DERDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Londen. Een straat.
Trompetgeschal. De Prins van Wales, Gloster, Buckingham, Bourchier en Anderen komen op.
Buckingham.
Wees welkom, Prins, in Londen, in uw kamer!
Gloster.
Welkom, mijn lieve neef, mijns harten koning!
De lange weg heeft droevig u gestemd.
Prins.
Neen, oom; maar wat mij op mijn weg weervoer,
Heeft dien mij lang, bedroevend, zwaar gemaakt;
Ik wenschte meerdere ooms hier tot ontvangst.
Gloster.
De schuld’looze eenvoud uwer jaren, prins,
Dook in der wereld arglist nog niet neer
En niets kunt gij nog aan een man erkennen
Dan wat hij toont en schijnt; en dit, God weet het,
Strookt nooit of zelden met des menschen hart.
Die ooms, die gij u hier wenscht, zijn gevaarlijk;
Gij gaaft slechts op hun suikerwoorden acht,
Doch hadt geen oog voor hunner harten gif.
Voor zulke valsche vrienden hoede u God!
Prins.
Voor valsche vrienden, ja; maar zij zijn ’t niet. 16
Gloster.
Daar komt de mayor van Londen u begroeten.
(De Lord-Mayor komt op, met Gevolg.)
Lord-Mayor.
God schenke uw Hoogheid heil en blijde dagen!
Prins.
Ik dank u, waarde lord, ik dank u allen.
(De Lord-Mayor en Gevolg treden terug.)
’k Had van mijn moeder en mijn broeder York
Reeds eerder op mijn weg een groet verwacht;
Foei, welk een slak is Hastings, dat hij ons
Niet meldt, of zij in aantocht zijn of niet!
(Hastings komt op.)
Buckingham.
Daar komt de lord juist aan, in ’t zweet zijns aanschijns.
Prins.
Welkom, mylord! Spreek! zal mijn moeder komen?
Hastings.
Om welke reed’nen, dit weet God, niet ik,
maar met uw broeder York week uwe moeder
Ter heil’ge vrijplaats heen; recht gaarne had
De jonge prins met mij u hier begroet,
Doch met geweld hield hem zijn moeder ginds.
Buckingham.
Foei, hoe verkeerd en valsch van haar gedaan!— 31
Lord kardinaal, kan uw genade niet
De koningin bewegen, hertog York
Terstond te zenden naar den prins, zijn broeder?
En weigert zij, ga mee, lord Hastings, scheur
Hem uit haar achterdochtige armen weg.
Kardinaal.
Mylord, indien mijn zwakke redekunst
Den hertog van zijn moeder kan verwerven,
Zoo wacht hem daad’lijk hier. Maar blijft zij doof
Voor zachte beden, dan verhoede God,
Dat wij het godd’lijk recht der heil’ge vrijplaats
Geweld aandoen! Voor heel dit rijk wilde ik
Niet aan zoo groote zonde schuldig zijn.
Buckingham.
Gij klemt, Mylord, u te kleingeestig vast
Aan vormen, aan wat de oudheid heilig noemde;
En ’t is geen heiligschennis hem te grijpen.
De weldaad van een vrijplaats wordt verleend
Aan wie er door zijn hand’len recht op heeft,
En wijs genoeg is, haar voor zich te vord’ren.
De prins begeert haar niet en heeft geen aanspraak,
En moet daarom, dunkt mij, haar niet erlangen;[235]
En dus, wie hem, die daar niet is, er weghaalt,
Die schendt geen enkel recht of voorrecht daar.
Ja, ’k hoorde vaak van mannen in een vrijplaats,
Van kind’ren in een vrijplaats, nooit voor nu!
Kardinaal.
Mylord, voor ditmaal geef ik mij gewonnen.—
Kom dus, lord Hastings, wilt gij met mij gaan?
Hastings.
’k Ben tot uw dienst, mylord.
Prins.
Mijn beste lords, maakt haast, zooveel gij kunt.
(De Kardinaal en Hastings af.)
Zeg nu, oom Gloster, als mijn broeder komt,
Waar zullen wij dan huizen tot de kroning?
Gloster.
Waar uwe koninklijke hoogheid zelf verkiest.
Maar mag ik u eens raden, neem dan eerst
Een dag of twee uw rust hier in den Tower,
En kies daarna ’t verblijf, dat u het best
Tot uw gezondheid en vermaken dient.
Prins.
Geen plaats staat meer mij tegen dan de Tower.—
(Tot Buckingham.) Heeft Julius Cæsar hem gebouwd, mylord? 69
Buckingham.
Hij heeft, genadig heer, het slot gesticht,
Maar later tijden hebben ’t sinds herbouwd.
Prins.
Is ’t overleev’ring slechts, van mond tot mond,
Of staat het opgeteekend, dat hij ’t bouwde?
Buckingham.
’t Is opgeteekend, wis, genadig heer.
Prins.
Maar neem eens aan, het ware niet geboekt,
De waarheid, dunkt mij, moest onsterflijk leven,
Als ’t ware naverteld aan ’t verste nakroost,
Zelfs tot den dag, die heel de wereld endt.
Gloster
(ter zijde). Zoo jong in ’t denken stout, wordt nimmer oud.
Prins.
Wat zegt gij, oom?
Gloster.
’k Zeg, roem wordt, ongeboekt, toch immer oud.
(Ter zijde). Ik spreek, als Boosheid in mysterie-spelen,
Één woord gebruikend, tweederlei moraal.
Prins.
Die Julius Cæsar was een eenig man,
Want wat zijn moed voor zijnen geest verwierf,
Dat schreef zijn geest, zoodat zijn moed bleef leven.
Dood kan op dien veroov’raar niets veroov’ren;
Steeds voort leeft hij in roem, na ’s levens eind.—
Neef Buckingham, wil ik u eens iets zeggen?
Buckingham.
Wat dan, genadig heer?
Prins.
Wanneer ik leven blijf, tot ik een man ben,
Dan win ik ons oud recht in Frankrijk weer,
Of sterf als held, gelijk ik leefde als vorst.
Gloster
(ter zijde). Vroeg wordt na vroege lent de groei geschorst.
(Hastings en de Kardinaal komen weder op, met York.)
Buckingham.
Daar komt te goeder uur de Hertog York.
Prins.
Richard van York? hoe vaart onze eed’le broeder?
York.
Goed, mijn gebieder! zoo toch heet gij thans.
Prins.
Ja, broeder, mij, gelijk ook u, tot smart;
Te vroeg stierf hij, die recht had op dien titel,
Waaraan zijn dood veel majesteit ontnam.
Gloster.
Hoe gaat het onzen eed’len neef van York?
York.
Ik dank u, vriend’lijke oom. O! zie, mylord,
Gij hebt gezegd, dat onkruid welig wast;
De prins, mijn broeder, wies mij boven ’t hoofd.
Gloster.
’t Is zoo, mylord.
York.
Telt gij hem nu voor onkruid?
Gloster.
O, beste neef, zoo iets mag ik niet zeggen. 106
York.
Dan is hij meer in tel bij u dan ik.
Gloster.
Hij heeft mij te gebieden als mijn vorst,
Maar gij hebt recht en macht op mij als neef.
York.
Ik bid u, oom, geef mij dien dolk.
Gloster.
Dien dolk, mijn kleine neef? van ganscher harte.
Prins.
Gij beed’laar, broeder?
York.
Ja, bij mijn lieven oom, die gaarne geeft,
En om een speeltuig, waar men licht van scheidt.
[236]
Gloster.
Ik zoude u gaarne een grooter gave schenken.
York.
Een grooter gaaf? dat zoude uw zwaard dan zijn.
Gloster.
Ja, neeflief, maar dat ware veel te zwaar.
York.
O, dus is ’t lichte waar slechts, die gij schenkt?
Bij iets gewichtigs zegt gij: „beedlaar, neen!”
Gloster.
’t Is u te zwaar, gij kunt het nog niet dragen.
York.
Al ware ’t zwaarder, wichtig vond ik ’t niet.
Gloster.
Dus gij verlangt mijn zwaard, mijn kleine prins?
York.
Ja, en mijn dank zij zoo, als gij mij noemt.
Gloster.
Hoe dan?
York.
Slechts klein.
Prins.
Mijn broeder York is altijd boud in ’t praten.—
Gij weet het met geduld te dragen, oom.
York.
Niet het te dragen, mij te dragen, meent gij;—
Mijn broeder, oom, bespot èn u èn mij;
Hij denkt, omdat ik klein ben als een aapje,
Dat gij mij op uw schouders dragen moest.
Buckingham.
Hoe rijk aan scherp vernuft is wat hij zegt!
Om ’t spotten met zijn oom wat te verzachten,
Steekt hij behendig met zichzelf den draak.
Zoo slim en nog zoo jong, is wonderbaar!
Gloster.
Mylord, behaagt het u, thans voort te gaan?
Ik en mijn goede neef van Buckingham
Gaan naar uw moeder om haar te overreden,
Dat ze in den Tower u opzoeke en begroet’.
York.
Wat! naar den Tower? verkiest gij dit, mylord?
Prins.
Mylord Protector dringt er zeer op aan.
York.
Ik zal niet rustig slapen in den Tower.
Gloster.
Waarom, wat zoudt gij duchten?
York.
Nu, den verstoorden geest mijns ooms, van Clarence;
Grootmoeder zegt, dat hij er werd vermoord.
Prins.
Ik heb geen vrees voor ooms, die dood zijn.
Gloster.
En ook voor geen, die leven, hoop ik.
Prins.
’k Heb, zoo zij leven, niets te vreezen, hoop ik.
Maar kom, mylord, en met bezwaard gemoed,
Aan hen steeds denkend, ga ik naar den Tower.
(Trompetgeschal. De prins, York, Hastings, de Kardinaal, en Gevolg verwijderen zich, daarna de Lord-Mayor met Gevolg.)
Buckingham.
Denkt gij, mylord, niet, dat die York, die snapper,
Werd opgestookt door zijn geslepen moeder,
Om u zoo stout te tarten en te hoonen?
Gloster.
Ja wis, gewis. O, ’t is een slimme gast,
Vroegwijs, gevat, vernuftig, vlug en stout,
Geheel zijn moeder, ja, van top tot teen.
Buckingham.
Nu, laat hen.—Catesby, kom gij hier; gij zwoert
Een duren eed: te doen wat wij ontwerpen
En streng te zwijgen, wat we u toevertrouwen.
We ontvouwden onderweg u onze gronden;—
Wat dunkt u, zou het een’ge moeite baren,
William lord Hastings voor ons plan te winnen,
Dat dezen eed’len hertog op den troon
Van ons roemruchtig eiland plaatsen wil?
Catesby.
Hij heeft den prins om ’s vaders wil zoo lief,
Dat hij tot niets de hand leent tegen hem.
Buckingham.
Wat denkt gij dan van Stanley? zou hij willen?
Catesby.
Hij zal in alles zooals Hastings doen.
Buckingham.
Nu dan, genoeg hiervan. Ga, beste Catesby,
En pols, als ware ’t in ’t verschiet, lord Hastings,
Hoe hij omtrent ons plan gezind zou zijn;
En noodig hem op morgen naar den Tower
Ter raadsvergaad’ring voor de zaak der kroning.
Bespeurt gij, dat hij naar ons luist’ren wil,
Zoo wek hem op en zeg hem onze gronden,
Maar is hij koud, als ijs, en traag, als lood,
Wees gij ’t dan ook en houd uw woorden in,
En deel ons mede, hoe zijn stemming is.
Want morgen houden we een gesplitsten staatsraad,
Waarbij uw dienst van hoog belang zal zijn.
Gloster.
Groet ook van mij lord William; zeg hem, Catesby,
Dat morgen ’t rot van zijn gezworen haters
Een aderlating wacht in ’t slot van Pomfret;
En zeg mijn vriend, dat hij om deze tijding
Uit vreugd vrouw Shore een kusjen extra geev’.
[237]
Buckingham.
Ga, Catesby, ga; volbreng dit met beleid.
Catesby.
Ja, zoo behoedzaam, waarde lords, als moog’lijk. 187
Gloster.
Wij hooren nog voor slapenstijd van u?
Catesby.
Gewis, mylord.
Gloster.
In Crosbyhof zult gij ons beiden vinden.
(Catesby af.)
Buckingham.
En wat, mylord, wat doen wij, als we ontwaren,
Dat Hastings niet in onze plannen treedt?
Gloster.
Den kop hem af,—wij zullen overleggen;—
En hoor, ben ik eens koning, vorder dan
Het graafschap Hereford met de tilb’re have,
Eens ’t eigendom des konings, mijnen broeder.
Buckingham.
Ik zal me op uwer hoogheid woord beroepen.
Gloster.
Dat ik, geloof mij, vriend’lijk houden zal.
Kom, tijdig nu aan ’t avondmaal, om dan
Aan onze ontwerpen een’gen vorm te geven.
(Beiden af.)
TWEEDE TOONEEL.
Voor lord Hastings’ huis.
Een Bode komt op en klopt aan de deur.
Bode.
Mylord! mylord!
Hastings
(binnen). Wie daar?
Bode.
Een bode van lord Stanley.
Hastings
(binnen). Hoe laat is ’t al?
Bode.
Op slag van vieren heer.
(Hastings komt op.)
Hastings.
Uw meester slaapt deez’ trage nachten niet?
Bode.
Dit schijnt wel zoo, naar wat ik heb te zeggen.
Vooreerst zendt hij uw edelheid zijn groet.
Hastings.
En verder?
Bode.
Dan meldt hij u, dat hij vannacht een droom had,
Dat de ever hem den helm had afgestooten;
Ook, zegt hij, wordt een dubb’le raad gehouden;
En licht wordt in den eenen iets beslist,
Wat u en hem in de’ and’ren grieven kan.
Dies vraagt hij, wat uw edelheid besluit,—
Of gij terstond met hem te paard wilt stijgen,
En naar het noorden jagen zonder rust,
Om zoo ’t gevaar, dat hij bevroedt te ontgaan.
Hastings.
Ga, knaap, en keer tot uwen heer terug;
Zeg hem, dat hij dien dubb’len raad niet duchte;
Zijn edelheid en ik zijn bij den eenen,
En bij den and’ren Catesby, mijn vertrouw’ling,
Waar niets geschieden kan wat ons betreft,
Of ik ontvang terstond bericht er van.
Ja, zeg, zijn vrees is ijdel, zonder grond;
En droomt hij,—wel, ik dacht hem te verstandig,
Om ’t guichelspel van slechten slaap te tellen;
Voor de’ ever vluchten, eer ons de ever aanvalt,
Dit waar’, den ever tot vervolging prikk’len,
Tot jagen, als hijzelf er niet aan denkt.
Ga, vraag uw heer na ’t opstaan hier te komen;
Dan gaan wij samen rustig naar den Tower,
Waar hij zal zien, hoe vriend’lijk de ever is.
Bode.
Ik zal mylord, hem melden wat gij zegt.
(Bode af.)
(Catesby komt op.)
Catesby.
Veel morgengroeten aan mijn eed’len lord! 35
Hastings.
Goên morgen, Catesby; gij zijt vroeg er bij.
Wat nieuws, wat nieuws in onze’ onzeek’ren staat?
Catesby.
’t Is waar, mylord, het is een dwarrelwereld;
Zij komt, geloof ik, niet tot vasten stand,
Eer Richard met den krans van ’t rijk gesierd is.
Hastings.
Gesierd is met den krans! meent gij de kroon?
Catesby.
Ja, beste lord.
Hastings
(op zijn hoofd wijzend). Men moog’ die kroon mij van de schouders slaan,
Eer ik de kroon arglistig zie ontvreemd.
Kunt gij vermoeden, dat hij er naar streeft!
Catesby.
Zoo waar ik leef, hij doet het; en hij hoopt,
Dat gij met kracht hem die zult helpen winnen;
En daarom zendt hij u het heuch’lijk nieuws,
Dat die uw haters waren, de verwanten
Der koningin, vandaag in Pomfret sterven.
[238]
Hastings.
Voorwaar, dit nieuws perst mij geen tranen af;
Zij waren altijddoor mijn tegenstanders;
Maar dat ik ooit mijn stem aan Richard geef,
En de echte spruiten van mijn meester uitsluit,
God weet, dit doe ik niet, al waar’ ’t mijn dood.
Catesby.
God sterke uw lordschap in dit vroom besluit!
Hastings.
Maar wis, een jaar en langer zal ik lachen,
Nu ik ’t beleef, van ’t rot, dat bij mijn meester
In haat mij bracht, het treurspel aan te zien.
Nu, Catesby, eer ik veertien dagen meer tel,
Ruim ik nog enk’len op, die ’t nu niet denken.
Catesby.
’t Is iets verschriklijks, edel heer, te sterven,
Geheel onvoorbereid en onverwacht.
Hastings.
O gruw’lijk, gruw’lijk! en zoo is nu ’t lot
Van Rivers, Vaughan, Grey;—en zoo zal ’t gaan
Met meerd’ren, die zich even veilig reek’nen
Als gij en ik, die den doorluchten Richard
En Buckingham, gij weet het, dierbaar zijn.
Catesby.
Gij zijt bij beide vorsten hoog gezien;
(Ter zijde.) Zij zien zijn hoofd, als ’t waar’, reeds op de slotpoort.
Hastings.
Ik weet het, en ik heb ’t aan hen verdiend.
(Stanley komt op.)
Wel zoo, wel zoo, waar is uw zwijnsspriet, man?
Gij, die den ever ducht, gij wapenloos? 75
Stanley.
Mylord, goên morgen,—goeden morgen, Catesby.—
Nu, spot maar toe, maar, bij het heilig kruis,
Ik houd van dien gesplitsten raad niet, ik.
Hastings.
Mylord, mijn hoofd is mij zoo lief als u,
En nooit, in heel mijn leven, dit verklaar ik,
Heb ik het zoo op prijs gesteld als nu.
Denkt gij, dat, als ik mij niet veilig achtte,
Ik zoo zou triumfeeren als ik doe?
Stanley.
De lords in Pomfret reden opgeruimd
Uit Londen weg en waanden zich recht veilig,
En hadden inderdaad geen grond tot argwaan;
En toch, hoe snel was niet de dag bewolkt!
De snelle dolkstoot van dien wrok verschrikt mij;
Geev’ God, dat ik mij nood’loos lafaard toon’!—
Nu, wilt gij naar den Tower? Het wordt hoog tijd.
Hastings.
Kom, kom, gerust!—Weet gij ’t, mylord? De lords,
Waarvan gij spreekt, verliezen heden ’t hoofd.
Stanley.
Als trouw besliste, stond het hoofd hun vaster,
Dan menigeen, die hen verklaagt, de hoed.
Maar kom nu, laat ons gaan.
(Een Herautsdienaar komt op.)
Hastings.
Ga voor; ’k heb dezen vriend nog iets te zeggen.
(Stanley en Catesby af.)
Wel man, hoe gaat het u?
Herautsdienaar.
Wel man, hoe gaat het u? Zoo veel te beter,
Nu ’t uwe lordschap zoo genadig vraagt.
Hastings.
Ik zeg u, man, mij vrij wat beter dan
Toen gij de laatste maal mij hier ontmoet hebt;
Toen ging ik als gevang’ne naar den Tower,
Wijl de aanhang van de koningin dit dreef;
Maar nu, zeg ik u, gaan,—doch houdt dit voor u!—
Vandaag, die mij vervolgden, zelf ter dood,
En ik heb meer gezag dan ooit voordezen.
Herautsdienaar.
Dat God dit, naar uw wensch, bij u bestendig!
Hastings.
Dank, knaap.—Daar, neem, en drink dit op mijn heil.
(Hij werpt hem zijn beurs toe.)
Herautsdienaar.
Ik dank uw edelheid.
(Herautsdienaar af.)
(Een Priester komt op.)
Priester.
Gij daar, mylord? ’t Verheugt mij u te zien.
Hastings.
Heer John, ik dank u en van ganscher harte.
’k Ben voor den laatsten kerkdienst in uw schuld;
Kom de’ eersten sabbat, en ik maak het goed.
(Buckingham komt op.)
Buckingham.
Lord kamerheer, wat, in gesprek met priesters! 114
De priester koom’ uw vrienden ginds in Pomfret[239]
Te stade; uw lordschap heeft nog niet te biechten.
Hastings.
Voorwaar, toen ik dien heil’gen man hier zag,
Toen stonden zij, van wie gij spreekt, mij voor.
Zeg, gaat gij naar den Tower?
Buckingham.
Ja zeker, maar ik kan niet lang er blijven,
En ga er vóór uw edelheid vandaan.
Hastings.
Licht moog’lijk, want ik blijf er middagmalen.
Buckingham
(ter zijde). En avondeten ook, al denkt gij ’t niet.—
Kom gaat gij mee?
Hastings.
Kom gaat gij mee? Ten dienste van uw lordschap.
(Allen af.)
DERDE TOONEEL.
Pomfret. Voor het slot.
Ratcliff komt op met een Wacht, die Rivers, Grey en Vaughan ter terechtstelling geleidt.
Rivers.
Sir Richard Ratcliff, laat mij dit u zeggen;—
Op heden zult ge een onderdaan zien sterven
Voor eer en trouw en kreukloos plichtbetoon.
Grey.
Bescherme God den prins voor uw gebroedsel!
Gij zijt een vloekgespuis, dat dorst naar bloed.
Vaughan.
Gij leeft, doch zult hier eenmaal wee om roepen!
Ratcliff.
Voort, voort! de tijd uws levens is voorbij.
Rivers.
O Pomfret, Pomfret! bloedig kerkerkot,
Voor eed’le pairs noodlottig, onheilspellend!
In ’t zondvol perk van uwe wallen werd
Richard de tweede hier ter dood gehouwen;
En thans, uw gruwelplek tot nieuwen smaad,
Ontvangt gij ons onschuldig bloed te drinken.
Grey.
Nu valt Marg’retha’s vloek ons op het hoofd,
Die kreet, voor Hastings, u en mij geslaakt,
Bijstanders bij den moord haars zoons door Richard!
Rivers.
Toen trof haar vloek ook Buckingham, ook Richard,
Trof Hastings ook.—O God, wees dit indachtig,
Hoor haar gebed voor hen, als nu voor ons!
Doch voor mijn zuster en haar koningstelgen
Zij U, mijn God, ons eerlijk bloed genoeg,
Gij weet het, onrechtvaardig hier geplengd!
Ratcliff.
Maakt spoed, uw sterfuur is alreeds voleind.
Rivers.
Kom Grey, kom, Vaughan, hier elkaar omarmd,—
Vaartwel, hierboven zien we elkander weer!
(Allen af.)
VIERDE TOONEEL.
Londen. Een zaal in den Tower.
Buckingham, Stanley, Hastings, de Bisschop van Ely, Ratcliff, Lovel en Anderen, aan een tafel gezeten; Dienaren van den raad op den achtergrond.
Hastings.
Nu, eed’le pairs, wat ons hier samenriep,
Is ’t reeg’len van de kroning; in Gods naam,
Spreek, wanneer is die koninklijke dag?
Buckingham.
Is alles voor het hooge feest gereed?
Stanley.
Alleen ’t bepalen van den dag blijft over.
Ely.
Dan acht ik morgen wel een goede dag.
Buckingham.
Wie meldt ons, wat de Lord Protector wenscht?
Wie is van de’ eedlen hertog de vertrouwde?
Ely.
Dit zal waarschijnlijk uw genade zijn.
Buckingham.
Wij kennen van gelaat elkaar; —maar ’t hart,—
Hij kent het mijn’ niet beter dan ik ’t uwe,
En ik zoo min het zijne als gij het mijne.
Lord Hastings, gij en hij zijt zeer bevriend.
Hastings.
Ja, dank den vorst, ik ben zijn vriend, dit weet ik;
Doch wat zijn plan betreft omtrent de kroning,
Heb ik hem niet gepolst, noch heeft hijzelf
Mij meegedeeld, wat zijn believen is.
Maar wilt gij, eed’le lords, den dag bepalen,
Dan zal ik stemmen in des hertogs naam,
Wat hij mij, denk ik, wel ten goede houdt.
(Gloster komt op.)
Ely.
Daar komt, te rechter tijd, de hertog zelf.
Gloster.
Mijn waarde lords en neven, goeden morgen!
Ik heb recht lang geslapen; doch ik hoop,[240]
Niets van belang bleef door mijn afzijn rusten,
Wat door mijn hierzijn voortgang hadd’ gehad.
Buckingham.
Waart ge op uw wachtwoord niet gekomen, prins,
Dan had lord Hastings uwe rol gesproken,
Uw stem doen hooren, wat de kroning aangaat.
Gloster.
Wie stout moog’ zijn, lord Hastings meer dan allen;
Zijn lordschap kent mij goed en heeft mij lief.
Mylord van Ely, ik heb laatst in Holbron
Aardbeien, prachtige, in uw tuin gezien,
Ik bid u, laat mij eens een proefje komen.
Ely.
Volgaarne, heer; ’t is mij een waar genoegen.
(De Bisschop af.)
Gloster.
Mijn neef van Buckingham, een woord met u. 37
(Hij neemt Buckingham ter zijde.)
Catesby heeft Hastings over ’t plan gepolst,
En vindt dat stugge heerschap zoo vol vuur,
Dat hij zijn hoofd verliezen wil, eer ’t kind
Zijns meesters, zooals hij eerbiedig spreekt,
’t Bezit van Eng’lands troon verliezen zal.
Buckingham.
Ga even uit de zaal, heer; ik kom na.
(Gloster af, gevolgd door Buckingham.)
Stanley.
Wij hebben ’t hooge feest nog niet bepaald.
Op morgen is wat al te spoedig, dunkt mij;
Want ik ben zelf nog zoo niet toegerust,
Als ik zou zijn, wanneer ’t verschoven werd.
(De Bisschop van Ely komt terug.)
Ely.
Waar is mylord, de hertog Gloster?
Ik zond om ’t aardbeiproefjen iemand heen.
Hastings.
De hertog ziet van morgen opgeruimd;
Een streelend denkbeeld zweeft hem voor den geest,
Als hij zoo vroolijk goeden morgen wenscht.
Ik acht, dat niemand in de christenheid
Zijn liefde en haat zoo slecht verbergt als hij;
Wat hij op ’t hart heeft, leest ge op zijn gelaat.
Stanley.
Wat leest gij van zijn hart dan op ’t gelaat
Door ’t een of ander teeken, dat hij toonde?
Hastings.
Wel, dat hij tegen niemand hier iets heeft;
Zijn trekken hadden anders ’t wis verraden.
(Gloster en Buckingham komen terug.)
Gloster.
Ik bid u allen, zegt, wat zij verdienen,
Die mij naar ’t leven staan door duivelsplannen
Van vloek’bre hekserij, en reeds mijn lijf
Door helsche tooverkunst aan ’t kwijnen brachten?
Hastings.
Mijn vuur’ge liefde tot u dringt mij, heer,
Dat ik vóór allen in deez’ eed’len kring,
Wie schuldig zijn, veroordeel; wie ze ook zijn,
Den dood, heer, zeg ik, hebben zij verdiend.
Gloster.
Ziet dan met eigen oogen ’t schendig stuk.
Aanschouw, hoe ik behekst ben; ziet, mijn arm
Is als een loot, die wegkwijnt, ingeschrompeld;
’t Is ’t werk van Edwards vrouw, die booze heks,
Verbonden met die veile snol, vrouw Shore;
Die merkten door haar hekserij mij zoo.
Hastings.
Als zij door zulk een doen, mijn eed’le vorst,—
Gloster.
„Als!” gij beschermer van die vloekb’re snol,
Spreekt gij van „Als?”—Gij zijt een aartsverrader;—
Het hoofd hem af!—ja, bij Sint Paul, ik zweer,
Ik roer geen spijs aan, vóór ik dit aanschouw.—
Lovel en Ratcliff, zorg, dat dit geschiede;—
En wie mij liefheeft, sta nu op en volg’ mij.
(Gloster en Buckingham, met den Staatsraad af; alleen Hastings, Lovel en Ratcliff blijven.)
Hastings.
Wee, wee, om Eng’land! geenszins, neen, om mij! 82
Want ik, verdwaasde, had dit kunnen keeren.
Wat Stanley droomde van des evers stoot,
Heb ik bespot en ’k heb de vlucht versmaad.
Driemalen is vandaag mijn paard gestruikeld,
En ’t ging aan ’t steig’ren bij het zien des Towers,
Als schuwde ’t, mij te dragen naar het slachthuis.
Nu is de priester, dien ik sprak, mij noodig;
En nu berouwt mij, dat ik dien heraut,
Te triumfeerend, zeide, dat mijn haters
In Pomfret heden bloedig sterven moesten,
En ik mij veilig voelde in gunst en eer.
O Margaretha, Margaretha! zwaar
Treft thans uw vloek des armen Hastings’ hoofd.
[241]
Ratcliff.
Kom aan, maak voort; de hertog wil aan tafel,
Biecht dus wat kort, hij wacht reeds op uw hoofd.
Hastings.
O vluchtig gunstbetoon van stervelingen,
Meer dan de gunst van God door ons bejaagd!
Wie hoop bouwt op den adem van uw glimlach,
Leeft als een dronken zeeman op een ra,
Dien ied’re schomm’ling neer te sling’ren dreigt
In de opgesperde kaken van het diep.
Lovel.
Kom, kom, maak voort; geen jamm’ren helpt u hier.
Hastings.
O Richard, man des bloeds!—Rampzalig Eng’land!
De jammervolste tijden spel ik u,
Die deze gruwelwereld ooit aanschouwde.
Komt, mij naar ’t blok, en hem mijn hoofd gebracht;
Wie spot, zie toe! hij volgt mij, eer hij ’t wacht.
(Allen af.)
VIJFDE TOONEEL.
Binnen de muren van den Tower.
Gloster en Buckingham komen op, in oude harnassen en zeer slordig gewaad.
Gloster.
Komaan, neef, kunt gij sidd’ren en verbleeken,
Uw adem smoren midden in een woord,
En dan op nieuw gaan spreken, weer verstommen,
Als waart gij schier waanzinnig, dol van schrik?
Buckingham.
Gerust! den besten speler boots ik na,
Zie om bij ’t spreken, gluur naar elken kant,
Ik beef en staar, wanneer een stroohalm trilt,
En teeken diepen argwaan; holle blikken
Staan mij ten dienst en ook gedwongen lachjes,
En beide steeds gereed en op hun post,
Om aan mijn listen luister bij te zetten.
Maar Catesby is gegaan, niet waar?
Gloster.
Maar Catesby is gegaan, niet waar? Ja zeker;
En, zie, ook weer terug, en met den mayor.
(De Lord-Mayor en Catesby komen op.)
Buckingham.
Lord-Mayor,—
Gloster.
Gij daar, let op de slotbrug! 15
Buckingham.
Gij daar, let op de slotbrug! 15 Hoor, een trom!
Gloster.
Snel, Catesby, naar den muur, zie uit!
Buckingham.
Lord-Mayor, de reden, dat wij zonden,—
Gloster.
Zie om, verweer u, hoor, de vijand komt!
Buckingham.
God, en onze onschuld, zie het en verweer’ ons!
(Lovel en Ratcliff komen op, met Hastings hoofd.)
Gloster.
Geen onraad! vrienden zijn ’t: Ratcliff en Lovel.
Lovel.
Hier is het hoofd des snooden aartsverraders,
Van Hastings, vol gevaar, en nooit verdacht.
Gloster.
Zoo lief was mij de man, dat ik moet weenen.
Ik hield hem voor ’t eenvoudigst goedig schepsel,
Dat adem had op aarde als christenmensch;
’k Had hem tot boek gekozen, waar mijn ziel
’t Geheimste, dat zij dacht, in nederschreef;
Zoo glad vernis van deugd gaf hij zijn ondeugd,
Dat, zijn bekende zonde niet gerekend,—
Zijn omgang, meen ik, met de vrouw van Shore,—
Hij ied’re smet van de’ argwaan bleef ontgaan.
Buckingham.
En toch, hij was de gluip’rigste verrader,
Die ooit geleefd heeft.
(Tot den Lord-Mayor.) Spreek, hadt gij ’t kunnen denken of gelooven,—
Als wij niet door bijzond’re redding leefden
En ’t u getuigden,—dat die aartsverrader
Beraamd had, heden in de raadzaal mij
En onzen goeden hertog te vermoorden?
Mayor.
Wat, deed hij dit?
Gloster.
Wel, denkt gij, dat wij Turken zijn of heid’nen,
En, tegen alle rechtsvorm in, zoo ijlings
De doodstraf aan dien schurk voltrokken hadden,
Zoo niet de hachlijkheid van ’t oogenblik
En Eng’lands vrede en onze veiligheid
Ons had genoopt zoo snel te werk te gaan?
Mayor.
Nu, heil zij u! hij heeft zijn dood verdiend;
En beiden deedt gij wel, mylords, verraders
Van dergelijke plannen af te schrikken.
[242]
Buckingham.
Ik had niets beters meer van hem verwacht,
Sinds hij zich eens verslingerde op vrouw Shore.
Gloster.
Doch ’t was ons plan niet, dat hij sterven zou,
Eer gij, mylord, getuige er van kondt zijn,
Wat dezer vrienden welgemeende spoed,
Iets vuur’ger dan wij wenschten, heeft verhinderd.
Ik had gewild, heer, dat gij dien verrader
Hadt hooren spreken en van schrik en angst
Het plan en doel van zijn verraad belijden,
Opdat gij hiervan aan de burgerij 59
Verslag kondt doen, die nu wellicht om hem
Ons zal miskennen en zijn dood betreuren.
Mayor.
Maar, beste heer, uw woord volstaat geheel,
Als had ik hem gezien en hooren spreken,
En twijfelt niet, ik deel, doorluchte prinsen,
Den trouwen burgers mee, hoe gij hierin
Geheel naar de’ eisch van ’t recht gehandeld hebt.
Gloster.
Juist hierom wenschten wij uw lordschap hier,
Om elk verwijt te ontgaan der booze wereld.
Buckingham.
Doch kwaamt ge ook voor ons doel hier iets te laat,
Getuig toch, wat gij hoort, dat wij bedoelden.
En nu, Lord-Mayor, mijn waarde heer, vaarwel!
(De Lord-Mayor af.)
Gloster.
Ga, volg, volg op den voet, neef Buckingham.
Naar Guildhall gaat de mayor in alle haast;
Toon daar, zooveel de tijd u gunstig schijnt,
De onechtheid aan van Edwards kroost; vertel hun,
Hoe Edward eens een burger hangen liet,
Die had gezegd, dat zijn zoon erfgenaam
Der kroon zou zijn; hij had zijn huis bedoeld,
Dat naar het gevelteeken zoo genoemd werd.
Dan, schilder hun zijn boozen, wulpschen lust,
Zijn dierlijk jagen naar gestâge wiss’ling,
Dienstmaagden, dochters, vrouwen hun belagend,
Wààr ook zijn vlammend oog, zijn roofziek hart,
In toomloos blaken zich een prooi verkoos.
Ja, tref desnoods in zoo ver ook mijzelf:
Zeg hun, dat, toen mijn moeder van dien woest’ling,
Van Edward, groot ging, de doorluchte York,
Mijn hooge vader, oorlog voerde in Frankrijk,
En door nauwkeur’ge tijdsbereek’ning vond,
Dat dit kind niet een spruit van hem kon zijn,
Wat ook door al zijn trekken zich verried,
Die geenszins naar mijn eed’len vader zweemden.
Doch roer dit met verschooning aan, van verre,
Omdat, zooals gij weet, mijn moeder leeft.
Buckingham.
Ducht niets, mylord, ik zal voor reed’naar spelen,
Als ware ’t gulden loon, waar ik voor pleit,
Voor mij bestemd. En nu, mylord, vaarwel.
Gloster.
En breng hen, zoo gij slaagt, naar Baynard’s slot; 98
Daar treft gij mij in goed, eerwaard gezelschap:
Bisschoppen, wijs, geleerd, en vrome vaders.
Buckingham.
Ik ga; en tegen drie, misschien vier uur,
Verneemt gij ’t nieuws, dat Guildhall u verschaft.
(Buckingham af.)
Gloster.
Ga, Lovel, spoed u ras naar doctor Shaw,—
En gij (Tot Catesby.) naar broeder Penker;—beiden wensch ik
In Baynard’s slot te spreken, binnen ’t uur.
(Lovel, Catesby en Ratcliff af.)
In de eerste plaats geef ik nu heim’lijk last,
’t Gebroed van Clarence uit het oog te voeren,
En streng bevel, dat niemand, wie ook, ooit
Wordt toegelaten tot de beide prinsen.
(Gloster af.)
ZESDE TOONEEL.
Een straat in Londen.
Een Kanselarijschrijver komt op.
Kanselarijschrijver.
Hier heb ik de aanklacht van den goeden Hastings,
In ’t net geschreven met een staande hand,
Dat elk ze heden in Sint Paul kan lezen.
En zie, hoe alles fraai te zamen hangt:
Elf uren kostte mij het overschrijven,
Want Catesby zond het stuk mij gist’renavond;
Het stellen duurde wis geen kort’ren tijd;
En toch, vijf uur geleden leefde Hastings,
Nog onbeschuldigd, onverhoord, vrank, vrij.
Een schoone wereld thans!—Wie is zoo stomp,
Dat hij ’t bedrog, zoo tastbaar, niet doorziet,
En wie zoo stout te zeggen, wat hij ziet?[243]
Boos is de wereld; alles gaat te grond,
Sluit vrees bij zulk een boosheid elk den mond.
(Schrijver af.)
ZEVENDE TOONEEL.
Londen. Het binnenhof van Baynard’s slot.
Gloster komt van de eene zijde op, Buckingham van de andere.
Gloster.
Hoe is ’t, hoe is ’t, wat zegt de burgerij?
Buckingham.
Nu, bij de heil’ge moeder onzes Heeren,
De burgerij is stom, zij zegt geen woord.
Gloster.
En spraakt gij van de onechtheid van de prinsen?
Buckingham.
Ja, en van ’t echtverdrag met lady Lucy,
En zijn verloving in Parijs bij volmacht,
En van zijn booze lusten, nooit verzaad,
Het dwingen tot zijn wil van burgervrouwen,
Zijn woeden om een niets, van zijn onechtheid,
Daar hij verwekt moet zijn, terwijl zijn vader
In Frankrijk was, alsook van zijn gelaat,
Dat geen gelijk’nis met den hertog toonde;
En toen maakte ik gewag van uwe trekken,
En schetste u als uws vaders evenbeeld
Door vorm zoowel als adel van gemoed,
En sprak van al uw Schotsche zegepralen,
Uw krijgsbeleid, uw wijsheid in den vrede,
Uw goedheid, deugd en vrome need’righeid;
Niets inderdaad, wat tot uw doel kon leiden,
Werd niet vermeld, of vluchtig slechts genoemd;
En ’k riep, toen ik aan ’t eind was mijner rede,
Een elk, die Eng’land liefhad, op, te juichen:
„God zegen’ Richard, Eng’lands heer en koning.”
Gloster.
En deden zij ’t? 23
Buckingham.
Neen, help’ mij God! zij spraken zelfs geen woord;
Als stomme beelden, ademende steenen,
Zoo staarden zij, doodsbleek, elkander aan.
Dit ziende, gispte ik hen en vroeg den mayor,
Wat dit halsstarrig zwijgen moest beteek’nen.
Die zeide, ’t volk was niet gewoon, dat iemand
Hen toesprak, dan de man, wiens ambt het was.
Die moest nu, wat ik had gezegd, herhalen:
„Zoo zegt de hertog, zoo beweert de hertog,”
Maar sprak geen enkel woord om ’t zelf te staven.
Hij zweeg; toen wierpen enk’len mijner lieden,
Aan ’t eind der zaal, de muts omhoog; en tien,
Twaalf stemmen riepen: „Leve koning Richard!”
Fluks deed ik met die wein’gen nu mijn voordeel
En sprak: „Dank, lieve vrienden, wakk’re burgers;
Die algemeene en blijde bijvalskreet
Toont, dat gij wijs zijt en u Richard lief is.”
En snel brak ik toen af en ging van daar.
Gloster.
Wat stomme blokken! wilden zij niet spreken?
Buckingham.
’k Verzeker u, geen woord, mylord.
Gloster.
En wil de mayor niet komen met de zijnen?
Buckingham.
De mayor is reeds nabij. Toon u bezorgd;
Wees niet te spreken dan op sterken aandrang;
En, hoor, neem een gebedenboek ter hand,
En neem aan elke zijde een geest’lijk heer,
Want op dien grond vertrouw ik, hen te stichten.
Geef ook aan hun verzoek niet snel gehoor,
Maar speel een meisjesrol: zeg „neen,” en grijp het.
Gloster.
Ik ga; doet gij voor hen uw woord zoo goed,
Als ik voor mij u antwoord geef met neen,
Dan kunnen we op een heuchlijk slagen reek’nen.
Buckingham.
Ga, ga, ’t balkon op! de lord-mayor klopt aan.
(Gloster af).
(De Lord-Mayor komt op, met Aldermans en andere Burgers.)
Mylord, wees welkom; ja, ik schilder hier;
Licht moog’lijk is de hertog niet te spreken.
(Catesby komt uit het slot.)
Nu, Catesby, geeft de hertog mij gehoor?
Catesby.
Hij vraagt, dat uw genade, waarde lord,
Op morgen hem bezoeke, of overmorgen.
Hij is in ’t slot met twee eerwaarde vaders
In geest’lijke overpeinzing gansch verdiept;
Hij wil niet, dat een wereldsch doel hem dringt,
Nu van die heilige oef’ning af te zien. 64
Buckingham.
Vriend Catesby, ga nog eens tot de’ eed’len hertog;[244]
Zeg hem, dat ik, de mayor en aldermans
Met ernstig doel, om zaken van gewicht,
Niets minder dan ons aller welzijn rakend,
Een onderhoud met zijn genade wenschen.
Catesby.
Ik wil ’t hem daad’lijk melden, edel heer.
(Catesby af.)
Buckingham.
Nu, deze prins, mylord, is niet een Edward,
Niet op een weeld’rig rustbed uitgestrekt,
Neen, neergeknield in heilige overpeinzing;
Niet met een paar boelinnen dartel schertsend,
Neen, peinzend met een paar geleerde priesters;
Niet slapend om het trage lijf te mesten,
Neen, biddend om zijn wakk’re ziel te sterken;
Gelukkig Eng’land, zoo de vrome vorst
Het koningschap des lands aanvaarden wilde!
Edoch, ik vrees, ons smeeken is vergeefsch.
Mayor.
Verhoede God, dat zijn genade neen zegt!
Buckingham.
Ik vrees, dit doet hij. Daar is Catesby weer.
(Catesby komt weder op.)
Nu, Catesby, wat is ’t antwoord van zijn hoogheid?
Catesby.
Hij staat verbaasd, waarom gij zulk een macht
Van burgers voor zijn slot verzameld hebt;
En daar dit niet vooraf hem werd gemeld,
Zoo ducht hij, dat gij weinig goeds bedoelt.
Buckingham.
Het doet mij leed, dat mijn doorluchte neef
Vermoedt, dat ik iets kwaads bedoelen kan.
Bij God, de reinste liefde voert ons hier!
Ga dus nog eens en zeg dit zijn genade.
(Catesby af).
Zijn vrome lieden aan hun rozenkrans,
Dan valt het zwaar, hen daarvan af te lokken;
Zoo zoet voor ’t hart is ijv’rig overpeinzen.
(Gloster verschijnt boven, op een balkon, tusschen twee bisschoppen. Catesby komt terug.)
Mayor.
Zie, zijn genade met twee heil’ge mannen!
Buckingham.
Twee deugdpilaren voor een christenvorst,
Beletsels, dat hem ijdelheid ten val brengt!
En in zijn hand, zie, een gebedenboek,
Echt sieraad, om een vromen man te kennen.
Plantagenet, roemruchtig, waardig vorst,
Verleen een gunstig oor aan ons verzoek,
En duid het storen van uw vromen ijver
En christ’lijke overdenking ons niet euvel.
Gloster.
Geen verontschuldiging, mylord, is noodig;
Ik vraag u, dat gij ’t mij niet euvel duidt,
Dat ik, verzonken in den dienst mijns Gods,
Gedraald heb met de ontvangst van mijne vrienden.
Maar nu, wat is ’t, dat uw genade wenscht?
Buckingham.
Iets, wat aan God en alle braven, hoop ik, 109
In dezen onbeheerden staat, behaagt.
Gloster.
Ik heb vermoeden, dat ik iets beging,
Wat in der burg’ren oogen onrecht is,
En dat gij mijn onachtzaamheid komt laken.
Buckingham.
Zoo is ’t, mylord; en mocht het u behagen,
Op onze beê ’t verzuim weer goed te maken!
Gloster.
Leef ik niet daarvoor in een christenland?
Buckingham.
Zoo weet dan, dit is uw verzuim: gij laat
Den hoogen stoel, den troon der majesteit,
De sceptervoering van uw voorgeslacht,
Uw rang door ’t lot, uw aanspraak door geboorte,
Den erfroem van uw koninklijken stam,
Aan de’ uitwas over van een valschen tak.
De zachtheid van uw domm’lige gedachten,
Die wij tot welzijn van het land hier wekken,
Berooft dit edel eiland van zijn leden;
Misvormd is zijn gelaat door schandemerken,
Zijn vorstenstam geënt met wilde rijzen,
Schier neergestort in de’ opgesperden afgrond
Der diepste en donkerste vergetelheid.
Om dit verderf te keeren, smeeken wij,
Dat uw genade zelf den last aanvaarde
En ’t koninklijk bewind in dit uw land,
Niet als protector, ruwaard, plaatsvervanger,
Als slaafsch bewerker van eens anders winst,
Neen, als ’t van lid tot lid aan u gekomen
Geboorterecht, uw eigen erf en rijk.
Dies kom ik, mij vereenend met de burgers,
Uw vrienden, die u eeren en beminnen,
En op hun vuur’gen drang, om uw genade
Voor ons en onze goede zaak te stemmen.
Gloster.
Ik weet niet, of stilzwijgend heen te gaan,
Of u met scherpe reed’nen te bestraffen,
Met mijnen rang en uwen staat best strookt;
Antwoord ik niet, misschien zoudt gij vermoeden,
Dat schuilende eerzucht, stom, bereid zich toont[245]
Om ’t gulden juk van ’t koningschap te dragen,
Waar gij mij dwaaslijk mee beladen wilt;
En doe ik u verwijten voor uw bede,
Die uwe trouwe liefde zoo mij kruidt,
Dan stoot ik mijne vrienden voor het hoofd.
Ik spreek dus, en ontga zoo de eerste klip;
Maar wil bij ’t spreken ook de tweede ontwijken;
En daarom zij mijn stellig antwoord dit:
Uw liefde is wis mijn dank waard; doch mijn waarde,
Verdienst’loos is ze, en schuwt uw hoog verlangen.
Vooreerst, ware ied’re hindernis gekapt
En heel de weg mij naar de kroon geëffend,—
Als waar’ gerijpt, wat mijn geboort’ mij schonk,—
Dan blijft mijns geestes armoê toch zoo groot,
En wat me ontbreekt zoo machtig en zoo veel,
Dat ik veel liever wegschuil voor mijn grootheid,—
Een boot mij wetend, die geen zee kan bouwen,—
Dan dat ik in mijn grootheid schuilen wil
En stikken in den nevel van mijn glorie. 164
Doch, Gode dank! gij hebt mij niet van noode;
En ’k ware in nood, hadt gij voor hulp mij noodig;—
De koningsboom liet koningsvrucht ons na,
Die, door den stillen gang des tijds gerijpt,
Der majesteit gestoelte eens sieren zal,
En wis door zijn bewind ons heil verzeek’ren.
Hem leg ik op, wat gij op mij wilt leggen,
Het recht en erfdeel van zijn goed gesternte;
En God verhoede, dat ik ’t hem ontrukk’!
Buckingham.
Mylord, dit toont een nauwgezet gemoed;
Doch uw bezwaren zijn gezocht en nietig,
Wanneer gij alles grondig overweegt,
Gij zeidet: Edward is uws broeders zoon;
Wij zeggen ’t ook,—maar niet van Edwards vrouw;
Want eerst was hij verloofd met lady Lucy,—
Uw moeder, die nog leeft, kan dit getuigen;—
En later werd hij ondertrouwd bij volmacht
Met Bona, zuster van den Franschen koning.
Die beiden schoof hij ras ter zij; er kwam
Een arme smeekelinge, een neergebogen,
Berooide moeder van verscheiden zoons;
En die bedrukte, half verlepte weduw,
Den middag van haar goeden tijd voorbij,
Verraste, boeide en won zijn dartel oog,
En bracht het hoogste streven van zijn geest
Tot diepen val en boozen dubbelecht.
Bij haar, in dat onwettig bed, verwekte
Hij Edward, uit beleefdheid prins genoemd.
Nog snijdender kon ik uw recht u toonen,
Doch uit ontzag voor enk’len, die nog leven,
Perk ik mijn tong verschoonend grenzen af.
Neem dus, mylord, thans voor uw vorstlijk hoofd
De waardigheid, die wij u bieden, aan,
Zoo niet om ons en heel het land te zeeg’nen.
Ten minste om de’ eed’len stam, waaruit gij sproot,
Die door ’t bedrog des tijds verbast’ren zou,
Zijn echten, rechten wasdom weer te geven.
Mayor.
Stem toe, mylord; uw burgers bidden ’t u.
Buckingham.
Wijs, hooge vorst, niet af, wat liefde u biedt.
Catesby.
Maak hen verheugd; verhoor hun wettig smeeken.
Gloster.
Ach, waarom dringt gij deze zorg mij op?
Ik deug niet voor vertoon en majesteit;—
Ik bid u, neemt het mij niet euvel af,
Ik kan en wil uw wenschen niet verhooren.
Buckingham.
Als gij niet wilt,—als uwe liefde huivert, 208
Dat kind, uws broeders zoon, de kroon te ontnemen,
Gelijk uws harten zachtheid ons bekend is,
Uw teed’re, weeke, vrouw’lijk zachte denkwijs,
Die gij voor uw verwanten,—’t bleek ons,—voedt,
Ja eveneens, voorwaar, voor alle standen,—
Zoo weet: of ge onzen wensch verhoort of niet,
Uws broeders zoon heerscht nimmer hier als vorst;
Wij planten iemand anders op den troon,
Tot smaad en ondergang van heel uw huis;
Met dit besluit verlaten wij u thans.
Komt, burgers, komt; bij God, ik smeek niet meer!
Gloster.
O vloek toch niet, mylord van Buckingham!
(Buckingham en de Lord-Mayor gaan heen, de Burgers volgen.)
Catesby.
Roep hen terug, geliefde prins, verhoor hen;
Wijst gij hen af, geheel het land zal boeten.
Gloster.
Wat dwingt gij mij een wereld op van zorgen?[246]
Roep hen terug; ik heb geen hart van steen,
Maar ben door vriendensmeeking te vermurwen,
(Catesby houdt de reeds vertrekkende burgers terug en gaat heen.)
Al zegg’ mijn ziel en mijn geweten neen.—
(Buckingham, de Lord-Mayor en de overigen komen terug, met Catesby.)
Mijn neef van Buckingham, en acht’bre mannen,
Wijl gij ’t geluk mij op de schouders gespt,
Om, of ik wil of niet, zijn last te dragen,
Moet ik me er onder buigen, met geduld;
Maar als nu zwarte laster, bitt’re smaad,
Ooit in ’t vervolg verschijnen van uw dwang,
Dan spreke uw noodzaak, die mij bukken deed,
Mij vrij van elke blaam en elke smet;
’t Is God bekend, en deels ziet gij het zelf,
Hoe ver van mij begeerte en eerzucht is.
Mayor.
God loon ’t u, heer! wij zien ’t, en zullen ’t zeggen.
Gloster.
En als gij ’t zegt, is ’t waarheid, wat gij zegt.
Buckingham.
Zoo groet ik thans u met uw koningsnaam:
Lang leve Richard, Eng’lands waardig koning!
Allen.
Amen!
Buckingham.
Behaagt het u, dat morgen ’t kronen volge?
Gloster.
Als ’t u behaagt: gij zijt het, die het wilt.
Buckingham.
Op morgen dus verzellen wij uw hoogheid;
En nemen afscheid met blijmoedig hart.
Gloster
(tot de Bisschoppen.) Komt, gaan wij weder aan ons heilig werk.—
Vaarwel, mijn neef;—vaartwel, mijn lieve vrienden!
(Allen af).