TWEEDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Londen. Een vertrek in Ely-hof.
Gent op een rustbed; de Hertog van York en Anderen staan om hem heen.
Gent.
Komt Richard? spreek! opdat mijn laatste woord
Heilzame raad zij voor zijn wufte jeugd?
York.
O, kwel u daarmeê niet en spaar uw adem;
’t Is al om niet, wat raad zijn oor bereik’!
Gent.
O, maar de tong van stervenden, zoo zegt men,
Dwingt aandacht af, als diepe harmonie;
Vaak klemt het woord van hem, wiens stemme breekt,
Want waarheid ademt, wie zwaar-aad’mend spreekt.
Men luistert meer naar hem, wien ’t woord begeeft,
Dan naar de jeugd, die dartelt met haar woorden;
Meer telt men, die gaat sterven, dan die leeft.
De zon, die daalt, de klank van slotakkoorden,
Heugt, als het laatste zoet van zoetigheden,
Meer dan ’t verbleekte schoon van ’t ver verleden.
Gaf Richard nooit den levende gehoor, 15
Wellicht geneest mijn stervend woord zijn oor.
York.
O, dat versperren andre, vleiersklanken:
Als ’t roemen van zijn hofstaat; dan, de dwaasheid
Van wulpsche lied’ren, naar wier giftig ruischen
Het open oor der jeugd steeds hooren wil,
’t Bericht van modes in het trotsch Itaalje,
Welks zeden steeds ons loom en aap’rig volk
Bespiedt en nahinkt, slaafsch zichzelf verneed’rend.
De wereld brengt geen ijdelheid aan ’t licht,—
Is zij slechts nieuw, dan vraagt men niet hoe slecht,—
Of zij wordt ijlings hem in ’t oor geblazen.
Raad komt te laat en wordt niet meer gehoord,
Zoo lust, oproerig, wijsheids stem versmoort.
Wijs hun geen weg, die zelf hem kiezen willen;
Gij hijgt naar lucht, wat zoudt gij lucht verspillen?
Gent.
Het is me, als werd ik plotsling een profeet,
En zoo spel ik, verscheidend, nu zijn toekomst.
Zijn dol en wulpsch geflakker kan niet duren,
Want ieder heftig vuur brandt schielijk uit;
Kort duurt een stortbui, zachte regens lang;
Wie vroeg te haastig spoort, is weldra moe;
Wie al te gulzig eet, hij stikt in ’t eten;
Dwaze ijdelheid, die onverzaadbre gier,
Verslindt haar buit en aast dan op zichzelf.
Deez’ koningstroon, dit scepterdragend eiland,
Dit land van macht en waardigheid, Mars’ zetel,
Dit ander Eden, tweede paradijs, 42
Dit bolwerk, door natuur zichzelf gebouwd,
Waar iedre krijg en zijn verderf op afstuit,
Dit volk van zegen, deze kleine wereld,
Dit kleinood, in de zilv’ren zee gevat,
Die als een wal het kostlijk pand beschut,
Of als een gracht, die ’t huis verdedigt tegen
Den nijd van min met heil begaafde landen,—
Deez’ zegenrijke plek, dit rijk, dit England,
De moederschoot en min van hooge vorsten,
Gevreesd om hun geslacht, hoog van geboort,
Zoo ver van huis beroemd om hunne daden,
(In echten christenridderdienst volbracht,)
Zoo ver als in ’t verstokt Judea ’t graf
Des wereldheilands ligt, des zoons der maagd,
Dit dierbaar, dierbaar land, van dierbre zielen,
Zoo dierbaar om zijn naam in heel de wereld,
Is nu verpacht,—ja, ’t zeggen is mijn dood,—
Gelijk een landgoed of een bouwmanshoeve.
Dit England, door de trotsche zee omgord,
Welks rotsig strand de nijdige berenning
Des zeegods afslaat, is omstrikt door schande,
Door rottig perkament en brodd’lig schrift;
England, dat andren plach de wet te stellen,
Heeft schandlijk nu zichzelf de wet gesteld.
O, als de smaad gewischt was met mijn leven,
Hoe juichte ik nu in ’t naad’ren van den dood!
(Koning Richard en de Koningin komen op, met Aumerle, Bushy, Green, Bagot, Ross en Willoughby.)
York.
Daar komt de koning; zacht toch, om zijn jeugd;
Een wild, jong veulen slaat, geslagen, wilder.
Koningin.
Hoe vaart onze edele oom van Lancaster?
Koning Richard.
Hoe is ’t, oom Hans? hoe maakt het de oude Gent?
Gent.
Wat past dat “oude Hans” goed op mijn toestand!
Ja, maag’re Hans maait dra zijn evenbeeld!
In mij hield leed een langen vastentijd;
En wie niet eet, wordt dra een maag’re Hans;
Wijl England sliep, heb ik aldoor gewaakt,
En ’t waken deed een maag’ren Hans mij worden.
’t Geluk, dat voedsel is voor menig vader,
Verkeerde in vasten, ’k mocht mijn kind niet zien;
En zoo werd ik door u tot maag’ren Hans;
En zoo deugt de oude Hans voor niets dan ’t graf,
Welks holle schoot niets erven zal dan beend’ren.
Koning Richard.
Hoe kan een zieke met zijn naam zoo spelen? 84
Gent.
Spot met zichzelve doet de ellende goed.
Gij gaaft me een naam des doods; begroet ik nu
Dien naam met scherts, dan, koning, vlei ik u.
Koning Richard.
Speelt hij, die sterft, voor vleier bij die leeft?
Gent.
Neen, levenden zijn vleiers voor die sterven.
Koning Richard.
Neen, gij, die sterft, gij vleit, zoo zegt gij mij.
Gent.
Neen, gij zijt stervend, schoon ik kranker zij.
Koning Richard.
Ik ben gezond, ik adem, zie u krank.
Gent.
Neen, neen, mijn Schepper weet, u zie ik krank;
Ik, krank van uitzicht, zie u doodlijk krank.
Uw doodsbed is niet kleiner dan uw land,
Waar gij met kranken naam in nederligt.
En gij, lichtzinnig zieke, die gij zijt,
’t Gezalfde lijf vertrouwt gij aan de heeling
Van dìe, dìe artsen, die u eerst verwondden.
Een duizend vleiers zitten in uw kroon,
Haar omtrek is niet grooter dan uw hoofd,
En toch, gesperd in zulk een enge ruimte,
Verbrassen zij niet minder dan uw land.
O, had uws vaders vader, als een ziener,
Erkend, hoe zijns zoons zoon eens zijne zonen
Verderven zou, hij had uw schande wis
Uit uw bereik gebracht, u afgezet,
Aleer gij ooit uw erfland hadt bezeten,
Bezeet’ne, die uzelf hebt afgezet!
Ja, neef, al waart gij vorst der gansche wereld,
Een schande waar’ ’t, dit land in pacht te geven;
Doch daar dit land alleen uw wereld is,
Is ’t nu niet meer dan schande, ’t zoo te schenden?
Landheer van England zijt gij thans, niet koning;
Uw vorstlijk recht is nu de slaaf der wet,
En—
Koning Richard.
En gij, een maanzieke en versufte dwaas,
Gij, met het voorrecht van de koorts u dekkend,
Durft met uw kille strafrede onze wangen
Verbleeken doen, ons vorstlijk bloed door toorn
Verjagen uit zijn wettig oponthoud!
Nu, bij de hooge majesteit mijns toorns,—
De zoon des grooten Edwards noemde u broeder,
Maar anders deed uw tong, zoo vrij in ’t hoofd,
Het hoofd u van uw drieste schouders vliegen.
Gent.
O, spaar mij niet, gij zoon mijns broeders Edward,
Wijl ik een zoon was van zijn vader Edward.
Gij hebt reeds, als de pelikaan, dat bloed
Vergoten, dronken feest er mee gevierd. 127
Mijn broeder Gloster,—brave trouwe ziel,
Wien ’t goed hierboven ga bij zaal’ge zielen!—
Is reeds een voorbeeld en een goed getuige,
Dat ge Edwards bloed, en zonder schroom, vergiet.
Vereen u vrij met deze mijne ziekte,
Uw boosheid zij als krommende ouderdom,
En maai’ de lang verwelkte bloem ras af.
Leef in uw schande, en dat ze u overleev’;
Herdenk mijn taal met wroeging steeds en beef!—
Komt, brengt mij nu te bed, en dan naar ’t graf;
Volgaarne sterft, wien liefde en eer begaf!
(Gent wordt door zijn Dienaars weggedragen.)
Koning Richard.
Hij sterve, wien èn jeugd en vreugd begaf;
Die mist gij beide, en zijt dus rijp voor ’t graf.
York.
Ik bid uw majesteit, schrijf deze woorden
Aan wreev’le ziekte en aan zijn leeftijd toe;
Hij heeft u lief, niet minder dan zijn’ zoon,
Dan Hendrik Hereford; ware die ontboôn!
Koning Richard.
Juist, zooals Hendrik Hereford mint hij mij,
Ik hen gelijk zij mij;—welnu dit zij!
(Northumberland komt op.)
Northumberland.
Mijn vorst, ontvang den groet van de’ ouden Gent.
Koning Richard.
Wat zegt hij?
Northumberland.
Niets meer; alles is gezegd.
Zijn tong is nu een snaarloos instrument,
Spraak, leven, alles wat hij had, ten end.
York.
Wees, York, dra even zoo bankroet! De dood,
Hoe arm hij make, is ’t eind van bitt’ren nood.
Koning Richard.
De rijpste vrucht valt eerst;
hij moest wel vallen,
Zijn tijd was om; het is het lot van allen.
Genoeg hiervan.—Nu van den Ierschen krijg.
Verdelgen moet ik ’t woest gespuis, die Kernen,
Die giftig daar gedijen, waar geen gif,
Dan zij alleen, het voorrecht heeft te leven.
En daar dit groote werk veel geld vereischt,
Zoo trekken wij tot onze hulp aan ons
Het zilverwerk, geld, renten, ’t roerend goed,
Waarvan onze oom van Gent bezitter was.
York.
Hoe lang blijf ik geduldig? Ach, hoe lang
Duldt teeder plichtgevoel een boozen dwang?
Niet Gloster’s dood, noch Hereford’s ballingschap,
Noch Gent’s bestraffing, noch zelfs Englands nood,
Noch dat arglistig stuiten van het huwlijk
Van de’ armen Bolingbroke, noch eigen smaad
Deed mijn gelaat van lijdzaam bitter worden,
Noch tegen mijnen vorst mij ’t voorhoofd frons’len.
Ik ben de laatste zoon des eed’len Edwards;
Zijn eerste was uw vader, prins van Wales;
In de’ oorlog was geen gramme leeuw ooit stouter,
In vrede geen geduldig lam ooit zachter,
Dan deze jonge, vorstlijke edelman. 175
Zijn aangezicht hebt gij, ja, evenzoo
Zag hij er uit, toen hij ùw jaren had;
Doch zag hij gram, dan was het tegen Frankrijk,
Nooit tegen vrienden; en zijn eed’le hand
Won wat hij wegschonk, maar hij schonk niet weg,
Wat in triomf zijns vaders hand eens won.
Rein was zijn hand steeds van verwantenbloed,
Maar bloedig van de vijanden zijns stams.
O Richard, overstelpt is York van kommer,
Slechts dit perst hem die vergelijking af.
Koning Richard.
Maar, oom, wat wilt gij?
York.
Maar, oom, wat wilt gij? O, mijn heer en vorst,
Vergeef mij, zoo gij ’t goed vindt; maar zoo niet,
Dan vind ik goed, dat gij mij niet vergeeft.
Intrekken wilt gij, zelf met handen grijpen
De leenen, rechten van den balling Hereford?
Is Gent niet dood en leeft niet Hendrik Hereford?
Was Gent niet braaf en is niet Hendrik trouw?
Verdiende de eene niet een erfgenaam?
Is de erfgenaam niet een verdienstlijk zoon?
Neem Hereford’s rechten weg, ontneem den Tijd
Zijn perkamenten en zijn oude rechten,
Laat dan geen morgen meer op ’t heden volgen;
Wees dan uzelf niet, want hoe zijt gij koning
Dan door opvolging en door erfenis?
Bij God!—verhoede God, dat ik gelijk heb!—
Zoo ge onrechtvaardig Hereford’s rechten eigent,
De koningsbrieven intrekt, die hij heeft,
En ’t recht, om door gemachtigden zijn leenen
Te heffen, niet erkent, zijn hulde weigert,
Dan hoopt gij duizend nooden op uw hoofd,
Verliest wel duizend welgezinde harten,
En wekt in mijn geduld gedachten op,
Die eer en trouwe leenplicht niet kan denken.
Koning Richard.
Denk, wat gij wilt; toch leggen wij de hand
Op ’t zilverwerk, zijn geld, zijn goed, zijn land.
York.
Vaarwel, mijn vorst, ik zie het niet mee aan;
Geen sterv’ling weet wat hieruit kan ontstaan;
Toch is het licht te zien, dat booze wegen
Tot onheil zullen voeren, nooit tot zegen.
(York af.)
Koning Richard.
Ga, Bushy, daad’lijk tot den graaf van Wiltshire;
Hij kome tot ons hier in Elyhof,
En reeg’le deze zaak. Nu, morgenochtend
Gaan wij naar Ierland en voorwaar, ’t is tijd.
Gedurende onze afwezigheid vervulle
Mijn oom van York in England onze plaats,
Want hij is trouw en was ons steeds genegen.
Kom nu, mijn gade; morgen scheiden wij;
Wees lustig, want een dag is dra voorbij.
(Trompetgeschal, Koning Richard, de Koningin, Aumerle, Bushy, Green en Bagot af.)
Northumberland.
Nu, lords, de hertog Lancaster is dood. 224
Ross.
En leeft toch ook, zijn zoon is hertog thans.
Willoughby.
Ja, naar den titel, naar de renten niet.
Northumberland.
Naar beide rijklijk, ware recht hier recht.
Ross.
Mijn hart is vol, maar, zwijgend, moet het breken,
Eer ’t zich in vrije taal van zorg ontlast.
Northumberland.
Neen, spreek vrijuit, en hij spreek’ nimmer weder,
Die, wat gij zegt, herzegt om u te schaden!
Willoughby.
Betreft, wat gij wilt zeggen hertog Hereford?
Als dit zoo is, spreek onbeschroomd vrijuit,
Mijn oor vangt op, en gretig, wat hem goed doet.
Ross.
Niets goeds ter wereld kan ik voor hem doen,
Tenzij ’t hem goed doe, dat ik hèm beklaag,
Die schandlijk van zijn erfdeel wordt beroofd.
Northumberland.
Bij God, ’t is schande, duldt men zulk een onrecht
Aan hem, eens konings kleinzoon, en aan andren
Van edel bloed in dit vervallend land.
De koning is zichzelf niet, wordt verleid
Door vleiers; en wat die in ’t oor hem blazen
Uit haat of wrevel tegen een van ons,
Dat zoekt de koning streng dan te vervolgen
Aan ons, ons leven, aan ons huis en erven.
Ross.
Hij drukt het volk aldoor met zware lasten
En raakt hun liefde kwijt; hij straft den adel
Om ouden twist en raakt hun liefde kwijt.
Willoughby.
En daag’lijks denkt men nieuwe lasten uit,
Als blancobrieven, schenkingen, wat weet ik!
Maar wat, in Godsnaam, wat moet hiervan worden?
Northumberland.
Geen krijg verslond het, want hij krijgde niet;
Hij stond zelfs bij verdragen smaadlijk af,
Wat eens zijn vaad’ren met het zwaard verwierven.
Hij spilde in vrede meer, dan zij door oorlog.
Ross.
De graaf van Wiltshire heeft het rijk in pacht.
Willoughby.
De koning is bankroet, een bedelaar. 257
Northumberland.
Oneer en ondergang bedreigen hem.
Ross.
Hij heeft geen geld voor dezen krijg in Ierland,—
Wat drukkende belasting hij ook heff’,—
Dan door ’t berooven des verbannen hertogs.
Northumberland.
Zijn eed’len neef;—o diepgezonken koning!
Maar, lords, wij hooren ’t suizen van een onweer,
En zoeken nog geen schuilplaats voor den storm;
Wij zien den winddruk zwaar op onze zeilen,
En strijken niet; wij laten ons vergaan.
Ross.
Wij zien de schipbreuk, die wij lijden zullen,
En onvermijdlijk is reeds het gevaar,
Wijl de oorzaak van de schipbreuk wordt geduld.
Northumberland.
Neen, uit de ledige oogen van den dood
Zie ’k leven glimmen, doch ik durf niet zeggen,
Hoe na de tijding is van onzen troost.
Willoughby.
Deel wat gij denkt ons mee, als wij aan u.
Ross.
Wees zonder vrees, en spreek, Northumberland.
Wij drieën zijn uzelf slechts, en uw woorden
Zijn ons alleen gedachten; spreek dus vrij.
Northumberland.
Nu dan,—ik heb uit Port le Blanc, een haven
Ginds in Bretagne, ’t wis bericht ontvangen,
Dat Hendrik Hereford, Reginald lord Cobham,
Graaf Arundel, de zoon, onlangs ontsnapt
Aan ’t wakend oog van hertog Exeter,
Zijn broeder, de aartsbisschop van Canterbury,
Sir Thomas Erpingham, Sir John Ramston,
Sir John Norbery, Sir Robert Waterton en Francis Quoint,
Dat die, door steun des hertogs van Bretagne,
Wel toegerust, acht groote schepen sterk
En met drieduizend man, met allen spoed
Opbreken en op onze noorderkust
Een landing willen doen. Zij waren moog’lijk
Alreeds geland, maar wilden op ’t vertrek
Des konings naar den Ierschen oorlog wachten.
Dus, willen wij ons slavenjuk verbreken,
Englands geknotte wiek op nieuw beveed’ren,
De kroon weer lossen uit der schraapzucht pacht,
Het stof van onzen gouden scepter wisschen,
En hooge majesteit zichzelf doen zijn,
Dan spoorslags voort met mij naar Ravenspurg;
Doch aarzelt gij en vreest gij op te staan,
Zoo blijft en zwijgt, alleen ook wil ik gaan.
Ross.
Te paard, te paard! nooit ducht de moed gevaar.
Willoughby.
Mijn ros blijk’ goed, en ik ben de eerste daar.
(Allen af.)
TWEEDE TOONEEL.
Aldaar. Een vertrek in het paleis.
De Koningin, Bushy en Bagot komen op.
Bushy.
Doorluchte vrouw, gij zijt te zeer bedroefd;
Den koning hebt gij toegezegd bij ’t afscheid,
Niet toe te geven aan verterend leed,
Maar steeds uw opgeruimdheid te bewaren.
Koningin.
Om ’s konings wille deed ik ’t, voor mijzelve
Kan ik ’t niet doen; ’k erken, ik weet geen grond,
Om zulk een gast als droefenis te ontvangen,
Dan dat ik zulk een lieven gast als Richard
Vaarwel moest zeggen; tòch is ’t mij, als naakte
Een ongeboren leed mij, in den schoot
Van ’t lot gerijpt; en in mijn binnenst beef ik
Staâg voor een niets; er is iets, dat mij meer
Dan ’t afscheid van mijn gade en koning drukt.
Bushy.
Het wezen van elk leed heeft twintig schimmen,
Die wel als ’t leed er uitzien, maar ’t niet zijn.
Het oog der smart, beglaasd met duistre tranen,
Ziet één ding als verdeeld in duizend andre,
Zooals een oogbedrog, dat, recht beschouwd,
Niets dan verwarring toont, maar, schuins bekeken,
Een vorm doet zien;—zoo, waarde koningin,
Het afscheid schuins beziend ontwaart gij vormen
Van ’t leed, die erger schijnen dan het leed;
Doch ziet men zoo als ’t is, dan zijn zij schimmen
Van wat niet is. Daarom, doorluchte vrouw,
Beween niet meer dan ’t afscheid uws gemaals;
Meer ziet gij niet, en wat ge meer mocht zien,
Is wat des kommers oog te ontwaren meent,
Dat waan en schijn als werk’lijkheid beweent.
Koningin.
Dat moog’ zoo zijn, maar toch, mijn innigst wezen
Zegt, dat het anders is. Doch, hoe het zij,
Ik moet bedroefd zijn, en zóó zwaar bedroefd,
Dat, schoon ik, denkend, geen gedachten voed,
Een drukkend niets mij kwelt en huiv’ren doet.
Bushy.
Het is verbeelding, eed’le vrouw, niets meer.
Koningin.
Niets is het minder; want verbeelding stamt
Van vroeger leed steeds af, wat mij drukt, niet.
Uit niets ontsproot mijn leed, dat iets is, of
Uit iets ontsproot het niets, dat mij bekommert;
Wat ik bezit, het is nog niet aanvaard;
Ik kan ’t niet noemen, weet niet wat het is;
Het is een naamloos wee, dat is gewis. 40
(Green komt op.)
Green.
Heil, eedle vrouwe!—Weest gegroet, gij heeren.
De koning, hoop ik, is nog niet op zee?
Koningin.
Wat hoopt gij dit? Hoop liever, dat hij ’t is.
Zijn werk eischt spoed, zijn spoed eischt goede hoop;
Wat hoopt gij dan, dat hij nog niet vertrok?
Green.
Opdat hij, onze hoop, zijn volk terugroep’,
Eens vijands hoop in schrik en angst verkeer’,
Die reeds met groote macht hier is geland;
De balling Hereford roept zichzelf terug
En is reeds met getrokken zwaard genesteld
Te Ravenspurg.
Koningin.
Te Ravenspurg. Verhoede dit de Hemel!
Green.
O, ’t is maar al te waar, en, erger nog,
De lords Northumberland, zijn zoon, de jonge Percy,
De lords van Ross, Beaumond en Willoughby
Zijn met hun sterken aanhang reeds bij hem.
Bushy.
Waarom verklaardet gij Northumberland
En heel ’t oproerig rot niet voor verraders?
Green.
Dit is geschied, waarop de graaf van Worcester
Zijn staf verbrak, zijn hof betrekking opgaf;
En met hem vlood geheel de mindre hofstoet
Naar Bolingbroke.
Koningin.
Gij, Green, zijt vroedvrouw van mijn wee geworden,
En Bolingbroke mijns kommers onheilskind.
Nu bracht mijn ziel haar angstgedrocht ter wereld;
Ik, de uitgeputte, pas bevallen moeder,
Draag angst op angst, en wee op wee gehoopt.
Bushy.
Geef niet aan wanhoop toe!
Koningin.
Geef niet aan wanhoop toe! Wie kan ’t verbieden?
Ik wil het doen, wil met bedriegend hopen
In vijandschap nu zijn; dat is een vleier,
Een tafelschuimer, die den dood terughoudt,
Als die des levens band zacht los wil maken,
Dat valsche hoop in ’t uiterste nog rekt.
(York komt op).
Green.
Daar komt de hertog York.
Koningin.
Met teek’nen van den krijg om de’ ouden hals.
O vol van ernst en zorgen is zijn blik.—
Spreek, oom, om Godswil, spreek een woord van troost! 76
York.
Als ik dit deed, beloog ik mijn gedachten.
De hemel huisvest troost; wij zijn op aarde,
Waar niets dan onheil, zorg en kommer woont.
Uw gade is weg, ver weg, om ginds te redden,
Terwijl een ander hier zijn huis verheert;
Mij liet hij hier, als steunpilaar des lands,
Die, zwak door jaren, nauw mijzelven schraag;
Nu komt na ’t feestgelag het uur van ziekte,
De tijd, dat hij zijn vleier-vrienden toetst.
(Een Dienaar komt op.)
Dienaar.
Uw zoon, mylord, was bij mijn komst reeds weg.
York.
Was weg?—Nu, ’t zij.—Ga alles, zooals ’t wil.—
De lords zijn weg, en de gemeenten koud,
En kiezen, vrees ik, weldra Hereford’s zijde.—
Knaap, ijl naar Plashy, tot mijn zuster Gloster;
Zij moet nog heden duizend pond mij zenden;
Hier, neem mijn ring.
Dienaar.
Mylord, ik heb vergeten u te melden:
Toen ik er langs kwam, straks, ging ik er aan;—
Ik zal u leed doen, als ik verder spreek.
York.
Wat is er, knaap?
Dienaar.
Een uur te voren stierf de hertogin.
York.
Nu hoede ons God! wat springgetij van weeën
Stort zich op eenmaal op dit weevol land!
Ik weet niet, wat te doen;—had God gewild,
Dat met mijn broeder mij de koning, (doch
Tot straf voor ontrouw niet,) had doen onthoofden!—
Spreek, zijn er nog geen boden weg naar Ierland?—
Hoe komen wij aan geld voor dezen krijg?—
Kom, zuster,—toch niet, nicht; houd mij ten goede.—
Gij, knaap, ga fluks naar huis en zorg voor karren,
En voer de waap’nen weg, die daar nog zijn.—
(De Dienaar af.)
Gij heeren, wilt gij volk gaan monstren?—Weet ik,
Hoe, op wat wijs ik deze zaken orden,
Mij zoo verward geworpen op de schouders,
Geloof mij dan nooit meer. Zij beiden zijn
Mijn neven, de een mijn vorst, voor wien mij eed
En plicht tot strijden noopt; voor de’ andren, die
Gekrenkt werd door den vorst, pleit mijn geweten
En ook verwantschap, dat ik recht hem schaff’.
Iets moet geschieden.—Kom nu, nicht, ik breng u
In veiligheid;—gij heeren, monstert volk,
En spoedt u tot mij op het slot van Berkley.—
Naar Plashy moet ik ook;—
Maar tijd te vinden!—alles is in ’t honderd,
En alles loopt verkeerd, niets uitgezonderd.
(York en de Koningin af.)
Bushy.
De wind is goed voor tijdingen naar Ierland, 123
Doch niets komt weder. ’t Zaam’len van een macht,
Aan die des vijands evenredig, is
Voor ons volstrekt onmoog’lijk.
Green.
Voor ons volstrekt onmoog’lijk. Bovendien,
’t Nabij den koning staan door liefde brengt ons
Nabij den haat van wie den koning haten.
Bagot.
De wank’lende gemeenten! hare liefde
Ligt in haar buidels, en wie deze leêgt,
Vult wis haar hart met doodelijken haat.
Bushy.
Waarom de koning algemeen gelaakt wordt.
Bagot.
En wij met hem, zoo zij de richters zijn,
Wijl wij altijd nabij den koning stonden.
Green.
Nu, ik ga daad’lijk naar ’t kasteel van Bristol;
De graaf van Wiltshire nam er reeds de wijk.
Bushy.
Ik ga met u er heen, want luttel liefde
Bewijzen ons de wrokkende gemeenten,
Dan dat ze als honden ons in stukken scheuren.—
Sluit gij u bij ons aan?
Bagot.
Neen, ik wil gaan naar Ierland, tot den koning.
Vaarwel; wanneer mijn hart het juist bevroedt,
Dan wiss’len wij hier onzen laatsten groet.
Bushy.
’t Hangt er van af, of York den opstand dempt.
Green.
Die arme hertog! eer hem dit gelukt,
Drinkt hij de zeeën leeg en telt haar zand;
Op duizend houdt er één der zijnen stand.
Vaarwel voor goed; voor heden en voor immer!
Bushy.
Wij zien elkander weer.
Bagot.
Wij zien elkander weer. Ik vrees van nimmer!
(Allen af.)
DERDE TOONEEL.
Een woeste streek in Glostershire.
Bolingbroke en Northumberland komen op, met troepen.
Bolingbroke.
Hoe ver, mylord, zijn wij van Berkley af?
Northumberland.
Geloof mij, eedle lord,
Ik ben een vreemdling hier in Glostershire.
Dit land vol wilde heuvels, ruwe wegen,
Rekt, tot vermoeinis toe, ons elke mijl;
Maar uw schoon onderhoud was suiker; ’t maakte
Den zuren weg ons zoet en recht verkwikk’lijk.
Doch, mij valt in, hoe zwaar zal niet de weg
Van Ravenspurg naar Cotswold zijn voor Ross
En Willoughby, die uw gezelschap derven.
Want dit heeft mij, verklaar ik, van mijn reis
De moeilijkheid en lengte doen vergeten.
Maar toch, ook hunnen marsch verzoet de hoop,
Dat hun de weldaad wacht, die ik geniet.
En hoop op vreugd is weinig minder vreugdrijk
Dan de gehoopte vreugde zelf; zij kort
Den moeden lords den weg, zoo als mij ’t zien
Van wat ik heb, uw bijzijn, heeft gedaan.
Bolingbroke.
Mijn bijzijn is van vrij wat minder waarde 19
Dan uwe goede woorden.—Wie komt daar?
(Hendrik Percy komt op.)
Northumberland.
Mijn zoon is ’t, Hendrik Percy, en hij komt,
Van waar ’t ook zijn moog’, van mijn broeder Worcester.—
Hoe maakt uw oom het, Hendrik?
Percy.
Dit rekende ik, mylord, van u te hooren.
Northumberland.
Wat, is hij bij de koningin dus niet?
Percy.
Neen, beste heer, hij heeft het hof verlaten,
Den staf zijns ambts verbroken en den hofstaat
Des konings doen uiteengaan.
Northumberland.
Des konings doen uiteengaan. Om wat reden?
Zijn plan was ’t niet, toen ik het laatst hem sprak.
Percy.
Om u, die voor verrader werd verklaard.
Hij is, mylord, naar Ravenspurg gegaan,
Om hertog Hereford zijnen dienst te bieden,
En mij zond hij naar Berkley, ter verkenning,
Wat macht de hertog York daar samenbracht,
Met last om dan naar Ravenspurg te keeren.
Northumberland.
Knaap, zijt gij hertog Hereford gansch vergeten?
Percy.
Neen, beste lord, hoe kan ik iets vergeten,
Wat ik nog nooit gekend heb? bij mijn weten
Heb ik hem van mijn leven nooit gezien.
Northumberland.
Zoo leer hem kennen, knaap; dit is de hertog.
Percy.
Genadig heer, ik bied mijn arm u aan,
Zooals hij is, teer, ongeoefend, jong;
Doch ouder dagen zullen eens hem sterken
Tot meer te roemen diensten en verdiensten.
Bolingbroke.
Ik dank u, beste Percy, en, geloof mij,
Ik acht me in niets ter wereld zoo bevoorrecht,
Dan dat mijn hart zijn vrienden steeds gedenkt;
En wat uw liefde mijn geluk doet rijpen,
Wordt van uw trouwe liefde ’t loon. Mijn hart
Sluit dit verbond, dat dus mijn hand bezegelt.
Northumberland.
Hoe ver is ’t nog van Berkley? En hoe houdt 51
Zich de oude, goede York er met zijn krijgsvolk?
Percy.
Daar, bij die groep van boomen, staat het slot,
Bemand, vernam ik, met driehonderd man;
Er binnen zijn de lords York, Berkley, Seymour,
Geen andren van geboorte en grooten naam.
(Ross en Willoughby komen op.)
Northumberland.
Daar zijn de lords van Ross en Willoughby,
Van ’t sporen bloedig, vurig rood van haast.
Bolingbroke.
Welkom, mylords; ik weet, uw liefde spoort
Een hoogverrader en een balling na.
Mijn gansche schat is nog ontastbre dank,
Die eenmaal, is hij rijker toegerust,
Het loon zal zijn voor al uw liefde en moeite.
Ross.
Uw hierzijn maakt ons rijk, hoogedel lord.
Willoughby.
En overtreft de moeite van ’t erlangen.
Bolingbroke.
Dank, altijd dank, de schat van arme lieden,
Die, tot mijn teêr geluk tot jaren komt,
Als rijklijk loon moet gelden! Doch, wie daar?
(Berkley komt op.)
Northumberland.
Het is mylord van Berkley, als ik wel heb.
Berkley.
Mijn boodschap is aan u, mylord van Hereford.
Bolingbroke.
“Aan Lancaster”, mylord; dus antwoord ik;—
Dien naam kom ik mij hier in England zoeken,
En ’k moet op uwe tong dien titel vinden,
Eer ik u antwoord geef op eenig woord.
Berkley.
Versta mij goed, mylord; mijn doel is niet,
Een enklen eeretitel u te schrappen;—
Ik kom tot u, mylord,—lord hoe gij wilt,—
In naam des rijksbestuurders, hertog York,
En vraag u, wat u dreef, om ’s konings afzijn
Voor u te baat te nemen en ’s lands vrede
Met eigenmachtig zwaard te komen storen.
(York komt op, met Gevolg.)
Bolingbroke.
’k Behoef mijn antwoord nie door u te zenden;
(Hij knielt.)
York.
Toon mij uw hart deemoedig, niet uw knie,
Wier huldebrenging valsch is en bedrieglijk.
Bolingbroke.
O, mijn genadige oom! 85
York.
Stil, stil!
Niets van genade, en oom is doof voor oomen.
’k Ben geen verraders-oom, en ’t woord “genade”,
Ontheiligd wordt het in onheil’gen mond.
Waarom heeft uw verbannen voet gewaagd
Van Englands aarde een stofje aan te roeren?
Nog meer “waaroms”. Waarom ’t gewaagd, zoover
Haar op de borst, waar vrede woont, te treden,
Haar bleeke dorpen door uw krijg verschrikkend
En door vertoon van diep verfoeide wapens?
Verlokte u ’t afzijn des gezalfden konings?
Verdwaasde knaap, de koning is nog hier;
In mijne trouwe borst berust zijn macht.
Beheerde ik nog een jeugd, zoo vol van vuur,
Als toen ik—met den dapp’ren Gent, uw vader—
Den Zwarten Prins, dien jongen Mars der menschen,
Uit duizenden geschaarde Franschen redde,
O dan, hoe ras zou ik met dezen arm,
Thans door de jicht geboeid, u tuchtigen,
U straf doen lijden voor uw zwaar vergrijp!
Bolingbroke.
Genadige oom, doe mijn vergrijp mij kennen;
Op welke handling steunt het? waaruit blijkt het?
York.
’t Blijkt uit een handling van den ergsten aard,—
Uit vloekbaar oproer en verfoeid verraad;
Gij zijt van hier verbannen, en gij komt,
Aleer uw tijd verstreken is, terug,
En tart uw koning met uw trotsche waap’nen.
Bolingbroke.
Toen ’k werd verbannen, was ik balling Hereford;
Maar nu ik weerkom, is ’t als Lancaster.
Werp, edele oom, dit smeek ik uw genade,
Een onpartijdig oog thans op mijn onrecht;
Gij zijt mijn vader, want, mij dunkt, in u
Is de oude Gent in leven; dies, mijn vader!
Kunt gij het zien, dat ik veroordeeld staan moet,
Als zwervend vagebond, dat rechten, titels
Mij uit de hand gerukt zijn en gegeven
Aan lage brassers? Wat was mijn geboorte?
Indien mijn neef, de koning, Englands vorst is,
Dan ben ik hertog, ja! van Lancaster.
Gij hebt een zoon, mijn eed’len neef Aumerle;
Waart gij gestorven, hij aldus vertrapt,
Dan had oom Gent een vader zich getoond,
Om iedere krenking voort en dood te jagen.
Men weigert mij mijn leenen op te vord’ren,
En ’k heb toch door mijn open brieven ’t recht;
Mijn erfgoed wordt versnipperd en verkocht,
En ’t wordt, als alles hier, onnut verkwist.
Wat kan ik anders doen? ’k Ben onderdaan,
En vorder recht. Men weigert mij beheerders,
En daarom doe ikzelf mijn rechten gelden
Op de erfnis, krachtens mijn geboorte mijn.
Northumberland.
Te zeer verongelijkt werd de eed’le hertog. 137
Ross.
Hem recht te doen, aan uw genade staat het.
Willoughby.
Laag volk werd groot door wat aan hem behoort.
York.
Gij lords van England, laat mij dit u zeggen:
Dat onrecht aan mijn neef, het ging me aan ’t hart,
En ’k deed het mijne, om recht hem te verschaffen;—
Doch dat hij zoo, met trotsche waap’nen komt,
Zich zelf bedient, zijn eigen weg zich houwt,
En recht door onrecht zoekt,—dit mag niet zijn;
En gij, die in dit doen hem steunt en schraagt,
Stookt oproer en zijt allen oproerlingen.
Northumberland.
Hier de eed’le hertog zwoer, zijn komst beoogt
Het zijne slechts, zijn recht; en daartoe zeiden
Wij allen hem bij eede bijstand toe;
En wie dien breekt, beleev’ nooit vreugde meer.
York.
Goed, goed, ik zie den uitslag van die waap’ning;
En ik erken, verandren kan ik ’t niet.
Mijn macht is veel te zwak, en niets in orde;
Doch,—ja, bij Hem, die mij het leven schonk;—
Zoo ik ’t vermocht, ik liet u allen vatten,
Dat gij voor de genade u boogt des konings;
Doch wijl ik ’t niet vermag, zij hier verklaard,
Dat ik onzijdig blijf. En nu, vaartwel,—
Tenzij het u behage op ’t slot te komen
En daar uw rust te nemen deze nacht.
Bolingbroke.
Wij nemen, oom, dit aanbod dankbaar aan,
Maar willen nog verwerven, dat gij met ons
Naar ’t slot van Bristol gaat, door Bushy, Bagot
En heel hun aanhang, zoo men zegt, bezet,
Die rupsen van den staat, waarvan ik zwoer,
Dat ik hen zou verdelgen, uit zou roeien.
York.
Meegaan? misschien; beloven doe ik ’t niet;
Ongaarne doe ik, wat ’s lands wet verbiedt.
Doch welkom, vriend of vijand, om het even;
Waar geen herstel op is, ’t zij opgegeven.
(Allen af.)
VIERDE TOONEEL.
Een legerkamp in Wales.
Salisbury en een Krijgsoverste komen op.
Krijgsoverste.
Lord Salisbury, wij wachtten hier tien dagen,
En ’t volk bijeen te houden viel ons zwaar,
En ziet, niets laat de koning van zich hooren;
Wij gaan dus heen, verspreiden ons; vaarwel!
Salisbury.
Wacht, brave Walliser, nog éénen dag,
De koning stelt in u zijn vol vertrouwen.
Krijgsoverste.
Elk acht den koning dood; wij wachten niet.
In ’t gansche land staan de laurieren dor;
Voor meteoren taant het vast gesternte;
De bleeke maan ziet bloedig neer op de aard;
En maag’re zieners fluistren huiv’rend omkeer;
De rijken zijn bedrukt en schelmen dansen;—
Die duchten het verlies van geld en goed,
En dezen hopen op geweld en oorlog;
Die teekens spellen vorsten dood of val.—
Vaarwel, de macht van ons, die hier was, vlood,
Vast overtuigd van koning Richard’s dood. 17
(Krijgsoverste af.)
Salisbury.
O Richard, met een blik vol bangen kommer
Zie ik, gelijk een sterre, die verschiet,
Uw glans van ’t firmament ter aarde ploffen.
De zon zinkt weenend in ’t laag westen neer
En kondigt wee en storm aan en boos weer.
Wie vriend was, vliedt en zoekt den vijand op;
En wat gebeur’, het voert uw leed ten top!
(Salisbury af.)