TWEEDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Een vertrek in het paleis.
Koning Edward wordt krank binnengeleid, Koningin Elizabeth, Dorset, Rivers, Hastings, Buckingham, Grey en anderen komen op.
Koning Edward.
Nu,—’k heb een schoone dagtaak afgedaan.—
Gij, pairs, houdt vast aan de eendracht, nu gesticht;
Ik wacht van dag tot dag van mijn Verlosser
Een afgezant, die mij van hier verlost;
En meer in vrede stijgt mijn ziel ten hemel,
Nu ik mijn vrienden vrede schonk op aard.
Rivers en Hastings, reikt elkaâr de hand.[228]
Voedt geen geheimen haat, bezweert uw vriendschap.
Rivers.
Ik zweer, mijn ziel is rein van haat en wrok;
Mijns harten vriendschap zegelt deze hand.
Hastings.
Mij zeeg’ne God, zoo waar ik ’tzelfde zweer!
Koning Edward.
Ziet toe, dat gij geen spel drijft voor uw vorst,
Opdat niet aller vorsten Opperheer
Uw valschheid, hoe verkapt, te schande maak’,
En elk van u ’t verderf doe zijn des and’ren.
Hastings.
Zoo bloei’ mijn huis, zoo waar ik vriendschap zweer! 16
Rivers.
En ’t mijn’, zoo waar mij Hastings dierbaar is!
Koning Edward.
Ook gij, vorstin, zijt hier niet uitgezonderd,—
Nòch gij, zoon Dorset;—Buckingham, nòch gij;—
Gij waart in tweedracht met elkaâr; reik, vrouw,
Lord Hastings, als uw vriend, de hand ten kus;
En wat gij doet, zij ongeveinsd gedaan.
Koningin Elizabeth.
Hier, Hastings;—onzen vroeg’ren haat begraaf ik;
Zoo waar ga ’t mij en al den mijnen wel!
Koning Edward.
Dorset, omarm hem;—Hastings, heb hem lief.
Dorset.
Ik zweer, dat deze vriendschapsruiling steeds
Van mijnen kant onschendbaar wezen zal.
Hastings.
Dit zweer ook ik, mylord.
(Omarming.)
Koning Edward.
Bezegel, eed’le Buckingham, den vrede;
Omarm de bloedverwanten mijner vrouw;
En schenkt mij door uw eendracht blij geluk!
Buckingham
(tot de Koningin). Zoo Buckingham ooit tegen uwe hoogheid
Zijn wrevel keert en niet voor u en de uwen
Oprechte liefde voedt, dan straff’ mij God
Door haat bij hen, wier liefde ik meest verwachtte!
Wanneer ik meest de hulp eens vriends behoef,
En mij het zekerst waan van zijne trouw,
Dan moog’ hij valsch, vol list, bedrog, verraad,
Mijn onheil zijn! Dit smeek ik van den Hemel,
Verkilt mijn hart voor u of de uwen ooit!
Koning Edward.
De zoetste laaf’nis, eed’le Buckingham, 41
Is die gelofte voor mijn lijdend hart.
Slechts onzen broeder Gloster mis ik nog
Om op dit vreêverbond de kroon te zetten.
Buckingham.
En, als geroepen, komt daar de eed’le hertog.
(Gloster komt op.)
Gloster.
’k Wensch ’t hooge vorstenpaar een goeden morgen,
En, eed’le pairs, u allen alle heil!
Koning Edward.
Ja, wel tot heil werd deze dag besteed.—
Wij deden, Gloster, hier een christ’lijk werk;
Wij schiepen vrede uit krijg en liefde uit haat
Bij deze felle, boos ontvlamde pairs.
Gloster.
Een rijk gezegend werk, verheven vorst.—
Zoo een uit deze hooge schare mij
Door valsch gerucht of ongegronden argwaan
Zijn vijand acht;
Zoo ik onwetend of in woeste drift
Iets heb begaan, dat krenkend wezen mocht
Voor één uit dezen kring, dan wensch ik mij
Tot vrede en vriendschap met hem te verzoenen;
In vijandschap te leven is mij dood;
Ik haat het, wensch mij aller braven liefde.
Eerst, hooge vrouwe, smeek ik u om vrede,
’k Wil dien mij koopen door mijn trouwen dienst;
Dan u, mijn eed’len neef van Buckingham,
Zoo tusschen ons ooit een’ge veete woonde;
Dan u, en u, lord Rivers en lord Dorset,
Die elk mij toornig aanzaagt zonder grond;
[En u, lord Woodville, en, lord Scales, ook u;]
Hertogen, graven, lords,—kortom, u allen.
Geen Engelschman, die leeft, is mij bekend,
Met wien mijn ziel een haartje meer verschil heeft,
Dan ’t wicht, dat deze nacht geboren werd;
En ’k zeg voor mijnen ootmoed Gode dank.
Koningin Elizabeth.
Voortaan zij deze dag een heil’ge feestdag;—
Gaav’ God, dat ied’re twist ten einde waar’!—
Mijn heer en vorst, thans smeek ik van uw hoogheid:
Schenk onzen broeder Clarence weer uw gunst!
Gloster.
Wat, hooge vrouw, bood ik u daartoe vriendschap,[229]
Om zoo voor ’s konings troon bespot te worden?
Wie weet dan niet, dat de eed’le hertog dood is?
(Allen deinzen terug.)
Het is hem onrecht doen, zijn lijk te hoonen.
Koning Edward.
Wie weet niet, dat hij dood is! Spreek, wie weet het?
Koningin Elizabeth.
Alziende God, wat wereld is dit hier!
Buckingham.
Zie ik zoo bleek, lord Dorset, als die and’ren?
Dorset.
Ja, beste lord; geen mensch in dezen kring,
Of alle rood is zijn gelaat ontweken.
Koning Edward.
Is Clarence dood? herroepen werd de last. 86
Gloster.
Doch de arme stierf door uwen eersten last;
En dien bracht een gevleugelde Mercurius;
Een trage kreup’le bracht den tegenlast
En kwam te laat, om voor zijn graf te zorgen.
God geev’, dat menigeen, min trouw en edel,
Door ’t bloed niet, maar door lust naar bloed u nader,
Niet erger lot verdien’ dan de arme Clarence,
Al loopt hij thans nog van verdenking vrij!
(Stanley komt op.)
Stanley.
Mijn vorst, een gunst, als dank voor mijne diensten!
Koning Edward.
O, ’k bid u, zwijg; vol kommer is mijn ziel.
Stanley.
Ik rijs niet op, aleer mijn vorst mij hoort.
Koning Edward.
Zoo zeg in ’t kort, wat uw verlangen is.
Stanley.
’t Verbeurde leven van mijn dienaar, heer;
Hij sloeg vandaag een woesten jonker dood,
Voormaals een edelknaap van hertog Norfolk.
Koning Edward.
Heb ik een tong, die mijnen broeder doodt,
En moet die tong een knecht het leven schenken?
Mijn broeder deed geen doodslag; in gedachte
Bestond zijn schuld; toch leed hij bitt’ren dood.
Wie bad voor hem? wie knielde voor mijn toorn
En smeekte, dat ik wikken zou en wegen?
Wie sprak van broederzin? wie sprak van liefde?
Wie wees er op, hoe de arme de’ afval waagde
Van grooten Warwick, om voor mij te strijden?
Wie wees er op, dat hij bij Tewksbury,
Toen Oxford mij reeds onder had, mij redde,
En riep: „Leef, dierb’re broeder, wees gij koning!”
Wie wees er op, hoe, toen wij, saam op ’t veld
Gelegerd, schier bevroren, hij mij hulde
In zijne kleed’ren, en ontkleed, ja naakt,
Zich bloot gaf aan de bitterkoude nacht?
Dit alles reet een zondig, dierlijk wrokken
Mij uit de ziel, en niemand uwer was
Zoo christ’lijk, dat hij ’t mij te binnenbracht.
Doch als uw voerliên of uw dienstvazallen
Een dronken moord begaan en ’t kost’lijk beeld
Des lieven Heilands schenden, daad’lijk ligt
Gij op de knieën om genâ, genade!
En ik moet, schoon het onrecht zij, die schenken.
Doch voor mijn broeder wilde niemand spreken.
En ik, ook ik, was hard, sprak hem niet voor,
Hem, de arme ziel!—Elk uwer, ook de fierste,
Had veel aan hem te danken bij zijn leven;
Doch geen, geen uwer pleitte ooit voor zijn leven;—
O God! ik vrees, uw oordeel zal ’t verhalen
Op mij, op u, op de uwen, op de mijnen! 132
Kom, Hastings, leid mij naar mijn slaapvertrek.
Ach, arme Clarence!
(Allen af, behalve Gloster, Buckingham en Stanley.)
Gloster.
Ziedaar de vrucht van woeste haast!—Gij zaagt wel
Hoe, wis door schuld, der koningin verwanten
Verbleekten bij ’t bericht, dat Clarence stierf?
O, daag’lijks hitsen zij den koning op!
God zal het wreken. Komt, mylords, wie volgt mij,
Om door ons bijzijn Edward troost te bieden?
Buckingham.
Wij staan ten dienste, uw hoogheid.
(Allen af.)
TWEEDE TOONEEL.
Londen. Een ander vertrek in het paleis.
De hertogin van York komt op, met een Zoon en een Dochter van den hertog van Clarence.
Zoon.
Grootmoeder, zeg, is onze vader dood?
Hertogin.
Neen, kind.
[230]
Dochter.
Wat weent gij dan zoo vaak en slaat uw borst,
En roept:—„O Clarence, mijn rampzaal’ge zoon!”
Zoon.
En waarom ziet ge ons aan en schudt het hoofd,
En noemt ons arme bloeden en verstoot’nen
En weezen, zoo onze eed’le vader leeft?
Hertogin.
Dit is verkeerd begrepen, lieve kind’ren;
Ik ween om ’s konings ziekte, ik ben beangst
Voor zijn verlies, niet om uws vaders dood.
Verloren klacht waar’ smart om een verloor’ne!
Zoon.
Gij denkt dan toch, grootmoeder, dat hij dood is?
Mijn oom, de koning, is er schuldig aan;
En God zal ’t wreken! Hem wil ik bestormen
Met bede op bede, en alle tot dit doel.
Dochter.
Dit wil ik ook.
Hertogin.
Stil, kind’ren, stil! de koning heeft u lief;
Onnooz’le schaapjes, neen, gij kunt niet gissen,
Wie de oorzaak van uws vaders sterven is.
Zoon.
Toch wel; mijn goede oom Gloster zeide mij:
De koning, door de koningin gedreven,
Verzon een aanklacht om hem in te kerk’ren;
En toen hij ’t mij vertelde, weende oom Gloster,
Beklaagde mij en kuste teêr mijn wang;
’k Moest hem vertrouwen, sprak hij, als mijn vader;
’k Zou hem zoo lief zijn als zijn eigen kind.
Hertogin.
Ach, dat bedrog zoo zachte trekken steelt,
En diepe boosheid dekt met deugdzaam mom!
Hij is mijn zoon, ja, en mijn schande er door,
Maar zoog aan mijne borst die arglist niet.
Zoon.
Grootmoeder, denkt gij, dat mijn oom zou huich’len?
Hertogin.
Ja, kind. 32
Zoon.
Ik kan ’t niet denken. Hoor, welk een gedruisch!
(Koningin Elizabeth komt op, geheel ontdaan, gevolgd door Rivers en Dorset.)
Koningin Elizabeth.
Ach, wie wil ’t keeren, dat ik ween en jammer,
Mijn noodlot boos noem en mijzelve kwel?
Ik wil, met zware wanhoop in verbond,
Een vijand worden van mijn eigen ziel.
Hertogin.
Wat wil hier dit tooneel van felle woestheid?
Koningin Elizabeth.
Ach, een bedrijf zijn van een schokkend treurspel;—
Edward, mijn gade, uw zoon, de koning, stierf!—
Wat groeien takken, als de stam verging?
Wat dort het loof niet, dat zijn sappen derft?
Wilt gij nog leven? weeklaag!—sterven, haast u,
Opdat de snelbewiekte ziel hem inhaal’,
Of als gehoorzaam onderdaan hem volg’
Naar ’t rijk der eeuw’ge nacht, zijn nieuw gebied!
Hertogin.
Ach, zooveel deel heb ik in uwen rouw,
Als ik op uwen eed’len gade recht had.
Ik heb eens dierb’ren gaden dood beweend,
En leefde in de’ aanblik van zijn evenbeelden;
Nu zijn twee spiegels van zijn vorst’lijk aanschijn
Vergruisd tot scherven door den boozen dood,
En rest slechts één, één valsch glas mij tot troost,
Waarin ik steeds mijn eigen schande ontwaar.
Weeuw zijt gij, ja, maar moeder zijt gij nog;
U is de troost gebleven van uw kind’ren;
Mij reet de dood mijn echtgenoot uit de armen,
En nu twee krukken uit de zwakke handen,
Clarence en Edward. O, wat grond heb ik,—
Want uw leed is een deel slechts van het mijn;—
Om uw gekrijt door mijne klacht te smoren!
Zoon.
Moei, onzen vader hebt gij niet beschreid;
Hoe kunnen wij u thans met tranen helpen?
Dochter.
Bleef onze weezenkommer onbeklaagd,
Zoo blijve uw weduwsmart ook onbeweend!
Koningin Elizabeth.
O, ik behoef uw hulp niet bij mijn jamm’ren;
’k Ben niet onvruchtbaar, neen, ga groot van klachten.
Mijn’ oogen vlieten alle bronnen toe;
Als door de maan, die vloeden wekt, beheerscht,
Kon ik heel de aard in tranen doen verdrinken!
O mijn gemaal, mijn heer, mijn dierbare Edward!
[231]
De Kinderen.
O onze vader, dierb’re vader Clarence!
Hertogin.
O gij, mijn beide zoons, Edward en Clarence!
Koningin Elizabeth.
Wie was mijn steun dan Edward? en hij stierf!
De Kinderen.
Wie onze steun dan Clarence? en hij stierf. 75
Hertogin.
Wie was mijn steun dan zij? en beiden stierven.
Koningin Elizabeth.
Nooit leed een weduw zulk een zwaar verlies!
De Kinderen.
Nooit leden weezen zulk een zwaar verlies!
Hertogin.
Nooit leed een moeder zulk een zwaar verlies!
Wee mij, ik ben de moeder dezer smarten;
Hun leed is stukwerk, mijn leed is ’t geheel.
Zij weent om eenen Edward, en ik ook;
Ik ween om eenen Clarence, en zij niet;
Die kleinen om hun Clarence, en ik ook;
En ik om eenen Edward, en zij niet;—
Gij drieën, stort op mij, driewerf verslaag’ne,
Uw tranen uit; ik, voedster van uw leed,
Zal ’t rijk’lijk laven met mijn weegeklag.
Dorset.
Kalm, lieve moeder! God wordt zeer verstoord,
Neemt gij met ondank aan, wat hij beschikt.
Ondankbaar heet het steeds in ’s werelds doen
Met tragen onwil gelden weer te geven,
Met milde hand welwillend ons geleend;
Veel meer dan, zoo te twisten met den hemel,
Wijl die zijn vorst’lijk leengoed weder eischt.
Rivers.
Denk, eed’le vrouw, nu, als een trouwe moeder,
Aan uwen jongen prins; zend fluks om hem;
Hij zij gekroond; in hem leeft thans uw troost
Berg ’t naamloos wee in ’s dooden Edwards graf,
En plant uw heil bij ’s jongen Edwards troon.
(Gloster, Buckingham, Stanley, Hastings, Ratcliff en Anderen komen op.)
Gloster.
Wees, zuster, kalm; wij allen hebben grond
Om ’t dooven onzer flonkerster te klagen;
Doch niemand heelt zijn smart door weegeklag.—
Mijn eed’le moeder, ’k vraag u om vergiff’nis;
Ik zag uw hoogheid niet.—Deemoedig smeek ik
U knielend om uw zegen.
Hertogin.
God zegene u en make uw hart zachtmoedig,
Gehoorzaam, liefd’rijk, christ’lijk, waar en trouw!
Gloster.
Amen;—(Ter zijde.) en late als goed oud man mij sterven!
Want dit is ’t eind steeds van een moederzegen;
Dat haar genade dit vergat, bevreemdt mij.
Buckingham.
Bedroefde vorsten, diepgebogen pairs,
Die allen dezen zwaren rouwlast draagt,
Beurt met elkanders liefde elkander op;
Zij de oogst van dezen koning nu verteerd,
Thans moge de oogst van zijnen zoon ons rijpen.
De tweespalt uwer hooggezwollen harten,
Zoo kortlings eerst gezet, gespalkt, verbonden,
Vereischt een teed’re zorg, verpleging, hoede.
Mij dunkt het goed, dat fluks een klein gevolg
Den jongen prins van Ludlow halen ga,
Opdat hij hier als koning zij gekroond. 122
Rivers.
Waarom een klein gevolg, mylord van Buckingham?
Buckingham.
Opdat, mylord, niet door een grooten stoet
De pas geheelde wond des haats zich oop’ne;
Wat des te meer gevaarlijk wezen zou,
Daar alles groen is en nog leiding mist.
Als ieder ros den teugel in zijn macht heeft,
En zelf zijn weg naar welgevallen kiest,
Dan worde, dunkt mij, ook de vrees voor onheil,
En niet het onheil zelf alleen, verhoed.
Gloster.
Verzoend heeft ons de koning, hoop ik, allen;
Vast en onschendbaar is ’t verdrag voor mij.
Rivers.
En ook voor mij, en voor ons allen, denk ik;
Doch, wijl het jong is, stelle men het niet
Aan ’t moog’lijk dreigen van een breuke bloot,
Die door een grooten stoet licht kon ontstaan.
Daarom zeg ik met de’ eed’len Buckingham:
Klein zij ’t geleide van den prins hierheen.
Hastings.
Dit zeg ik ook.
Gloster.
Zoo zij het dan; en laat ons nu bepalen,
Wie onverwijld naar Ludlow zullen gaan.
Komt, bid ik, eed’le moeder, en gij, zuster,
En meldt, wat hieromtrent uw meening is.
(Allen af, behalve Buckingham en Gloster.)
[232]
Buckingham.
Mylord, wie naar den prins ook reizen moog’,
Bij God, laat niet ons tweeën achterblijven;
’k Vind, als begin van ’t afgesproken plan,
Wel midd’len onderweg om ’t trotsch geslacht
Der koningin te scheiden van den prins.
Gloster.
Mijn ander ik, mijn raadsvergadering,
Mijn godspraak, mijn profeet!—Mijn waarde neef,
’k Vertrouw mij, als een kind, aan uwe leiding.
Naar Ludlow dus, wij blijven niet te huis.
(Beiden af.)
DERDE TOONEEL.
Aldaar. Een straat.
Twee Burgers ontmoeten elkander.
Eerste Burger.
Zoo, buurman, goeden dag; waarheen zoo haastig?
Tweede Burger.
Ja, dit, geloof mij, weet ik nauwlijks zelf.
En weet gij ’t nieuws?
Eerste Burger.
En weet gij ’t nieuws? Ja, dat de koning dood is.
Tweede Burger.
Slecht nieuws, ja; zelden baart de toekomst rozen.
Ik vrees, ik vrees, er komt een tijd van storm.
(Een ander Burger komt op.)
Derde Burger.
Gods zegen, buren!
Eerste Burger.
’k Wensch u goeden morgen.
Derde Burger.
Is ’t waar, de goede koning Edward dood?
Tweede Burger.
Ja, ja, maar al te waar; sta God ons bij!
Derde Burger.
Dan, mannen, kunt ge een tijd van storm verwachten.
Eerste Burger.
Neen, neen; als God wil, wordt zijn zoon nu koning. 10
Derde Burger.
Wee, wee den lande, door een kind bestuurd!
Tweede Burger.
Neen toch, bij hem valt op bestuur te hopen;
Zoolang hij klein is, denkt de raad voor hem,
En in zijn rijp’re jaren heerscht hijzelf;
Geloof mij, voor en na wordt goed bestuurd.
Eerste Burger.
’t Stond evenzoo, toen negen maanden oud,
De zesde Hendrik te Parijs gekroond werd.
Derde Burger.
’t Stond evenzoo? Neen, vrienden, neen, God weet het;
Toen mocht het land zich op een schat verheffen
Van welberaden staatsmanskunst; toen had
De koning deugdrijke ooms tot steun en hoede.
Eerste Burger.
Deze ook, van vaders- en van moederszijde.
Derde Burger.
Veel beter stond het, als zij allen waren
Van vaderszijde, of geen van vaderszijde;
Want nu treedt ijverzucht, wie ’t naast hem zijn zal,
Ons allen al te na, zoo God niet helpt.
O, vol gevaren is de hertog Gloster,
Der koningin verwanten driest en trotsch;
Ja, wilden zij beheerscht zijn en niet heerschen,
Dan had dit kranke land wellicht weer rust.
Eerste Burger.
Kom, kom, te zwaar getild! het zal wel gaan.
Derde Burger.
Betrekt de lucht, dan slaan we een mantel om;
Verliest het woud zijn loof, dan komt de winter;
Wien meldt het ondergaan der zon geen nacht?
Na hagelslag en storm wacht elk een duurte.
’t Kan goed gaan; maar, als God het zoo beschikt,
Is ’t meer, dan ik verwacht, of wij verdienen.
Tweede Burger.
’t Is waar, een ieders hart is vol van vrees;
Met wien ge ook spreekt, gij vondt bijna geen mensch,
Die niet bezorgd er uitziet en vol angst.
Derde Burger.
Zoo is het altijd, voor verand’ring komt;
Door hoog’ren aandrang ducht des menschen geest
Gevaar, dat naakt; zoo zien wij immers ook
De waat’ren zwellen voor een wilden storm.
Doch Gode zij ’t vertrouwd! Waar gaat gij heen?
Tweede Burger.
Wij werden voor de rechtbank opgeroepen.
Derde Burger.
Ik eveneens; zoo laat ons samen gaan.
(Allen af.)
VIERDE TOONEEL.
Aldaar. Een vertrek in het paleis.
De aartsbisschop van York, de jonge hertog van York, koningin Elizabeth en de hertogin van York komen op.
KONING RICHARD III.
Tweede Bedrijf, Vierde Tooneel.
Shakespeare Memorial, Stratford-upon-Avon
Aartsbisschop.
Zij bleven gist’ren nacht te Stony-Stratford,[233]
En in Northampton rusten zij van nacht,
Zij zijn dus morgen hier of overmorgen.
Hertogin.
’k Verlang van ganscher hart den prins te zien,
Ik hoop hem sterk gegroeid, sinds ik hem zag.
Koningin Elizabeth.
Men zegt van neen; ’k hoor, dat mijn zoon van York
Hem in zijn groei bijkans heeft ingehaald.
York.
Ja, moeder; maar ik had dit liever niet.
Hertogin.
Waarom, mijn jongen? ’t Is toch goed te groeien.
York.
Grootmoeder, bij het avondmaal vertelde
Oom Rivers eens, dat ik veel sneller groeide,
Dan Edward doet. „Ja,” zeide oom Gloster toen,
„Een klein gewas is eêl, onkruid groeit veel.”
En sedert wenschte ik minder sterken groei;
Eêl kruid komt laat, en onkruid snel in bloei.
Hertogin.
Voorwaar, voorwaar, dit zeggen ging bij hem,
Die u dit voor de voeten wierp, niet door;
Hij was als kind een nietig onderblijfsel,
Zoo laat en traag in ’t groeien, dat hij, was
Zijn regel waar, een edel kruid zou zijn.
Aartsbisschop.
En zonder twijfel is hij ’t, eed’le vrouwe.
Hertogin.
Ik hoop het, maar een moeder moge twijf’len.
York.
Doch hoor eens, ware ’t mij toen ingevallen,
Ik had mijn eed’len oom een zet gegeven,
Wat groeien aangaat, erger dan hij mij.
Hertogin.
Hoe dan, mijn kleine York? vertel het eens.
York.
Wel dit: men zegt, oom Gloster groeide zoo,
Dat hij, twee uur pas oud, aan korstjes knaagde;
Twee jaar was ik, aleer ik tanden kreeg.
Grootmoeder, zou die zet niet raak geweest zijn?
Hertogin.
Maar, beste York, wie heeft u dit verteld?
York.
Zijn min, grootmoeder.
Hertogin.
Zijn min! die was lang dood bij uw geboorte. 33
York.
Als zij ’t niet deed, dan weet ik niet meer wie.
Koningin Elizabeth.
Een sluwe knaap! Loop heen, gij praat te vrij.
Aartsbisschop.
Doorluchte vrouw, wees op het kind niet boos.
Koningin Elizabeth.
Ook kleine kruikjes hebben ooren.
(Een Bode komt op.)
Aartsbisschop.
Daar komt een bode.—Wat voor nieuws?
Bode.
Nieuws, heer, waarvan het brengen mij bedroeft.
Koningin Elizabeth.
Hoe vaart de prins?
Bode.
Hoe vaart de prins? Gezond en wel, uw hoogheid.
Hertogin.
Wat brengt gij dan voor nieuws?
Bode.
Lord Rivers en lord Grey, zij zijn naar Pomfret,
En ook sir Thomas Vaughan, als gevang’nen.
Hertogin.
En wie nam hen gevangen?
Bode.
En wie nam hen gevangen? Hertog Gloster,
Met hertog Buckingham.
Aartsbisschop.
Met hertog Buckingham. Om welk vergrijp?
Bode.
Ik heb gemeld al wat ik melden kan.
Waarom, waarvoor die eed’len zijn gevat,
Is mij volkomen onbekend, mylord.
Koningin Elizabeth.
Wee mij, ik zie den ondergang mijns huizes.
Nu heeft de tijger ’t slanke ree gepakt,
En dra vergrijpt verwaten tyrannie
Zich aan de’ onnooz’len, eerbiedloozen troon.
Welkom, verdelging, bloedvergieten, slachting!
Ik zie, als op een kaart, het eindmerk reeds!
Hertogin.
Gevloekte en onrustvolle tweedrachtsdagen,
Hoe velen uwer heeft mijn oog aanschouwd!
Mijn gade viel bij ’t streven naar de kroon;
En op en neder ging het met mijn zoons,
Zoodat ik juichte en weende om zege en neêrlaag;
En nu zij veilig zeet’len, nu de storm
Van twist voorbij is, voeren zij, die wonnen,
Krijg met elkander, broeder tegen broeder.
Bloed tegen bloed, zelf met zichzelf.—O waanzin,
O dolheid, laat van ’t helsche wrokken af;
Of doe mij sterven, niets op aard meer zien!
Koningin Elizabeth.
Kom, kom, mijn knaap, ras naar de heil’ge vrijplaats!—
Vaar, eed’le vrouwe, wel.
[234]
Hertogin.
Vaar, eed’le vrouwe, wel. Wacht, ik wil mede.
Koningin Elizabeth.
’t Is u niet noodig.
Aartsbisschop
’t Is u niet noodig. (tot de Koningin.) Eed’le vrouwe, ga;
En berg er ook uw schatten en uw goed’ren.
Voor mij, ik geef het mij vertrouwde zegel
Uw hoogheid af; en moge ’t zoo mij gaan,
Als ik voor u en voor al de uwen zorg!
Ga, ik geleid u zelf naar ’t heiligdom.
(Allen af.)