WeRead Powered by ReaderPub
Koning Richard de Derde cover

Koning Richard de Derde

Chapter 3: EERSTE BEDRIJF.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A historical tragedy follows an ambitious, physically marked noble who engineers betrayals, false prophecies, and murders to eliminate rivals and seize the throne. He manipulates marriages, courts, and personal loyalties through persuasive rhetoric and secret plots, turning allies into victims and sowing fear across the realm. As ominous portents and remorse begin to unsettle his hold, opposing factions coalesce. The drama concentrates on courtroom maneuvering, private conspiracies, and psychological torment, culminating in a decisive battle in which a returning challenger defeats him and ends his brief, violent rule.

[Inhoud]

EERSTE BEDRIJF.

[Inhoud]

EERSTE TOONEEL.

Londen. Een straat.

Gloster komt op.

Gloster.

Nu werd de winter onzer wreev’le stemming

Tot blijden zomer door de zon van York;

De zware wolken, die ons huis bedreigden,

Verzwolg de diepe schoot des oceaans.

Nu drukken zegekransen ons de slapen;

Ons butsig wapentuig siert thans den wand;

Het slaggedruisch vervangen vreugdegalmen,[213]

De felle marschen zoete dansmuziek;

De krijg ontfronste ’t norsch gerimpeld voorhoofd,

Bestijgt niet meer ’t geharnast ros, en wekt

Geen angst in ’t hart van schrikb’re tegenstanders,

Maar huppelt, bij een eed’le gastvrouw, luchtig

Naar ’t wulpsche welgevallen van een luit.

Doch ik, geenszins gevormd voor snaaksche grappen,

Of om verliefden spiegels ’t hof te maken, 15

Die, ruw gestempeld, de’ adel mis van gang,

Die ’t oog bekoort van dart’le, luchte nimfen,

Ik, in dien juisten bouw te kort gedaan,

Valsch door Natuur van evenmaat verstoken,

Verknoeid, onafgewerkt, te vroeg de wereld,

Die ademt, ingezonden, nauwelijks half

Voltooid en wel zoo lam, zoo vreemd van vorm,

Dat honden bassen, als ik langs hen hink,—

Ik ken, in dezen tijd van vreêschalmeien,

Voor mij geen enkel lustig tijdverdrijf,

Dan ’t staren op mijn schaduw in de zon

En ’t heeklen van mijn eigen wangestalte;

En daarom—wijl ik niet voor minnaar deug

Om dezen welbespraakten tijd te korten—

Is mijn besluit genomen: ’k word een booswicht

En zweer des tijds nietswaardig beuz’len haat.

Aanslagen smeedde ik, heb ze voorbereid

Door dronken profetieën, briefjes, droomen,

Om bij mijn broeder Clarence en den koning

Weêrzijdschen haat, ten doode toe, te wekken;

En is de koning even waar en trouw,

Als ik geslepen, valsch en onbetrouwbaar,

Dan wordt nog heden Clarence ingerekend,

Ter wille van een profetie,—dat G

Aan Edwards erven dood bereidt en wee.—

Duikt in mijn ziel, gedachten; Clarence komt.

(Clarence komt op, vergezeld van Bewakers, alsmede van Brakenbury.)

Mijn broeder, goeden dag! Waartoe die wacht

Bij uw genade?

Clarence.

Bij uw genade? Zijne majesteit

Heeft, voor mijn veiligheid bezorgd, bevolen,

Dat ik aldus ten Tower wierd geleid.

Gloster.

En dat waarom?

Clarence.

En dat waarom? Omdat ik George heet.

Gloster.

Ach, dit mylord, is uwe schuld toch niet;

Daarvoor moest hij uw peten laten boeten.

O, moog’lijk is zijn majesteit van plan,

U in den Tow’r opnieuw te laten doopen.

Maar Clarence, wat is de oorzaak? mag ik ’t weten?

Clarence.

Ja, Richard, als ìk ’t weet; doch ik verklaar,

Tot nog toe weet ik ’t niet. Maar, zoo ik hoor,

Hecht hij aan profetieën en aan droomen,

En schrapt de letter G van ’t ABC;

Hem spelde een wich’laar, zegt hij, dat een G

Zijn kroost onterving brengen zou en wee;

Nu, mijn naam, George, o ramp! begint met G,

Dus, ìk bedreig zijn kroost en stoor zijn vreê.

Dit, zoo ik hoor, en zulke grillen meer

Zijn oorzaak, dat zijn hoogheid mij deed vatten.

Gloster.

Zoo gaat het, doet een man, wat vrouwen willen!

U zendt de koning, neen, niet naar den Tower;

Mylady Grey, zijn vrouw, die is het, Clarence,

Die hem tot zulk een uiterste verleidt.

Was ’t niet door haar en dien hoogeed’len vriend,

Antonius Woodville, Rivers thans, haar broeder,

Dat hij lord Hastings naar den Tower zond,

Waar hij eerst heden uit ontslagen werd?

Wij zijn niet veilig, Clarence, zijn niet veilig.

Clarence.

Bij God! geen mensch is veilig, dan verwanten

Der koningin, en ook die nachtherauten,

Des konings en mejuffer Shore’s loopers.

Hebt gij vernomen, hoe als need’rig smeek’ling

Lord Hastings haar om zijn bevrijding bad?

Gloster.

Deemoedig jamm’rend bij haar godd’lijkheid,

Erlangde de eed’le kamerheer zijn vrijheid.

Ik zeg: naar ìk denk, is het voor ons zaak,—

Zoo wij des konings gunst behouden willen,—

Als hare dienaars haar livrei te dragen.

Sinds onze broeder haar, en die jaloersche,

Versleten weeuw tot edelvrouwen sloeg,

Stelt haar gesnap in ’t koninkrijk de wet.

Brakenbury.

’k Bid uw’ genaden beiden om vergiff’nis,

Doch zijne majesteit beval mij streng,

Dat niemand, van wat stand hij ook mocht zijn,

Vertrouw’lijk met zijn broeder spreken zou.

Gloster.

Zeer wel; en als ’t uw edelheid behaagt,

Vrij moogt gij alles hooren, wat wij zeggen.[214]

’t Is, man, geen hoogverraad; ’t is, dat de koning

Vroed is en vroom, zijn eed’le koningin

Van rijpen leeftijd, schoon en niet jaloersch;—

Alsook, dat Shore’s vrouw een mooien voet heeft,

Een kersenmond, schoone oogen, zoete tong;

En dat der koningin geslacht voornaam werd.

Wat zegt gij, heer, kunt gij dit alles looch’nen?

Brakenbury.

’k Heb met dit alles niets te doen, mylord. 97

Gloster.

Met juffer Shore niets te doen? Wel, man,

Wie iets met haar wil doen, één uitgezonderd,

Die doe het liefst in diep geheim, alleen.

Brakenbury.

Wie is die een, mylord?

Gloster.

Haar man, gij schelm; zoudt gij mij willen vangen?

Brakenbury.

Vergeef mij, uw genade, maar ik bid u,

Niet meer te spreken met den eed’len hertog.

Clarence.

Wij kennen uwen last en willen volgen.

Gloster.

Wij, koninginneslaven, moeten volgen.

Vaar, broeder, wel; ik spoed mij tot den koning

En wat gij mij gelast voor u te doen,

Zelfs koning Edwards weeuw als zuster groeten,

Ik zal het doen, zoo ’t u bevrijden kan.

Want inderdaad, die diepe smaad eens broeders

Treft mij veel dieper dan gij denken kunt.

Clarence.

Ik weet, die smaad behaagt nòch u nòch mij.

Gloster.

Kom, lang zal uw gevangenschap niet duren;

Ik maak u vrij, of raak voor u in hecht’nis;

Heb midd’lerwijl geduld.

Clarence.

Dit moet; vaarwel!

(Clarence, Brakenbury en de Wacht af.)

Gloster.

Ga vrij dien weg, waarlangs gij nimmer keert,

Onnooz’le Clarence! Zoo bemin ik u,

Dat ik welras uw ziel ten hemel zend,

Zoo die uit onze hand de gift aanvaardt.

Doch wie komt daar? de pas bevrijde Hastings?

(Hastings komt op.)

Hastings.

’k Wensch mijn doorluchten heer een blijden morgen.

Gloster.

Ik insgelijks mijn waarden kamerheer;

Gij zijt recht welkom in de vrije lucht.

Hoe hebt gij uw gevangenschap gedragen?

Hastings.

Geduldig, heer, zooals gevang’nen ’t moeten.

Maar toch, ik hoop eens hun mijn dank te brengen,

Die de oorzaak waren der gevangenschap.

Gloster.

Vertrouw dit, ja, en dit zal Clarence ook;

Die u vijandig waren, zijn het hem,

En zijn nu hem, als vroeger u, te sterk.

Hastings.

Een jammertijd, die de’ aadlaar op doet sluiten,

En gier en havik rooven laat naar lust!

Gloster.

Wat is er in de wereld wel voor nieuws?

Hastings.

Geen nieuws zoo slecht van buiten, als te huis:—

De koning voelt zich krank, is zwak, zwaarmoedig;

Zijn artsen zijn om hem in groote zorg 137

Gloster.

Nu, bij Sint Paul, dit nieuws is waarlijk slecht.

O, maar zijn leefwijs was sinds lang verkeerd;

De koning heeft zijn krachten uitgeput;

’t Is zeer bedroevend, als men hieraan denkt.

Spreek, houdt hij ’t bed?

Hastings.

Ja zeker.

Gloster.

Ga, bid ik, voor; ik zal u daad’lijk volgen.

(Hastings af.)

’t Loopt, hoop ik, af; maar sterven mag hij niet,

Eer George in postgalop ten hemel voer.

’k Ga tot hem; ’k wil zijn haat op Clarence hitsen,

Door leugens, wel gestaald met zware reed’nen;

En zoo mijn diepe toeleg niet mislukt,

Heeft Clarence nu geen tweeden dag te leven;

Dan haal’ God koning Edward in zijn hemel,

En late de aard aan mij om daar te woelen.

Dan zal ik Warwick’s jongste dochter huwen;

Maar hoe! ik doodde haar gemaal, haar vader!

De beste schaad’loosstelling voor de deerne,

Zoo ìk nu haar gemaal en vader word;

Dit wil ik doen, niet juist zoozeer uit liefde,

Als om een ander diep verholen doel,

Dat ik door haar te huwen moet bereiken.

Doch ik wil koopen, vóór er iets te koop is;

Nog ademt Clarence; koning Edward leeft;

Zijn zìj weg, dan bereek’nen, wat het geeft!

(Gloster af.)

[215]

[Inhoud]

TWEEDE TOONEEL.

Een andere straat in Londen.

Het lijk van Koning Hendrik den Zesden wordt in een open kist ten tooneele gedragen, begeleid door Edellieden met hellebaarden, gevolgd door Lady Anna als rouwdraagster.

KONING RICHARD III.

Eerste Bedrijf, Tweede Tooneel.

Anna.

Zet neer, zet neer uw eerbiedwaarden last,—

Zoo eere door een lijkwâ kan omhuld zijn,—

Opdat mijn rouwbeklag een wijl betreure

Des eed’len Lancaster’s ontijdig eind.—

Ach, ijskoud wezen van een heil’gen koning!

Des vorstenhuizes Lancaster bleek stof!

Gij, bloedloos overschot van koningsbloed!

Vergun mij, uwen geest hier op te roepen,

Dat die de weeklacht hoor’ van Anna, de arme,

De vrouw van Edward, uw vermoorden zoon,

Dien hìj doorstak, wiens hand u wonden sloeg!

Zie, in de poorten, waar u ’t leven uitvloot,

Vloeit, ach vergeefs! de balsem mijner oogen!

Vervloekt de hand, die zulke scheuren reet!

Vervloekt het hart, dat tot dit doen het hart had!

Vervloekt het bloed, dat dit bloed stroomen deed!

Meer gruwb’re ellende treff’ dien onverlaat,

Die ons verlaten maakte door uw dood,

Dan ik aan adders, spinnen, padden wensch,

Of eenig kruipend, giftig tuig, dat leeft! 20

Heeft hij een kind ooit, ’t zij een misgeboorte,

Een monster, vóór zijn tijd aan ’t licht gebracht,

Dat door zijn leelijk en gedrocht’lijk wezen

Der moeder hoopvol oog verstijv’ van schrik;

En dit zij zijner boosheid erfgenaam!

En heeft hij ooit een vrouw, dan worde zij

Onzaal’ger nog door zijnen dood, dan ik

Het door mijn jonge gade werd en u!—

Komt, thans naar Chertsey met uw heil’gen last,

Dien we uit Sint Paul ter plechtige uitvaart haalden;

Rust vrij, als gij vermoeid zijt, telkens uit;

Ik weeklaag dan bij koning Hendriks lijk.

(De Dragers nemen het lijk op en gaan voort.)

(Gloster treedt op.)

Gloster.

Niet verder, gij, die ’t lijk draagt, zet het neder!

Anna.

Wat zwarte toov’naar roept dien duivel op,

Tot storing van een vroom en christ’lijk werk?

Gloster.

Zet neêr het lijk, gij schurken! Bij Sint Paul,

Ik maak tot lijk een elk, die zich verzet!

Eerste Edelman.

Terug, mylord, en laat de baar voorbij.

Gloster.

Schaamt’looze hond, blijf staan, als ik ’t beveel;

Uw hellebaard omhoog, niet voor mijn borst,

Of, bij Sint Paul, ik sla u voor den grond,

En ik vertreed u, beedlaar, om uw stoutheid.

(De Dragers zetten de baar neder.)

Anna.

Hoe! Siddert gij? gij allen zijt bevreesd?

Helaas, ik wraak u niet, want gij zijt sterflijk,

En ’t sterflijk oog verdraagt den duivel niet.—

Verdwijn, gij gruwzame afgezant der hel!

Gij hadt slechts op zijn sterflijk lichaam macht;

Zijn ziel erlangt gij niet; daarom van hier!

Gloster.

Wees christ’lijk, lieve heil’ge; vloek niet zoo.

Anna.

Bij God, weg, booze duivel! stoor ons niet;

Gij, die de schoone wereld tot uw hel,

Vol vloekgehuil en jammer hebt gemaakt!

Als de aanblik uwer gruw’len u vermaakt,

Zie dan dit staaltje van uw slachtersdaden.—

Ziet, mannen, ziet, des dooden Hendriks wonden

Ontsluiten haar verstijfden mond; zij bloeden!—

Bloos, bloos, gij klomp van snoode afzicht’lijkheid!

Want uw nabijheid dringt dit koude bloed

Uit ledige aad’ren, waar geen bloed meer woont;

Uw ondaad, ja, onmenschlijk, onnatuurlijk,

Verwekt dien stortvloed, even onnatuurlijk.

O God, gij schiept dit bloed, o wreek zijn dood!

Gij aard, gij drinkt dit bloed, o wreek zijn dood!

Gij hemel, dood den moord’naar met uw bliksem,

Of gaap, gij aarde, wijd, verslind hem levend,

Zooals gij ’t bloed verzwelgt diens goeden konings,

Door de’ arm van dezen helleknecht geslacht!

Gloster.

Prinses, gij kent de leer der liefde niet,

Die kwaad met goed vergeldt en vloek met zegen.

[216]

Anna.

Gij schurk, gij kent geen wet, van God noch mensch;

Het wildste beest kent eenig medelijden. 71

Gloster.

Dit ken ik niet en ben alzoo geen beest.

Anna.

O wondervreemd, ook duivels spreken waar!

Gloster.

Nog vreemder, zulk een gramschap bij een engel!

Sta toe, o godd’lijk toonbeeld eener vrouw,

Dat ik van die vermeende booze dingen

Uitvoerig uwe vrijspraak mij verwerv’.

Anna.

Sta toe, gij helsch gedrocht’lijk beeld eens mans,

Dat ik voor die bewezen booze dingen

Uitvoerig u, vervloekte, nogmaals vloek.

Gloster.

Gij, schooner dan ooit tong het uit kan drukken,

Geef mij geduldig tijd, dat ik me ontschuldig.

Anna.

Gij, snooder dan ooit hart vermoeden kan,

Ontschuldigd zult gij zijn, als ge u verhangt.

Gloster.

Door die vertwijfling zou ik schuld erkennen.

Anna.

Door die vertwijfling delgt gijzelf uw schuld,

Daar gij verdiende wraak neemt op uzelf,

Die onverdienden moord op and’ren pleegdet.

Gloster.

Doch zoo ’k hen niet versloeg?

Anna.

Dan waren zij niet dood;

Doch dood, zij zijn ’t, en, helleslaaf, door u.

Gloster.

Ik doodde uw gade niet.

Anna.

Ik doodde uw gade niet. Dan leeft hij nog.

Gloster.

Neen, hij is dood, doch viel door Edwards hand.

Anna.

Boos liegt uw tong, want koningin Marg’retha

Zag zelf uw moordstaal rooken van zijn bloed;

Gij hebt het ook op hare borst gericht,

Doch uwe broeders sloegen ’t ras ter zijde.

Gloster.

Ik werd geprikkeld door haar lastertong,

Die hun schuld valsch op mijne schoud’ren laadde.

Anna.

Gij werdt geprikkeld door uw moord’naarsziel,

Die nooit van iets dan bloedvergieten droomt.

Hebt gij deez’ koning niet gedood?

Gloster.

Hebt gij deez’ koning niet gedood? ’k Stem toe.

Anna.

Toe stemt gij ’t, egel? Dan stemm’ God mij toe,

Dat gij vervloekt zijt om die booze daad!

O, hij was deugdzaam, zacht en liefderijk.

Gloster.

Te beter voor den hemel, die hem heeft.

Anna.

Daar is hij, ja; gìj zult er nimmer komen.

Gloster.

Dan dank’ hij mij, die hem er henen zond;

Hij zal er beter thuis zijn dan op aarde. 108

Anna.

En gij kunt enkel thuis zijn in de hel.

Gloster.

O, nog op ééne plaats; mag ik die noemen?

Anna.

Een kerkerkrocht.

Gloster.

Een kerkerkrocht. Uw slaapvertrek.

Anna.

De rust ontvliê de kamer, waar gij ligt!

Gloster.

Zoo is ’t, tot ik bij ù lig, eed’le vrouw.

Anna.

Ik hoop het.

Gloster.

Ik weet het.—Maar, lieve lady Anna,—

Om uit dit scherp, spitsvondig woordschermuts’len

Te komen tot bedaarder onderhoud,—

Spreek, is, die de oorzaak was des vroegen doods

Der twee Plantagenets, Hendrik en Edward,

Niet even laakbaar, als die ’t feit volbracht?

Anna.

Gijzelf waart de oorzaak en gevloekte werking.

Gloster.

En uwe schoonheid de oorzaak dezer werking,

Uw schoonheid, die mij in den slaap bezocht,

Om der geheele wereld dood te wagen

Voor één uur levens aan uw zoete borst.

Anna.

Als ik dit dacht, ik zeg u, menschenmoorder,

Mijn nagels reten uit mijn wang dat schoon.

Gloster.

Mijn oog verdroeg ’t vergaan dier schoonheid niet;

Stond ik er bij, gij zoudt haar nimmer deren;

Gelijk heel de aard zich aan de zon verkwikt,

Zoo ik aan haar; zij is mijn dag, mijn leven!

Anna.

Nacht overhuive uw dag, en dood uw leven!

Gloster.

Schoone engel, vloek uzelf niet; gij zijt beide.

[217]

Anna.

Ja, ware ik dit, om mij op u te wreken!

Gloster.

O, zulk een vijandschap is onnatuurlijk,

U wreken op den man, die u bemint!

Anna.

Die vijandschap is goed, naar recht en rede;

Mij wreken op den moord’naar mijns gemaals!

Gloster.

Die u van uw gemaal beroofde, deed het,

Om, lady, u een beet’ren te verschaffen.

Anna.

Een betere ademt er op aarde niet.

Gloster.

Eén wijdt u beet’re liefde nog dan hij.

Anna.

Wie is ’t?

Gloster.

Wie is ’t? Plantagenet.

Anna.

Wie is ’t? Plantagenet. Dat was hijzelf.

Gloster.

Dezelfde naam, ja, doch een beter man.

Anna.

Waar is hij?

Gloster.

Waar is hij? Hier.

(Zij spuwt naar hem.)

Waar is hij? Hier. Wat spuwt gij zoo naar mij?

Anna.

Ik wenschte, ’t ware een dood’lijk gif voor u! 146

Gloster.

Nooit kwam vergif van zulk een zoete plaats.

Anna.

En nooit kleefde er vergif aan snooder pad.

Uit mijn gezicht! want gij verzengt mijn oogen.

Gloster.

Uw oogen hebben mij in vlam gezet.

Anna.

O, waren ’t basilisken, bliksems schietend!

Gloster.

Ik wenschte ’t ook, dan ware ik dood op eens;

Thans geven zij me een dood, die ’t leven laat.

Uw oog heeft zilte tranen mij ontperst,

Mijn oogen smaad gebracht door kindsche droppen,

Dien oogen, die nooit rouwetranen kenden,

Noch toen mijn vader York en Edward weenden

Om Rutland’s jammerkreet, toen over hem

Clifford met donk’ren blik het zwaard verhief,

Noch toen uw dapp’re vader, als een kind,

Het droef verhaal deed van mijns vaders dood,

En tienmaal op moest houden, snikte en weende,

Dat elk, die ’t hoorde, vochte wangen had,

Als boomen in den regen; in dien rouwtijd

Weerhield mijn mann’lijk oog een laffen traan;

En wat die smart het nooit heeft afgeperst,

Deed uwe schoonheid, maakte ’t blind van weenen.

Nooit smeekte ik iets aan vriend of vijand af;

Nooit leerde mijne tong een vleiend woord;

Doch nu mij uwe schoonheid wenkt als loon,

Smeekt mijn trotsch hart en leert mijn tong te spreken.

(Zij ziet hem met een hoonenden blik aan.)

Leer uwen lippen zulk een hoon niet, lady,

Zij zijn ten kus geschapen, niet tot hoon.

Als uw wraakgierig hart niet kan vergeven,

Zie, ’k leen u hier dit scherpgepunte zwaard;

Gij, berg het vrij in deze trouwe borst,

En drijf de ziel er uit, die u vergoodt.

Zie, ik ontbloot haar, dat gij dood’lijk toestoot,

En bid, deemoedig knielend, om mijn dood.

(Hij ontbloot de borst; zij richt er het zwaard op.)

Neen, weifel niet: ik doodde koning Hendrik;

Maar ’t was uw schoonheid, die er mij toe drong.

Stoot toe; ja, ik doorstak den jongen Edward;—

Maar ’t was uw hemelsch aanschijn, dat mij dreef.

(Zij laat het zwaard vallen.)

Neem op het zwaard, of mij in uwe gunst.

Anna.

Rijs, huich’laar op, hoezeer uw dood mijn wensch zij,

Ik wil ’t niet zijn, die met den zwaarde u recht.

Gloster.

Zeg mij dan mij te dooden, en ik doe het.

Anna.

Dit deed ik reeds.

Gloster.

Dit deed ik reeds. Gij deedt het in uw toorn;

Zeg ’t nu nog eens; terstond zal deze hand,

Die, om uw liefde, uw liefde heeft gedood,

Veel trouwer liefde om uwe liefde dooden;

Aan beider dood zult gij meeplichtig zijn.

Anna.

O, kende ik slechts uw hart!

Gloster.

Ik draag het op de tong.

Anna.

Wellicht zijn beide valsch. 195

Gloster.

Nooit sprak dan iemand waar.

Anna.

Nu dan, steek op uw zwaard.

Gloster.

Zeg dan: wij zijn verzoend.

Anna.

Dit blijke u door ’t vervolg.

Gloster.

Dus, leef ik nog in hoop?

[218]

Anna.

Dit, hoop ik, doet een elk.

Gloster.

Draag dezen ring van mij.

Anna.

Die aanneemt, geeft nog niet.

(Zij laat zich den ring aan den vinger steken.)

Gloster.

Zie, hoe mijn ring om uwen vinger sluit;

Zoo houdt uw borst mij ’t arme hart omsloten,

Draag gij die beide, beide zijn zij u.

En als uw arme, trouw verknochte dienaar

Nog ééne gunst van uw genâ mag smeeken.

Dan grondt gij hem voor eeuwig zijn geluk.

Anna.

Wat is het?

Gloster.

Dat gij den rouwdienst hem wilt overlaten,

Die meerder oorzaak heeft om rouw te dragen,

En u van hier naar Crosbyhof begeeft.

Daar kom ik, nadat ik deze’ eed’len koning

In ’t klooster Chertsey plechtig heb begraven,

En tranen vol berouw op ’t graf geplengd,

Met allen spoed eerbiedig u bezoeken;

Om veel geheime reed’nen smeek ik u:

Sta deze gunst mij toe.

Anna.

Van ganscher harte; zeer verheugt het mij,

Te zien, dat gij boetvaardig zijt geworden.—

Komt, Berkeley en Tressel, begeleidt mij.

Gloster.

Zeg mij vaarwel.

Anna.

Zeg mij vaarwel. ’t Is meer dan gij verdient;

Doch daar gij mij geleerd hebt, u te vleien,

Zoo denk, dat ik u reeds vaarwelgezegd heb.

(Lady Anna met twee Edellieden af.)

Gloster.

Gij, neemt het lijk weer op.

Een Edelman.

Naar Chertsey, uwe hoogheid?

Gloster.

Neen, naar de Karmelieten; wacht mij daar.

(Al de overigen met het lijk af.)

Werd ooit in zulk een luim een vrouw gevrijd?

Werd ooit in zulk een luim een vrouw gewonnen?

Ik wil haar hebben, niet haar lang behouden.

Wat! ik, de moord’naar van haar man en vader,

Ik vang haar in haars harten diepsten haat,

Met vloeken op haar tong, het oog vol tranen,

Bij ’t bloedend lijk, getuige van haar haat;

God, haar geweten, alles tegen mij;

Ik, zonder vrienden, die mijn aanzoek steunen,

Dan huich’laarsblikken, en den baren duivel;

En toch zij mijn!—de wereld tegen niets!

Ha!

Heeft zij dien wakk’ren prins alreeds vergeten,

Edward, haar gade, dien ik voor drie maanden

Te Tewksbury doorstak in arren moede? 242

Een edelman, zoo goed en minnenswaard,—

Zoo kwistig door natuur bedeeld met gaven,

Jong, dapper, wijs, echt koninklijk voorwaar,—

Is in de wijde wereld niet te vinden;

En toch vernedert zij haar blik tot mij,

Die ’t gouden bloeisel afsneed van dien prins

En haar tot weduw maakte op bange sponde!

Mij, wiens geheel geen halven Edward opweegt!

Tot mij, die hink en zoo wanstaltig ben!

Mijn hertogdom, ja, tegen éénen duit,

Dat ik aldoor mijzelven heb miskend;

Mijn kop af, dat zij mij, wat ìk niet vind,

Voor een verbazend knappen jonkman houdt.

Ik moet mij, wat het koste, een spiegel koopen,

En schaf een paar dozijnen snijders aan,

Om drachten uit te denken, die mij goed staan.

Nu ’k bij mijzelf in gunst gekomen ben,

Leg ik er ook een weinig aan te kost.

Doch eerst help ik dien kerel in zijn graf,

En kom dan jamm’rend bij mijn liefste weer.—

Schijn helder, zon, tot ik een spiegel heb,

Opdat ik in mijn schaduw vreugde schepp’!

(Gloster af.)

[Inhoud]

DERDE TOONEEL.

Aldaar. Een kamer in het paleis.

Koningin Elizabeth, lord Rivers en lord Grey komen op.

Rivers.

Houd moed, vorstin; geen twijfel, of zijn hoogheid

Is binnen korten tijd geheel hersteld.

Grey.

Zijt gij er om bedrukt, dit maakt hem erger;

Blijf dus om Gods wil immer welgemoed,

En beur hem op door luchtig, vroolijk praten.

Koningin Elizabeth.

Als hij eens stierf, wat leed zou dan mij treffen!

Grey.

’t Verlies van zulk een gâ, geen verder leed.

Koningin Elizabeth.

Zulk een verlies sluit al wat leed is in.

Grey.

God heeft u met een wakk’ren zoon gezegend,

Die u na zijnen dood tot troost zal zijn.

[219]

Koningin Elizabeth.

Ach, hij is jong; en zijne jeugd wordt dan

Aan Richard Gloster’s hoede toevertrouwd,

Een man, die mij, noch een van u, mag lijden.

Rivers.

Is dit bepaald, moet hij protector worden?

Koningin Elizabeth.

Besloten is ’t, ofschoon nog niet bepaald;

Maar ’t moet, indien de koning komt te vallen.

(Buckingham en Stanley treden op.)

Grey.

Daar zijn de lords van Buckingham en Stanley.

Buckingham.

Uw koninklijke hoogheid alle heil!

Stanley.

God geve uw majesteit weer vreugd als vroeger! 19

Koningin Elizabeth.

Gravinne Richmond, waarde lord van Stanley,

Zegt wis geen amen op uw goeden wensch.

Doch, beste Stanley, schoon ze uw gade zij

En mij niet lijden moog’, geloof me, ik koester

Voor u geen haat om haar laatdunkendheid.

Stanley.

Ik bid u, schenk dien boozen lastertongen

Van die haar valsch betichten geen gehoor;

Of, wat men haar terecht ten laste legt,

Beschouw dit als een zwakheid, die veeleer

Uit kranke luim, dan boozen zin ontspruit.

Koningin Elizabeth.

Zaagt gij vandaag den koning reeds, lord Stanley?

Stanley.

Wij hebben, hertog Buckingham, en ik,

Zoo even zijne majesteit bezocht.

Koningin Elizabeth.

Hoe vindt gij ’t uitzicht op zijn beterschap?

Buckingham.

Heb moed, vorstin; hij spreekt recht opgeruimd.

Koningin Elizabeth.

God sterk’ hem! Sprak hij met u over zaken?

Buckingham.

O ja, vorstin; het is zijn wensch, uw broeders

Met hertog Gloster duurzaam te verzoenen,

Alsmede met den opperkamerheer;

Hij liet hen naar zijn kamer opontbieden.

Koningin Elizabeth.

Ware alles goed!—Doch dit zal nimmer zijn;

Ik vrees, ons heil staat op zijn middaghoogte.

(Gloster, Hastings en Dorset komen op.)

Gloster.

Zij doen mij onrecht, en ik wil ’t niet dulden.—

Wie zijn zij, die steeds klagen bij den koning,

Dat ik, ik, wrok, voor hen recht liefd’loos ben?

Zij, bij Sint Paul, zijn voor den koning liefd’loos,

Die zoo zijn oor met twistgeruchten vullen.

Wijl ik niet vleien kan, niet mooi kan praten,

Toelachen, streelen, foppen en bedriegen,

Strijkages op zijn Fransch, recht aap’rig, maken,

Moet ik volstrekt een wrokkend vijand zijn.

Kan geen eenvoudig man meer vreedzaam leven,

Dat niet zijn eerlijk hart belasterd wordt,

Door fulpen, sluw, indringend vleigeboefte?

Grey.

Tot wien in dezen kring spreekt uw genade?

Gloster.

Tot u, die zonder deugd zijt en genade.

Spreek, wanneer krenkte ik u, of kwetste ik u?—

Of u?—Of u?—of iemand van uw bent?

Hale u de pest! De koning, onze heer,—

Wien God behoede, beter dan gij ’t wenscht!—

Heeft nauwlijks voor een ademhaling rust,

Dat gij hem niet met lage klachten kwelt. 61

Koningin Elizabeth.

Verkeerd neemt gij de zaak op, broeder Gloster.

De koning, door zichzelf alleen gedreven,

En niet door and’re klagers aangezet,

Maar lettend, moog’lijk, op uws boezems wrok,

Die zich uitwendig in uw doen verraadt,

Wrok tegen mij, mijn broeders en mijn kind’ren,

Deed u ontbieden, opdat hij den wortel

Van uwen haat ontdekken, rooien moog’.

Gloster.

Ik weet niet;—al te slecht is thans de wereld:

’t Kleinjantje rooft, waar de aad’laar zich niet waagt;

Sinds elke schooier edelman hier werd,

Werd menig edelman een kale schooier.

Koningin Elizabeth.

O duid’lijk is uw meening, broeder Gloster;

Mijn, mijner vrienden opkomst wekt uw nijd.

God geve, dat wij nimmer u behoeven!

Gloster.

God geeft inmiddels, dat wij u behoeven.

Mijn broeder is gekerkerd door uw toedoen,

Ikzelf in ongenade, heel onze adel

Geminacht; en de hoogste posten vallen

Met gravenkronen daag’lijks hun ten deel,[220]

Wier rijkdom, gist’ren nog, geen zilvren kroon was.

Koningin Elizabeth.

Bij Hem, die uit mijn need’rig, stil geluk

Tot deze bange hoogte mij verhief,

Nooit deed ik iets om tegen hertog Clarence

Den koning op te zetten; veeleer was ik

Zijn voorspraak en volijv’rig pleitbezorger.

Mylord, gij doet mij smaadlijk onrecht aan,

Door zulk een valsche smet op mij te werpen.

Gloster.

Gij kunt ook looch’nen, dat niet uw bedrijf

Lord Hastings in den Tower heeft gebracht.

Rivers.

Zij kan ’t, mylord; want—

Gloster.

Zij kan ’t, lord Rivers,—wel, wie weet het niet?—

Zij kan, mijn heer, nog meer doen, dan dit looch’nen;

Zij kan—aan meen’gen vetten post u helpen,

En later looch’nen, dat ze er iets voor deed,

En zeggen, dat gij ’t uw verdiensten dankt.

Wat kan zij niet? Zij kan,—ja trouwens, kan—

Rivers.

Wat trouwens kan zij?

Gloster.

Wat trouwens kan zij? met een koning trouwen,

Een jonkman, ja, een knappen vrijgezel.

Uws vaders moeder deed een minder keus. 102

Koningin Elizabeth.

Mylord van Gloster, al te lang verdroeg ik

Uw plompen smaad en uwen bitt’ren spot;

Bij God, ik meld nu aan zijn majesteit

Den groven hoon, dien ik zoo vaak moest lijden.

Veel liever ware ik dienstmaagd op het land

Dan groote koningin met dit beding,

Van zulk een schimp en hoon en smaad te dulden;

Klein is mijn vreugd als Eng’lands koningin.

(Koningin Margaretha verschijnt op den achtergrond.)

Koningin Margaretha

(ter zijde). Dat kleine word’ nog minder, bid ik God!

Mij komt uw rang en staat en zetel toe.

Gloster.

Wat! dreigt gij met een aanklacht bij den koning?

Goed, spaar mij niet; zie, wat ik heb gezegd,

Dit zal ik voor den koning staande houden.

Al wachtte mij de Tower, ’k zou het wagen.

’t Is sprekenstijd, mijn diensten zijn vergeten.

Koningin Margaretha

(ter zijde). Gij duivel! Al te goed staan mij die voor;

Mijn gade Hendrik dooddet gij in den Tower,

Edward, mijn armen zoon, te Tewksbury.

Gloster.

Eer gij, ja eer nog uw gemaal gekroond was,

Was ik het pakpaard van zijn hooge wenschen,

Verdelger van zijn trotsche weerpartijders

En mild belooner van zijn medestanders;

Ik schonk hem koningsbloed door ’t mijn te spillen.

Koningin Margaretha

(ter zijde). Ja, èn veel beter bloed dan ’t zijne of ’t uwe.

Gloster.

En al dien tijd trokt gij, en Grey, uw gade,

Partij steeds voor het huis van Lancaster;

En gij ook, Rivers,—Viel uw gade niet

Als Margaretha’s krijger bij Sint-Albaans?

Laat mij, zijt gij ’t vergeten, u herinn’ren,

Wat gij voor dezen waart en wat gij zijt,

Alsook, wat ik geweest ben en nu ben.

Koningin Margaretha

(ter zijde). Een lage moord’naar, en dit zijt gij nog.

Gloster.

Die arme Clarence heeft zijn vader Warwick

Verzaakt, zijn eed van trouw aan hem verbroken;—

Vergeev’ hem Jezus!

Koningin Margaretha

(ter zijde). Straff’ hem God er voor!

Gloster.

Om, voor de kroon, aan Edwards zij te strijden;

En zie, tot loon zit de arme prins in hecht’nis.

Gaav’ God, ik had een steenen hart als Edward,

Of hij een zacht, meewarig hart als ik;

Ik ben te kindsch-goedhartig voor deze aarde.

Koningin Margaretha

(ter zijde). Zoo vaar ter helle uit schaamte en wijk van de aarde;

Gij kakodæmon! dààr ligt uw gebied.

Rivers.

Mylord van Gloster, in die heete dagen,

Waar gij op wijst, opdat wij vijand blijken,

Zijn we onzen heer en souverein gevolgd;

Wij zouden ’t u doen, zoo gij koning waart.

Gloster.

Als ik dat waar’!—Marskramer ware ik liever!

Zelfs de gedachte er aan, zij ver van mij! 150

Koningin Elizabeth.

Zoo luttel heils, mylord, als gij voor u

Van ’t koning-zijn verwacht in dezen lande,

Zoo luttel heils, geloof mij, smaak ikzelf,

Schoon ik de koningin zij van dat rijk.

[221]

Koningin Margaretha

(ter zijde). Ja, luttel heils smaakt Eng’lands koningin;

Want dit ben ik, en enkel tot mijn onheil.

Ik houd mijn gramschap thans niet langer in.—

(Zij treedt naar voren.)

Hoort mij, vrijbuiters, die krakeelt, die twist

Bij ’t deelen van uw buit, aan mij ontroofd!

Wie uwer, die mij aanblikt, siddert niet,

Zoo niet voor uw vorstin, als onderdaan,

Toch voor die gij onttroond hebt, als rebel?—

Gij, hooge schurk, wend uw gelaat niet af!

Gloster.

Boos, rimpl’ig tooverwijf, wat doet gij hier?

Koningin Margaretha.

Herhalen kom ik hier uw euveldaden;

Dit wil ik doen, aleer ik u laat gaan.

Gloster.

Zijt gij hier niet op straf des doods verbannen?

Koningin Margaretha.

Ja, doch ik lijd als balling dieper wee,

Dan, blijf ik hier, de dood mij brengen kan.

Gij zijt mij een gemaal en zoon verschuldigd,—

En gij, een koninkrijk,—gij allen, leenplicht;

U komt het lijden toe, dat ik verduur,

Mij al ’t geluk, dat gij hebt overmeesterd.

Gloster.

De vloek mijns eed’len vaders, toen gij hem

De heldenslapen kroondet met papier,

Zijn’ oogen stroomen afdwongt door uw hoon,

En toen om ze af te drogen hem een doek gaaft,

Gedoopt in ’s lieven Rutland’s schuldloos, bloed,—

Zijn vloeken, die zijn bitter hart u toen

Heeft toegeslingerd, zijn ’t, die op u vielen;

En God, niet wij, vergeldt uw bloedig doen.

Koningin Elizabeth.

God is gerecht, hij wreekt onschuldig bloed.

Hastings.

O, ’t was de snoodste daad, dat kind te slachten,

De wreedste, die ooit menschenoor vernam.

Rivers.

Tirannen zelfs, zij weenden bij het hooren.

Dorset.

Geen mensch, die daar geen wraak uit profiteerde.

Buckingham.

Northumberland, die ’t aanzag, stortte tranen.

Koningin Margaretha.

Wat! blikketanddet ge allen, eer ik kwam,

Als zoudt ge elkander bij den gorgel pakken,

En keert gij al uw haat nu tegen mij? 190

Bewoog York’s schrikb’re vloek den hemel zoo,

Dat Hendriks dood, mijns lieven Edwards dood,

’t Verlies der kroon, mijn bitt’re ballingschap,

Slechts boeten zijn voor dien halfwassen brasem?

Dringt zoo een vloek, de wolken door, ten hemel?—

Laat dan, grauw zwerk, mijn rassche vloeken, door!—

Door brassen, niet in de’ oorlog, sterve uw koning,

Gelijk door moord, om hem te kronen, de onze!

Edward, uw zoon, de nieuwe prins van Wales,

Voor Edward, mijn zoon, vroeger prins van Wales,

Sterv’ door geweld, ontijdig, jong, als hij!

Gij, koningin voor mij, die koningin was,

Gij, overleef, als ik, onzaal’ge, uw rijk!

Leef lang, om uwe kind’ren te bejamm’ren,

En zie eene and’re, zooals ik u zie,

Getooid, als gij ’t in mìjn recht zijt, in ’t uwe!

Lang voor uw dood zij uw gelukstijd dood;

En sterf, na menig eind’loos uur van wee,

Sterf, niet meer moeder, vrouw, noch koningin!

Rivers en Dorset, gij waart ooggetuigen,

Ook gij, lord Hastings, toen met purp’ren dolken

Mijn zoon doorstoken werd; ik smeek tot God:

Geen uwer leev’ natuurs gezetten tijd;

Een plots’ling onheil moge u nedermaaien!

Gloster.

Staak uw bezwering, booze, dorre heks!

Koningin Margaretha.

Met niets voor u? Blijf, hond, gij zult mij hooren.

Wanneer de hemel nog een erger wee

In voorraad heeft, dan ik u wenschen kan,

Dan spaar’ hij ’t op, tot uwe zonden rijp zijn,

En stort’ dan al zijn grimmigheid op u,

U, vredestoorder in deze arme wereld!

Gewetensangst knaag’ als een worm uw ziel!

Verdenk uw vrienden immer van verraad,

Kies aartsverraders tot uw boezemvrienden!

Geen slaap luik’ ooit uw onheilbrengend oog,

Tenzij terwijl een mart’lend droomgezicht

U met een hel van woeste duivels pijnigt!

Behekst, wanstaltig wezen! wroetend zwijn!

Gij, van natuur in uw geboortestond

Als slaaf gebrandmerkt, als een zoon der hel!

Gij schande van uw moeders zwang’ren schoot!

Verfoeide wanvrucht van uws vaders lenden!

Gij vod in eere! diep verachte—

Gloster.

Margaretha!

[222]

Koningin Margaretha.

Margaretha! Richard!

Gloster.

Margaretha! Richard! He!

Koningin Margaretha.

Margaretha! Richard! He! Ik riep u niet.

Gloster.

Dan vraag ik u verschooning, want ik waande,

Mij riept gij al die bitt’re namen toe.

Koningin Margaretha.

Dit deed ik, maar een antwoord vroeg ik niet.

O, laat mij nu mijn vloek ten einde brengen!

Gloster.

Ik deed dit reeds; hij sluit met „Margaretha.” 239

Koningin Elizabeth.

Zoo keerde uw vloek nu tot uzelve weer.

Koningin Margaretha.

Arm vorstenbeeld, gij mijner grootheid schijnglans?

Wat strooit ge op die gezwollen giftspin suiker,

Wier dood’lijk web in ’t rond u heeft omstrikt?

Gekkin, gij wet een mes, dat u zal dooden.

Eens komt de dag, dat gij mij naast u wenscht,

Om die gebulte giftpad mee te vloeken.

Hastings.

Gij leugenspelster, dat uw waanzin zwijg’!

Put ons geduld niet uit, het mocht u schaden.

Koningin Margaretha.

Schande op u allen! ’t mijne is uitgeput.

Rivers.

Hij diende u goed, die uwen plicht u leerde.

Koningin Margaretha.

Mij goed te dienen, ware uw aller plicht;

Leert mij, dat ik hier heersch en gij gehoorzaamt.

O, dient mij goed en leert uzelf dien plicht.

Dorset.

Geen redetwist met haar, zij is waanzinnig.

Koningin Margaretha.

Stil, jonge markgraaf, gij zijt schaamtloos stout;

Nauw gangbaar is uw pasgemunte rang.

O, wist uw jeugdige adel, wat het zegt,

Zijn rang te derven, in ellend’ te leven!

Wie hoog staat, wordt door meen’ge vlaag geschud;

En als hij valt, wordt hij geheel verpletterd.

Gloster.

Een goede raad;—behartig hem, markies.

Dorset.

Hij past voor u, mylord, gelijk voor mij.

Gloster.

Veel meer nog; maar ik werd zoo hoog geboren.

In cedertoppen bouwt ons aad’laarsras,

En dartelt met den wind en trotst de zon.

Koningin Margaretha.

En maakt de zon tot nacht;—ach, ach! getuig’ dit,

Mijn zon, mijn zoon, in doodsnacht nu gehuld,

Wiens flonkerstralen uwer gramschap wolk

Met eeuw’ge duisternis omtogen heeft!

York’s broedsel, ’t bouwt in onzer jongen nest;

O God, gij ziet het; duld, o duld het niet;

Wat bloed deed winnen, ga door bloed verloren!

Buckingham.

Stil, dit is schande! ’t is onchrist’lijk doen.

Koningin Margaretha.

O spreek mij niet van christ’lijkheid of schande,

Gij allen waart onchrist’lijk jegens mij,

En schand’lijk hebt gij al mijn hoop geslacht.

Woede is mijn christ’lijkheid, mijn leven schande,

En in die schande leev’ de wrok der smart!

Buckingham.

Houd op, houd op!

Koningin Margaretha.

Doorluchte Buckingham, ik kus uw hand; 280

Dit zij u teeken van mijn vrede en vriendschap;

U en uw edel huis ga ’t immer wel!

Uw kleed’ren zijn niet met ons bloed bespat,

En gij niet in ’t bereik van mijnen vloek.

Buckingham.

En niemand hier, geen vloeken reiken verder

Dan tot de lippen, die hen lucht doen zijn.

Koningin Margaretha.

En ik geloof, dat zij ten hemel stijgen,

Gods vrede er wekken uit zijn zoeten slaap.

O Buckingham, o hoed u voor dien hond!

Zie, kwispelt hij, dan bijt hij; als hij bijt,

Dan woedt zijn gifttand tot den dood toe door.

Heb niets met hem te doen, wacht u voor hem!

Dood, hel en zonde hebben hem geteekend,

En al hun dienaars zijn in zijn gevolg.

Gloster.

Wat zegt zij u, mylord van Buckingham?

Buckingham.

Niets waar ik acht op sla, genadig heer.

Koningin Margaretha.

Wat! hoont gij mij, die vriend’lijk raad, en hangt gij

Den duivel, waar ik u voor waarschuw, aan?

O denk eens aan dit uur, als hij door wee

Uw hart vaneen zal rijten, en zeg dan:

„Die arme Margaretha was profetisch!”—

Zoo leeft dan, elk van u bij hem gehaat,

En hij bij u, en allen saam bij God!

(Koningin Margaretha af.)

[223]

Hastings.

Mij rees het haar te berge bij haar vloeken.

Rivers.

Mij ook; dat zij hier vrij blijft, is me een raadsel.

Gloster.

Valt haar niet hard; want bij Gods heil’ge moeder,

Veel onrecht moest zij lijden; mij berouwt

Het deel, dat ik er aan heb toegevoegd.

Koningin Elizabeth.

Ik deed geen leed haar aan, zoover ik weet.

Gloster.

Toch pluktet gij de vruchten van haar leed.

Ik was vol vuur om iemand goed te doen,

Die nu te koel van al mijn diensten denkt.

Voorwaar, wat Clarence deed, wordt goed betaald!

Erkent’lijk wordt hij in een kot gemest;—

Vergeev’ God hun, die daar de schuld van zijn!

Rivers.

Een vroom besluit, een christen waard, te bidden

Voor hen, die schade ons hebben toegevoegd!

Gloster.

Zoo doe ik steeds;—(Ter zijde.) en ’k heb er reden toe,

Want vloekte ik nu, ik had mijzelf vervloekt.

(Catesby komt op.)

Catesby.

De koning, eed’le vrouw, wenscht u te zien,—

En uwe hoogheid ook, en u, mylords. 321

Koningin Elizabeth.

Wij komen, Catesby.—Gaat gij mede, lords?

Rivers.

Wij volgen uwe hoogheid.

(Allen af, behalve Gloster.)

Gloster.

Ik doe het booze, en roep het eerst om wraak.

Het onheil, dat ik heim’lijk heb gesticht,

Leg ik als zwaren last op vreemde schouders.

Ikzelf wierp Clarence in dat donker kot,

En nu beween ik hem bij stikziende uilen,

Zooals bij Stanley, Hastings, Buckingham;

En zeg, de koningin, zij en haar aanhang,

Die hitsen tegen hem den koning op.

En zij gelooven ’t; ja, zij wetten mij,

Dat ik op Rivers, Vaughan, Grey mij wreek;

Dan zucht ik, zeg hun met een bijbelspreuk,

Dat God gebiedt, voor ’t kwade goed te doen;

En zoo bekleed ik steeds mijn naakte boosheid

Met dwaze vodden, uit de Schrift gekaapt,

En schijn een heil’ge, als ik echt duivelsch ben.

(Twee Moordenaars komen op.)

Maar stil! het zijn mijn beulen, die daar komen.—

Gij wakk’re stoute, vastberaden mannen,

Zijt gij bereid, dat zaakjen af te doen?

Eerste Moordenaar.

Ja, eed’le heer, wij komen om de volmacht,

Opdat wij toegang vinden, waar hij is.

Gloster.

Zeer goed bedacht; ik heb ze bij mij; hier!

(Hij geeft hun de volmacht.)

En komt, is ’t werk gedaan, naar Crosbyhof.

Maar mannen, brengt met spoed uw taak ten eind;

Weest onverbidd’lijk; laat hem niet aan ’t woord;

Want Clarence weet te praten, en wellicht

Vermurwde hij uw hart, als gij gingt luist’ren.

Eerste Moordenaar.

Gerust, mylord; wij maken daar geen praats;

Wie babbelt, leutert meest; wees gij verzekert,

Wij roeren onze handen, niet de tong.

Gloster.

Een dwaas ween’ tranen, gij eer molensteenen;

Gij lijkt mij flinke kerels;—komt, aan ’t werk,

Gaat, gaat, en snel!

Eerste Moordenaar.

Dat zullen wij, uw hoogheid.

(Allen af).

[Inhoud]

VIERDE TOONEEL.

Londen. Een vertrek in den Tower.

Clarence en een Stokbewaarder komen op.

Stokbewaarder.

Hoe ziet uw hoogheid heden zoo bedrukt?

Clarence.

O, ’k heb een nacht doorleefd van diepe ellend,

Vol bange droomen, schrikk’lijke gezichten;

Zoowaar ik een geloovig christen ben,

Nog eens een nacht als deze door te staan,

Ik deed het voor geen wereld blijde dagen;

Zoo vol van naamlooze’ angst was mij die tijd!

Stokbewaarder.

Wat was uw droom, mylord? ik bid u, meld dit.

Clarence.

Mij dacht, dat ik ontsnapt was uit den Tower,

En dat een schip mij voerde naar Bourgondië;

Mijn broeder Gloster was mijn reisgezel;

Hij lokte me uit mijn hut op ’t dek; wij deden

Daar saam een wand’ling, blikten uit naar England,

En spraken van die duizend zware tijden

Uit de’ oorlog tusschen York en Lancaster,[224]

Die ons getroffen hadden. Bij die wand’ling

Op ’t glibb’rig dek, kwam het op eens mij voor,

Dat Gloster struikelde en bij ’t vallen mij,

Die trachtte hem te houden, overboord

En in ’t gewoel der woeste baren stiet.

O God, hoe smartlijk scheen ’t mij, te verdrinken!

Wat vreeslijk waterklotsen in mijn oor!

Wat beelden van den gruwb’ren dood in ’t oog,

Mij dacht, ik zag een duizend schrikb’re wrakken,

Een duizend menschen, waaraan visschen knaagden,

Goudklompen, reuzige ankers, hoopen paarlen,

Onschatb’re steenen, tal van prachtjuweelen,

Op heel den bodem van de zee verspreid;

In schedels lagen enkele; in de holten,

Waar oogen eens in huisden, zaten nu,

Als schimpten zij op oogen, flonkersteenen,

Het glibb’rig slijk der diepte tegenlonkend,

En spottend met het doodsgebeente in ’t rond.

Stokbewaarder.

Hadt gij in ’t oogenblik des doods den tijd

Om zoo der zee geheimen te bespieden?

Clarence.

Zoo kwam ’t mij voor, en menigmaal beproefde ik

Den geest te geven, doch de zee hield wreev’lig

Mijn ziel steeds vast en liet haar niet ontglippen

Om de open, ruime, vrije lucht te zoeken;

Zij deed haar stikken in mijn hijgend lichaam,

Dat bijna barstte om haar in zee te loozen.

Stokbewaarder.

Werdt gij niet wakker in dien zwaren doodsstrijd?

Clarence.

Neen, neen, mijn droom ging nog na ’t leven door; 43

O toen begon de storm voor mijne ziel!

Haar bracht, zoo scheen ’t mij, over ’t somb’re water

De norsche veerman, van wien dichters spreken,

Naar ’t koninkrijk der nacht, die nimmer eindt.

En de eerste, die mijn vreemd’lingziel daar groette,

Was mijner vrouw roemruchte vader Warwick,

Die luide riep: „Wat gees’ling voor verraad

Bereidt dit duist’re rijk den valschen Clarence?”

En zoo verdween hij. Daarna zweefde een schim

Gelijk een engel nader, ’t lichte haar 53

Met bloed bevlekt; met luider stemme kreet hij:

„Clarence is daar, die eedvergeten Clarence,

Die mij bij Tewksbury op ’t veld doorstak;—

Grijpt, grijpt hem, Furiën; sleept hem weg ter martling!”

En, docht mij, een legioen van booze geesten

Omringde mij en huilde mij in ’t oor,

Zoo schrikverwekkend, dat ik door ’t gebrul

Ontwaakte en rilde en nog geruimen tijd

Niet anders dacht dan in de hel te zijn;

Zoo diep was in mijn ziel de droom gegrift.

Stokbewaarder.

Geen wonder, dat hij u ontzette, heer;

Want van ’t verhaal alleen ben ik ontsteld.

Clarence.

O stokbewaarder! O, ik deed dat alles,

Dat tegen mijne ziele nu getuigt,

Om Edwards wil; en zie, hoe hij ’t mij loont!—

O God, verzoent geen innig smeeken u,

Maar eischt gij wrake voor wat ik misdeed,

O, boet uw grimmigheid alleen op mij,

Spaar mijn onnooz’le vrouw, mijn arme kinders!—

Bewaker, ’k bid u, blijf een wijle hier,

Want mijne ziel is bang, ik wensch te slapen.

Stokbewaarder.

Dit zal ik, heer; God geve uw hoogheid rust.

(Clarence slaapt in.)

(Brakenbury komt op.)

Brakenbury.

Het leed verstoort èn wakenstijd èn rustuur,

En maakt de nacht tot morgen, dag tot nacht.

Der vorsten een’ge heerlijkheid zijn titels,

Uitwendig schitt’ren voor inwendig slaven;

Voor ongenoten hersenschimmen voelen

Ze een wereld vaak van rustelooze zorg;

Zoodat van lagen stand een hooge naam

In niets verschilt dan in den roep der faam.

(De twee Moordenaars komen op.)

Eerste Moordenaar.

Hé, wie is daar?

Brakenbury.

Wat wilt gij kerel? en hoe komt gij hier?

Eerste Moordenaar.

’k Moet Clarence spreken, en ik kwam te voet hierheen.

Brakenbury.

Wat! zoo kortaf?

Tweede Moordenaar.

’t Is beter dan langwijlig, heer.—

Laat hem de volmacht zien, en praat niet verder.

(De eerste Moordenaar overhandigt aan Brakenbury een papier.)

[225]

Brakenbury

(na lezing). ’t Is een bevelschrift om in uwe handen

Den eed’len hertog Clarence uit te leev’ren;

Ik wil niet vragen, wat hiermee bedoeld is,

Want aan dit doel wil ik onschuldig zijn.

Daar slaapt de hertog en hier zijn de sleutels.

Ik ga terstond den koning kennis geven,

Dat ik aldus mijn ambt u overdroeg. 99

Eerste Moordenaar.

Zoo kunt ge doen, heer; ’t is een wijze keus. Vaarwel.

(Brakenbury af, met den Stokbewaarder).

Tweede Moordenaar.

Hoe is het, zullen wij hem in den slaap doorsteken?

Eerste Moordenaar.

Neen, hij zou bij het wakker worden zeggen, dat het een laffe daad was.

Tweede Moordenaar.

Wel, hij zal niet wakker worden voor den grooten oordeelsdag.

Eerste Moordenaar.

Nu, dàn zal hij zeggen, dat wij hem in den slaap doorstoken hebben.

Tweede Moordenaar.

Het noemen van dat woord „oordeelsdag” heeft een soort van gewetensangst bij mij gaande gemaakt.

Eerste Moordenaar.

Wat! zijt gij bang?

Tweede Moordenaar.

Niet om hem te dooden, want daartoe heb ik een volmacht, maar voor de verdoemenis, als ik hem dood; want waartegen kan geen volmacht mij iets helpen.

Eerste Moordenaar.

Ik dacht, dat gij vastbesloten waart geweest.

Tweede Moordenaar.

Dat ben ik, om hem te laten leven.

Eerste Moordenaar.

Ik ga naar den hertog van Gloster terug en vertel het hem.

Tweede Moordenaar.

Neen, ik bid u, wacht nog een oogenblik; ik hoop, dat die vlaag van gevoeligheid wel zal overwaaien; zij hield meestal slechts een twintig tellens aan.

Eerste Moordenaar.

Hoe voelt gij u nu?

Tweede Moordenaar.

Er zit nog een klein bezinksel van geweten bij mij.

Eerste Moordenaar.

Denk aan onze belooning, als de daad gedaan is.

Tweede Moordenaar.

Alle duivels, hij sterft; ik was de belooning vergeten.

Eerste Moordenaar.

Waar is uw geweten nu?

Tweede Moordenaar.

O, in de beurs van den hertog van Gloster.

Eerste Moordenaar.

Als hij zijn beurs opent om ons te beloonen, vliegt uw geweten er uit.

Tweede Moordenaar.

Het doet er niet toe, laat het zijn gang gaan; er zijn er weinig of geen, die er huisvesting aan zullen verleenen.

Eerste Moordenaar.

Maar, als het eens bij uzelven terugkomt? 136

Tweede Moordenaar.

Dan laat ik mij er niet mee in, het maakt een man tot een lafaard; men kan niet stelen, of het klaagt aan; men kan niet vloeken, of het valt in de rede; men kan niet bij zijns buurmans vrouw liggen, of het speelt voor verrader; het is een bloode, schaamrood wordende geest, die in het hart oproer stookt; het stopt een man geheel vol zwarigheden; het heeft mij eens een beurs met goud terug doen geven, die ik bij toeval gevonden had: het maakt ieder, die het er op nahoudt, tot een bedelaar; het wordt als een gevaarlijk ding alle steden en vlekken uitgejaagd; en ieder, die een goed leven wil hebben, verlaat zich liefst op zichzelf en tracht zonder dat ding te leven.

Eerste Moordenaar.

Waarachtig, het trekt mij daar juist bij de mouw en vermaant mij, den hertog niet om te brengen.

Tweede Moordenaar.

Neem u voor den duivel in acht en geloof hem niet; hij wil zich alleen bij u indringen, om u aan het zuchten te brengen.

Eerste Moordenaar.

Ik ben sterk van natuur; hij krijgt mij niet onder.

Tweede Moordenaar.

Dat is gesproken als een flinke kerel, die zijn naam in eere houdt. Kom, willen wij aan ’t werk gaan?

Eerste Moordenaar.

Sla hem met het gevest van uw degen den kop in, en smijt hem dan in ’t malvezijvat in de kamer hiernaast.

Tweede Moordenaar.

O, heerlijk uitgedacht! wij maken een sopje van hem.

Eerste Moordenaar.

Stil, hij wordt wakker.

Tweede Moordenaar.

Sla toe!

Eerste Moordenaar.

Neen, we willen een praatje met hem maken.

Clarence

(ontwakend). Waar zijt gij, wachter? geef me een roemer wijns.

Eerste Moordenaar.

Zoo daad’lijk, heer, bekomt gij wijn genoeg.

Clarence.

In Gods naam, wie zijt gij?

Eerste Moordenaar.

Een mensch, als gij zijt.

[226]

Clarence.

Doch niet, als ik, een koningszoon.

Eerste Moordenaar.

Noch gij, als wij, trouw dienaar van den troon.

Clarence.

Uw taal is donder, maar uw blik is schuw.

Eerste Moordenaar.

Mijn taal is koningstaal, mijn blik de mijne.

Clarence.

Hoe duister en hoe dood’lijk zijn uw woorden!

Uw oogen dreigen; waarom ziet gij bleek?

Wie heeft u hier gezonden? waarvoor komt gij?

Beide Moordenaars.

Om, om, om—

Clarence.

Om, om, om— Mij te vermoorden?

Beide Moordenaars.

Om, om, om— Mij te vermoorden? Juist.

Clarence.

Gij hebt het hart niet eens, mij dit te zeggen,

En kunt dus ’t hart niet hebben, zoo te doen.

Waarmee, mijn vrienden, heb ik u beleedigd?

Eerste Moordenaar.

Niet ons hebt gij beleedigd, maar den koning. 183

Clarence.

Eerlang ben ik gewis met hem verzoend.

Tweede Moordenaar.

Neen, nimmer, heer; bereid u dus ter dood.

Clarence.

Werdt ge uit millioenen door het lot verkoren

Om de onschuld te vermoorden? Wat misdreef ik?

Waar is ’t getuignis, dat mij schuldig noemt?

Waar de gezwoor’nen, die den grammen rechter

Hun uitspraak overreikten? ’t Bitter vonnis

Tot dood van de’ armen Clarence, wie, wie streek het?

Aleer de loop van ’t recht mij schuldig vindt,

Is ’t dreigen met den dood een schand’lijk onrecht.

Zoo waar gij op vergeving hoopt van schuld

Door Christus’ kost’lijk bloed, voor ons vergoten,

Zeg ik, gaat heen en slaat geen hand aan mij;

Verdoemlijk is uw voorgenomen daad.

Eerste Moordenaar.

Die voorgenomen daad geschiedt op last.

Tweede Moordenaar.

En die haar heeft gelast, is onze koning.

Clarence.

Verdwaasde knechten! aller vorstenkoning,

Gaf in zijn wet der taaf’len dezen last:

„Gij zult niet doodslaan!” Wilt gij Zijn gebod

Vertreden en eens menschen last volbrengen?

Ziet toe! hij heeft de wraak in Zijne hand

En slingert ze op der wetsveracht’ren hoofd.

Tweede Moordenaar.

En de eigen wrake slingert hij op u,

Voor valschen meineed en nog valscher moord;

Ge ontvingt het sacrament, dat ge in den strijd

Zoudt vechten voor het huis van Lancaster.

Eerste Moordenaar.

En als verrader aan den name Gods

Braakt gij dien eed en scheurde uw trouwloos staal

Den boezem open van uws vorsten zoon.

Tweede Moordenaar.

Wien gij, naar de’ eed, beminnen zoudt en hoeden.

Eerste Moordenaar.

Hoe houdt gij ons Gods hoog gebod voor oogen,

Gij, die het zelf zoo zwaar geschonden hebt?

Clarence.

Helaas! voor wien deed ik die snoode daad?

Voor Edward, voor mijn broeder, hem tot nut;

Hij zendt u niet, om daarvoor mij te moorden,

Want in die schuld steekt hij zoo diep als ik.

Zoo God die daad door wrake wil vergelden,

O weet, dan doet Hij ’t ook ’t openbaar;

Neemt gij de straf niet uit Zijn sterke hand;

Geen krommen weg, geen wetloos doen behoeft Hij,

Om wie hem heeft beleedigd uit te roeien.

Eerste Moordenaar.

Wie heeft u toen tot bloedgezant gemaakt, 226

Toen ge in zijn lentebloei Plantagenet,

Dien wakk’ren vorstentelg, hebt neergestooten?

Clarence.

Mijn broedermin, de duivel en mijn toorn.

Eerste Moordenaar.

Uw broeder, onze plicht en uw vergrijpen

Die zenden ons nu hier, dat we u verslaan.

Clarence.

O haat,—hebt gij mijn broeder lief,—niet mij;

Ik ben zijn broeder en ik heb hem lief.

Zijt gij voor loon gehuurd, zoo gaat terug,

Wendt namens mij u tot mijn broeder Gloster,

Die beter u zal loonen voor mijn leven,

Dan Edward ooit voor ’t melden van mijn dood.

[227]

Tweede Moordenaar.

Voorwaar, gij dwaalt; uw broeder Gloster haat u.

Clarence.

Neen, neen; hij heeft mij lief, ik ben hem dierbaar.

Gaat slechts van mij tot hem.

Beide Moordenaars.

Wij zullen ’t doen.

Clarence.

Zegt hem, dat, toen onze eed’le vader York

Ons drieën met zijn heldenhand gezegend,

Bezworen heeft elkander lief te hebben,

Hij luttel zulk een vriendschapsbreuk voorzag;

Herinnert Gloster dit, en hij zal weenen.

Eerste Moordenaar.

Ja, molensteenen, naar zijn les aan ons.

Clarence.

O, spreek van hem geen kwaad, want hij is goed.

Eerste Moordenaar.

Als sneeuw in de’ oogst-tijd.—Waarlijk, gij bedriegt u;

Hij is het, die ons zendt om u te dooden.

Clarence.

Het kan niet zijn; hij weende om wat mij trof,

En klemde mij aan ’t hart, en zwoer al snikkend,

Dat hij mijn vrijheid dra bewerken zou.

Eerste Moordenaar.

Welnu, dit doet hij, want hij maakt u vrij

Van aardsche slavernij, voor hemelvreugd.

Tweede Moordenaar.

Verzoen u, heer, met God, want gij moet sterven.

Clarence.

Hebt ge in uw zielen zooveel vroom gevoel,

Dat gij mij raadt, met God mij te verzoenen.

En zijt gij voor uw eigen ziel zoo blind,

Dat gij, door mij te moorden God wilt tergen?

Bedenkt het wel: die u heeft aangezet

De daad te doen, zal om de daad u haten.

Tweede Moordenaar.

Wat nu te doen?

Clarence.

Wordt week, en redt uw zielen.

Eerste Moordenaar.

Week worden! neen, ’t is laf, ’t is vrouwenaard.

Clarence.

Niet week te worden, dierlijk, woest en duivelsch.

Spreekt, wie van u, als hij een vorstenzoon was

En van zijn vrijheid was beroofd als ik,

Zou, door twee moord’naars zooals gij bedreigd,

Niet om zijn leven smeeken?

Mijn vriend, uw blik verraadt mij een’ge deernis;

O kom, indien uw oog geen vleier is,

Aan mijne zijde, en smeek voor mij, zooals

Gijzelf, waart gij in mijnen nood, zoudt smeeken!

Wat beed’laar schenkt een prins, die bidt, geen deernis?

Tweede Moordenaar.

Zie achter u, mylord.

Eerste Moordenaar

(Clarence doorstekend).

Neem dit,—en dat;—is dit nog niet genoeg,

Dan smoor ik u in ’t malvezijvat ginds.

(De eerste Moordenaar met het lijk af.)

Tweede Moordenaar.

Een bloedig stuk, gewetenloos volvoerd!

Hoe gaarne wiesch ik als Pilatus eens,

Mijn handen rein van dezen gruwelmoord!

(De eerste Moordenaar komt weder op.)

Eerste Moordenaar.

Hoe is ’t met u, dat gij niet helpt? de hertog

Verneemt het, man, ik zweer ’t, hoe laf gij waart!

Tweede Moordenaar.

Vernam hij eer, dat ik zijn broeder redde!

Neem gij het loon en meld hem, wat ik zeg,

Want mij berouwt het, dat de hertog dood is.

(Tweede Moordenaar af.)

Eerste Moordenaar.

Mij rouwt het niet; ga, lafaard, die gij zijt!

’k Verstop het lijk in de’ een of andren schuilhoek,

Totdat de hertog last geeft ter begraafnis;

En heb ik ’t loon, dan weet ik, wie ontvliedt;

Want dit komt uit, en dan zij ik hier niet.

(Eerste Moordenaar af.)