WeRead Powered by ReaderPub
Koning Richard de Derde cover

Koning Richard de Derde

Chapter 21: VIERDE BEDRIJF.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A historical tragedy follows an ambitious, physically marked noble who engineers betrayals, false prophecies, and murders to eliminate rivals and seize the throne. He manipulates marriages, courts, and personal loyalties through persuasive rhetoric and secret plots, turning allies into victims and sowing fear across the realm. As ominous portents and remorse begin to unsettle his hold, opposing factions coalesce. The drama concentrates on courtroom maneuvering, private conspiracies, and psychological torment, culminating in a decisive battle in which a returning challenger defeats him and ends his brief, violent rule.

[Inhoud]

VIERDE BEDRIJF.

[Inhoud]

EERSTE TOONEEL.

Voor den Tower.

Van de eene zijde komen op: Koningin Elizabeth, de Hertogin van York en de Markies van Dorset; van de andere zijde: Anna, hertogin van Gloster, met Clarence’s kleine dochter Margaretha Plantagenet, aan de hand.

Hertogin.

Wie zie ik daar? Plantagenet, mijn kleinkind,

En door moei Gloster bij de hand geleid!

Zoo waar ik leef, recht hart’lijk gaat zij daar

De jonge prinsen in den Tower bezoeken.—

Welkom, mijn dochter!

Anna.

Welkom, mijn dochter! God verleene u beiden

Een morgen, die geluk en vreugde u breng’!

Koningin Elizabeth.

U, goede zuster, ook! Waar gaat gij heen?

Anna.

Niet verder dan den Tower; en, naar ik gis,

Heeft uwe bedevaart hetzelfde doel:

Den lieven prinsen daar een groet te brengen.

Koningin Elizabeth.

Dank, lieve zuster; allen gaan wij saam. 11

(Brakenbury komt op.)

En juist van pas komt daar de commandant.—

Heer commandant, met uw verlof, ik bid u,

Hoe maakt de prins het en mijn kleine York?

Brakenbury.

Zeer goed, vorstin; maar, wil het mij vergeven.

Ik mag niet toestaan, dat gij hen bezoekt;

De koning heeft uitdrukk’lijk dit verboden.

Koningin Elizabeth.

De koning! wie?

Brakenbury.

Ik meen den Lord Protector.

Koningin Elizabeth.

Behoede God hem voor dien koningstitel!

Plaatst hij zich tusschen hunne liefde en mij?

Ik ben hun moeder; wie verspert hen mij?

Hertogin.

Ik ben huns vaders moeder; ’k wil hen zien.

Anna.

En ik hun moei, in liefde hun een moeder;

Laat mij dus binnen; ’k neem uw schuld op mij;

Ik schors u,—en ’t gevaar voor mijne reek’ning.

Brakenbury.

Neen, eed’le vrouw, ik neem geen schorsing aan;

Ik deed een eed er voor; vergeef mij dus.

(Brakenbury af.)

[247]

(Stanley komt op.)

Stanley.

Waar’ dit uur reeds verstreken, eed’le vrouwen,

Dan groette ik uw genâ van York als moeder

En leidsvrouw van twee schoone koninginnen.—

(Tot Anna.) Kom, eed’le vrouwe, haast u naar Westminster;

U wacht de kroon als Richards koningin. 33

Koningin Elizabeth.

O, snijd mijn keurslijf los;

Mijn hart, beklemd, wil ruimte voor zijn kloppen,

Of ik bezwijm bij zulk een moordend nieuws!

Anna.

O booze tijding! O onwelkom nieuws!

Dorset.

O kalmte!—moeder, spreek, hoe gaat het u?

Koningin Elizabeth.

O Dorset, spreek niet tot mij, spoed u heen;

Dood en verderf vervolgt u op de hiel;

Uw moeders naam is kind’ren tot een voorspook.

Wilt gij den dood ontgaan, vlucht over zee,

En ga tot Richmond, uit den greep der hel.

Ga, haast u, haast u, uit dit slachthuis voort,

Of gij vermeêrt het aantal hier der dooden,

En ’k sterf geboeid door Margaretha’s vloek:

„Geen moeder, vrouw, noch Eng’lands koningin!”

Stanley.

Vol wijze zorg is deze uw raad, vorstin.—

(Tot Dorset.) Gebruik het vluchtig voordeel van elk uur;

Ik schrijf aan mijnen zoon om uwentwil,

Zoodat hij onderweg u tegenkomt:

Laat u niet vangen door onzinnig toeven.

Hertogin.

O onheilzaaiend stormweer van ellende!—

O mijn gevloekte schoot, gij bed des doods;

Der wereld hebt ge een basilisk gebroed,

Wiens onontwijkbare oogstraal moordend is!

Stanley.

Kom nu, vorstin; men zond vol haast mij uit.

Anna.

En ik zal gaan, het hart vol tegenzin.—

O, gave God mij, dat de koningswrong

Van goud, die mij het hoofd omspannen moet,

Roodgloeiend ijzer ware en ’t brein mij zengde!

De zalf zij dood’lijk gif, opdat ik sterv’,

Eer iemand roepe: „Leev’ de koningin!”

Koningin Elizabeth.

Ga, arme ziel; uw glans benijd ik niet;

Wensch niet, tot troost voor mij, uzelve leed.

Anna.

Waarom? geen leed?—Toen hij, mijn gade thans,

Op mij, die ’t lijk van Hendrik volgde, toetrad,

Toen ’t bloed nauw van zijn handen was gewischt,

Het bloed diens engels, van mijn and’ren gade,

En van den heil’ge, dien ik weenend volgde,—

O, toen ik op ’t gelaat van Richard staarde,

Was dit mijn wensch: „Wees gij vervloekt, die mij,

Zoo jong, tot zulk een oude weduw maakt!

En zoo gij huwt, omware leed uw bed, 74

En zij uw vrouw,—is één ooit zoo verdwaasd,

Rampzaal’ger door uw leven, dan gij mij

Gemaakt hebt door den dood mijns dierb’ren gaden!”

En zie, eer ik den vloek herhalen kon,

In korter tijd nog, werd mijn vrouwehart

Plompweg gevangen door zijn honigwoorden,

Werd zelf het doelwit van mijn eigen vloek,

Die sinds mijn oogen alle rust ontroofde;

Want nooit, geen enkel uur, werd in zijn bed

De gulden dauw des zoeten slaaps mijn deel,

Of ik werd wakker door zijn bange droomen.

Daarbij, hij haat mij om mijn vader Warwick

En zal wis dra van mij ontslagen zijn.

Koningin Elizabeth.

Vaarwel, arm hart, uw klagen treft mij diep.

Anna.

Niet dieper, dan mijn ziel uw leed betreurt.

Dorset.

Vaarwel gij, die met smart uw glans begroet!

Anna.

Vaar, arme, wel, die afscheid er van neemt!

Hertogin

(tot Dorset.) Ga gij naar Richmond, goed geluk geleide u!—

(Tot Anna.) Ga gij naar Richard, eng’lengoedheid hoede u!

(Tot Koningin Elizabeth.) Ga naar uw vrijplaats, goede troost vervulle u!

Ik naar mijn graf, waar ik in vrede ruste;

’k Heb tachtig jaren leed en zorg gekend;

Elk uur van lust bracht weken van ellend!

Koningin Elizabeth.

Toef nog, zie met mij om en groet den Tower.—

Heb deernis, oud gebouw, met die twee kind’ren,

Die boosheid in uwe muren heeft geprangd!

Gij, ruwe wieg voor zulke lieve knapen![248]

Rotsharde voedster, somb’re speelgenoot

Voor teed’re prinsen, zorg voor mijne kleenen!

Zoo smeekt mijn dwaze smart tot uwe steenen.

(Allen af.)

[Inhoud]

TWEEDE TOONEEL.

Een staatsiezaal in het paleis.

Trompetgeschal. Richard, gekroond, Buckingham, Catesby, een Page, en Anderen komen op.

KONING RICHARD III.

Vierde Bedrijf, Tweede Tooneel.

Koning Richard.

Gij allen, gaat ter zij.—Neef Buckingham,—

Buckingham.

Mijn heer en vorst!

Koning Richard.

Reik mij de hand. (Richard beklimt den troon.) Door uwen raad, uw bijstand,

Is koning Richard nu zoo hoog gezeteld;

Maar zal nu deze glans ons slechts een dag,

Of zal hij ons door duurzaamheid verheugen?

Buckingham.

Hij leve steeds en blijve u immer bij.

Koning Richard.

O Buckingham, nu speel ik eens voor toetssteen,

En zie of gij van goud zijt, louter goud.—

Prins Edward leeft.—Raad, wat ik zeggen wil.

Buckingham.

Spreek verder, beste heer.

Koning Richard.

Nu, Buckingham, ik meen, ’k wil koning zijn.

Buckingham.

Dat zijt gij ook, mijn hooggeprezen heer.

Koning Richard.

Zoo, ben ik koning? Ja,—maar Edward leeft. 14

Buckingham.

Ja, edel vorst.

Koning Richard.

O bitter boos vervolg,

Dat: „Jeugdige Edward leeft.”—„Ja, edel vorst.”—

Neef, vroeger waart gij zoo stompzinnig niet;—

Moet ik het zeggen?—’k Wensch de bastaards dood;

En ik zou willen, dat het ras gedaan wierd.

Wat zegt gij nu? Spreek daad’lijk, zeg het kort.

Buckingham.

Uw hoogheid kan zijn welgevallen doen.

Koning Richard.

Hoe is ’t? gij zijt één ijs; uw vuur is koud.

Spreek, heb ik uw belofte, dat zij sterven?

Buckingham.

Geef mij een oogwenk lucht en rust, mijn vorst,

Aleer ik mij verklaar in deze zaak;

Ik zal u spoedig mijn besluit doen kennen.

(Buckingham af.)

Catesby

(ter zijde). De vorst is boos; hij bijt zich op de lip.

Koning Richard

(komt van zijn troon af.) ’k Wil narren om mij heen met ijz’ren brein,

En onbedachte knapen; niemand past mij,

Die met behoedzaam oog mijn hart doorvorscht.

Die Buckingham, die ’t hooge zoekt, wordt lastig.

Knaap!

Page.

Mijn vorst?

Koning Richard.

Weet gij niet iemand, wien verleid’lijk goud

Zou koopen voor een heim’lijk werk des doods?

Page.

Ik ken een ontevreden edelman,

Wiens armoê met zijn hoogmoed kwalijk strookt;

Geen twintig reed’naars roerden zoo zijn hart

Als goud, om hem tot alles te verlokken.

Koning Richard.

Hoe is zijn naam?

Page.

Hoe is zijn naam? Zijn naam, mylord, is Tyrrel.

Koning Richard.

Ik weet van hem. Ga, knaap, en haal hem hier.

(De Page af.)

De sluwe, diepe peinzer Buckingham

Zal niet meer bij mijn raadslag naast mij staan;

Bleef hij zoo lang mij onvermoeid ter zijde,

En hijgt hij nu naar adem?—Nu, het zij!—

(Stanley komt op.)

Gij daar, lord Stanley? wat voor nieuws? 45

Stanley.

Mijn genadig vorst,

De markgraaf Dorset, hoor ik, is gevlucht,

Tot Richmond, in de streken waar hij toeft.

Koning Richard.

Catesby, een woord. (Stanley treedt terug.)—Strooi uit bij ’t volk, dat Anna,

Mijn vrouw, gevaarlijk, zeer gevaarlijk, ziek is;

Ik zorg wel, dat zij buiten toegang blijft.

En spoor me een kalen jonker op, wien ik

Clarence’s dochter ras tot vrouw kan geven;—

De knaap beteekent niets, hem ducht ik niet.—

Hoe is het droomt gij?—’k Zeg nog eens verbreid,[249]

Dat Anna ziek is, en wel sterven zal;

Aan ’t werk! want ik moet zorgen, ied’re hoop,

Die door haar groei mij schaden kon, te rooien!—

(Catesby af.)

Mijns broeders dochter moet ik huwen, anders

Staat heel mijn koningschap op dun, broos glas.—

De zoons vermoorden, dan de dochter huwen?

Onzeek’re kans, ja; maar ik waadde in bloed

Zoo ver, dat zonde zonde baren moet.

Geen schreiend meêlij woont er in dit oog.—

(De Page komt terug met Tyrrel.)

Uw naam is Tyrrel?

Tyrrel.

James Tyrrel, uw gehoorzaamste onderdaan.

Koning Richard.

Zijt gij dit waarlijk?

Tyrrel.

Zijt gij dit waarlijk? Toets mij, groote vorst.

Koning Richard.

Sloegt gij wel een van mijne vrienden dood?

Tyrrel.

Als ’t u behaagt; twee vijanden nog liever.

Koning Richard.

Dat hebt gij juist getroffen. ’k Heb er twee,

Aartsvijanden, die slaap en rust mij rooven,

Die ’k wenschte, dat gij onder handen naamt;

Tyrrel, ik meen de bastaards in den Tower.

Tyrrel.

De toegang sta mij open, en weldra

Zijt gij van alle vrees voor hen bevrijd.

Koning Richard.

Dit klinkt mij als muziek. Kom nader, Tyrrel;

Ga, met dit teeken.—Sta nu op, en luister;

(Hij fluistert.)

Dat is ’t, niets meer;—bericht mij: ’t is gedaan,

En reken op mijn gunst en op bevord’ring.

Tyrrel.

Ik ga terstond aan ’t werk.

(Tyrrel af.)

(Buckingham komt op.)

Buckingham.

Mylord, ik heb die zaak eens overwogen,

Die vraag, waar gij mij over hebt gepolst.

Koning Richard.

Nu, laat dat.—Dorset is gevlucht naar Richmond.

Buckingham.

Dit hoor ik ook, mylord.

Koning Richard.

Stanley, hij is uw stiefzoon, geef wel acht. 90

Buckingham.

Mijn vorst, ik bid nu om het mij beloofde,

Waarvoor gij woord en eere hebt verpand,

Het graafschap Hereford en de tilb’re have,

Waarvan gij mij ’t bezit verzekerd hebt.

Koning Richard.

Let, Stanley, op uw vrouw; verzendt zij brieven

Aan Richmond, gij zijt er aanspraak’lijk voor.

Buckingham.

Wat zegt uw hoogheid op mijn billijk vragen?

Koning Richard.

Het staat mij voor,—Hendrik de Zesde heeft

Voorspeld, dat Richmond koning worden zou,

Toen Richmond nog een nietig knaapje was.

Koning!—wellicht—

Buckingham.

Mijn vorst,—

Koning Richard.

Vanwaar, dat die profeet niet zeggen kon,

Dat ik, die bij hem stond, hem dooden zou?

Buckingham.

Mijn vorst, het mij beloofde graafschap—

Koning Richard.

Richmond!—Ik was onlangs in Exeter;

Daar liet de burgemeester ’t slot mij zien,

En noemde ’t Rougemont; bij dien naam rilde ik,

Omdat een Iersche bard mij eens voorspelde,

Dat ik na ’t zien van Richmond veeg zou zijn.

Buckingham.

Mijn vorst,—

Koning Richard.

Nu ja, hoe laat is ’t?

Buckingham.

Ik waag het, uwe hoogheid te herinn’ren

Aan wat mij werd beloofd.

Koning Richard.

Nu goed; maar zeg, hoe laat?

Buckingham.

Nu goed; maar zeg, hoe laat? Op slag van tienen.

Koning Richard.

Goed, laat het slaan.

Buckingham.

Waarom dit: „Laat het slaan?”

Koning Richard.

Wijl tusschen mijn gedachten en uw beed’len

Uw slag steeds komt, als van een klokkeventje,

Ik ben in geen goedgeefsche luim vandaag.

Buckingham.

Zoo? Dan—verklaar mij, of gij wilt, of niet.

Koning Richard.

Gij hindert mij, ik heb geen milde bui.

(Koning Richard en Gevolg af.)

Buckingham.

Zoo, staat het zoo? betaalt hij al mijn diensten

Met zulk een hoon? maakte ik hem daarvoor koning?[250]

Ik spiegel mij aan Hastings; en ik snel,

Reeds veeg, naar Brecknock, eer de bijl mij vell’.

(Buckingham af.)

[Inhoud]

DERDE TOONEEL.

Aldaar.

Tyrrel komt op.

Tyrrel.

Het bloedig stuk, de gruwel is gepleegd,

De zwartste daad van deerniswaarden moord,

Waar ooit dit land de schuld van op zich laadde.

Dighton en Forrest, die ik had gehuurd

Voor dit meedoogenlooze slachterswerk,—

Ofschoon aartsschurken, honden heet naar bloed,

Zij smolten weg in teederheid en meêlij,

Als kind’ren, bij ’t verhaal huns droeven doods.

„O, zoo,” sprak Dighton, „lag het lieve paar,”

„Zoo, zoo,” sprak Forrest, „beide’ elkaâr omstreng’lend

Met hunne schuldelooze albasten armen,

De lippen als vier rozen ééner plant,

Die in haar zomerpracht elkander kusten;

’t Gebedenboek lag bij hen, op hun peluw;

Wat,” zeide Forrest, „schier mijn ziel bekeerde,

Maar, o, de duivel!”—plots’ling zweeg de schurk,

En Dighton sprak toen verder:—„Wij versmoorden

Het liefste meesterwerk, dat ooit natuur

Sinds de’ eersten dag der schepping had gevormd.”

Voort ijlden beiden vol gewetenswroeging;

Zij konden niet meer spreken; ’k liet hen gaan,

Om zelf den moord’naar-koning ’t nieuws te melden.

(Koning Richard komt op.)

Daar komt hij.—Alle heil, mijn heer en koning!

Koning Richard.

Vriend Tyrrel, maakt uw tijding mij gelukkig?

Tyrrel.

Wanneer ’t gedaan zijn van ’t gegeven werk

U, heer, gelukkig maakt, wees dan gelukkig;

Het is gedaan.

Koning Richard.

Gij zaagt toch zelf hen dood?

Tyrrel.

Ja, heer.

Koning Richard.

En ook begraven, beste Tyrrel?

Tyrrel.

De kapelaan des Towers heeft hen begraven,

En ’k weet, moet ik erkennen, zelf niet waar.

Koning Richard.

Kom tot mij, Tyrrel; spoedig, in de voornacht;

Dan moet gij mij vertellen, hoe zij stierven.

Bedenk ook, hoe ik u beloonen kan,

En wees weldra bezitter van uw wensch.

Vaarwel intusschen!

Tyrrel.

Vaarwel intusschen! Need’rig neem ik afscheid.

(Tyrrel af.)

Koning Richard.

Den zoon van Clarence heb ik opgekooid;

Zijn dochter uitgetrouwd in lagen stand; 37

In Abrams schoot zijn Edwards zoons ter rust;

En Anna zeî der wereld goede nacht.

Nu, daar ik weet, dat de Bretagner, Richmond,

Mijn jonge nicht Elizabeth wil eig’nen,

En door dien echtknoop vlamoogt op de kroon,

Ga ik tot haar, als flink, begeerlijk vrijer.

(Catesby komt op.)

Catesby.

Mijn vorst,—

Koning Richard.

Goed nieuws of slecht, dat gij zoo binnenstormt?

Catesby.

Slecht nieuws heer: Ely is gevlucht naar Richmond;

En Buckingham staat met de stoute knapen

Van Wales in ’t veld, en daag’lijks groeit zijn macht.

Koning Richard.

Ely bij Richmond wekt mij grooter zorg,

Dan Buckingham’s bijeengeraapte troep.

Kom! Dit heb ik geleerd, dat angstig wikken

De looden dienaar is van traag verzuim,

Verzuim slaktrage, macht’looze armoe brengt.

Daarom, wees gij mijn vleugel, vuur’ge spoed,

Wees mijn Mercuur, mijn bode, vol van gloed!—

Ga, monster volk; mijn schild zij kort beraad;

Staat oproer schrap, dan brenge kloekheid baat!

(Beiden af.)

[Inhoud]

VIERDE TOONEEL.

Voor den Tower.

Koningin Margaretha komt op.

Koningin Margaretha.

Zoo, nu toch wordt de voorspoed overrijp,[251]

En valt ras in den rotten muil des doods.

Ik heb in deze streken sluw geloerd,

Het tanen mijner vijanden bespied.

Een gruw’lijk voorspel zie ik opgevoerd,

En wil naar Frankrijk, hopend, dat, wat volgt,

Niet minder bitter, zwart en tragisch blijk’!

Ter zijde, onzaal’ge Margareet; wie komt daar?

(Zij gaat ter zijde.)

(Koningin Elizabeth en de Hertogin van York komen op.)

Koningin Elizabeth.

Mijn arme prinsen! ach mijn teed’re knapen!

O onontloken bloemen, geur’ge knoppen!

Indien, door eeuw’ge kluisters niet bekneld,

Uw lieve zielen door het luchtruim waren,

Zoo zweeft nu op uw luchtwiek om mij heen,

En hoort de weeklacht uwer moeder aan!

Koningin Margaretha

(ter zijde.) Omzweeft haar, zeggend: „Recht om recht”; dit bracht

Uw jongen daag’raad dood en eeuw’ge nacht.

Hertogin.

Zoo meen’ge ellende brak alreeds mijn stem,

Dat mijn van jammer moede tong verstomde;—

Edward Plantagenet, waartoe uw dood? 19

Koningin Margaretha

(ter zijde). Plantagenet boet voor Plantagenet,

Edward voor Edwards dood naar recht en wet.

Koningin Elizabeth.

Wijkt gij, o God, van zulke teed’re lamm’ren,

En werpt hen in de kaken van den wolf?

Riep zulk een moord ooit vrucht’loos tot uw troon?

Koningin Margaretha

(ter zijde). Toen Hendrik stierf en mijn geliefde zoon.

Hertogin.

Dood leven, blind gezicht, gij schim, die leeft,

Weeschouwspel, smaad der aard, aan ’t graf door ’t leven

Onthouden, kort begrip van lange smart,

Uw onrust ruste op Eng’lands trouwen grond,

Trouwloos gedrenkt, verzaad van schuldloos bloed!

(Zij zet zich neder.)

Koningin Elizabeth.

O, wildet gij zoo ras me een graf verstrekken,

Als gij me een weemoedvollen zetel biedt,

’k Zou mijn gebeent’ hier bergen, niet doen rusten!

O, wie heeft grond tot treuren, buiten ons?

(Zij zet zich nevens haar.)

Koningin Margaretha

(te voorschijn tredend). Zoo ’t oudste leed het meest eerwaardig is,

Zoo gunt aan ’t mijne ’t recht van de’ ouderdom,

En aan mijn somb’re smart den eere zetel.

(Zij zet zich tusschen haar.)

Als leed gezelschap duldt, zoo tel op nieuw

Uw weeën door ’t aanschouwen van de mijne:—

Ik had een Edward, tot hem Richard doodde;

Ik had een Hendrik, tot hem Richard doodde;

Gij hadt een Edward, tot hem Richard doodde;

Gij hadt een Richard, tot hem Richard doodde.

Hertogin.

Ik had een Richard ook, tot gij hem dooddet;

Ik had een Rutland ook; gij hielpt hem dooden.

Koningin Margaretha.

Gij hadt een Clarence ook, dien Richard doodde.

Aan de spelonk van uwen schoot ontwrong zich

Een helhond, die ons allen jaagt, ten doode;

Dien hond, die eer dan oogen tanden had

Tot lamm’renmoord en ’t lepp’ren van hun bloed,—

Dien boozen schender van Gods handenwerk,

Der wereld stouten aartstyran, die troont

In oogen, stuk gewreven, dof van ’t weenen,—

Dien slaakte uw schoot, om ons naar ’t graf te drijven.—

O, alvergelder, o rechtvaardig God,

Hoe dank ik u, dat dit bloeddorstig ondier

Op ’t lijflijk kroost nu van zijn moeder aast,

Aan and’rer weeklacht hare klachten paart!

Hertogin.

O Hendriks gade, juich niet in mijn wee;

Getuige ’t God, ik heb geweend om ’t uwe.

Koningin Margaretha.

Vergeef het mij: mij hongert steeds naar wraak,

En nu verzaad ik mij door ze aan te zien.

Uw Edward stierf, die mijnen Edward doodde;

Uw andere Edward stierf, voor mijnen Edward;

De kleine York is toegift, wijl die twee

Mijns dooden hooge waarde niet bereikten. 66

Uw Clarence stierf, die mijnen Edward doodde;

En zij, die dit dolzinnig werk aanschouwden,

De echtbreker Hastings, Rivers, Vaughan, Grey,

Zijn voor hun tijd versmoord in ’t donker graf.

Slechts Richard leeft, der helle zwarte speurhond,

Gespaard, opdat hij haar als maak’laar zielen[252]

Inkoop’ en toezend’, maar welras, welras,

Genaakt zijn eind, beklaag’lijk, onbeklaagd;

De aard gaapt, de hel vlamt op, de duiv’len brullen,

De heil’gen bidden: „Plots’ling vaar’ hij heen!”

Verscheur zijn levensbrief, o God! dit smeek ik,

Dat ik ’t beleve en zegg’: „De hond is dood!”

Koningin Elizabeth.

Gij hebt voorspeld, ja, eenmaal wenschte ik nog

U naast mij, om mij die gezwollen giftspin,

Die booze bultpad mee te helpen vloeken.

Koningin Margaretha.

Ik noemde u ijd’len glans van mijne grootheid,

Een vorstenbeeltnis, een armzaalge schim,

Een flauwe spieg’ling van wat ik eens was,

Het lokkend voorspel van een schrikvertooning,

Een, hoog verheven voor een diepen val,

Een moeder, met twee schoone zoons bedot,

Een droom van wat gij waart, een bonte vlag,

Om ’t doel te zijn van ieder dreigend schot,

Een glanzend schild, een ademtocht, een zeepbel,

Strookoningin, slechts om ’t tooneel te vullen.

Waar is uw gade thans? waar zijn uw broeders?

Waar uw twee zonen? waar thans uw geluk?

Wie smeekt en knielt en zegt: „Heil, koningin”?

Waar zijn uw vleiers, die gebogen pairs?

Waar is die dichte stoet, die u omgaf?

Houd dit u voor, en vraag: Wat ben ìk nu?

Voor fiere gade,—diepgebogen weduw;

Voor blijde moeder,—jamm’rend om dien naam;

Voor toegesmeekte,—zelve need’rig smeekend;

Voor koningin,—met ramp gekroonde schooister;

Voor een, vol hoon voor mij,—door mij gehoond;

Voor een, gevreesd van elk,—vol vrees voor één;

Voor algebiedend,—door niet één gehoorzaamd.

Zoo is de loop van ’t recht geheel gedraaid,

En laat u aan den tijd geheel ten prooi;

U bleef slechts de gedachte aan wat gij waart,

Die dubbel kwelt, wijl gìj zijt wàt gij zijt.

Mijn plaats naamt gij voor u;—en naamt gij niet

’t Gerechte deel voor u van mijnen rouw?

Half draagt uw trotsche nek alsnu mijn juk;

Doch hier wring ik het moede hoofd er uit

En laat zijn last in al zijn zwaarte op u.

(Zij rijst op.)

Vaarwel, York’s gade, koningin der smart;

In Frankrijk laav’ dit Engelsch wee mijn hart!

(Koningin Elizabeth en de Hertogin van York rijzen op.)

Koningin Elizabeth.

O gij, in ’t vloeken meesteres, o toef,

En leer ook mij, mijn vijanden te vloeken! 117

Koningin Margaretha.

Ontzeg u ’s nachts den slaap, en vast bij dag;

Stel naast uw levend wee uw dood geluk;

Denk uwe kinderen schooner dan zij waren,

En die hen moordde, snooder dan hij is;

Vergroot uw smaad, dit zal uw haat vermeêren,

En ’t eeuwig wrokken zal u vloeken leeren.

Koningin Elizabeth.

Mijn taal is stomp; o, dat haar de uwe scherpe!

Koningin Margaretha.

Haar wette uw leed, tot ze als de mijne snerpe!

(Koningin Margaretha af.)

Hertogin.

Waarom moet jammer rijk in woorden zijn?

Koningin Elizabeth.

Wind-pleitbezorgers van het leed, hun klager,

Lucht-erven zijn ’t van arm gestorven vreugd,

Zucht-reed’naars zijn ’t van namelooze ellend!

Maar geef hun lucht; al kunnen ze ook de smart

Niet delgen, toch verlichten zij het hart.

Hertogin.

Is ’t zoo, dan geen bedwang; maar kom, ga mede

En smoren we in een storm van bitt’re woorden

Mijn vloekb’ren zoon, die uw twee kleinen smoorde!

(Trompetgeschal achter het tooneel.)

’t Is zijn trompet; kom, geef uw woede lucht!

(Koning Richard komt op, met marcheerende troepen.)

Koning Richard.

Wie treedt mij te gemoet en stremt mijn tocht?

Hertogin.

Zij, die voor goed uw loop had kunnen stremmen,

De slachtersdaden, schurk, die gij volbracht,

Door u te worgen in haar onheilsschoot.

[253]

Koningin Elizabeth.

Omhult gij ’t voorhoofd met een gouden kroon,

Waar, zoo recht recht was, ingebrand moest zijn

De moord der prinsen, wien die kroon behoorde,

En mijner zoons en broeders gruweldood?

Spreek! zeg mij, lage slaaf, waar zijn mijn kind’ren?

Hertogin.

Gij pad, gij pad, waar is uw broeder Clarence,

En Ned Plantagenet, zijn kleine zoon?

Koningin Elizabeth.

Waar is de wakk’re Rivers, Vaughan, Grey?

Hertogin.

Waar is de goede Hastings?

Koning Richard.

Trompetten, schalt, en trommen, slaat alarm!

De hemel hoore ’t niet, hoe die klappeien

Hier Gods gezalfde last’ren. Trommelt, zeg ik!—

(Trompetgeschal, Tromgeroffel.)

Weest kalm, gij beiden, spreekt mij vleiend toe,

Of in het woeste krijgsrumoer versmoor ik

Aldus de kreten van uw woeste drift. 153

Hertogin.

Zijt gij mij zoon?

Koning Richard.

Ja, dank zij Gode en u en mijnen vader.

Hertogin.

Zoo hoor mijn ongeduld geduldig aan.

Koning Richard.

Ik heb dien trek van uw geaardheid, moeder,

Dat ik den toon van fel verwijt niet duld.

Hertogin.

O, laat mij spreken!

Koning Richard.

O, laat mij spreken! ’t Zij; ik hoor niet toe.

Hertogin.

’k Wil in mijn woorden zacht en vriend’lijk zijn.

Koning Richard.

En, lieve moeder, kort, want ik heb haast.

Hertogin.

Gij zooveel haast? ik heb op u gewacht,

Bij God, in mart’ling en in angst des doods.

Koning Richard.

En kwam ik niet in ’t eind om u te troosten?

Hertogin.

Neen, bij het heilig kruis, gij weet te wel,

Sinds gij op aard zijt, werd mij de aard een hel.

Zwaar, schier ondraaglijk was mij uw geboorte

Uw kindsheid was weerbarstig en vol luim;

Uw schooltijd wild en woest, verschrikkend, roekloos;

Uw jong’lingschap vermetel, stout en waagziek;

Uw rijper leeftijd trotsch, fijn, sluw, bloeddorstig,

Min woest, maar boozer, zacht bij fellen haat.

Kunt gij een enkel rustig uur mij noemen,

Waarin uw bijzijn mij verkwikking bracht?

Koning Richard.

Geen, dan misschien dat morgenuur, dat eens

U van mijn bijzijn afriep naar ’t ontbijt.

Is u het zien van mij zoo onverkwikk’lijk,

Dan trekke ik voort en geev’ geen ergernis.—

Gij, roert de trommen!

Hertogin.

Gij, roert de trommen! ’k Bid u, hoor mij spreken.

Koning Richard.

Te bitter spreekt gij.

Hertogin.

Te bitter spreekt gij. Hoor een enkel woord,

Want nimmer zal ik weder tot u spreken.

Koning Richard.

Nu!

Hertogin.

Of gij zult sterven door Gods raadsbesluit,

Eer ge als verwinnaar keert uit dezen krijg;

Of ik bezwijk van smart en hoogen leeftijd,

En nimmer zie ik uw gelaat terug.

Neem daarom mijnen zwaarsten vloek met u;

Hij drukke in de ure van ’t gevecht u meer

Dan heel de wapenrusting, die gij draagt!

Mijn beden strijden voor uw tegenstanders;

En Edwards kind’ren, hunne zieltjes, fluist’ren,

Uw vijand moed, vertrouwen in het hart,

En zeggen hem geluk en zege toe.

Bloed is uw lust, in ’t eind zij uw bloed uw straf;

Volgt smaad u thans, hij volge u ook in ’t graf.

(De Hertogin af.)

Koningin Elizabeth.

Veel meerder grond, doch minder kracht tot vloeken

Viel mij ten deel; ’k zeg Amen op haar taal.

(Zij wil heengaan.)

Koning Richard.

Toef, eed’le vrouw, ik heb met u te spreken. 198

Koningin Elizabeth.

Ik heb geen koningszoons ter slachting meer,

En mijne dochters, Richard, zullen bidden

Als nonnen, niet als koninginnen weenen;

En daarom kies haar leven niet tot wit.

Koning Richard.

Een dochter hebt ge, Elizabeth bij name,

Schoon, deugdrijk, waardig koningin te zijn.

Koningin Elizabeth.

En brengt haar dit den dood? O, laat haar leven;[254]

’k Wil zelf haar deugden, al haar schoon verderven,

Mijzelve, als Edwards bed ontrouw, belast’ren,

Den sluier der onteering op haar werpen;

’k Wil, zoo de moord haar leven slechts ontziet,

Verklaren: Edwards bloed is ’t hare niet.

Koning Richard.

Ontzie haar bloed; zij is een koningskind.

Koningin Elizabeth.

Dit wil ik looch’nen, red ik zoo haar leven.

Koning Richard.

Haar bloed is ’t, wat het best haar leven hoedt.

Koningin Elizabeth.

Die hoede was ’t, waarom haar broeders stierven.

Koning Richard.

Een booze ster beheerschte hun geboorte.

Koningin Elizabeth.

Hun leven, neen, beheerschten booze vrienden.

Koning Richard.

Niet af te wenden is de wil van ’t lot.

Koningin Elizabeth.

Zoo ’t lot berust bij wie van God zich wendden.

Een schooner dood waar’ mijn kind’ren lot,

Had God met schooner leven u gezegend.

Koning Richard.

’t Is, alsof ik uw schapen ’t leven nam.

Koningin Elizabeth.

Ja, herder, gij ontnaamt dien lamm’ren alles,

Geluk en kroon, verwanten, vrijheid, leven.

Wiens hand hun teed’re harten hebb’ gespietst,

Uw hoofd gaf in ’t geheim de richting aan.

Voorzeker, ’t moordend mes was bot en stomp,

Totdat het, op uw kiezelhart gewet,

In de ingewanden van mijn lamm’ren woelde.

Wierd door gewoonte wilde smart niet mak,

Ik zou mijn knaapjes voor uw oor niet noemen,

Dan met mijn nagels ank’rend in uw oogen,

En zoo, in zulk een baai van wissen dood,

Gelijk een boot, beroofd van zeil en want,

Mij op de rots verplett’rend van uw borst.

Koning Richard.

Zoo waarlijk, vrouwe, krone mij ’t geluk 235

Bij ’t bloedig wapenspel van dezen krijgstocht,

Als ik aan u en de uwen goed wil doen,

Meer dan ik u en de uwen leed deed lijden!

Koningin Elizabeth.

Wat goed, door ’s hemels aangezicht bedekt,

Is nog te ontdekken, dat mij goed kan doen?

Koning Richard.

Verhooging van uw kind’ren, eed’le vrouwe.

Koningin Elizabeth.

O, op ’t schavot, om ’t hoofd er te verliezen?

Koning Richard.

Neen, tot den hoogsten trap van rang en eer,

Het hooge heerschersmerk van aardsche grootheid.

Koningin Elizabeth.

Zoo meld het mij en vlei aldus mijn smart;

En zeg, wat rang, wat eer, wat waardigheid

Kunt gij aan een van mijne kind’ren schenken?

Koning Richard.

Al wat het mijne is, ja mijzelven, alles;

Dit zij mijn gave aan een van uwe kind’ren,

Zoo ge in de Lethe van uw toornend hart

De droevige overpeinzing wilt verdrinken

Van ’t leed, dat ik naar uwen waan u bracht.

Koningin Elizabeth.

Wees kort, opdat de ontvouwing van uw weldaad

Niet langer dure dan uw weldoen zelf.

Koning Richard.

Zoo weet: ik min tot stervens toe uw dochter.

Koningin Elizabeth.

Mijn dochters moeder denkt: tot stervens toe.

Koning Richard.

Wat denkt gij dan?

Koningin Elizabeth.

Dat gij tot stervens toe mijn dochter mint;

Zoo mindet gij tot stervens toe haar broeders,

En hiervoor dank ik u tot stervens toe.

Koning Richard.

Misduid mijn meening niet door uwe drift;

Ik meen: tot stervens toe min ik uw dochter,

En wil haar koningin doen zijn van Eng’land.

Koningin Elizabeth.

En wie dan, wilt gij, zal haar koning zijn?

Koning Richard.

Die haar tot koningin verheft, wie anders?

Koningin Elizabeth.

Wat, gij?

Koning Richard.

Ikzelf, en wat denkt gij er van?

Koningin Elizabeth.

En hoe wilt gij haar winnen?

Koning Richard.

Hiertoe vraag ik

Van u thans raad: gij kent het best haar aard.

Koningin Elizabeth.

En dus, gij wenscht mijn raad?

Koning Richard.

Van harte gaarne. 270

[255]

Koningin Elizabeth.

Zend haar door hem, die eens haar broeders doodde,

Twee jonge harten, bloedend; grif daarop

„Edward” en „York”: moog’lijk weent zij dan;

Schenk daarom haar,—zooals eens Margaretha

’t Aan uwen vader deed met Rutland’s bloed,—

Een doek, die—meld haar dit,—het purpersap

Uit harer lieve broeders wonden zoog,

En zeg, dat zij daarmee haar oogen wissche.

Zoo die verlokking nog haar hart niet wint,

Zend dan een lijst van al uw eed’le daden:

Meld, hoe gij van haar ooms, van Clarence, Rivers,

U hebt ontslagen, ja, om harentwil,

Anna, haar goede moei, van kant geholpen.

Koning Richard.

Nu spot gij, vrouwe; dit is niet de weg

Om haar te winnen.

Koningin Elizabeth.

Dit is de een’ge weg;

Tenzij ge een ander wezen aan kunt doen,

Een ander zijn dan Richard, die dit deed.

Koning Richard.

En zoo ik alles deed uit min tot haar?

Koningin Elizabeth.

Dan is haar eenig antwoord, u te haten,

Die liefde koopt met zulk een schat van bloed.

Koning Richard.

Zie, ’t eens gedane is niet meer te herdoen;

De mensch gaat somtijds overijld te werk,

Zoodat zijn doen in later uur hem rouwt;

Heb ik uw zoons het koningschap ontroofd,

Ik wil ten zoen het aan uw dochter geven.

Heb ik het kroost van uwen schoot gedood,

’k Wil, ter vermeerd’ring uws geslachts, mij kroost

Uit uw bloed bij uw dochter mij verwekken.

Grootmoeder heeten is schier even zoet

Als de betoov’ring van den moedernaam;

De kind’ren zijn slechts ééne trede lager,

Maar van uw eigen merg, uw eigen bloed;

Gelijk in zorg,—slechts in die weenacht niet,

Die zìj doorstaat, voor wie gij ’t zelfde leedt.

Uw kind’ren waren uwer jeugd een plaag,

De mijne worden uwer grijsheid troost.

Verloort gij ook een zoon, die koning was,

Thans wordt daarvoor uw dochter koningin.

Ik kan u niet hergeven wat ik wilde,

Aanvaard dus, wat mijn goedheid bieden kan.

Dorset, uw zoon, die met beangst gemoed

Misnoegde schreden zet op vreemden grond,

Wordt door dit schoon verbond welras naar huis,

Tot hoogen rang en groote gunst geroepen;

De koning, die uw lieflijk kind zijn „vrouw” noemt,

Noemt dan vertrouw’lijk uwen Dorset „broeder”;

Gijzelf wordt weder moeder van een koning,

En elke schâ der bange tijden wordt

Vergoed door dubb’le schatten van geluk.

O, wij beleven nog wel goede dagen! 320

De held’re droppen, die gij hebt geschreid,

Zij komen weer, vervormd tot blanke parels,

Den inzet u vergoedend door de rente

Van tienmaal dubbele aanwinst in geluk.

Ga dus, mijn moeder, ga tot uwe dochter;

Sterk door uw rijp’ren geest haar schucht’re jeugd;

Bereid haar ooren voor eens minnaars kout;

Stort in haar teeder hart den stouten gloed

Naar gulden oppermacht; spreek tot uw kind

Van ’t huwlijksheil in zoete, heimlijke uren;

En als mijn arm dien kleinen oproerling,

Dien dolkop Buckingham, getuchtigd heeft,

Dan kom ik, met het zegeloof bekranst,

En voer uw kind naar ’t bed eens overwinnaars’.

Haar bied ik dan mijn krijgsbuit; zij alleen

Zal overwinnares zijn, Cæsar’s Cæsar.

Koningin Elizabeth.

Hoe druk ik best mij uit? Haars vaders broeder

Wil haar gemaal zijn? Of is ’t beter: oom?

Of wel, de moordenaar van haar ooms en broeders?

Met welken titel doe ik voor u aanzoek,

Dien God, de wet, mijn eer en hare liefde

Aanlokk’lijk maken voor haar teed’re jeugd?

Koning Richard.

Wijs haar op Eng’lands vreê door dezen echt.

Koningin Elizabeth.

Een vreê, dien zij met eeuw’gen oorlog koopt.

Koning Richard.

Zeg haar, de koning, die kon eischen, smeekt.

Koningin Elizabeth.

Wat aller vorsten opperkoning wraakt.

Koning Richard.

Zeg, zij wordt groot en machtig, koningin.

Koningin Elizabeth.

En schreit dra om dien titel, als haar moeder.

Koning Richard.

Zeg, dat ik haar mijn eeuw’ge liefde wijd.

Koningin Elizabeth.

Zeg mij, hoe lang die eeuwigheid zal duren.

[256]

Koning Richard.

Zoolang haar lieflijk bloeiend leven duurt.

Koningin Elizabeth.

Maar hoe lang zal haar bloei en leven duren?

Koning Richard.

Zoolang natuur en hemel het geheugt.

Koningin Elizabeth.

Zoolang het Richard en de hel behaagt.

Koning Richard.

Zeg: ik, haar heer, ik word haar onderdaan.

Koningin Elizabeth.

Die heerschappij is de onderdane een gruwel.

Koning Richard.

Bepleit welsprekend mijne zaak bij haar.

Koningin Elizabeth.

’t Eenvoudigst woord wint best een goede zaak.

Koning Richard.

Spreek dan tot haar eenvoudig van mijn liefde. 359

Koningin Elizabeth.

Eenvoudig en niet goed klinkt al te ruw.

Koning Richard.

Uw reed’nen zijn niet grondig, zonder kalmte.

Koningin Elizabeth.

Kalm, grondig zijn mijn reed’nen, dood en diep;—

Ja; dood en diep, in ’t graf, mijn arme kind’ren.

Koning Richard.

Roer die snaar niet meer aan, dat is voorbij.

Koningin Elizabeth.

Ik roer die aan, tot hartesnaren springen.

Koning Richard.

Bij mijn Sint George, kouseband en kroon—

Koningin Elizabeth.

Ontwijd, onteerd, de derde vuig geroofd.

Koning Richard.

Zweer ik,—

Koningin Elizabeth.

Bij niets,—ja, want dit is geen eed.

Uw George, ontwijd, verloor zijn heilige eer,

Uw kouseband, bevlekt, zijn ridderdeugd,

Uw kroon, geroofd, haar koninklijken glans.

Wilt gij een eed doen, die geloof verwerft,

Zoo zweer bij iets, nog niet door u gekrenkt.

Koning Richard.

Dan, bij mijzelf,—

Koningin Elizabeth.

Geschandvlekt door uzelf;

Koning Richard.

Welnu, bij de aard,—

Koningin Elizabeth.

Welnu, bij de aard,— Vervuld van uwe gruw’len;

Koning Richard.

Mijns vaders dood,—

Koningin Elizabeth.

Mijns vaders dood,— Bezoedeld door uw leven;

Koning Richard.

Nu dan, bij God,—

Koningin Elizabeth.

Nu dan, bij God,— Gods krenking is de zwaarste.

Hadt gij geschuwd een eed bij hem te breken,

Die eendracht, die de vorst, uw broeder, stichtte,

Ware onverstoord, mijn broeder leefde nog.

Hadt gij geschuwd een eed bij hem te breken,

Het koningsgoud, dat thans uw hoofd omspant

Het sierde nu mijn kind de teed’re slapen;

En beide prinsen waren aad’mend hier,

Die nu, in ’t stof twee teed’re bedgenooten,

Der wormen buit door uwe trouwbreuk zijn.

Waar kunt gij nog bij zweren?

Koning Richard.

Waar kunt gij nog bij zweren? Bij de toekomst.

Koningin Elizabeth.

Die hebt gij in ’t verleden reeds gekrenkt.

In tranen moet ik zelf de toekomst wasschen,

Om dat voor u zoo diep gekrenkt verleden.

Hoe menig kind, wier ouders gij vermoorddet,

Leeft zonder tucht, en zal dit, oud, bejamm’ren!

Hoe menig ouder, die zijn kroost zag slachten,

Als dorre stam, en zal dit, oud, bejamm’ren!

Zweer bij de toekomst niet; zij is ontwijd

Door uw verleden, boos besteden tijd. 396

Koning Richard.

Zoo waar ’t mij rouwt en ik geluk begeer,

Zoo waarlijk slage ik in het hach’lijk spel

Des feilen krijgs!—Verderve ikzelf mijzelven!

Geen blijde stond gunn’ God mij of ’t geluk!

Onthoud mij, dag, uw licht, gij, nacht, uw rust!

Bestrijdt, gij heilgesternten, al mijn doen,

Indien ik niet, met echte trouw des harten,

Met vlekk’looze’ eerbied, heilige gedachten,

Naar uwe schoone vorstendochter ding!

Op haar berust heel mijn en uw geluk,—

En zonder haar volgt voor mijzelf en u,

Voor haar, dit land en meen’ge christenziel,

Dood, ondergang, verderf, vernietiging.

Het is niet af te wenden, enkel zoo;

Het wordt niet afgewend dan enkel zoo.

Dus, lieve moeder,—zoo moet ik u noemen,—

Wees zaakverzorgster mijner liefde. Stel

Haar voor, wat ik zijn wil, niet wat ik was,

Niet wat ik heb verdiend, maar zal verdienen;

Leg nadruk op den stand en eisch des tijds,

En wees bij groote plannen niet kleingeestig.

[257]

Koningin Elizabeth.

Hoe! mag de duivel mij aldus verzoeken?

Koning Richard.

Ja, zoo de duivel u verzoekt ten goede.

Koningin Elizabeth.

Mag ik mijzelf en wie ik ben vergeten?

Koning Richard.

Ja, zoo het denken aan uzelf u schaadt.

Koningin Elizabeth.

Maar toch,—gij bracht mijn kind’ren om.

Koning Richard.

In uwer dochter schoot begraaf ik hen;

Daar, in dat feniksnest, verwekken zij

Op nieuw zichzelf, tot nieuwen troost voor u.

Koningin Elizabeth.

Moet ik mijn dochter voor uw wensch gaan winnen?

Koning Richard.

En door dat doen weer blijde moeder zijn.

Koningin Elizabeth.

Ik ga;—zend spoedig mij een schrijven toe,

En ìk meld u, hoe zij er over denkt.

Koning Richard.

Breng haar mijn kus vol liefde, en nu vaarwel!

(Hij kust haar. Koningin Elizabeth af.)

Toegeeflijk dwaashoofd! wank’le zwakke vrouw!

(Ratcliff komt op, gevolgd door Catesby.)

Wat nu? wat meldt gij?

Ratcliff.

Grootmachtig heer en vorst, een sterke vloot

Kruist op de westkust; naar het zeestrand vloeien,

Ja, vrienden, maar holhartig, onbetrouwbaar,

En wapenloos, tot afslaan niet besloten.

Er wordt vermoed, dat Richmond vlootvoogd is;

Zij dobb’ren daar en wachten slechts de hulp

Van Buckingham om voet aan wal te zetten.

Koning Richard.

Een wakk’re vriend ijl’ vlug tot hertog Norfolk;— 440

Gij Ratcliff,—ja, of Catesby; waar is Catesby?

Catesby.

Hier, beste Heer.

Koning Richard.

Vlieg naar den hertog, Catesby.

Catesby.

Terstond, mijn vorst, met allen denkb’ren spoed.

Koning Richard.

Ratcliff, kom hier; gij jaagt naar Salisbury;

Als gij daar aankomt,—(Tot Catesby.) Domme, trage vlegel,

Wat toeft gij hier en ijlt niet tot den hertog?

Catesby.

Doorluchtig heer, gelief mij eerst te melden,

Wat last ik van uw hoogheid brengen moet.

Koning Richard.

’t Is waar, mijn goede Catesby;—daad’lijk breng’ hij

De grootste macht te zamen, die hij kan,

En koom’ terstond tot mij naar Salisbury.

Catesby.

Ik ga.

(Catesby af.)

Ratcliff.

En wat doe ik in Salisbury, mijn vorst?

Koning Richard.

Wel, wat zoudt gij er doen, voor ik er ben?

Ratcliff.

Ik moest, mijn vorst, er vóór u heen, met spoed.

(Stanley komt op.)

Koning Richard.

’k Heb mij bedacht.—Gij, Stanley, spreek, wat meldt gij?

Stanley.

’t Is heer, zoo goed niet, dat gij ’t gaarne hoort,

Maar ook zoo slecht niet of het is te melden.

Koning Richard.

Zie eens, een raadsel! ’t is nòch goed nòch slecht?

Wat loopt gij zooveel mijlen om en rond,

En gaat niet recht naar ’t doel en meldt uw nieuws?

Nog eens, wat is er?

Stanley.

Nog eens, wat is er? Richmond is op zee.

Koning Richard.

Dat hij er zinke en hem de zee bedekke!

Die laffe vagebond, wat doet hij daar?

Stanley.

Ik weet het niet, mijn vorst, en kan slechts gissen.

Koning Richard.

Wat gist gij dan?

Stanley.

Gestijfd door Dorset, Buckingham en Ely,

Komt hij naar Eng’land en verlangt de kroon.

Koning Richard.

Is dan de troon ontruimd? het zwaard gebroken? 470

De koning dood? het koninkrijk verweesd?

Wie anders is York’s erfgenaam, dan ik?

Wie anders koning, dan York’s erfgenaam?

Spreek, zeg mij nu, waartoe is hij op zee?

Stanley.

Is ’t hierom niet, mijn vorst, dan weet ik ’t niet.

Koning Richard.

Is ’t hierom niet, dat hij uw koning worde,[258]

Dan weet gij niet, waartoe die schooier komt.

Uw plan is vlucht tot hem, is afval, vrees ik.

Stanley.

Neen, beste vorst; daarom; mistrouw mij niet.

Koning Richard.

Waar is uw volk dan, om hem af te slaan?

Waar zijn uw onderhoor’gen, uw vazallen?

Niet waar, zij zijn in ’t westen, op de kust,

En dekken daar de ontscheping der rebellen?

Stanley.

Neen, beste vorst, mijn vrienden staan in ’t noorden.

Koning Richard.

Uw vrienden, koud voor mij! wat doen ze in ’t noorden,

Terwijl hun vorst in ’t westen hen behoeft?

Stanley.

Zij werden niet ontboden, machtig koning.

Gelieft uw hoogheid oorlof mij te geven,

Dan monster ik mijn volk en kom tot u,

Zoodra en waar uw hoogheid het verlangt.

Koning Richard.

Ja, ja, weg wilt ge, en u bij Richmond voegen;

Maar ik vertrouw u niet.

Stanley.

Maar ik vertrouw u niet. Grootmachtig vorst,

Gij hebt geen grond om aan mijn trouw te twijf’len.

Nooit was ik valsch, en zal het nimmer zijn.

Koning Richard.

Ga dan en monster volk; maar laat uw zoon,

Uw George, hier; zorg, dat uw hart niet wanke,

Want anders staat zijn hoofd niet al te vast.

Stanley.

Behandel hem, zooals mijn trouw u blijkt.

(Stanley af.)

(Een bode komt op.)

Bode.

Genadig heer en vorst, in Devonshire

Staan, naar ik zeker van mijn vrienden hoor,

Sir Edward Courtney en de trotsche kerkvoogd,

Bisschop van Exeter, zijn oudste broeder,

Met vele bondgenooten, in het veld.

(Een tweede Bode komt op.)

Tweede Bode.

In Kent, heer, staan de Guildfords in de waap’nen;

En dien rebellen stroomen uur op uur

Meer medehelpers toe; hun macht wordt sterk.

(Een derde Bode komt op.)

Derde Bode.

Het groote leger, heer, van Buckingham—

Koning Richard.

Van hier, gij uilen! niets dan doodsgekras?

(Hij geeft den Bode een slag.)

Neem dit, tot gij mij beet’re tijding brengt.

Derde Bode.

De tijding, die ik aan uwe hoogheid meld,

Is, dat door watervloed en zware regens

Het heer van Buckingham verspreid, verstrooid is,

En dat hijzelf, alleen, een wijkplaats zocht,

Waarheen, weet niemand.

Koning Richard.

Waarheen, weet niemand. O, vergeef mijn drift;

Daar is mijn beurs tot heeling van uw slag.

Heeft niet een kloeke vriend een goede som

Voor ’t vangen des verraders uitgeloofd?

Derde Bode.

Die is onmidd’lijk uitgeloofd, mijn vorst.

(Een vierde Bode komt op.)

Vierde Bode.

Sir Thomas Lovel en lord Dorset staan

Te velde in Yorkshire, zegt men, edel vorst;

Doch dezen goeden troost breng ik uw hoogheid:

De storm heeft de Bretagner vloot verstrooid;

In Dorsetshire liet Richmond door een boot

De lieden, die het strand bezetten, vragen,

Of zij hem helpen zouden, ja of neen.

Zij kwamen, was ’t bescheid, van Buckingham,

En tot zijn bijstand; doch, hen niet vertrouwend,

Heesch hij de zeilen, naar Bretagne steev’nend.

Koning Richard.

Op, voortgerukt! wij zijn geheel gereed;

Gelde ook de strijd geen buitenlandschen vijand,

Gefnuikt zij iedere opstand binnenslands.

(Catesby komt op.)

Catesby.

Gevangen, heer, is hertog Buckingham;

Dit is de beste tijding. Dat graaf Richmond

Met groote macht te Milford is geland,

Klinkt minder goed, doch ’t melden is mij plicht.

Koning Richard.

Op dan, naar Salisbury! terwijl wij praten,

Waar’ de uitkomst van een koningsslag beslist.—

Een uwer zorg’ voor Buckingham’s vervoer

Naar Salisbury; gij and’ren trekt met mij.

(Allen af.)

[259]

[Inhoud]

VIJFDE TOONEEL.

Een vertrek in lord Stanley’s huis.

Lord Stanley en broeder Christopher Urswick komen op.

Stanley.

Vriend Christopher, zeg Richmond dit van mij:—

In ’t kot van dien bloedgier’gen ever is

Mijn zoon, mijn George, in hecht’nis, ingesperd;

En val ik af, dan valt ook George’s hoofd.

Die vrees alleen vertraagt alsnog mijn bijstand.

Maar ga thans, breng uw heer mijn groet, en tevens

’t Besluit der koningin, die gaarne toestemt,

Dat hij Elizabeth, haar dochter, huwt.

Doch zeg mij, waar is de eed’le Richmond thans?

Christopher.

Te Pembroke, of te Harford-West, in Wales.

Stanley.

En welke mannen van gewicht zijn bij hem?

Christopher.

Sir Walter Herbert, groot van naam als krijger,

Sir Gilbert Talbot en Sir William Stanley,

Oxford, geduchte Pembroke, Sir James Blunt,

En Rice ap Thomas, met een kloeke schaar,

En velen nog van grooten roep en waarde;

Naar Londen richten zij hun legermacht,

Zoo ’t niet reeds onderweg tot strijden komt.

Stanley.

Nu, spoed u naar uw heer; ik kus zijn hand;

Mijn schrijven geeft hem blijk van mijn gezindheid.

Vaarwel.

(Hij geeft hem brieven.—Beiden af.)