord tot u gezegd;
Maar gij hadt voor uw ziekedienst een prins.
Gij denkt wellicht, mijn liefde was slechts sluwheid,
En noemt ze listig,—doe het als gij wilt;
Als God wil, dat gij mij mishand’len zult,
Dan moet gij ’t doen.—Wilt gij mij de oogen blinden?
Die oogen, die op u nooit donker blikten,
En ’t nimmer zullen doen?
Hubert.
En ’t nimmer zullen doen? Ik heb ’t gezworen.
Uitbranden moet ik ze u met gloeiend ijzer.
Arthur.
O, niemand deed het, waar ’t geen ijz’ren tijd;
Dat ijzer zelf, hoewel roodgloeiend, zou,
Deze oogen naadrend, mijne tranen drinken
En zóó zijn vuur’ge drift en woede blusschen
In ’t vocht, door weêrlooze onschuld voortgebracht;
Ja, zou daarna zichzelf in roest verteren,
Omdat zijn vuur mijn oogen had bedreigd,
En zijt gij harder dan gehamerd ijzer?
O, zoo een engel mij verschenen waar’,
En had gezegd, dat Hubert mij zou blinden,
Hem had ik niet geloofd, niemand dan Hubert.
Hubert.
Komt hier. 71
(Hij stampt.)
(De Dienaars komen terug met hoorden, ijzers, enz.)
Komt hier. Doet wat ik u gebood.
Arthur.
Help, Hubert, help! mijn oogen zijn reeds uit,
Reeds door den woesten blik dier booze mannen.
Hubert.
Geeft hier het ijzer, zeg ik, bindt hem vast.
Arthur.
O God, waartoe behoeft gij zoo te woeden?
’k Wil doodstil staan, ik zal niet tegenspartlen.
Om Gods wil, Hubert, bind, neen, bind mij niet.
Neen, hoor mij, Hubert, jaag die mannen weg;
Stilzitten wil ik dan, stil als een lam,
Niet deinzen, geen woord zeggen, zelfs niet rillen,
Ja, ook niet toornig naar het ijzer zien.
Drijf slechts die mannen weg, en ik vergeef,
Wat martling gij mij dan ook aandoen wilt.
Hubert.
Gaat heen, van hier; laat mij alleen met hem.
Eerste Dienaar.
’t Is goed, liefst ben ik ver van zulk een daad.
(De Dienaars af.)
Arthur.
O wee, een vriend heb ik daar weggekeven!
Zijn blik is donker, maar zijn hart is zacht.—
Roep hem terug, opdat zijn deernis leven
Aan de uwe geev’.
Hubert.
Aan de uwe geev’. Kom, knaap, maak u gereed.
Arthur.
Geen uitkomst dus?
Hubert.
Geen uitkomst dus? Geen; gij verliest uw oogen.
Arthur.
O, hemel, zat er in uw oog een splinter,
Een stofje, een zwevend haartje, een mug, een korrel,
Of een’ge stoornis in dat kost’lijk zintuig!
Dan voeldet gij, hoe fel daar ’t minste steekt,
En wat gij voor hebt, kwame u gruw’lijk voor.
Hubert.
Hebt gij mij dit beloofd? Bedwing uw tong.
Arthur.
Hubert, het smeeken van twee tongen schoot
Te kort bij ’t pleiten voor een oogenpaar.
Eisch niet, dat ik mijn tong betoom, neen, Hubert;
Of als ge wilt, snijd mij de tong uit, Hubert,
Zoo dit mijn oogen redt! O spaar mijn oogen,
Al moeten zij ook niets meer zien dan u.
Zie, op mijn woord, het werktuig is reeds koud,
En zou geen leed mij doen. 105
Hubert.
En zou geen leed mij doen. Ik kan ’t weer gloeien.
Arthur.
Neen, neen, voorwaar; het vuur is dood, van droefnis,
Dewijl ’t, voor troost geschapen, onverdiend
Tot gruwlen wordt gebezigd; zie slechts zelf;
In deze kool hier huist geen boosheid meer;
Des hemels adem blies den geest er uit,
En strooit berouwvolle asch haar op het hoofd.
Hubert.
Mijn adem kan haar doen herleven, knaap.
Arthur.
Zoo gij dit doet, dan doet gij haar slechts blozen,
Van schaamte gloeien, Hubert, om uw doen;
Zij zal misschien uzelf in de oogen spatten,
Gelijk een hond, dien men tot vechten drijft,
Ook naar zijn meester, die hem aanhitst, bijt.
Elk ding, waar gij mij mee wilt schaden, weigert
Zijn dienst u; u alleen ontbreekt de deernis,
Die ’t grimmig vuur en ijzer toonen,—wezens,
Voor deernislooze plannen steeds gebruikt.
Hubert.
Nu,—zie, opdat gij leeft; ik raak uw oogen
Voor al de schatten van uw oom niet aan;
En toch, ik zwoer, en was besloten, knaap,
Ze, met dit ijzer hier, u uit te gloeien.
Arthur.
Nu ziet ge er uit als Hubert; al dien tijd
Waart gij vermomd.
Hubert.
Waart gij vermomd. O stil! niets meer. Vaarwel!
Uw oom mag niet vermoeden, dat gij leeft;
Aan die verspieders disch ik sprookjes op.
En nu, lief kind, slaap zonder zorg, gerust,
Dat Hubert u, voor al der wereld schatten,
Geen leed ooit doet.
Arthur.
Geen leed ooit doet. O God, ik dank u, Hubert.
Hubert.
Geen woord meer; sluip mij na, in stilte, schuw;
In veel gevaar begeef ik mij voor u.
(Beiden af.)
Tweede Tooneel.
Aldaar. Een statiezaal in het paleis.
Koning Jan, gekroond; Pembroke, Salisbury en andere Lords komen op. De koning zet zich op den troon.
Koning Jan.
Hier zeetlen wij nog eens, nog eens gekroond,
En, zoo ik hoop, aanschouwd met blijde blikken.
Pembroke.
Waar’ dit „nog eens” niet uwer hoogheid wensch,
’t Ware eens te veel; gij waart alreeds gekroond,
En ’t koningschap was nooit aan u ontrukt,
Der mannen trouw door oproer nooit bevlekt,
En ’t land ook niet beroerd door woelig streven
Naar nieuwe reegling of een beetren toestand.
Salisbury.
Daarom, met dubb’len praal een troon te sieren,
Een recht te omboorden, prachtig reeds omzoomd,
Fijn goud te gulden, lelies te overschildren,
’t Viooltje met fijn reukwerk te oversprenklen,
Het ijs te gladden, bij den regenboog
Een nieuwe tint te voegen, en met kaarslicht
Het schitt’rend oog des hemels op te luistren,
Verkwisting is ’t, belachlijke overdaad. 16
Pembroke.
Uw hooge wil verlangde ’t, anders waar’
Dit doen als een oud sprookje, op nieuw verteld,
Dat bij het laatst herhalen elk mishaagt,
Dewijl ’t ontijdig opgedrongen wordt.
Salisbury.
Zoo wordt het waardig, welbekend gelaat
Van ’t oud, eenvoudig, goed gebruik ontsierd,
En, als een omgeslagen wind een zeil,
Zwaait dit de richting der gedachten om,
Maakt overweging huiv’rig en bezorgd,
Gezonde meening krank, waarheid verdacht,
Door ’t aandoen van een zoo nieuwmodisch kleed.
Pembroke.
Wanneer een werkman ’t beter maken wil
Dan goed, hij richt zijn kunst te grond door eerzucht;
Wanneer een fout met zorg ontschuldigd wordt,
Vaak wordt zij erger door de ontschuldiging,
Zooals een lap, die op een kleine scheur
Gezet wordt, juist door ’t heelen de aandacht trekt,
En meer ontsiert dan de ongelapte scheur.
Salisbury.
In dien geest uitte, eer gij op nieuw gekroond werdt,
Zich onze raad, maar het behaagde uw hoogheid
Dien te verwerpen, en ’t is allen goed,
Daar alles, ieder deel van wat wij wilden,
Geheel zich schikt naar uwer hoogheid wil.
Koning Jan.
’k Heb voor deez’ dubb’le kroning enkle reed’nen
U meegedeeld, en houd die nog voor sterk;
Ik voeg er meer en beetre bij, zoodra
Mijn zorgen minder zijn;—doch vraagt inmiddels,
Verbeetring die gij wenscht, van wat niet goed is;
En ziet dan klaar, hoe gaarne ik uwe wenschen
Zoowel vernemen als verhooren wil.
Pembroke.
Zoo vraag dan ik, als dezer eedlen tong,
Die aller hartewenschen stem verleent,
Zoo voor mijzelf als hen, maar, bovenal,
Voor uwe veiligheid, die hen en mij
Tot stâgen ijver aandrijft,—vraag van harte
Arthurs invrijheidstelling, daar zijn hechtnis
Thans der misnoegdheid lippen morren doet,
Hen opwekt tot dit ongewenscht betoog: 54
„Bezit gij rechtens wat ge in rust bezit,
Hoe kan dan vrees, die, naar men zegt, van ’t onrecht
De schreden volgt, u drijven, dat ge uw neef
Opsluit, een teedren knaap? zijn jonge dagen
In grove onwetendheid verstikt, zijn jeugd
’t Rijk voorrecht weigert van een eedle vorming?”
Opdat geen vijand uws bewinds ooit meer
Hieruit een wapen smeed’, zij onze bede,
Dat gij ons zijne vrijheid hebt doen vragen,
Waardoor wij niets verzoeken voor onszelf,
Dan in zooverre ons heil, op u berustend,
Uw heil het acht, dat hij in vrijheid zij.
(Hubert komt op.)
Koning Jan.
Zoo zij het dan, aan uwe leiding geef ik
Zijn jeugd nu over.—Hubert, brengt gij nieuws?
(Hubert fluistert den koning iets toe.)
Pembroke.
Dat is de man, die ’t bloedig stuk moest doen;
Hij liet een vriend van mij de volmacht zien.
De afspiegling van een zwarte booze daad
Leeft in zijn oog; dat saamgeplooid gezicht
Wijst op den storm van een ontroerd gemoed;
Ik vrees maar al te zeer, ’t is reeds gedaan,
Wat wij zoo vreesden, dat hem was gelast.
Salisbury.
De kleur des konings komt en gaat; ’t geweten
En ’t moordplan zendt die heen en weer, zooals
Geschaarde legers ’t hun herauten doen.
Zijn spanning stijgt; de buil is rijp, gaat bersten.
Pembroke.
En breekt zij open, ’k vrees, dan komt als etter
De dood er uit van een beminn’lijk kind.
Koning Jan.
Ik kan de sterke hand des doods niet keeren.—
Mijn beste lords, mijn wil tot geven leeft nog,
Maar wat gij hebt verzocht, is weg, is dood;
Hij meldt ons: Arthur overleed van nacht.
Salisbury.
Wij vreesden ’t reeds, zijn kwaal was ongeneeslijk.
Pembroke.
Wij hoorden ’t reeds, dat hij den dood nabij was,
Nog eer ’t kind zelf iets van een ziekte wist;
Dit moet verantwoord worden, hier of ginds.
Koning Jan.
Wat richt ge op mij zoo fiere, strenge blikken?
Denkt gij, dat ik de schaar van ’t noodlot voer
En over ’s levens pols heb te bevelen?
Salisbury.
Hier is valsch spel gespeeld, en schandlijk is ’t,
Dat hoogheid dit zoo grof te spelen waagt;
Heb bij uw spel geluk en vaar nu wel!
Pembroke.
Wacht nog, lord Salisbury, ik ga met u, 96
En zoek het erfdeel op van ’t arme kind,
Het kleine koninkrijk, ’t ontijdig graf.
Die recht had op dit eiland, wijd en zijd,
Erlangt drie voet er van! O booze tijd!
Dit is zoo niet te dulden; wat ons krenkt,
Barst zeker uit, en spoedig, eer men ’t denkt.
(De Lords af.)
Koning Jan.
In verontwaardiging ontgloeid! ’t Berouwt mij;
Geen hechte grondslag wordt op bloed gevest,
Geen zeker leven ooit op andrer dood.
(Een Bode komt op.)
Uw oog duidt schrik aan. Spreek, waar is dat bloed,
Dat ik in uwe wangen wonen zag?
Zoo zwarte wolken klaart niets op dan storm;
Ontboei uw vlaag!—Hoe gaat het ginds, in Frankrijk?
Bode.
Uit Frankrijk ras naar England.—Zulk een macht
Werd nooit voor een’gen krijgstocht naar den vreemde
En binnen de’ omvang van een land gelicht.
Zij leerden ’t, uwe snelheid na te bootsen;
Want nu gij hooren moest: zij rusten toe,
Komt reeds de boodschap: zij zijn aangeland.
Koning Jan.
Waar dronk zich ginds de waakzaamheid een roes?
Waar sliep zij dan? Waar is mijn moeders zorg,
Dat Frankrijk zulk een leger saam kon trekken
En zij het niet vernam?
Bode.
En zij het niet vernam? Mijn vorst, haar oor
Heeft stof verstopt. Op de’ eersten van April
Stierf uw vereerde moeder; en ik hoorde,
Drie dagen vroeger stierf vorstin Constance
In razernij; doch enkel bij geruchte
Vernam ik dit; of ’t waar is, weet ik niet.
Koning Jan.
Weerhoud uw spoed, gij schrikk’lijke verwikk’ling!
Treed met mij in verbond, tot ik verzoend ben
Met mijn misnoegde pairs.—Mijn moeder dood!
Hoe wild zal ’t in mijn Fransch gebied dan toegaan!—
Wie is er aan het hoofd van ’t Fransche leger,
Dat, zoo gij waarheid meldt, hier is geland?
Bode.
’t Is de dauphijn.
(De Bastaard komt op, met Peter van Pomfret.)
Koning Jan.
Gij hebt mij ’t hoofd doen duiz’len
Door uw bericht.—Nu, neef, wat zegt de wereld
Van uw bedrijf? vervul mijn hoofd niet verder
Met nog meer booze tijding; ’t is reeds vol.
Bastaard.
Zijt gij bevreesd het ergste te zien komen,
Dan valle ’t onvoorziens u op het hoofd.
Koning Jan.
Verschoon mij, neef, ’k was overstelpt, verbijsterd
Door zulk een vloed, maar nu schep ik weer adem,
’t Hoofd boven water, en kan iedre tong
Gehoor verleenen, spreek’ zij, wat zij wil. 140
Bastaard.
Hoe ik geslaagd ben met de geestlijkheid,
Moge u het geld, dat ik bijeenbracht, melden.
Maar op mijn reis door ’t land hierheen vond ik
Het volk ter prooi aan vreemde geestverbijstring,
Bezeten van geruchten, ijdle droomen,
Niet wetend, wàt zij vreezen, maar vol vrees.
En hier is een profeet, dien ik uit Pomfret
U medebreng; ik vond hem daar op straat,
Waar honderden hem op de hielen volgden;
Hij zong hun voor, in ruwe, boersche rijmen,
Dat op aanstaande Hemelvaart, ’s voormiddags,
Uw hoogheid afstand doen zou van de kroon.
Koning Jan.
Gij ijdle droomer, waarom zegt gij dit?
Peter.
Ik weet vooruit, dat dit gebeuren zal.
Koning Jan.
Hubert, voer gij hem weg, breng hem in hechtnis;
En op dien middag, dat ik, zoo hij zegt,
De kroon zal nederleggen, moet hij hangen.
Breng hem in zekerheid en kom terug,
Ik heb u noodig.
(Hubert af, met Peter.)
Ik heb u noodig. O mijn beste neef,
Hebt gij gehoord, wie aangekomen zijn?
Bastaard.
De Franschen, heer, dit is in aller mond;
’k Trof ook lord Bigot en lord Salisbury,
Met oogen, rood als pas ontglommen vuur,
En andren meer; zij zochten Arthurs graf,
Die, zeggen zij, van nacht is omgebracht
Op uwen wensen, uw last.
Koning Jan.
Op uwen wensen, uw last. Mijn lieve neef,
Ga, meng u in hun kring, ik weet een middel,
Om weder mij hun liefde te herwinnen.
Ga, breng hen tot mij.
Bastaard.
Ga, breng hen tot mij. ’k Wil hen zoeken, heer.
Koning Jan.
Ja, spoed u, zet uw besten voet nu voor.
O, thans geen vijand uit mijn onderdanen,
Nu vreemde tegenstanders hier mijn steden
Doen sidd’ren door een fellen, stouten inval!
Wees mijn Merkuur, hecht vleugels aan uw voet,
En vlieg als een gedachte tot mij weer.
Bastaard.
De geest des tijds moet vuur’gen spoed mij leeren.
(De Bastaard af.)
Koning Jan.
Gesproken als een man van wakkren geest.— 177
IJl gij hem na; wellicht is hem een bode
Recht welkom tusschen hem en gindsche pairs;
Wees gij die.
Bode.
Ja, mijn vorst, van ganscher harte.
(De Bode af.)
Koning Jan.
Mijn moeder dood!
(Hubert komt terug.)
Hubert.
Mijn moeder dood! Mijn vorst, men zegt, er werden
Vijf manen deze nacht bijeen gezien;
Vier stonden er van stil, de vijfde omzwierde
Die andre vier met wonderbaren loop.
Koning Jan.
Vijf manen?
Hubert.
Vijf manen? Grijze mannen, oude vrouwen
Voorspellen op de straat er onheil uit.
Prins Arthurs dood is reeds in aller mond,
En bij ’t bespreken schudden zij het hoofd,
En fluistert de een den ander iets in ’t oor;
En hij, die spreekt, vat dan des hoorders pols,
En uit des hoorders trekken spreekt ontzetting
Door knikken, wenkbrauwfronsen, rollende oogen.
Ik zag een smid, zoo, met zijn hamer staan,
Terwijl zijn ijzer op zijn aanbeeld koud werd,
Met open mond des snijders nieuws verslindend,
Die, met zijn schaar en maatreep in de hand,
En op zijn muilen, die zijn vlugge haast
Aan de verkeerde voeten had geworpen,
Van vele duizend Fransche krijgers sprak,
Die reeds in Kent geheel slagvaardig stonden.
Een ander schraal en haav’loos ambachtsman
Valt plots’ling in en spreekt van Arthurs dood.
Koning Jan, Vierde Bedrijf, Derde Tooneel.
Koning Jan.
Wat tracht gij dezen angst mij mee te deelen?
Wat komt gij weer terug op Arthurs dood?
Uw hand versloeg hem; ik had groote reden
Hem dood te wenschen, gij voor ’t moorden niet.
Hubert.
Niet, Heer? hebt gij er mij niet toe gedreven?
Koning Jan.
Dat is der vorsten vloek, gediend te worden
Door slaven, die in luimen volmacht zien
Tot inbraak in des levens bloedig huis,
Uit de’ oogwenk van ’t gezag een wet zich maken,
En wanen van verbolgen majesteit
Den wil te kennen, als die ’t voorhoofd rimpelt
Misschien veel meer uit luim dan overleg.
Hubert.
Hier is uw hand en zegel voor mijn daad.
Koning Jan.
O, als de reek’ning tusschen aarde en hemel
Gesloten wordt, dan zal die naam, dat zegel
Getuigen ter verdoemnis tegen ons.
Hoe vaak bewerkt het zien van ’t booze werktuig
De booze daad! Waart gij daar niet geweest,
Een knaap, gekozen door natuur, gemerkt,
Gestempeld om een schanddaad te begaan, 222
Nooit waar’ die moord mij in den zin gekomen;
Doch toen ik acht sloeg op uw gruwlijk uitzicht,
U bruikbaar dacht voor snood en bloedig werk,
Gezind, geschikt voor doodsgevaarlijk doen,
Toen repte ik even, zacht, van Arthurs dood;
En gij, om in eens konings gunst te dringen,
Zaagt tegen ’t moorden van den prins niet op.
Hubert.
Mijn vorst,—
Koning Jan.
Hadt gij het hoofd geschud, een poos gezwegen,
Toen ik van mijn bedoeling duister sprak,
Een twijflend oog op mijn gelaat gericht,
Alsof ge een duidlijk woord van mij verlangdet,
Dan had wis schaamte mij verstomd, gestuit,
En uwe vrees had vrees in mij verwekt.
Doch gij verstondt mij daadlijk uit mijn wenk,
En traadt door wenken in verbond met zonde;
Ja, zonder aarz’len was uw hart bereid;—
En zoo voltrok uw ruwe hand de daad,
Die geen van beider mond had durven noemen.
Uit mijn gezicht, en zie mij nimmer weer!
Mijn adel valt mij af; uitheemsche krijgers
Trotseeren mijn gezag tot voor mijn poort;
Ja, binnen ’t lichaam van dit vleeschlijk land,
Dit vorstendom, dit rijk van bloed en adem,
Heerscht krijg, inwendige opstand; mijn geweten
Bestrijdt er fel den dood van mijnen neef.
Hubert.
Weer gij die andren af, die u bestrijden,
Want ik verzoen uzelven met uw ziel.
Prins Arthur leeft; en deze mijne hand
Is schuldloos nog, een maagdlijk reine hand,
Niet met de purperkleur van bloed bevlekt.
En evenmin kwam in mijn borst de neiging,
De gruwel van een moordgedachte ooit op.
Natuur hebt gij belasterd in mijn vorm,
Die, schoon uitwendig ruw, het hulsel is
Van eene ziel, te goed om met den moord
Van een onschuldig kind zich te bezoedlen.
Koning Jan.
Leeft Arthur nog? O spoed u naar de pairs!
Werp dit bericht voor hun ontvlamde woede,
En breng hen tot gehoorzaamheid terug.
Vergeef, wat mij de hartstocht zeggen deed
Van uwe trekken; blind was daar mijn woede;
En oogen, vol van bloedgezichten, schetsten
U veel meer schrikverwekkend dan gij zijt.
O, antwoord niet, maar breng de toornige eedlen
Aan ’t hof; dat hen uw drang tot ijlen noop’;
’k Bezweer u langzaam, sneller zij uw loop!
(Beiden af.)
Derde Tooneel.
Aldaar. Voor het slot.
Arthur verschijnt op den muur.
Arthur.
De muur is hoog, maar springen wil ik toch.—
Erbarm u, goede grond, en deer mij niet!—
Schier niemand kent mij; en al ware ’t zoo,
’t Scheepsjongenskleed vermomt mij voor een elk.
Ik ben beangst, en toch wil ik het wagen.
Breek ik de beenen niet, dan vind ik wis
Wel middel om te ontkomen. ’t Zij hoe ’t zij,
Hier sterf ik zeker, liever sterf ik vrij.
(Hij springt neer.)
Wee mij, het hart mijns ooms is in ’t gesteente!
God hebb’ mijn ziel en England mijn gebeente!
(Hij sterft.)
(Pembroke, Salisbury en Bigot komen op.)
Salisbury.
Ik zal hem bij Sint Edmund’s Bury treffen;
Zoo zijn wij veilig, en wij moeten treden
In ’t vriendlijk aanbod van den boozen tijd.
Pembroke.
Wie bracht den brief des kardinaals ons over?
Salisbury.
De graaf Melun, een edel pair van Frankrijk,
Die mond’ling van de gunst van den dauphijn
Veel meer berichtte, dan dit schrijven inhoudt.
Bigot.
Zoo laat ons morgenochtend hem begroeten.
Salisbury.
Van hier gaan, meent gij; want wij hebben, lords,
Twee lange dagen reis, aleer we er zijn.
(De Bastaard komt op.)
Bastaard.
Vandaag nog eens gegroet, ontstemde lords!
De koning vraagt u, fluks tot hem te komen.
Salisbury.
De koning heeft ons zelf van zich vervreemd.
Wij voêren niet zijn dunnen, vuilen mantel
Met onze vleklooze eer; wij volgen niet
Zijn voet, die, waar hij treedt, bloedsporen nalaat.
Keer, zeg hem dit; het ergste is ons bekend.
Bastaard.
Hoe boos ge ook denkt, een goed woord acht ik ’t best.
Salisbury.
De toorn, en niet beleefdheid, wil zijn recht nu.
Bastaard.
Gij hebt slechts weinig recht in uwen toorn;
Dus ware ’t recht, dat uw beleefdheid sprak.
Pembroke.
Heer, heer, de gramschap heeft haar eigen voorrecht.
Bastaard.
Zichzelf te kwetsen, ja, maar niemand anders. 33
Salisbury.
Dit is de kerker. (Arthur ontwarend.) Wie is ’t, die daar ligt?
Pembroke.
O dood, met reine vorstenschoonheid pralend!
Geen graf had de aard, om deze daad te helen!
Salisbury.
De moord, als hatend wat hijzelf bedreef,
Legt dit hier bloot, om zoo tot wraak te manen.
Bigot.
Of toen hij aan het graf dit kleinood wijdde,
Vond hij het voor een graf te vorstlijk rijk.
Salisbury.
Sir Richard, wat zegt gij? Hebt gij ’t gezien,
Gehoord, gelezen, kondt gij ooit het denken,
Ja, kunt gij thans zelfs denken, nu gij ’t ziet,
Dat, wat gij ziet? Kon zelfs gedachte, zonder
Dit voorbeeld, zoo iets denken? ’t Is het toppunt,
De helm, de kam, de kam des kams van’t wapen
Des moords. Dit is de wreedste, schandlijkste ondaad,
De wildste woestheid, de allerlaagste snoodheid,
Die parelblinde toorn of dolle woede
Ooit aan der zachte deernis tranen bood.
Pembroke.
Die moord ontschuldigt alle vroegre moorden,
Die moord, zoo eenig, zoo voorbeeldeloos,
Zal aan der toekomst ongeboren zonden
Reinheid verleenen, glans van heiligheid;
Nu doet, bij ’t licht van dit afschuw’lijk schouwspel,
Een dood’lijk bloedbad als een scherts zich voor.
Bastaard.
Het is een bloedig, een doemwaardig werk,
Het heilloos schendstuk van een zware hand,
Indien eens menschen hand het werk volbracht.
Salisbury.
Indien eens menschen hand het werk volbracht!—
Wij zagen ’t scheem’ren dezer daad vooraf;
Het is het schendig werk van Huberts hand,
Het opzet en het drijven van den koning;
Aan zijnen dienst onttrek ik nu mijn ziel,
Neêrknielend bij dit puin van lieflijk leven;
En adem bij dit ademloos kleinood
Den wierook van een heilige gelofte,
Der wereld vreugde nimmermeer te proeven,
Noch ooit besmet te worden door genot,
Noch om te gaan met rust en ledigheid,
Aleer ik deze hand verheerlijkt heb
Door haar den glans van heil’ge wraak te schenken.
Pembroke. Bigot.
Vroom stemmen onze zielen met u in.
(Hubert komt op.)
Hubert.
Ik gloei van ’t ijlen, lords, om u te zoeken;
Prins Arthur leeft; de koning zendt om u.
Salisbury.
O, hij is stout, en bloost niet voor den dood,—
Weg, gij gehate schurk, scheer u van hier.
Hubert.
Ik ben geen schurk. 78
Salisbury.
Ik ben geen schurk. Moet ik ’t gerecht bestelen?
(Hij trekt zijn zwaard.)
Bastaard.
Uw zwaard is blank, heer; steek het weder op.
Salisbury.
Nog niet; het wil eens moord’naars huid tot scheede.
Hubert.
Terug, lord Salisbury, terug, zeg ik!
Mijn zwaard, bij God, is even scherp als ’t uwe.
Ik wil niet, lord, dat gij uzelf vergeet,
’t Gevaar van mijn gerechte noodweer tartend;
Want licht zou ik, bij de’ aanblik uwer woede,
Uw waarde, uw adel en uw rang vergeten.
Bigot.
Weg, mesthoop! waagt ge een edelman te trotsen?
Hubert.
Neen, bij mijn leven; doch ik sta, zoo ’t moet,
Voor mijn onschuldig leven zelfs een keizer.
Salisbury.
Gij zijt een moordnaar.
Hubert.
Gij zijt een moordnaar. Maak niet, dat ik ’t word;
Nog ben ik ’t niet. Wiens tonge valsch beticht,
Hij spreekt onwaar; en wie onwaar spreekt, liegt.
Pembroke.
Houwt hem in stukken!
Bastaard.
Houwt hem in stukken! Houdt den vrede, zeg ik.
Salisbury.
Terug gij, of ik tref u, Faulconbridge.
Bastaard.
Tref dan den duivel liever, Salisbury.
Zie mij slechts donker aan, of stampvoet eens,
Of laat uw drift het wagen mij te smaden,
En ’t is uw dood; steek op uw zwaard, en snel,
Of zóó ros ik u af, u en uw braadspit,
Dat gij verklaart, de duivel is hier los.
Bigot.
Wat wilt gij doen, doorluchte Faulconbridge,
Wilt gij een schurk, een moordnaar, bij gaan staan?
Hubert.
Dat ben ik niet.
Bigot.
Dat ben ik niet. Wie doodde dezen prins?
Hubert.
’k Verliet hem, nog geen uur geleden, wèl;
’k Vereerde, ’k had hem lief; mijn leven lang
Beween ik ’t einde van zijn lieflijk leven. 106
Salisbury.
Vertrouwt dat sluwe vocht niet van zijn oogen;
Want zulke druppels mist de boosheid nooit,
En hij, die uitgeleerd is, doet ze beken
Van deernis en van zuivere onschuld schijnen.
Komt allen met mij, gij, wier ziel de lucht,
Die walging wekt, verafschuwt van een slachthuis;
Hier stik ik bijna van dien zondewalm.
Bigot.
Ja, komt, naar Bury; komt, naar den dauphijn!
Pembroke.
Dáár kan de koning,—zeg hem dit!—ons spreken.
(De Lords af.)
Bastaard.
Een fraaie wereld!—Wist gij van de daad?
Hoe ver, hoe eindloos ver genade reike,
Indien gij, Hubert, dezen doodslag deedt,
Zijt gij verdoemd.
Hubert.
Zijt gij verdoemd. Heer, hoor mij, hoor mij aan!
Bastaard.
Ha, ’k wil iets u zeggen:
Gij zijt verdoemd, zoo zwart,—wat is zoo zwart?
Dieper verdoemd zijt gij dan Lucifer;
Geen geest der hel zal zoo afzichtlijk zijn
Als gij, zoo gij dit kind hebt omgebracht.
Hubert.
Bij mijne ziel—
Bastaard.
Bij mijne ziel— Hebt gij slechts toegestemd
In deze gruweldaad, zoo wanhoop steeds;
En, zoo ge een koord behoeft, de dunste draad,
Ooit door een spinnelijf gesponnen, wringt
Den strot u toe; een riet wordt u een balk,
Waaraan gij hangen kunt; wilt ge u verdrinken,
Doe slechts een luttel water in een lepel,
En dit zal voor u zijn als de oceaan,
Genoeg om zulk een booswicht te versmoren.
’k Heb zwaren, zwarten argwaan tegen u.
Hubert.
Ben ik door daad, door bijval, door gedachten,
Aan ’t rooven van dien zoeten adem schuldig,
Die in dit schoone leem besloten was,
Dan miss’ de hel nog foltringen voor mij!
’k Verliet hem wèl. 139
Bastaard.
’k Verliet hem wèl. Ga, draag hem in uw armen!
Ik ben verbijsterd, dunkt me, en mis den weg
In ’t doornenbosch en al ’t gevaar des levens.—
Hoe licht heft gij daar nu gansch England op!
Uit dit klein stukje doode koningschap
Week ’t leven, ’t recht, de trouw van heel dit rijk
Ten hemel; en aan England blijft nu over
Krakeel en twist en ’t scheuren met de tanden
Van ’t onbeheerde recht des trotschen troons.
Bij ’t afgeknaagde been van koningshoogheid
Zet nu de wolfsche krijg zijn maan omhoog,
En snauwt naar vredes zachte, lieflijke oogen.
Nu spant uitheemsch geweld en inheemsch oproer
Tot één doel saam; verwoesting loert en wacht,
Gelijk een raaf bij een bezwijkend beest,
’t Verval af der geroofde heerlijkheid.
Gelukkig hij, wiens gordelriem en mantel
Dit noodweer uithoudt.—Draag dat kind van hier,
En volg mij spoedig; naar den koning wil ik.
Veel duizend zorgen dringen, hand aan hand,
En toornig blikt de hemel op dit land.
(Beiden af.)