WeRead Powered by ReaderPub
Koning Jan cover

Koning Jan

Chapter 17: Tweede Tooneel.
Open in WeRead

About This Book

Een koninklijk drama volgt een heerser wiens aanspraak op de troon wordt betwist door een jonge uitdager en door buitenlandse inmenging, wat binnenlandse onenigheid en militaire confrontatie veroorzaakt. Hofscènes leggen nadruk op intriges, juridische geschillen en erfopvolging terwijl intieme momenten familieruzies en gewetensvragen onthullen. Buiten het hof tonen belegeringen, veldslagen en diplomatieke onderhandelingen de wisselende trouw van edelen en rivaliserende machten. Het stuk onderzoekt legitimiteit, de last van het koningschap, de spanning tussen recht en geweld en de menselijke tol van politieke ambitie. De structuur wisselt publieke vergaderingen af met privétaferelen, waarbij politieke retoriek wordt gemengd met tragische gevolgen tot een sombere afrekening.

Vijfde Bedrijf.

Eerste Tooneel.

Aldaar. Een zaal in het paleis.

Koning Jan, Pandulf met de kroon, en Gevolg komen op.

Koning Jan.

Zoo heb ik dan den haarband van mijn glorie

In uwe hand gelegd.

Pandulf

(de kroon teruggevend.) Aanvaard op nieuw

Uit deze mijne hand, als leen des pausen,

Uw koninklijke hoogheid en gezag.

Koning Jan.

Houdt thans uw heilig woord; ga tot de Franschen;

Gebruik uw volmacht van zijn heiligheid,

En stuit hun tocht, eer alles hier ontvlamt.

In opstand zijn onze onvernoegde graven,

In tweedracht ligt het volk met zijnen plicht,

Daar ’t onderdanentrouw en liefde zweert

Aan uitlandsch bloed, aan vreemde koningsmacht.

Die overstrooming van ontaarde sappen

Te breid’len, staat in uwe macht alleen.

Dus draal niet, want zoo krank is deze tijd,

Dat, zoo men de arsenij niet spoedig toedient,

’t Verderf ras ongeneeslijk wezen zal.

Pandulf.

Mijn adem was het, die den storm verwekte,

Wijl gij den paus hardnekkig hadt weerstaan;

Maar nu, daar ge een berouwvol zondaar zijt,

Zal ook mijn tong dien oorlogsstorm bezweren,

Schoon weder schenken aan ’t geteisterd land.

Herdenk: op dezen dag, op Hemelvaart,

Nadat gij aan den paus uw leeneed zwoert,

Legt Frankrijk bij mijn komst de waap’nen neder.

(Pandulf af.)

Koning Jan.

Is ’t Hemelvaart? Wat zeide de profeet?

Dat ik op Hemelvaart voor ’t middaguur

De kroon zou nederleggen? ’k Heb ’t gedaan.

Dit zou door dwang geschieden, dacht ik toen;

Doch, Gode dank, ’t geschiedde slechts vrijwillig.

(De Bastaard komt op.)

Bastaard.

Gansch Kent gaf zich reeds over; enkel ’t slot 30

Van Dover kon ’t nog houden; Londen heeft

Blij den dauphijn ontvangen met zijn krijgers;

Uw eed’len luistren niet naar u, maar hebben

Den vijand reeds hun diensten aangeboden;

En blinde radeloosheid rent in ’t rond

Bij ’t klein getal van uw onzeek’re vrienden.

Koning Jan.

En wilden mijne lords niet wederkeeren,

Toen zij vernamen, dat prins Arthur leeft?

Bastaard.

Zij vonden dood hem liggen op den weg,

Een ledig kastje, waar ’t juweel des levens

Uit was gestolen door een vloekb’re hand.

Koning Jan.

Die booswicht Hubert zeide, dat hij leefde.

Bastaard.

Nu, bij mijn ziel, hij sprak naar wat hij wist.—

Doch waarom buigt gij ’t hoofd en ziet gij somber?

Wees groot in ’t handlen, als uw denken ’t was.

Laat niet de wereld vrees en droef mistrouwen

In de’ oogopslag ontwaren van een vorst.

Wees rustloos als de tijd, vuur tegen vuur,

Bedreig den dreiger, overtrots den trots

Van snoevende verschrikking, opdat de oogen

Van laag’ren, die zich steeds naar hoog’ren richten,

Door uwen voorgang schittrend, met den glans

Van wakk’ren, onversaagden moed zich tooien.

Van hier! en glans, gelijk de god des oorlogs,

Wanneer hij ’t sieraad zijn wil van het veld;

Toon stoutheid en een hoopvol zelfvertrouwen.

Wat! zullen ze in zijn hol den leeuw bestoken,

Daar schrik aanjagen, daar hem sidd’ren doen?

O, dat dit niemand zegg’!—Vooruit! zwerf rond,

En zoek den opstand op, ver van uw deur,

En grijp hem aan, eer hij u nader komt!

Koning Jan.

De pauslijke legaat is hier geweest,

En ’k heb met hem een blijden zoen getroffen;

En hij nam op zich, ’t leger des dauphijns

Naar huis te zenden.

Bastaard.

Naar huis te zenden. O onteerende afspraak!

Wat! zullen wij op eigen grond en erf

Nu zoete woordjes géven, ons verdragen,

Flikflooiend smeeken, laf een vrede sluiten

Met ingedrongen waap’nen? zal een melkbaard,

Een zijden pronker, Englands velden trotsen,

Zijn moed op onzen strijdb’ren bodem koelen,

De lucht met ijdel vaangewapper hoonen,

En zonder weerstand? Neen, mijn vorst, te wapen!

Wellicht mislukt den kardinaal de vrede,

En zoo ook niet, dan moog’ men zien en zeggen:

„Zij stonden reeds gereed tot tegenweer!”

Koning Jan.

U zij de leiding dezes tijds vertrouwd.

Bastaard.

Op dan, met goeden moed! Want weet, ik acht,

Zelfs stouter vijand vlood voor onze macht!

(Allen af.)

Tweede Tooneel.

Een vlakte bij Sint Edmund’s Bury.

Gewapend komen op: Lodewijk, Salisbury, Melun, Pembroke, Bigot, met Soldaten.

Lodewijk.

Laat, graaf Melun, hiervan een afschrift nemen;

Dit worde ter herinn’ring goed bewaard;

En geef ’t oorspronklijk stuk den lords terug,

Opdat èn zij èn wij, ’t verdrag bezittend,

Bij ’t overlezen weten, wat wij saâm,

Bij ’t nemen van het sacrament, bezwoeren,

En vast, onwrikbaar zijn in onze trouw.

Salisbury.

Wij zullen onzerzijds die nimmer breken.

En, eed’le prins, al zweren wij u hier

Vrijwill’gen ijver, ongedwongen trouw

Bij uwe zaak, geloof mij toch, dauphijn,

’t Verheugt mij niet, dat zulk een kwaal des tijds

Een pleister door verfoeiden opstand zoekt,

En de’ ouden kanker ééner wonde heelt,

Door velen er te maken. ’t Grieft mijn ziel,

Dat ik dit ijzer van mijn zijde trekken

En weeuwen maken moet; o! en juist daar,

Waar eed’le redding, kloeke tegenweer

Den naam van Salisbury tot leuze heeft.

Maar zoo groot is ’t verderf van dezen tijd,

Dat voor ’t herstel en ’t welzijn van ons recht

Wij niets vermogen, dan juist door de hand

Van warr’lend onrecht, ongerechte strengheid.—

O, is ’t geen jammer, mijn gekrenkte vrienden,

Dat wij, de zoons en kindren van dit eiland,

Geboren zijn tot zulk een bitter uur,

Dat we in ’t gevolg van vreemde legerscharen

Die moeder op den teed’ren boezem treden,

Haars vijands rijen vullen,—’k ga ter zijde,

De smet van dien gedwongen kamp beschreiend,—

Om de’ adel op te luistren van een ver,

Vreemd land, hier vreemde vanen te verzellen?

Wat! hier? O volk, dat gij verhuizen kondt!

Neptunus’ armen, die u dicht omstrenglen,

U voerden, waar ge uzelven niet meer kent,

En vast u haakten aan een heidensch strand,

Waar deez’ twee christenlegers ’t wrokkend bloed,

In steê van ’t onbuurschapp’lijk te vergieten,

Vereenden in één bondgenootenaâr!

Lodewijk.

Die taal is spiegel van uw eed’len aard; 40

Die boezemstrijd van dwang en liefde brengt

Een aardeschudding voort van adeldom.

O welk een eed’len kamp hebt gij gestreden

Van dwang des tijds en ridderlijk gevoel!

Sta toe, dat ik dien eed’len dauw u afwisch,

Wiens zilver over uwe wangen vloeit.

Bij vrouwetranen smolt mijn harte vaak,

En die zijn toch een daaglijksche overstrooming;

Maar deze vloed van zulke een mannedroppen,

Die stortbui opgewaaid door zielestorm,

Vervaart mijn oogen en ontzet mij meer,

Dan zoo ik ’s hemels hooge welving gansch

Met vuur’ge meteoren zag bemaald.

Hef op het hoofd, vermaarde Salisbury,

En dring met uw groot hart dien storm ter zij;

Laat zulke waat’ren aan die zuiglingsoogen,

Die nooit der reuzenwereld woeden zagen,

’t Geluk nooit anders kenden dan van feesten,

Recht warm van bloed, van vreugd, van drok gesnap.

Kom, kom; want in des voorspoeds rijken buidel

Steekt gij voorwaar uw hand niet minder diep,

Dan Lood’wijk zelf;—dit doet gij allen, eed’len,

Die uwe spierkracht aan de mijne knoopt.

(Pandulf komt op, met Gevolg.)

Zie, is ’t niet, of een engel dit mij ingaf?

De heilige legaat treedt ijlings nader,

En geeft ons volmacht van des hemels hand,

En stempelt op ons doen den naam van ’t recht

Met heil’gen adem.

Pandulf.

Met heil’gen adem. Heil, doorluchte prins!

Hoor dit nu:—Koning Jan heeft zich met Rome

Verzoend; zijn geest keerde in zichzelven in,

Die pas zoo uitvoer op de heil’ge kerk,

De groote bisschopsstad, den Roomschen stoel.

Daarom, rol thans uw fiere vanen op,

En tem den woesten geest des wilden krijgs,

Dat hij, een leeuw gelijk, die uit de hand

Is grootgebracht, aan vredes voet zich vlije,

Zacht, enkel naar zijn uitzicht nog geducht.

Lodewijk.

Hoogwaardige, vergeef; ’k wil niet terug.

Ik ben te hooggeboren voor lijfeig’ne,

Voor een, die staâg eens meesters wil volbrengt,

Of voor een bruikbaar dienstman, voor een werktuig,

Al waar’ het van der wereld hoogsten troon.

Uw adem blies de doode kolen aan

Des krijgs van dit vernederd rijk en mij;

Gij bracht de brandstof aan om ’t vuur te voeden,

En nu is ’t veel te sterk om ’t uit te blazen

Met zulk een zwakken wind als die ’t ontstak.

Gij deedt het aanschijn van het recht mij kennen,

Gij toondet mij mijn aanspraak op dit land,

Ja, wierpt deze onderneming in mijn hart;

En komt gij nu vertellen: Jan heeft vrede

Gemaakt met Rome? Wat raakt mij die vrede?

Ik eisch, naar de eere van mijn huwlijksbed,

Na Arthurs dood dit land voor mij als ’t mijne,

En nu het half veroverd is, moet ik 95

Terug, wijl Jan met Rome vrede sloot?

Ben ik dan Rome’s slaaf? Wat penning gaf,

Wat manschap, welke waap’nen zond mij Rome,

Om mij te steunen? Ben ikzelf het niet,

Die alle lasten draag? Wie, dan ikzelf

En zij, die mijn bevelen volgen, zwoegt

Bij dezen tocht en zet den oorlog door?

Hoorde ik mij door deze eilandsteden niet

Met „Vive le Roy!” luid groeten, waar ik aankwam?

Heb ik de beste troeven niet in handen,

Om ’t spel, dat om een kroon gaat, licht te winnen?

En zou ik dit gewonnen spel nu geven?

Neen! op mijn eer, dit geeft men nooit mij na.

Pandulf.

Gij ziet de zaak alleen van buiten aan.

Lodewijk.

Van buiten of van binnen,—ik blijf hier,

Totdat mijn veldtocht zooveel roems verwierf,

Als aan mijn fiere hoop was toegezegd,

Eer ik dit wakker krijgsheer samenbracht,

En van alom die vuur’ge harten uitlas

Om zege te overtrotsen, roem te winnen,

Zelfs in de kaken van gevaar en dood.

(Trompetgeschal).

Wat kloeke krijgstrompet klinkt daar ons toe?

(De Bastaard komt op, met Gevolg.)

Bastaard.

Verleent mij naar ’t gebruik der hoff’lijkheid

Alhier gehoor; ik spreek als afgezant.—

Mij zendt de koning, heil’ge kardinaal,

Ter kondschap, wat gij voor hem hebt bewerkt;

En naar uw antwoord ken ik grens en volmacht,

Waaraan mijn tong zich hier te houden heeft.

Pandulf.

’k Vind den dauphijn te stug en wederstrevend;

Hij weigert aan mijn aandrang zich te storen,

En zegt ronduit, dat hij den krijg niet staakt.

Bastaard.

Bij al het bloed, dat ooit in woede blaakte,

Hij heeft gelijk.—Zoo hoort nu Englands koning;

Want die spreekt hier zijn koningstaal door mij.

Hij staat bereid, en heeft er reden toe;—

Deze aperij, dit onbeleefd bezoek,

Die malle pret, die maskerade in ’t harnas,

Dien melkbaardmoedwil en dit kinderkrijgsvolk,

Belacht de koning, en hij staat gereed

Dien knapenoorlog, die pygmeën-waap’nen

Te zweepen uit den omtrek van zijn rijk.

Die hand, wier kracht u voor uw eigen deur

Afroste, en over de onderdeur deed springen,

Als emmers in gedekte putten duiken,

In ’t stroo van uwe stallen kruipen deed,

Als panden u in kist of koffer bergen, 141

In ’t varkenskot, in kerkers en gewelven

U veiligheid deed zoeken, u deed beven

En rillen, als uw landskraai kraaien ging,

Wijl ’t u de stem scheen van een Engelsch krijger;—

Zou nu die overwinnaarshand verslapt zijn,

Die in uw kamers u getuchtigd heeft?

Neen, weet, de dapp’re heerscher is gewapend,

En als een arend zweeft hij over ’t nest,

Om neer te schieten, zoo dat nest bedreigd wordt.—

En gij, ontaarde, ondankb’re oproerlingen,

Bloedgier’ge Nero’s, die het lichaam oprijt

Van uwe moeder England, gloeit van schaamte!

Want ziet, uw vrouwen en uw bleeke meisjes

Zijn Amazonen, tripp’len bij de trom,

Verruilen vingerhoed voor stalen handschoen;

Voor lansen hare naalden, ’t zachte hart

Voor woesten moed en lust tot bloedvergieten.

Lodewijk.

Staak uw gepoch, en ga in vreê van hier;

In ’t schelden zijt gij ons de baas. Vaarwel!

Te kostlijk is mijn tijd, om hem te spillen

Met zulk krakeel.

Pandulf.

Met zulk krakeel. Veroorloof mij te spreken.

Bastaard.

Neen, ik wil spreken.

Lodewijk.

’k Hoor naar geen van beiden.—

De trom geroerd! de tong des krijgs bepleite

Thans ons belang en ’t recht van hier te zijn.

Bastaard.

Uw trommen schreeuwen ’t uit, als men ze slaat;

Dan zult ook gij, geslagen, doen. Roep vrij

Een echo op door ’t schreeuwen van uw trom!

Nabij u is een trom, en goed gespannen,

Die even luid als de uwe klinken zal;

Roer vrij een tweede, een andre tweede zal

Zoo luid als de uwe, in ’t oor van ’t luchtwulf raat’len,

Des donders stem bespotten; want nabij,—

Dien sluipenden legaat wantrouwend, dien

Hij meer uit scherts gebruikt heeft dan uit nood,—

Is krijgsheld Jan, en op zijn voorhoofd zetelt

Het hongrig rif des doods, wiens taak het is

Veel duizend Franschen heden te verslinden.

Lodewijk.

Komt, roert de trom! wij zoeken dat gevaar.

Bastaard.

Ja, zoek, Dauphijn; gij wordt het dra gewaar.

(Allen af.)

Derde Tooneel.

Aldaar. Een slagveld.

Strijdgedruisch. Koning Jan en Hubert komen op.

Koning Jan.

Hoe is de dag voor ons? O meld het, Hubert!

Hubert.

Slecht, vrees ik. Doch hoe is ’t uw majesteit?

Koning Jan.

De koorts, die reeds zoo lang mij heeft geplaagd,

Drukt zwaarder mij dan ooit; mijn hart is krank.

(Een Bode komt op.)

Bode.

Mijn vorst, de dapp’re Faulconbridge, uw neef,

Vraagt, dat uw majesteit het veld verlate

En hem bericht’ door mij, waarheen gij gaat.

Koning Jan.

Zeg hem, naar Swinstead, naar de abdij daar ginds.

Bode.

Houd goeden moed; de krachtige versterking,

Die de dauphijn alhier verbeidde, leed

Op Goodwins zanden voor drie nachten schipbreuk.

Sir Richard heeft zoo juist dit nieuws gehoord.

De Franschen vechten mat en zijn aan ’t wijken.

Koning Jan.

Ach, door die booze koorts word ik verteerd;

Ik kan dit heuglijk nieuws niet welkom heeten.

Naar Swinstead! voer mij naar mijn draagstoel heen;

Mijn zwakte neemt nog toe, ’k ben uitgeput.

(Allen af.)

Vierde Tooneel.

Aldaar. Een ander gedeelte van het veld.

Salisbury, Pembroke, Bigot en Anderen komen op.

Salisbury.

Ik dacht den koning niet zoo rijk aan vrienden.

Pembroke.

Op, op! nog eens! Den Franschen moed gegeven!

Verliezen wij het, dan zijn wij verloren.

Salisbury.

Die Faulconbridge, die bastaardduivel, maakt,

Trots wie hem trots’, alleen de slag ons hachlijk.

Pembroke.

Men zegt, zwaar ziek verliet de koning ’t veld.

(Melun komt op, gewond, door Soldaten geleid.)

Melun.

Geleid mij hier naar de Engelsche rebellen.

Salisbury.

Wij heetten anders, in een beet’ren tijd.

Pembroke.

Het is de graaf Melun.

Salisbury.

Het is de graaf Melun. Ter dood gewond.

Melun.

Vlucht, lords, gij zijt verraden en verkocht. 10

Trekt uit het oog van ’t oproer uwe draden,

En neemt de trouw weer op, die gij verwierpt.

Zoekt uwen koning op, valt hem te voet;

Schenkt deze dag aan den dauphijn de zege,

Dan loont hij, is zijn plan, u al uw moeite,

En laat uw hoofden vallen. ’t Werd bezworen

Door hem, door mij, door velen nog met ons,

Op ’t altaar van Sint Edmunds’ Bury; ja,

Aan ’t eigen altaar, waar wij pas aan u

Getrouwe vriendschap, eeuw’ge liefde zwoeren.

Salisbury.

Maar kan dit waar zijn? Kan dit moog’lijk zijn?

Melun.

Heb ik den gruwb’ren dood niet reeds voor oogen?

Slechts luttel levens rest mij, dat al bloedend

Reeds wegvloeit, evenals een wassen beeld

Bij ’t vuur ras smelt en allen vorm verliest.

Wat kan ter wereld thans mij doen bedriegen,

Nu alle winst me ontgaat van elk bedrog?

Wat zoude ik liegen, nu ik toch in waarheid

Hier sterven moet en ginds door waarheid leven?

’k Herhaal: zoo Lood’wijk heden zegeviert,

Dan breekt hij zijnen eed, indien uw oogen

Nog eens den dag in ’t oosten rijzen zien.

Nog deze nacht, wier zwarte, giftige adem

Alreeds den vuur’gen helm der oude, zwakke,

Van ’t schijnen moede zon met smook omwalmt,

Nog deze booze nacht betaalt uw adem

De boete van ’t geschat, verkocht verraad

Met de verradersboete van uw levens,

Zoo Lood’wijk door uw bijstand zegeviert.

Groet zeek’ren Hubert, volger van uw koning;

Vriendschap voor hem, en dit ook, dat ikzelf

Van mijn grootvader Engelsch bloed bezit,

Wekt mijn geweten, dit u mee te deelen.

Tot loon hiervoor, ik bid u, draagt mij weg,

Ver van dit woeste strijdgewoel, opdat ik

In ruste ’t oov’rig deel van mijn gedachten

Uitdenken moge, en lijf en ziel doe scheiden

In overdenking en in vroom gebed.

Salisbury.

’k Geloof u,—en,—straff’ God mijn ziel!—mij zijn

De vorm en ’t aanschijn welkom dezer schoone

Gelegenheid, om weer de schreden onzer

Doemwaarde vlucht terug, te niet te doen.

Laat ons, als een teruggetreden stroom,

Een wulpschen, regelloozen loop verzakend,

Weer duiken in de boorden, die we ontvloden,

En rustig vloeien in gehoorzaamheid

Naar de’ oceaan, naar onzen koning Jan.—

Mijn arm zal helpen, om u weg te dragen;

Ik lees de bitt’re doodspijn in uw oog.—

Dan nieuwe vlucht! Op, vrienden, heengesneld!

Dit nieuwe is goed, daar ’t oud, goed recht herstelt.

(Allen af; Melun wordt weggedragen.)

Vijfde Tooneel.

Aldaar. Het Fransche legerkamp.

Lodewijk komt op met een gevolg van Krijgslieden.

Lodewijk.

De zon des hemels, dunkt mij, zonk slechts dralend,

Maar toefde en deed den westerhemel blozen,

Toen Englands heer zijn eigen veld terugmat

In moeden aftocht. O, wat schoon besluit,

Toen wij, met laatst, maar nood’loos schutgevaarte,

Na ’t bloedig dagwerk goede nacht hun wenschten,

En eervol onze vanen samenrolden,

Het laatst in ’t veld en schier er meesters van!

(Een Bode komt op.)

Bode.

Waar is de prins dauphijn?

Lodewijk.

Waar is de prins dauphijn? Wat is er? Spreek.

Bode.

De graaf Melun is dood, en de Engelsche eed’len

Zijn op zijn raad van u weer afgevallen;

En de versterking, lang door u gewenscht,

Strandde op de Goodwin-zanden en verging.

Lodewijk.

O vloek’bre, booze tijding!—Vloek op u!

Zoo droeve nacht verwachtte ik niet, als mij

Uw nieuws daar brengt.—Wie zeide, dat de koning

Het veld ontvlood, een uur of twee aleer

De plompe nacht de moede legers scheidde?

Bode.

Wie ’t ook gezegd hebb’, het is waar, mijn vorst.

Lodewijk.

’t Zij zoo.—Van nacht de posten goed bezet!

De dag is wis zoo vroeg niet op als ik,

Om morgen ons geluk weer te beproeven.

(Allen af.)

Zesde Tooneel.

Een open vlakte bij de abdij van Swinstead.

De Bastaard en Hubert komen op, elkander ontmoetend.

Hubert.

Wie daar? spreek! ho! spreek daad’lijk, of ik schiet.

Bastaard.

Goed volk.—En wat zijt gij?

Hubert.

Goed volk.—En wat zijt gij? Ik ben voor England.

Bastaard.

Waar gaat gij heen?

Hubert.

Gaat u dat aan? kan ik niet even goed

U naar uw plannen vragen, als gij mij?

Bastaard.

Hubert, naar ik geloof?

Hubert.

Hubert, naar ik geloof? Een goed geloof.

Ik waag het dan en denk van u, dat gij

Een vriend zijt, daar gij aan mijn stem mij kent.

Maar wie zijt gij?

Bastaard.

’k Ben wien gij wilt, maar wilt gij

Mij een genoegen doen, zoo denk, dat ik

Wel eenig bloed heb der Plantagenets.

Hubert.

O lomp geheugen! gij en zwarte nacht

Doen mij beschaamd staan;—dapp’re held, vergeef,

Dat eenig woord, van uwe tong gevloeid,

Aan ’t scherp erkennen van mijn oor ontsnapte.

Bastaard.

Kom, kom; geen omhaal! zeg veeleer: wat nieuws? 16

Hubert.

En ìk loop in de duistre nacht hier rond,

Om u te zoeken!

Bastaard.

Om u te zoeken! Kort toch, wat is ’t nieuws?

Hubert.

O, beste heer, nieuws, voor de nacht recht passend,

Zwart, vreeslijk, zonder troost en afschuwwekkend.

Bastaard.

Toon mij de ontbloote wond van uw slecht nieuws;

Ik ben geen meisje, en val er niet van flauw.

Hubert.

De koning is vergiftigd door een monnik,—

Zoo vrees ik,—is schier spraakloos;—ik vloog heen

Om u bericht te doen, opdat gij beter

U voor den drang van ’t oogenblik kunt waap’nen,

Dan als u ’t onheil later werd gemeld.

Bastaard.

Hoe kreeg hij ’t in? wie heeft hem voorgeproefd?

Hubert.

Een monnik; wel een vastberaden schurk;

Hem barstte plotseling ’t ingewand. De koning,—

Hij spreekt nog, komt misschien het nog te boven.

Bastaard.

En wie bleef nu zijn majesteit verplegen?

Hubert.

Wat! weet gij ’t niet? de lords zijn weer terug;

Zij kwamen met prins Hendrik, op wiens bede

De koning hun vergiff’nis heeft geschonken;

Die zijn nu allen om zijn majesteit.

Bastaard.

Weerhoud, almachtig hemel, uwen toorn;

Beproef ons niet met al te zwaren last!

Hubert, mijn halve macht is deze nacht,

Op ’t strand hier, overvallen door den vloed,

En Lincoln’s wadden hebben hen verzwolgen;

Te nauwernood ben ik te paard ontsnapt.

Van hier, ga voor, geleid mij tot den koning;

Zeer vrees ik, dat hij dood is, eer ik kom.

(Beiden af.)

Zevende Tooneel.

De kloostertuin der abdij van Swinstead.

Prins Hendrik, Salisbury en Bigot komen op.

Prins Hendrik.

Het is te laat; het leven van zijn bloed

Is zwaar vergiftigd, en zijn helder brein,—

Het teeder huis, zoo meent men, van de ziel,—

Voorspelt reeds, door de wartaal, die het uit,

Het naad’rend einde zijner sterflijkheid.

(Pembroke komt op.)

Pembroke.

Zijn hoogheid spreekt nog, en gelooft als zeker,

Dat, als hij in de vrije lucht gebracht wordt,

Het brandend knagen van het scherp vergif,

Dat hem bestookt, gelenigd worden zal.

Prins Hendrik.

Zoo breng hem hierheen, in den kloostertuin.

(Bigot af.)

Is hij nog woest?

Pembroke.

Is hij nog woest? Hij is veel kalmer nu,

Dan toen gij hem verliet; hij zong daar zelfs.

Prins Hendrik.

O, waan der ziekte! laatste felle kwalen

Gevoelen, bij haar duur, zichzelf niet meer.

De dood, die op de buitendeelen teerde,

Verlaat die, wordt onzichtbaar en berent

De ziel en geest, die hij doorpriemt en wondt

Door dolle phantasieën bij legioenen,

Die, dringend om de laatste veste, elkaar

Vertrappen. Vreemd is ’t, dat de dood nog zingt!

Ik ben het zwaanjong van deez’ bleeken zwaan,

Die bij zijn eigen dood een klaaglied aanheft,

En zoo, uit zijner zwakheid orgelpijp,

Zijn lijf en ziel ter eeuw’ge ruste zingt.

Salisbury.

Houd goeden moed, prins; gij toch zijt geboren,

Om orde en vorm te brengen in den bajert,

Dien hij zoo ruw en vormloos achterliet.

(Bigot komt terug, gevolgd door Dienaars, die den Koning op een stoel binnendragen.)

Koning Jan.

Ja, nu heeft mijne ziel weer elboogruimte;

Zij wilde niet door deur of vensters uit!

Er is zoo heet een zomer in mijn borst,

Dat al wat in mij is tot stof verbrokkelt;

Ik ben een teek’ning, met de pen gekrabbeld

Op perkament, en schrompel bij dit vuur

Nu gansch ineen. 34

Prins Hendrik.

Nu gansch ineen. Hoe gaat het uwe hoogheid?

Koning Jan.

Vergiftigd, dood, verlaten, uitgestooten!

En niemand uwer roept den winter hier,

Dat hij zijn ijshand in de keel mij steek’;

En niemand laat mijns rijks rivieren stroomen

Door mijn verbrande borst, of doet het noorden

Met scherpen wind mijn dorre lippen kussen

En mij met koude laven! Weinig vraag ik,

Slechts kouden troost, en toch zijt gij zoo hard

En zoo ondankbaar, dat gij dien mij weigert.

Prins Hendrik.

O, was er in mijn tranen een’ge kracht,

Die u verkwikte!

Koning Jan.

Die u verkwikte! ’t Zilt er van verschroeit.

Er is in mij een hel, en het vergif

Is daar gelijk een duivel ingesperd,

Om ’t bloed, dat redd’loos is verdoemd, te foltren.

(De Bastaard komt op.)

Bastaard.

O, ik ben gloeiend van het ijlend jagen

En de’ ijver om uw majesteit te zien.

Koning Jan.

O neef, gij komt, om ’t oog mij toe te drukken;

De taak’ling van mijn hart is stuk, verbrand;

En al het want, waarmee mijn leven zeilde,

Is in één draad, in één dun haar verkeerd;

Met één arm koord slechts in mijn hart gestaagd,

Dat enkel houdt, zoolang ge uw tijding uit;

En dan is al, wat gij hier ziet, een stofklomp,

De vorm slechts van vernietigd koningschap.

Bastaard.

Ten marsch hierheen staat de dauphijn gereed;

En God weet, hoe wij hem ontvangen moeten;

De beste helft toch van mijn legermacht

Werd, toen ik opbrak met een goede kans,

Des nachts aan ’t lage strand op ’t onvoorzienst

Verzwolgen door den onverwachten vloed.

(De Koning sterft.)

Salisbury.

Uw doodsbericht klinkt in een oor, dat dood is.—

Mijn vorst!—Zoo even koning, en nu zóó.

Prins Hendrik.

Zoo moet ook mijn loop, zoo mijn stilstand zijn.

Wat is der aarde vastheid, troost, macht, lof?

Dit was zoo even koning, en nu stof!

Bastaard.

Gingt gij zoo heen? Ik blijf hier enkel achter,

Om u den plicht der wrake te volbrengen,

En dan dient mijne ziel u in den hemel,

Zooals zij steeds op aard u heeft gediend.—

Gij sterren, wentlend in uw rechten kring, 74

Waar hebt gij uwe macht? Toont thans uw echte,

Herstelde trouw en volgt mij fluks terug,

Om van de zwakke deur van ’t zwijmend rijk

Onheil en eeuw’ge schande weg te drijven.

Den vijand opgezocht, of hij zoekt ons!

Reeds woedt, ons op de hielen, de dauphijn.

Salisbury.

Gij weet, zoo schijnt het, niet zooveel als wij;

Daarbinnen is de kardinaal en rust;

Hij kwam voor nog geen uur van den dauphijn,

En brengt van hem een vredesaanbod over,

Dat eervol en geheel aanneem’lijk is,

Waarbij de krijg onmidd’lijk wordt gestaakt.

Bastaard.

Dit doet hij te eerder, als hij ziet, dat wij

Wèl toegerust zijn, om hem af te weren.

Salisbury.

Ja, en het is reeds min of meer begonnen;

Want vele wagens heeft hij naar de kust

Reeds heengezonden, en zijn zaak en twist

Den kardinaal ter reeg’ling toevertrouwd,

Met wien nu gij en ik en andre lords,

Als ’t u behaagt, nog dezen nadenmiddag

De zaak tot heuglijk einde willen brengen.

Bastaard.

Zoo zij het, goed!—En gij, mijn eed’le prins,

Met andre prinsen, die beschikbaar zijn,

Draagt zorg voor de begraaf’nis van uw vader.

Prins Hendrik.

Te Worcester wordt zijn lijk ter aard besteld;

Hij heeft het zoo beschikt.

Bastaard.

Hij heeft het zoo beschikt. Zoo voert het derwaarts.

En tot geluk aanvaarde uw waarde hoogheid

Het erfrecht en de glorie van dit land!

Met need’rige onderwerping, op mijn knieën,

Wijd ik mijn trouwe diensten hier u toe,

En onderdanigheid voor heel mijn leven.

Salisbury.

En wij betuigen u gelijke liefde,

Die eeuwig zonder vlekken blijven moog’.

Prins Hendrik.

Ik heb een vriendlijk hart, dat gaarne dankte,

Maar weet niet, hoe ik ’t zonder tranen doe.

Bastaard.

O wijd den tijd niet meer rouw, dan volstaat;

Hij eischte als voorschot reeds veel smart ons af.—

Nooit lag dìt England en het zal ook nimmer

Aan eens verwinnaars trotsche voeten liggen,

Tenzij het eerst zichzelf verwonden hielp.

Nu hier zijn vorsten zijn teruggekeerd,

Koom’ vrij de gansche wereld ons bespringen;

Wij trotsen haar. Niets brengt ons nood en rouw,

Blijft England slechts zichzelve steeds getrouw.

(Allen af.)

Aanteekeningen.

Van dit stuk is geen afzonderlijke uitgave bekend; het schijnt eerst in de verzameling van Sh.’s dramatische werken, de Folio-uitgave van 1623, verschenen te zijn. Het behoort onder de stukken, die Francis Meres in 1598 in zijn Palladis Tamia vermeldt. Men mag naar de kenmerken, die stijl en versbouw bieden, als zeker aannemen, dat het niet lang vóór 1596 geschreven is, en, met de andere koningstukken vergeleken, nà Hendrik VI en Richard III, maar vóór Richard II, Hendrik IV en Hendrik V.

Terwijl Sh. voor de andere genoemde historiespelen vooral de kroniek van Holinshed (waarover later) bezigde, ligt aan den Koning Jan een ander, uit twee deelen bestaand drama, van een ongenoemden schrijver, ten grondslag, dat in 1591 verscheen en blijkens de proloog, die van Marlowe’s Tamerlan gewag maakt, omstreeks 1590 gespeeld moet zijn. Doch al heeft Sh. aan dit stuk ook den gang der gebeurtenissen ontleend (echter nog met een menigte wijzigingen), hij heeft toch op zijn Koning Jan zoo zeer den stempel van zijn geest gedrukt, dat het als een geheel oorspronkelijk werk gelden mag. Aan het schrijven van den ouderen Koning Jan heeft Sh. ongetwijfeld niet het geringste deel gehad; het is zeker niet een arbeid zijner jeugd, al heeft ook een uitgever, die het stuk in 1611 nog eens uitgaf en dat van Sh. niet machtig kon worden, ter wille van het debiet op den titel gezet: „geschreven door W. Sh.”; ja, al noemt een derde druk, van 1622 (dus nà Sh.’s dood, maar vóór de uitgave zijner gezamenlijke drama’s in het licht gegeven), zijn naam voluit op den titel.

Men ziet uit het bovenstaande reeds, dat historiestukken in dien tijd gewild waren; daaraan hebben wij inderdaad die van Shakespeare te danken1. Evenzoo zag men, met name in den tijd van het tweede keizerrijk op de Parijsche volkstheaters in de voorsteden niet zelden het leven van Napoleon voorgesteld in zeer eigenaardige stukken, half drama’s, half tableaux vivants. Een hoofdzaak was, dat er veel in getrommeld en geschoten werd en dat de groote armee overwon; het volk was tevreden, als het zijn grooten keizer met zijn staf van beroemde veldheeren en met zijn dappere soldaten in hun bekende uniformen weder voor zich zag, den keizer nogmaals bij Marengo en Austerlitz zag zegevieren; het was geroerd, als het hem bij Fontainebleau nogmaals den adelaar zijner garde zag omhelzen. Of bij dit alles de historische waarheid streng in acht werd genomen, deed minder ter zake.

Op gelijke wijze gaven in het laatste gedeelte der zestiende eeuw de Londensche schouwburgen reeksen van tooneelen te aanschouwen uit de Engelsche geschiedenis, vooral uit de oorlogen met Frankrijk, waarbij dan steeds de dapperheid der Engelschen boven die der Franschen moest uitkomen. De voornaamste personen: Talbot, Heetspoor, Warwick, Hendrik V, Richard III, enz., hoezeer aan het publiek langzamerhand zeer bekend, werden telkens met genoegen op nieuw gezien en de samensteller dezer stukken kon zich gerust allerlei gewaagde sprongen en weglatingen veroorloven, de toeschouwers waren met het onderwerp genoeg vertrouwd, om hem te volgen; het kwam er vooral op aan, de zwaarden en schilden goed te laten kletteren en de hoogdravende taal der koningen en grooten met boertige tooneeltjes af te wisselen, opdat de toeschouwers van allerlei aard, ieder op zijn wijze, konden genieten. Bij den aanvang van Sh.’s loopbaan was er naar zulke stukken veel vraag en ook Sh. leverde, wat verlangd werd; hij dramatiseerde de Engelsche geschiedenis en schikte zich naar de behandelingswijze zijner voorgangers, evenals de groote Italiaansche meesters de kerkelijke legenden schilderden in den trant, die gewenscht werd. Maar gelijk deze door de hoogte hunner kunst verre stonden boven handwerkslieden, die dezelfde onderwerpen penseelden, staat Sh., als dramatisch genie van den eersten rang, hoog boven al zijn voorgangers en tijdgenooten, door het leven, waarmede hij zijn personen weet te bezielen, door zijn kunst, om de gebeurtenissen uit het karakter der menschen te doen voortvloeien, door de levendigheid en natuurlijkheid zijner vroolijke tooneelen. Men zie eens, hoe de Bastaard in den loop van dit stuk uit een wakkere, stoute borst zich tot een patriot en held ontwikkelt. Toch dragen deze stukken, met name de eerst geschrevene, duidelijke sporen van hun oorsprong uit de genoemde volksdrama’s; de hoogdravendheid, die wij hier en daar opmerken, de soms zorgelooze samenstelling, de stoutheid, waarmede gebeurtenissen in korte trekken worden saamgevat, de breede, veel plaats innemende uitwerking van enkele episoden, met name van comische tafereelen, dit alles wijst hierop terug. Men kan dan ook deze stukken geen eigenlijke drama’s noemen, waaraan een eenheid van handeling ten grondslag moet liggen; zij zijn veeleer een aaneenschakeling van dramatische tooneelen, die meermalen schier alleen daardoor samenhangen, dat dezelfde personen er in optreden; soms is een enkel bedrijf of tooneel een geheel op zichzelf, dan weder behoeft de dichter meer dan één stuk om den oorsprong, voortgang en afloop eener handeling of gebeurtenis te verzinnelijken.

Van zelve komt de vraag in ons op, in hoeverre de voorstelling, die Sh. van de personen en gebeurtenissen geeft, met de historische waarheid overeenkomstig is. Ik meen deze vraag, die zich onwillekeurig aan iederen lezer opdringt, hier bij dit eerste koningsstuk niet beter te kunnen beantwoorden, dan met de getuigenis, door een beroemd geschiedschrijver, Ranke, hieromtrent afgelegd2. Sh. bracht, zooals toen volstrekt niet ongewoon was, een reeks van personen uit de Engelsche geschiedenis ten tooneele. Met den lof, hem zoo mild toegezwaaid, dat hij ze met historische trouw heeft teruggegeven, kan men moeilijk instemmen. Of wie zou willen beweren, dat zijn Koning Jan en Hendrik VIII, zijn Gloucester en Winchester, of wel zijn Pucelle gelijken op de origineelen, wier naam zij dragen? De schrijver behandelt de groote vragen, waarom het te doen is; terwijl hij de kroniek zoo na mogelijk op den voet volgt en haar karakteristieke trekken opneemt, deelt hij toch aan de personen een rol toe, die aan zijn bijzondere opvatting beantwoordt; hij verleent aan de handeling levendigheid door beweeggronden, die de geschiedenis niet zou vinden en niet zou mogen aannemen; de karakters, die volgens de berichten en waarschijnlijk ook in de werkelijkheid nevens elkander stonden, treden bij hem uit elkander en hebben ieder hun eigen en eigenaardige wijze van zijn; eenvoudige omstandigheden, die anders slechts in het bijzonder leven van invloed zijn, doorkruisen de politieke handeling en werken daardoor poëtisch met verdubbelde kracht. Maar indien alzoo in bijzonderheden afwijkingen van de werkelijkheid zich voordoen, zoo getuigt toch de keus der gebeurtenissen, die ten tooneele worden gebracht, van een innig gevoel voor het historisch groote. Hij kiest bijna altijd toestanden en verwikkelingen van de grootste beteekenis: het ingrijpen der geestelijke macht in de burgertwisten, in Koning Jan; den plotselingen val van een welgevestigd koningschap, wanneer dit eenmaal de strenge lijn van het recht verlaat, in Richard II; den tegenstand, door een met geweld ten troon gestegen vorst van de vazallen, die hem ten troon hebben verheven, ondervonden, welke hem door onophoudelijke zorg en inspanning den dood bereidt, in Hendrik IV; het geluk van een voorspoedigen uitlandschen tocht, dien wij van de eerste vastberaden voorbereiding volgen tot den gevaarlijken strijd en de bevochten zege, en dan weer den ongelukkigen toestand, waarin een door de natuur niet tot regent gevormde vorst tusschen de naijverige en gewelddadige partijen geraakt, tot het zoo ver komt, dat hij den herder benijdt, die bij zijn kudde rustige dagen doorleeft, in Hendrik V en VI; eindelijk de weg der schrikverwekkende misdaad, dien de voor den troon niet bestemde koningszoon betreedt, om dezen toch te bestijgen; alles groote tafereelen in de geschiedenis der staten, niet alleen voor Engeland van beteekenis, maar symbolisch voor alle volken en hun vorsten. De vragen, in het parlement aanhangig, of die van godsdienstigen aard, roert de dichter slechts zeer zelden aan; en het mag wel opgemerkt worden, dat hij in Koning Jan de groote belangen, die tot de Magna Charta voerden, zoo goed als in het geheel niet vermeldt; daarentegen leeft hij en beweegt hij zich in de persoonlijke twisten van den ouden vazallenstaat, de wederkeerige rechten en plichten daarin. Een woord als dit: „zoo gij koning zijt, ben ik Bolingbroke” (in Richard II) onthult ons geheel het rechtsgevoel der middeleeuwen. De rede, die hij den bisschop van Carlisle (mede in Richard II) in den mond legt, is voor alle tijden geldig. De koningskroon, die de hoogste onafhankelijkheid verzekert, schijnt den dichter de wenschelijkste van alle bezittingen; maar het eerrijke goud verteert hem, die het draagt, door de onrustige zorg, die het met zich brengt.”

Met welk een vrijheid de dichter te werk gaat, kan zeer wel uit den „Koning Jan” blijken. Niet alleen, dat hij vuurwapenen laat gebruiken in een tijd, dat zij nog niet uitgevonden waren, en Richard Leeuwenhart door den Hertog van Oostenrijk bij Limoges laat vallen, ook in belangrijker opzichten is zijn voorstelling niet met de geschiedenis in overeenstemming. Koning Jan en zijn grooten waren nog Fransche Normandiërs, die in Engeland heerschten; de oudere Plantagenets beschouwden hun groote leengoederen op het vasteland, waardoor zij vazallen aan Frankrijk waren, maar een macht bezaten, grooter dan die van hun leenheer, als hun eigenlijk vaderland; Engeland werd toen inderdaad door Fransche koningen geregeerd; zijn belangen waren geheel in strijd met die van zijn beheerders en het is voor Engeland een geluk geweest, dat zijn zevende Fransche vorst, Koning Jan, een nietige lafaard was, die zich uit Normandië liet verdrijven. Eerst toen zijn Normandische edelen hadden moeten kiezen tusschen het vasteland en het eiland, en door de zee op het laatste waren opgesloten, begonnen de veroveraars en overwonnenen, die onder de heerschappij van een slechten tyrannieken vorst, Koning Jan, dezelfde belangen te verdedigen hadden, elkander in vriendschap te naderen en het aan Jan afgedwongen Groot Charter was het eerste blijk hunner vereeniging, uit welke het Engelsche volk geboren werd.—Toen deze eerste stap gedaan was, werd in minder dan een eeuw de samenstelling voltooid; en het onderscheid tusschen Saksers en Noormannen, bij het aanvaarden der regeering door Jan nog zoo duidelijk zichtbaar, was tegen het einde van de regeering zijns kleinzoons nagenoeg uitgewischt. Toen Eduard III en na hem Hendrik V ter verovering van Frankrijk uittogen, werd het een strijd van Engelschen tegen Franschen en de overwinningen maakten een deel van Frankrijk tijdelijk tot een Engelsch wingewest, de overwinnaars werden bij hun thuiskomst door het Engelsche volk met geestdrift begroet.

Heeft Sh. hier alzoo de samensmelting der volksstammen te vroeg als voldongen voorgesteld, heeft hij verder den valschen, laffen, wreeden, steeds wankelenden koning Jan eigenlijk nog te gunstig geteekend, toch is in dit stuk veel meer waarheid, dan men na het gezegde vermoeden zou. Toen koning Richard gevallen was, stonden de zaken inderdaad zoo, als hij ze schildert. Jan matigde zich, op een uitersten wil van Richard Leeuwenhart steunende, de kroon aan; zijn moeder Eleonore, een eergierige en schrandere vrouw, trok mede te velde en verdedigde de Fransche provinciën bij afwezigheid van haar zoon; de bekwame Philips August wierp zich ter bescherming van Arthur op, onderhandelde persoonlijk met Jan en de vrede werd bezegeld door het huwelijk van den Dauphijn met Blanca van Castilië, nicht van Koning Jan; de kerk mengde zich inderdaad herhaaldelijk in de twisten; Koning Jan brandschatte de geestelijkheid, verzette zich tegen de benoeming van Stephen Langton tot aartsbisschop van Canterbury; door Innocentius III werd het interdict over Engeland en kort daarna de banvloek over den koning uitgesproken; adel en geestelijkheid vielen van den koning af; het volk was gedrukt en angstig; Jan vernederde zich voor den Paus en leide de kroon neder, om leenman van den Paus te worden en haar uit handen van Archidiaconus (niet Kardinaal) Pandulphus terug te ontvangen. Diens verbod vermocht evenwel niet, den oorlog tusschen Frankrijk en Engeland te doen staken, die voor Engeland een ongunstigen keer nam; hierbij kwam een opstand van den adel, die met de onderteekening van het groot Charter eindigde, maar door de trouweloosheid van Jan op nieuw ontbrandde en er toe leidde, dat de Dauphijn, door den adel geroepen, als kroonpretendent in Engeland landde en er zich twee jaren staande hield, den pauselijken ban trotseerend. Dat hij van plan was de Engelsche edelen met ondank te beloonen, en dat de graaf van Melun dit in zijn sterfuur zou geopenbaard hebben, is aan de kronieken ontleend, maar niet zeker. Dat koning Jan door een monnik der abdij van Swinstead vergiftigd zou zijn, is een gerucht, dat reeds vroeg ontstaan is; maar inderdaad stierf hij aan het onmatig gebruik van perziken en cider, toen hij ziek en koortsig was. Prins Hendrik was toen nog zeer jong.

De bastaard Philip Faulconbridge (Richard Plantagenet) is een verdicht persoon, maar wèl wordt in den strijd, waardoor onder de regeering van Hendrik III de Dauphijn uit Engeland verdreven werd, een bastaard van koning Jan, Richard geheeten, als dapper strijder en gelukkig aanvoerder genoemd; misschien heeft de volksoverlevering dezen in een bastaard van Leeuwenhart veranderd. De bastaarden speelden meermalen een groote rol; de in dit stuk voorkomende graaf van Salisbury, William Longsword, is mede een bastaard, namelijk van Hendrik II en de schoone Rosamunde.

Hubert de Burgh is in de geschiedenis bekend als trouw aanhanger des Konings, die zich zoowel op het vasteland als in Engeland door zijn dapperheid onderscheidde, vooral door zijn gelukkige verdediging van Dover tegen den Dauphijn. Toen in het jaar 1202 Arthur van Bretagne,—die niet zoo jong was als hij in dit stuk voorkomt,—aan Jan in handen viel, werd hij ter bewaking toevertrouwd aan Hubert de Burgh, toen bevelhebber van het slot Falaise in Normandië. Toen de koning zijn beulen naar Falaise zond, om Arthur de oogen uit te steken, verspreidde Hubert, om hem te redden, het gerucht, dat Arthur gestorven was, doch herriep dit weldra, toen Bretagne bij het hooren hiervan in opstand kwam. De koning gaf Arthur toen aan een ander toezicht over en liet hem naar Rouaan voeren, waar hij in het jaar 1203 op raadselachtige wijze verdween, naar sommigen willen, door koning Jan met eigen hand vermoord.


I. 1. 1. Frankrijk. Frankrijk beteekent den Koning van Frankrijk, op gemeenzame wijze door Koning Jan zoo genoemd; de gezant daarentegen drukt in zijn antwoord op de koninklijke waardigheid.

I. 1. 9. Arthur Plantagenet. Koning Hendrik II was gehuwd met Eleonore, gescheiden gemalin van koning Lodewijk VII van Frankrijk. De kinderen waren: 1. Hendrik († 1183); 2. Koning Richard Leeuwenhart († 1199); 3. Godfried van Bretagne, gehuwd met Constance, die één zoon naliet, Arthur; 4. Koning Jan, wiens zoon Hendrik III werd; 5. Eleonore, gehuwd met Alfonso van Castilië, uit welken echt Blanca gesproten is.

I. 1. 40. Ons is de macht van het bezit, en ’t recht. Dat hij het recht op zijn zijde heeft, wil Koning Jan anderen, en misschien zichzelf diets maken; zijn moeder weet het beter en komt er voor uit.

I. 1. 92. Dat hij een half-gezicht heeft. De Bastaard neemt voor zijn broeder het woord en beantwoordt den koning. Hij vergelijkt het schrale, smalle gezicht van zijn broeder—diens halfgezicht—met het koningsbeeld op een zilveren munt, dat en profil, dus half, werd voorgesteld. Op oudere munten stond het koningsgelaat en face, dus geheel; het voorstellen en profil is later opgekomen. Grooten (1 Groot = 4 stuivers of pence) met het koningsbeeld en profil, half-faced groats, kwamen eigenlijk eerst onder Hendrik VII in Engeland voor.

I. 1. 145. Kijk eens, een tweeblanken-stuk. Look, where three-farthings goes. Zeer dunne zilveren munten, met het beeld van koningin Elisabeth en profil met een roos achter aan het hoofd; vandaar heette het muntstuk, waarmede de bastaard het smalle gezicht van zijn broeder vergelijkt, een three-farthings-rose. (Een farthing = ¼ penny.)

I. 1. 184. Elk Grietje, iedere boerendeern.—Eenige regels later wordt van tandenstokers gewaagd; deze waren in Sh.’s tijd een nieuwe mode, van het vasteland overgekomen; aan het gebruik er van herkende men den man van de wereld, die gereisd had en met uitheemsche manieren thuis gekomen was; zij werden zelfs als sieraad zichtbaar gedragen.

I. 1. 218. Heeft zij geen man enz. De rijdende boden hadden steeds een posthoorn bij zich, om hun komst aan te kondigen. Tevens bevat deze regel een variatie op het thema, dat voor de dichters der periode van koningin Elisabeth een onuitputtelijke bron van geestigheden was.

I. 1. 225. De Philistijnsche reus, de sterke man. Sh. noemt hier den Deenschen reus Colbrand, die door balladen aan het volk even zoo goed bekend was als wijlen Goliath aan ons is. Vondel zou gesproken hebben van den Sparrewouwer reus.

I. 1. 231. Philip! noem een musch zoo. Gurney, met de naamsverandering van den Bastaard nog onbekend, noemt hem met zijn ouden naam. Philip, Phip werd meermalen gebezigd, om de tjilpende musschen aan te duiden.

I. 1. 244. Knaap?—Ridder, ridder; goede moeder, ja. Het woord knaap, in het Engelsch knave, beteekent zoowel een dienaar van een ridder, als schelm. In het Engelsch zegt de Bastaard: „Ridder, ridder, goede moeder, evengoed als Basilisco.” Basilisco is een vechtersbaas, een pochhans, uit het in Sh.’s tijd aan ieder bekende tooneelstuk „Soliman en Perseda”, die zich „ridder” noemt, maar door den hansworst (clown) van het stuk met den naam van knave (knaap, schelm) bestempeld wordt. Deze toespeling, die hedendaagsche lezers onverschillig laat, is natuurlijk weggelaten.

I. 1. 266. Zelfs de onverschrokken leeuw niet kampen kon. Naar het volksverhaal had Richard Leeuwenhart een leeuw bestreden, hem het hart uit het lijf gerukt en zijn vel als mantel gedragen. Een ballade hield dit verhaal bij het volk levendig.

II. 1. 2. Voorzaat. Niet letterlijk op te vatten; Richard was de broeder van Arthurs vader.—Richard viel niet, zooals reg. 5 zegt, door den hertog (toen nog niet aartshertog) van Oostenrijk, maar bij de belegering van Chaluz, in den strijd tegen den Vicomte van Limoges. Dat hier, als in het ouder stuk van Koning Jan, de Hertog van Oostenrijk in de plaats treedt van den Vicomte van Limoges, levert een goeden grond op voor den wrok van den Bastaard tegen den Hertog, die het leeuwenvel, zijn buit bij het dooden van Richard, als mantel, draagt.

II. 1. 134. Hoort den roeper daar; den roeper, die bij openbare terechtzittingen stilte gebiedt.

II. 1. 288. Sint George, de schutspatroon van Engeland, prijkte zeer dikwijls op de uithangschilden van herbergen.

II. 1. 378. Doet als de muiters in Jeruzalem. De Joden waren in het door Titus belegerde Jeruzalem in drie partijen verdeeld, maar vereenigden zich tot een gemeenschappelijken uitval tegen de belegeraars.

II. 1. 503. In harer oogen schoone lijst gevat. In het Engelsch spreekt de dauphijn van zijn beeld, dat hij in het oog van Blanca teruggespiegeld, als het ware geteekend, drawn, ziet; hierop volgt een woordspeling van den bastaard met een andere beteekenis van drawn, „voortgesleurd”.

II. 1. 573. Scheef overwicht der wereld, the bias of the world, de verzwaring van een kogel buiten het middelpunt, zoodat hij, voortgeworpen of gerold, een scheeve richting krijgt; de wereld wordt met zulk een rollenden kogel vergeleken.

II. 1. 590. Als hij zijn eng’len me in de hand wil drukken. Gouden engelen, van tien shillings waarde, zijn bedoeld. In het oorspronkelijke staat: „wanneer zijn schoone engelen mijn handpalm willen begroeten”. Zulke engelen zijn ook bedoeld III. 3. 8.

III. 1. 1. Gaan huwen? De graaf van Salisbury, tot wien Constance spreekt, is blijkbaar de bode, door Koning Jan afgezonden, om haar uit te noodigen, zie II. 1. 554.

III. 1. 69. Want leed is trotsch, het buigt, die ’t heeft, ter aard. Het, als persoon gedachte, leed is overmoedig en onderwerpt aan zich hen, die het bezitten, het drukt die ter aarde, zoodat zij aan geen andere bevelen gehoor geven. Deze plaats is misschien bedorven; velen lezen met Hanmer stout voor stoop.

III. 1. 102. Ten strijd gerust enz. Het oorspronkelijke zegt: Gij kwaamt gewapend (in arms), om het bloed mijner vijanden te vergieten, maar nu versterkt gij het, arm in arm (in arms), of elkaar omarmend, met het uwe.

III. 1. 129. En hang een kalfsvel om die vuige leden. Een kalfsvel liet men in Sh.’s tijd vaak door narren dragen.

III. 1. 270. Want dat, wat gij bezweert, verkeerd te doen, Is niet verkeerd meer, als gij ’t goed verricht.Goed verricht, overeenkomstig uw plicht, dus op tegengestelde wijs, dus in het geheel niet verricht. De geheele redeneering van den pauselijken legaat kan een proefje gerekend worden van geslepen casuistiek.

III. 1. 323. Paai Tijd de klokkeman. De Tijd is, volgens den Bastaard, een oude koster, en daarom is het zijn taak het uurwerk te regelen en de klok te luiden.

III. 2. 4. Terwijl de bastaard adem schept. In het oorspronkelijke wijst de bastaard zichzelf aan met zijn ouden naam Philip, gelijk ook in den volgenden regel Koning Jan hem er mee aanspreekt.

III. 3. 12. Klok, boek en kaarsen drijven mij niet weg; de banvloek der kerk zal mij niet afschrikken. Bij een banvloek werden de klokken geluid, werd de bijbel opgeheven en werden drie brandende kaarsen uitgebluscht.

III. 4. 2. Een gansche armada. Blijkbaar een toespeling van Sh. op de onoverwinlijke vloot van 1588.

IV. 2. 42. Zoodra mijn zorgen minder zijn. Koning Jan meent: zoodra ik minder bezorgd ben voor Arthurs aanspraken op den troon. Koning Jan heeft zich werkelijk tweemaal laten kronen, om allen twijfel aan de rechtmatigheid van zijn koningschap te doen ophouden. De kroning was, naar de beschouwingswijze der middeleeuwen, meer dan een vorm; eerst door haar werd zelfs hij, die de rechtmatigste aanspraak op den troon had, werkelijk koning.

IV. 3. 11. Ik zal hem bij Sint Edmund’s Bury treffen. Salisbury meent den Dauphijn, die door graaf Melun en den legaat Pandulf onderhandelingen had aangeknoopt met de onvergenoegde lords.

IV. 3. 123. Geen geest der hel zal zoo afzichtlijk zijn. De verdoemden waren afzichtelijker, naarmate hun schuld grooter was.

V. 2. 93. Naar de eere van mijn huwlijksbed; als gemaal van Blanca van Castilië, wier moeder een zuster was van koning Jan.

V. 2. 144. Als uw landskraai kraaien ging: Even at the crying of your nations crow. De Bastaard spreekt, spelend met het woord crow, dat kraai en gekraai beteekent, verachtelijk van den Gallischen haan.—Een oogenblik later, als hij reg. 152 de oproerige lords Nero’s noemt, denkt hij bepaald aan Nero als moeder-moorder.

V. 2. 176. Op zijn voorhoofd zetelt Het hongrig rif des doods. De dood wordt als het helmteeken van Koning Jan gedacht.

V. 3. 11. Goodwin’s zanden. Deze zandbanken aan de monding van de Theems zijn ook in den Koopman van Venetië, III. 1. 4. vermeld.

V. 7. 53. Al het want, waarmee mijn leven zeilde. Het want is het touwwerk ter zijde en achter den mast, de stag het touw, dat van den boeg naar den mast loopt en dezen tegen het achterovervallen steunt.

V. 7. 97. Andre prinsen, die beschikbaar zijn, die het best ontbeerd of gemist kunnen worden bij de onderhandelingen met den Dauphijn, zouden het lijk naar Worcester (tweelettergrepig: Wôrster, met zeer zachte r) brengen.


1 De ophelderingen, die voor het volledig verstaan van Sh.’s werken vaak noodig zijn, komen in zoovele uitgaven en dikwijls zoo gelijkluidend voor, dat het niet noodig, niet zelden ondoenlijk is, den eigenlijken auteur der aanteekeningen aan te halen; iets nieuws ter opheldering is moeilijk en meestal niet noodig te leveren. Daarom zij hier eens voor goed gezegd, dat vooral de uitgaven van Knight en Delius door mij geraadpleegd en gebezigd zijn, alsmede (zooals hier Gildemeisters inleiding op Koning Jan) de inleidingen en aanteekeningen der Hoogduitsche vertaling, onder toezicht van Bodenstedt bij Brockhaus te Leipzig uitgegeven. Dat er ook meermalen oorspronkelijke aanteekeningen bij zijn, zou bij onderzoek blijken.—De aanteekeningen zijn uitsluitend van ophelderenden of critischen aard en laten zich niet met aesthetische beschouwingen in. 

2 Englische Geschichte, vierte Auflage, IIde Deel, Blz. 96.