KONING RICHARD DE TWEEDE.
-
PERSONEN:
- Koning Richard de Tweede.
-
Jan van Gent, hertog van Lancaster, ooms van den Koning. Edmund van Langley, hertog van York, - Hendrik, genaamd Bolingbroke, Hertog van Hereford, zoon van hertog Jan van Gent, naderhand Koning Hendrik de Vierde.
- Edward, graaf van Rutland, hertog van Aumerle, zoon van den hertog van York.
- Thomas Mowbray, hertog van Norfolk.
- De Hertog van Surrey.
- John Montague, graaf van Salisbury.
- Graaf Berkley.
-
Bushy, gunstelingen van Koning Richard. Bagot, - Green, gunsteling van Koning Richard,
- De Graaf van Northumberland.
- Hendrik Percy, zijn zoon.
- Lord Ross.
- Lord Willoughby.
- Lord Fitzwater.
- De Bisschop van Carlisle.
- De Abt van Westminster.
- Sir Pierce van Exton.
- Sir Stephen Scroop.
- Een Hoofdman der troepen van Wales.
- De Koningin.
- De Hertogin-Weduwe van Gloster.
- De Hertogin van York.
- Een Hofdame der Koningin.
- Edellieden, Herauten, Officieren, Soldaten, twee Tuiniers, een Gevangenbewaarder, een Bode, een Stalknecht en verder Gevolg.
Het tooneel is op verschillende plaatsen in Engeland en Wales.
EERSTE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Londen. Een vertrek in het koninklijk paleis.
Koning Richard komt op, niet Gevolg; Jan Van Gent en andere hooge Edellieden met hem.
Koning Richard.
Oom Jan van Gent, eerwaarde Lancaster,
Hebt gij uw koenen zoon, Hendrik van Hereford,
Gelijk uw eed u bond, hierheen gebracht,
Tot staving van ’t verwijt, uit tijdsgebrek
Door ons niet onderzocht, dat hij den hertog
Van Norfolk, Thomas Mowbray, heftig deed?
Gent.
Ja, heer en vorst.
Koning Richard.
Zeg mij nog dit: hebt gij hem ook getoetst,
Of hij uit ouden wrok den hertog aanklaagt,
Of, naar den duren plicht eens onderdaans,
Op grond, dat hij hem als verrader kent?
Gent.
Zooveel ik hierin hem heb kunnen peilen,
Op grond, dat hij in hem gevaar ziet, doelend
Op uwe hoogheid,—niet uit ouden wrok.
Koning Richard.
Zoo roept hen voor; vrij, aanschijn tegen aanschijn,
En fronsblik tegen fronsblik, willen wij
En klager en beklaagde hooren spreken.
(Eenigen uit het Gevolg af.)
Opvliegend zijn zij beiden; eens verwoed,
Doof als de zee, fel als der vlammen gloed.
(Die van het Gevolg komen terug, met Bolingbroke en Norfolk.)
Bolingbroke.
Verheuge u menig jaar van blijde dagen,
Genadig vorst, mijn goedertieren heer!
Norfolk.
Vermeerdere iedre dag het heil des voor’gen,
Totdat de hemel, de aard haar heil benijdend,
De onsterflijkheid verbinde aan uwe kroon!
Koning Richard.
Hebt beiden dank; doch een is valsch en vleit ons;
De reden van uw hierzijn spreekt dit uit:
Gij legt elkander hoogverraad te last.—
Mijn neef van Hereford, spreek, waarmee bezwaart gij
Den hertog daar van Norfolk, Thomas Mowbray?
Bolingbroke.
Vooreerst,—de Hemel teekene aan wat ik verklaar!—
In de’ ijver van mijn liefde als onderdaan
Voor ’t kostlijk heil van mijnen vorst bezorgd,
En vrij van allen boosverwekten haat,
Treed ik als klager voor mijns konings troon.—
Nu, Thomas Mowbray, richt ik mij tot u; 35
En let wel op mijn groet, want, wat ik spreek,
Mijn lichaam zal ’t op aarde waar doen blijken,
Of in den hemel staaft het mijne ziel.
Gij zijt een aartsverrader en een booswicht,
Te goed daarvoor, te slecht om nog te leven;
Want is de lucht doorschijnend, helder blauw,
Te meer ontsiert haar ’t sombre wolkengrauw.
Nog eens, om meer mijn woorden te doen wegen,
Werp ik u hier den naam verrader tegen,
En, staat mijn vorst het toe, mijn eerlijk zwaard
Zal staven, wat mijn tong van u verklaart.
Norfolk.
Laat niet mijn koude taal mijn moed doen laken.
Niet de schermuts’ling van een vrouwentwist,
De bitt’re smaad van twee verwoede tongen,
Kan deze zaak beslechten tusschen ons;
Het bloed is heet, dat koud hierom moet worden.
Toch roem ik niet op zulk een mak geduld,
Dat ik verstom en niets hier zeggen wil.
Mijn eerbied voor uw hoogheid houdt mij af,
Het vrije woord te sporen en te ontteuglen,
Dat anders aansprong, tot hij dit “verrader”
Weêr had verzwolgen, dubbel, in den strot.
De hoogheid van zijn bloed ter zij gesteld,
Laat hem eens niet de neef zijn van mijn koning,
En dan daag ik hem uit en spuw naar hem,
Noem hem een lastrend lafaard en een schurk;
En houd dit vol, geef bij den kamp hem voor;
Ik sta hem, ja, zoo ik, te voet, der Alpen
Bevroren toppen tot hem op moest ijlen,
Op iedere andere onbewoonb’re plek,
Waar ooit een Engelschman den voet dorst zetten.
Dat midd’lerwijl dit woord mijn trouw bepleit’:—
“Hij liegt en lastert, bij mijn zaligheid!”
Bolingbroke.
Hier, bibb’rend lafaard, ligt mijn eerepand;
’k Verzaak hier mijn verwantschap met den koning,
Doe afstand van de vorstlijkheid mijns bloeds,
Waar gij uit vrees, niet uit ontzag voor huivert;
Zoo schuldige angst nog zooveel kracht u liet,
Dat gij dit pand aanvaarden kunt, zoo buk.
Bij dit en elk gebruik der ridderschap,
Man tegen man bewijs ik al, wat ik
Verklaarde of gij als erger hoon kunt denken.
Norfolk.
Ik neem het op, en zweer bij ’t zwaard, dat eens
Mijn ridderschap mij op de schouders legde,
Ik ben uw man en sta tot elken kamp
Naar eischen van de ridderschap gereed;
En ’k stijge na dien strijd niet levend af,
Zoo ooit verraad tot aanklacht oorzaak gaf!
Koning Richard.
En wat legt onze neef Mowbray ten laste? 84
Groot moet het zijn, zoo ’t in ons de gedachte,
Dat in hem schuld zou wonen, wekken kan.
Bolingbroke.
Wat ik gezegd heb, zal mijn leven staven:
Achtduizend nobels heeft Mowbray ontvangen,
Als voorschot voor het krijgsvolk van uw hoogheid,
Die hij behield voor eigen snood gebruik,
Als een verrader en vervloekte schurk.
Nu zeg ik nog en wil door tweekamp staven,
Of hier of elders, tot den versten rand,
Waar ooit een Engelsch oog toe heeft gereikt,
Dat al ’t verraad, dat sedert achttien jaren
Hier werd bedacht en aangestookt, zijn bron
En ader in den valschen Mowbray had.
Dan zeg ik nog, en op zijn eerloos leven
Verhaal ik, wat mijn eerlijk woord verklaart,
Dat hij den dood ontwierp van hertog Gloster,
Diens tegenstanders, al te lichtgeloovig,
Opstookte, en als een laf verrader, schuldloos
Zijn ziel in stroomen bloeds vervloeien deed,
Dat, als het bloed des vromen off’raars Abel,
Zelfs uit der aarde tongelooze holten
Tot mij om recht en strenge wrake schreit;
En, bij den roem van mijn geslachte, recht
Doet hem deze arm, of ik val in ’t gevecht.
Koning Richard.
Wat vlucht ten wolken neemt zijn koene geest!
Thomas van Norfolk, wat zegt gij hierop?
Norfolk.
O, wende nu mijn vorst zijn aanschijn af,
En zij zijn oor een korte wijle doof,
Tot ik die schandvlek van zijn bloed verkond heb,
Hoe God, en braven, zulk een lastraar haten.
Koning Richard.
Mowbray, mijn oog en oor zijn onpartijdig:
Waar’ hij mijn broeder, ja, mijn troonopvolger,
Met slechts, als nu, mijns vaders broederszoon,
Toch zweer ik, bij mijns scepters waardigheid,
Die naverwantschap aan ons heilig bloed
Schonk hem geen voorrecht, zou de onkreuk’bre vastheid
Van mijne ziel, die ’t recht bemint, niet buigen.
Hij is mijn onderdaan, Mowbray, als gij;
Ook u staat ronde taal en koenheid vrij.
Norfolk.
Dan, Bolingbroke, dring’ door uw valsche strot,
Tot in het diepste van uw borst: “gij liegt.”
Drie vierden van die geldsom voor Calais
Betaalde ik vol aan ’s konings troepen uit;
Met machtiging behield ik ’t oov’rig deel,
Omdat mijn heer en vorst nog in mijn schuld was,
Vanwege een rest van mijn belangrijk voorschot,
Toen ik zijn koningin uit Frankrijk haalde.
Verzwelg die leugen dus.—Wat Gloster aangaat,
Hem doodde ik niet; eer heb ik tot mijn schande
Dien heil’gen plicht verzuimd in deze zaak.—
U, ja, mijn eed’le lord van Lancaster, 135
Den eerbiedwaarden vader van mijn vijand,
U heb ik naar ’t leven eens gestaan,
Een misdrijf, dat mijn droeve ziel zwaar drukt;
Doch, eer ik pas het sacrament ontving,
Heb ik ’t beleden, en naar eisch vergiff’nis
Gevraagd van uw genade, en ’k hoop, gij gaaft die.
Tot zoover gaat mijn schuld; de verdere aanklacht
Spruit uit het wrokkend harte van een booswicht,
Een eerloos man, een diep ontaard verrader.
Stout wil ik in persoon door strijd dit staven,
En werp van mijne zijde hier mijn pand
Den overtrotschen lastraar voor de voeten,
En wil een trouwen edelman mij toonen,
Door ’t beste bloed, dat in zijn boezem woont.
Dies smeek ik, uwe hoogheid moog’ niet dralen,
Maar thans den dag van onzen strijd bepalen.
Koning Richard.
Gramstorige edellieden, volgt mijn raad.
Verdrijft de galzucht zonder aderlating.
Ofschoon geen arts, schrijf ik u dit toch voor:—
Een diepe wrok snijdt al te diep, snijdt door,—
Vergeeft, vergeet, houdt op elkaar te haten;
Het is, zegt de arts, geen maand van aderlaten.—
Oom, zij ’t begin het eind van twist en hoon;
Norfolk tracht ik te stillen, gij uw zoon.
Gent.
Het vredestichten past eens grijsaards hand.—
Werp, zoon, het neêr, des hertogs eerepand.
Koning Richard.
Norfolk, gij ’t zijn.
Gent.
Norfolk, gij ’t zijn. Nu, Hendrik, nu? Uw plicht
Eischt, dat de zoon op de eerste maning zwicht.
Koning Richard.
Werp neder, Norfolk, ’t is mijn wil; het moet.
Norfolk.
Niet dit, mijn vorst, mijzelven, aan uw voet.
Eisch niet mijn schande, slechts mijn leven, heer;
Dit wijdt mijn plicht u gaarne; doch mijn eer,
Die trots mijn dood zal leven op mijn graf,
Sta ik, ten spel aan oneer, nimmer af.
Ik sta verklaagd, onteerd hier, zonder grond,
Door ’s lasters giftspeer in de ziel gewond;
Geen balsem heelt mij, dan het bloed zijns harten,
Dat gif dorst aad’men.
Koning Richard.
Dat gif dorst aad’men. Woede moet men tarten;
Geef hier zijn pand;—de leeuw maakt panters tam.
Norfolk.
De vlekken blijven. ’k Gaav’ dit pand u, nam
Uw macht mij eerst den smaad af. Hoor mij, heer;
De reinste schat des levens is onze eer,
Die vlekk’loos blijven moet; want ja, ontneem
Den man zijn eer, hij is geschilderd leem. 179
In trouwen boezem huize een koen gemoed,
’t Is een juweel, door dubb’len wand behoed.
Eer is mij ’t leven, beide zijn zij één;
Neem de eerste weg, mijn leven ook vliedt heen.
Wil tot mijn kamp voor de eer verlof dus geven;
Ik leef in haar, voor haar laat ik het leven.
Koning Richard.
Gij neef, werp neer dat pand; wees de eerste, gij.
Bolingbroke.
O God, houd zulk een zonde ver van mij!
Zal ik gebogen voor mijn vader staan?
Die lafaard mij vernederd zien, ontdaan
Door laffe beed’laarsvrees? Eer ik mijn tong
Tot laag verwonden van mijn eere dwong,
Eer reet ik ’t slaafsche werktuig, dat zoo laf
Zijn taal herriep, hier met mijn tanden af,
En spuwde ’t bloedend, tot zijn diepsten smaad,
Waar schande zetelt,—in Mowbray’s gelaat.
(Gent gaat heen.)
Koning Richard.
Niet smeeken, maar bevelen is mijn roeping.
Zoo staat, daar geen bevel u kan verzoenen,
Strijdvaardig, als u ’t leven dierbaar is,
Te Coventry, op Sint-Lambertusdag.
Daar zij door zwaard en lans de felle twist
Van uwen haat, die immer wast, beslist.
Daar vrede onmoog’lijk blijkt, spreke in ’t gevecht
Des overwinnaars ridderschap nu recht.—
Lord maarschalk, geef aan mijn herauten last
Te zorgen voor den tweekamp, zooals past.
(Allen af.)
TWEEDE TOONEEL.
Aldaar. Een vertrek in het paleis van den Hertog van Lancaster.
Gent en de Hertogin van Gloster komen op.
Gent.
Ach! ’t aandeel, dat ik heb aan Gloster’s bloed,
Is mij nog sterker aandrang dan uw klachten,
Dat ik mij tegen zijne slachters roer.
Doch wijl de straf in de eigen handen rust,
Die pleegden, wat wijzelf niet kunnen straffen,
Bevelen we onze zaak den hemel aan.
Die zal, ziet hij den tijd op aarde rijp,
Op ’t hoofd der daders heete wraak doen reeg’nen.
Hertogin.
Is u de broederschap geen scherper spoor?
Heeft liefde in uw oud bloed geen levend vuur?
Toch waart gij een der zeven zoons van Edward,
Der zeven kruiken van zijn heilig bloed,
Der zeven schoone takken uit één wortel;
Een deel der zeven heeft Natuur verdroogd,
Een deel der takken heeft het lot gehouwen;
Maar Thomas, mijn gemaal, mijn heil, mijn Gloster,—
Hij, de ééne kruik vol heilig koningsbloed,
Één tak in bloei van Edwards eed’len wortel,—
Is stukgedrukt, al ’t edel bloed gespild,
Is afgehakt, zijn zomerloof verdord; 20
Dat deed de hand des nijds, de bijl des moords.
Ach! Gent, zijn bloed was ’t uwe; ’t bed, de schoot,
Die kracht, die vorm, die u gestalt’nis gaf,
Schiep hem tot man; en schoon gij leeft en ademt,
Gij werdt in hem verslagen. Gij werkt mede,
In ruime mate, tot uws vaders dood,
Indien gij uwen broeder sterven ziet,
Die ’t evenbeeld was van uws vaders leven.
Noem ’t geen berusting, ’t is vertwijfling, Gent;
Als gij het slachten van uw broeder duldt,
Wijst gij den sluipweg tot uw eigen leven,
En leert den moord, hoe gij te slachten zijt.
Wat wij bij ’t laag’re volk berusting noemen,
Wordt bleeke lafheid in der eed’len borst.
Wat spreek ik meer? Gij schut uw eigen leven
Het best, als gij mijn Gloster’s sterven wreekt.
Gent.
Aan God de wrake, want zijn plaatsvervanger,
Zijn stedehouder, voor zijn oog gezalfd,
Is de oorzaak van zijn dood; was deze een gruwel,
Dan wreke ’t God, want ik mag nimmer toornig
Den arm verheffen tegen zijn gezant.
Hertogin.
Voor wien, ach! stort ik dan mijn klachten uit?
Gent.
Voor God, der weeuwen wreker en beschermer.
Hertogin.
Nu goed, dat wil ik.—Oude Gent, vaarwel!
Gij gaat te Coventry den strijd aanschouwen
Van onzen Hereford en den woesten Mowbray.
O, Gloster’s onrecht zitte op Hereford’s speer,
En dring’ zoo in des slachters Mowbray’s borst!
Of, mist hem ’t onheil bij den eersten rit,
Dan wege schuld zoo zwaar in Mowbray’s boezem,
Dat zij aan ’t schuimend ros de lenden breek’,
Den ruiter rugg’lings in het krijt doe storten,
Hem weerloos in de macht van Hereford geev’!
Vaarwel, Gent; uws gewezen broeders vrouw
Sterft kwijnend weg, verzelschapt met haar rouw.
Gent.
Ja, zuster, ’k moet naar Coventry, vaarwel!
Blijv’ heil bij u, zooals ’t ook mij verzell’!
Hertogin.
Één woord nog.—Droefheid vall’, zij springt weer op,
Maar niet door holheid, neen door haar gewicht;
’k Neem afscheid reeds en ving nog nauwlijks aan;
Schijn’ leed aan ’t eind, ach! nooit heeft het gedaan. 61
Ga, breng mijn groet aan Edmund York, mijn broeder.
Zie, dit is al;—gij gaat?—waartoe die spoed?
Al zij dit al, vertoeven waar’ toch goed;
Licht valt mij meer in. Zeg hem ook,—o wat?
Dat ik hem dra te Plashy hoop te zien.
Ach, wat kan ik aan de’ ouden York er biên,
Dan ’t zien van leêge kamers, naakte muren,
Ontvolkte zalen, onbewaakte grachten?
Dan ’t hooren van mijn welkomstgroet, mijn klachten?
Neen, groet hem enkel; neen, hij kome niet;
Hij vindt er rouw, als hij alomme ziet.
Troostloos, ontroostbaar ga ik heen, voor goed;
Mijn weenend oog wenkt u mijn laatsten groet.
(Beiden af.)
DERDE TOONEEL.
Een open veld bij Coventry.
Een strijdperk is afgezet; een troon in het midden; Herauten en Gevolg zijn aanwezig. Lord-maarschalk Surrey en Aumerle komen op.
Surrey.
Mylord Aumerle, is Hereford reeds gewapend?
Aumerle.
Van top tot teen, verlangend op te komen.
Surrey.
De hertog Norfolk, welgemoed en koen,
Wacht enkel het trompetgeschal des klagers.
Aumerle.
Gereed zijn dus de strijders en zij wachten
Op niets dan de aankomst van zijn majesteit.
(Trompetgeschal. Koning Richard treedt op en zet zich op den troon. Gent, York, Bushy, Bagot, Green en Anderen nemen hun plaatsen in.—Een trompet doet zich hooren en wordt door een andere trompet buiten beantwoord. Hierop verschijnt Norfolk, in volle wapenrusting, voorafgegaan door een Heraut.)
Koning Richard.
Lord maarschalk, vraag den strijder, die daar opkomt,
Waartoe hij dus gewapend hier verschijnt.
Vraag hem zijn naam en neem naar eisch den eed
Voor de gerechtheid van zijn zaak hem af.
Surrey.
In naam van God en van den koning, spreek:
Wie zijt gij? om wat reden komt gij hier
Aldus in volle ridderwapenrusting?
Wie is uw weêrpartij? Wat is uw zaak?
Spreek waar, bij uwen eed, uw ridderschap,
Opdat de hemel en uw moed u helpen!
Norfolk.
Mijn naam is Thomas Mowbray, hertog Norfolk;
Die hier verschijnt, gebonden door zijn eed,—
Verhoede God, dat dien een ridder brak!—
Ter staving van mijn hulde en trouwe beide,
Aan God, den koning en zijn kroost na hem,
Door kamp met hertog Hereford, die mij aanklaagt;
Wien ik, door Gods genade en dezen arm, 22
Mij werend, een verrader zal doen blijken
Aan God, aan mijnen koning en aan mij;
Zoo waar mijn strijd gerecht is, help’ mij God!
(Hij neemt zijn plaats in. Trompetgeschal. Bolingbroke treedt op, in volle wapenrusting, voorafgegaan door een Heraut.)
Koning Richard.
Maarschalk, vraag gindschen ridder in het harnas,
En wie hij is, èn waartoe hij aldus,
In krijgersdos, gepantserd, hier verschijnt;
En neem, naar de’ eisch der wet, den eed hem af
Omtrent zijn zaak en haar gerechtigheid.
Surrey.
Wat is uw naam, en waartoe komt gij hier
Voor koning Richard in zijn vorstlijk krijt?
En tegen wien verschijnt ge? in welke zaak?
Spreek, opdat God u hoede, als waardig ridder!
Bolingbroke.
Hendrik van Hereford, Lancaster en Derby,
Ben ik, en sta gewapend hier bereid,
Om door Gods hulp en door mijn moed te staven
In ’t krijt, dat Thomas Mowbray, hertog Norfolk,
Een booswicht is, die omgaat met verraad
Aan God, aan koning Richard en aan mij;
Zoo waar mijn strijd gerecht is, help’ mij God!
Surrey.
Op straf des doods zij niemand zoo vermetel,
Zoo waagziek, dat hij in de omperking treed’,
Den maarschalk uitgezonderd, en de mannen,
Wien ’t reeg’len van den kampstrijd is vertrouwd.
Bolingbroke.
Lord maarschalk, laat mijns vorsten hand mij kussen,
En nederknielen voor zijn majesteit;
Want Mowbray en ikzelf zijn als twee mannen,
Tot lange en zware bedevaart gehouden;
Dies zij een plechtig afscheid nu genomen,
Den vrienden hartlijk thans vaarwelgezegd!
Surrey.
De klager groet vol eerbied uwe hoogheid
En smeekt tot antwoord uwe hand ten kus.
Koning Richard.
Wij komen af en willen hem omarmen.—
Mijn neef van Hereford, is uw zaak gerecht,
Dan zij ’t geluk met u in dit gevecht.
Vaarwel, mijns harten bloed! Zoo ’t heden vliet,
Betreuren zal ik ’t, wrake nemen niet.
Bolingbroke.
O, dat geen traan uw edel oog onteer’
Om mij, indien ik val door Mowbray’s speer.
Zoo koen een valk ooit op een vogel stoot,
Snel ik tot dezen kamp en ducht geen dood.—
(Tot Surrey.) U bied ik, beste lord, mijn afscheidsgroet; 63
Ook u, mijn waarde neef, mylord Aumerle;—
Niet krank, al sta mijn leven op het spel,
Maar lustig, vroolijk, jong, gezond en wel.—
Zie, als tot nagerecht naar eisch, begroet
Ik ’t liefst het laatst, en zoo is ’t einde zoet.
(Tot Gent.) O gij, gij aardsche schepper van mijn bloed,
Wiens jeugdig frissche geest, in mij herboren,
Met dubb’le kracht mij opheft, om de zege
Te grijpen, die reeds boven ’t hoofd mij zweeft,
Make uw gebed mijn pantser ondoordringbaar,
Uw zegen staal’ de punt van mijne speer,
Opdat zij, Mowbray’s wassen kleed doorborend,
Den naam van Jan van Gent, met nieuwen gloed,
Doe schitt’ren in het kloek bedrijf zijns zoons.
Gent.
God geve u voorspoed bij uw goede zaak!
Wees plotsling, als de bliksem, met uw wapen,
En dat uw slagen forsch, verdubbeld dubbel,
Verdoovend als de donder, op den helm
Uws boozen tegenstanders nederploffen;
Wek op uw jeugdig bloed, wees kloek en leef!
Bolingbroke.
Dat mij Sint George, en ’t recht, de zege geev’!
Norfolk.
Hoe God of ’t lot mijn teerling werp’, hier leeft
Of sterft, aan koning Richards troon verknocht,
Een trouw, oprecht en eerlijk edelman.
Nooit wierp gevang’ne met een blijder hart
De keet’nen zijner knechtschap af en groette,
Van banden vrij, de gulden vrijheid meer,
Dan nu mijn dansend hart dit feest des strijds
Met mijn gezworen vijand welkom heet.—
Grootmachtig vorst, en eed’le vriendenschaar,
U wenscht mijn mond hier menig heilrijk jaar.
Zoo blij en vrij als tot een vroolijk feest
IJl ik ten strijd. De oprechte is kalm van geest.
Koning Richard.
Vaarwel, mylord; uw oog, geheel uw wezen,
Geeft mij uw moed en koenheid klaar te lezen.—
Bestuur den tweekamp, maarschalk, en begin.
Surrey.
Hendrik van Hereford, Lancaster en Derby,
Ontvang uw lans; en God bescherme ’t recht!
Bolingbroke.
In hoop een sterke toren, zeg ik “Amen”.
Surrey
(tot een ridder). Breng deze lans aan Thomas, hertog Norfolk.
Eerste Heraut.
Hendrik van Hereford, Lancaster en Derby,
Staat hier voor God, zijn koning en zichzelf,
Op straf van valsch en eereloos te blijken,
Om Thomas, Hertog Norfolk, als verrader
Aan God, zijn koning en hemzelf te staven,
En daagt hem uit, ten kamp bereid te zijn.
Tweede Heraut.
Hier staat de hertog Norfolk, Thomas Mowbray, 110
Op straf van valsch en eereloos te blijken,
Om zich te zuiv’ren, en om Hendrik Hereford,
Van Lancaster en Derby, te doen kennen
Als God, zijn koning en hemzelf ontrouw;
Hij wacht met riddermoed en fieren strijdlust
Het teeken af, dat hem den kamp vergunt.
Surrey.
Trompetters, blaast; en, strijders, tot den aanval!
(Trompetgeschal tot den aanval.)
Houdt op! De koning werpt zijn staf in ’t krijt!
Koning Richard.
Laat beiden helm en speer ter zijde leggen,
En elk van hen neem’ weer zijn zetel in.—
Gij, gaat met ons ter zij. Trompetters, schalt,
Tot we ons besluit den strijders kenbaar maken.
(Langdurig trompetgeschal.)
(Tot de strijders.) Treedt nader,
En hoort, wat wij in onzen raad besloten.
Opdat de bodem onzes rijks van ’t bloed,
’t Bloed, door hemzelf gevoedsterd, niet bevlekt zij,
En wijl ons oog den schrikb’ren aanblik haat
Van wonden, door eens broeders hand geslagen,
En wijl ’t ons voorkomt, dat èn de aadlaarsvlucht
Van eer- en hoogheidszoekende gedachten,
En nijd, die mededingers haat, u dreven
Den vreê te ontrusten, die in Englands wieg
Een zoeten kinderslaap, zachtaad’mend, sluimert,
(Wat, door wanluidend, heftig tromgeraas
En schril trompetgeschetter en het klett’ren
Van grimmig wapentuig, den slaap verschrikkend,
Den schoonen vreê uit ons gebied zou jagen,
Ons waden doen door onzer broedren bloed,)
Zoo zijt gij uit ons rijksgebied verbannen;—
Op straf des doods, neef Hereford, zult gij, eer
Tweemaal vijf zomers onze beemden tooiden,
Dit rijk, ons schoon gebied, niet weer begroeten,
Als balling vreemden grond zoolang betreên.
Bolingbroke.
’k Gehoorzaam. Deze troost toch blijft mij bij:
De zon, die u verwarmt, beschijnt ook mij;
En ’tzelfde gouden licht, dat u verblijdt,
Bestraalt ook mij, verguldt mijn ballingstijd.
Koning Richard.
Norfolk, voor u heb ik een zwaarder vonnis,
Dat ik niet zonder tegenzin hier spreek:
De trage, sluipende uren einden niet
Den grenzenloozen tijd van uw verbanning.
Het hooploos woord van “nimmer hier te keeren”
Roep ik u toe;—terugkeer ware uw dood.
Norfolk.
Een drukkend vonnis, hooge vorst en heer,
En nooit verwacht van uwer hoogheid mond;
Want beter loon dan zulk een diepen smaad,
Dat gij mij in de wijde wereld uitstoot,
Heb ik van uwer hoogheid hand verdiend. 158
De sprake, die ik veertig jaren leerde,
Mijn moeder-Engelsch, wordt mij thans ontroofd;
En thans is mij de tong niet meer tot nut,
Dan een viool of harpe zonder snaren,
Of als een kunstrijk speeltuig, dichtgesloten,
Of, is het open, hem vertrouwd, wiens hand
Geen toetsen kent, om harmonie te wekken.
Gij kerkert in mijn mond mijn tong, door twee
Valpoorten, door mijn tanden en mijn lippen,
En maakt tot stokbewaarder, ter bewaking,
Onwetendheid, die dof is, stomp, gevoelloos.
Ik ben reeds te oud tot staam’len met een voedster,
Te veel op jaren, om ter school te gaan;
Wat is uw vonnis, dan een stomme dood,
Nu ’t mij mijn levensademklank verbood?
Koning Richard.
Vergeefsch dat roerend jamm’ren; ’t geeft geen baat;
Uw klacht is, nu ons vonnis viel, te laat.
Norfolk.
Daglicht mijns lands, vaarwel! daar overal
Mij ’t floers van eeuw’ge nacht omhullen zal!
(Hij wendt zich tot heengaan.)
Koning Richard.
Toef nog, en neem een eed meê op uw weg.—
Legt op ons koningszwaard uw ballingshanden;
Zweert bij de trouw, door u aan God verschuldigd,
(Ons recht op trouw verbannen wij met u,)
Zweert, dat gij de’ eed zult houden, dien wij eischen.
Zoo waarlijk helpe u God en waarheid! nimmer
Zult ge in den vreemde elkaâr in liefde ontmoeten;
Noch ooit elkanders aanschijn zien; noch ooit
Elkander schrijven, groeten, noch den storm
Bezweren van den hier geboren wrok;
Noch volgens afspraak ooit te zamen komen,
Om tegen ons, ons land, onze onderdanen
Iets kwaads te broeden of u te onderstaan.
Bolingbroke.
Ik zweer ’t.
Norfolk.
Ik zweer ’t. En ik, dat ik dit alles houde.
Bolingbroke.
Norfolk, zooveel de vijandschap gedoogt,—
Hadde ons de koning het vergund, dan dwaalde
Nu een van onze zielen door het luchtruim,
Verbannen uit dit broze graf, ons vleesch,
Gelijk ons vleesch verbannen is van hier;
Belijd nu, eer gij heengaat, uw verraad;
Uw weg is lang, dus sleep den looden last
Van schuld niet mee, die uwe ziel bezwaart.
Norfolk.
Neen, Bolingbroke, heb ik verraad gevoed, 201
Mijn naam zij uitgewischt in ’t boek des levens,
Ik uit den hemel, als van hier verbannen.
Doch wat gìj zijt, weet God, gijzelf en ik;
En ’k vrees, dra speurt de koning dit, met schrik.—
Vaarwel, mijn koning; dwalen kan ik niet;
Elk pad is goed, mits niet naar uw gebied.
(Norfolk af.)
Koning Richard.
Oom, in den spiegel uwer oogen zie ik
Uw hart bezwaard; uw droeve blik vermindert
Met vier het aantal zijner ballingjaren.—
(Tot Bolingbroke.) Zet zesmaal tegen ’s winters koude u schrap,
En wees weer welkom uit uw ballingschap.
Bolingbroke.
Wat tijd en macht ligt in een enkel woord!
Vier trage winters en vier dartle Mei’s
Zijn adem, niets,—doet hun een vorst dien eisch.
Gent.
Ik dank mijn vorst, dat hij om mijnentwil
Vier jaren van mijns zoons verbanning kort;
Doch luttel voordeel zal ik hiervan oogsten.
Eer die zes jaren, die hij zwerven moet,
Hun manen wiss’len en hun loop voleinden,
Zal de olie mijner lamp verdroogd, haar schijn
Reeds flauw, door eeuw’ge nacht vervangen zijn;
Mijn kaarsje is op; de blinde dood verbiedt
Weldra, dat ooit mijn oog mijn’ zoon weer ziet.
Koning Richard.
Kom, oom, gij hebt nog menig jaar te leven.
Gent.
Niet één minuut, o vorst, die gij kunt geven;
Mijn dagen kunt gij korten, ja, door zorgen,
Mij nachten rooven,—schenken, niet één morgen,
Den tijd wel helpen rimpels mij te groeven,
Zijn doen te stremmen, zult gij niet beproeven;
Ja, spreek één woord, dan maait de tijd mij neer;
Den doode koopt uw rijk geen adem weer.
Koning Richard.
Gebannen werd uw zoon na rijp beraad,
Waarbij ook uwe tong het oordeel sprak.
Hoe kan u de uitspraak nu zoo grievend deren?
Gent.
Wat zoet smaakt, is vaak moeilijk te verteren,
Gij vroegt voor ’t rijk mijn oordeel als uw rader;
O, hadt gij eer gezegd: spreek hier als vader.
Waar’ hij mij vreemd en niet mijn kind geweest,
Ik had zijn schuld gericht in zachter geest.
Ik zocht, helaas! partijdigheid te mijden,
En moest daardoor mijzelf ten doode wijden.
Hoe wenschte ik, dat ge om strengheid een van allen
Bij ’t bannen van mijn kind mij hard zoudt vallen
Doch gij liet toe, dat mijn onwill’ge tong
Mijns ondanks mij tot zelfberooving dwong.
Koning Richard.
Vaarwel dan, neef;—en, oom, zeg gij ’t mij na;
Zes jaar is hij verbannen,—en hij ga! 248
(Trompetgeschal. Koning Richard en Gevolg af.)
York.
Vaarwel, mijn neef; en wat niet ieder hier
Te weten heeft, vertrouw dat aan ’t papier.
Surrey.
Ik neem geen afscheid, heer; zoo verre mij
Het land het toelaat, rijd ik aan uw zij.
Gent.
O, met wat doel spaart gij uw woorden op,
Dat gij geen enklen groet uw vrienden schenkt?
Bolingbroke.
’k Heb er te weinig om van u te scheiden,
Waarbij de tong uitbundig sloven moest
Om al de smart des harten uit te aad’men.
Gent.
Uw smart is slechts, een wijle ver te zijn.
Bolingbroke.
Van vreugde ver is smart nabij te zijn.
Gent.
Wat zijn zes winters? dra zijn die voorbij.
Bolingbroke.
Voor vreugde; smart vertienvoudt ieder uur.
Gent.
Zoo noem ’t een reis, die u vermaken moet.
Bolingbroke.
Mijn hart zal zuchten, als ik ’t zoo misnoem;
Dit acht het een verplichten pelgrimstocht.
Gent.
Het droeve zwerven uwer moede schreden
Zij u een achtergrond, waarop gij eenmaal
Het kostlijk kleinood van uw thuiskomst zet.
Bolingbroke.
Neen, eerder zal mij iedre trage schrede
Herinn’ren, welk een deel der wereld ik
Van de kleinoodiën wegdwaal, die ik min.
Moet ik op vreemde wegen niet een langen,
Recht langen leertijd dienen, om, in ’t eind,
Als ik weer vrij ben, hierop slechts te roemen,
Dat ik een reisbediende was van ’t leed?
Gent.
Elk oord, welk ook, waar ’s hemels oog op neêrblikt,
Is voor den wijze een haven van geluk.
Leer uwen nood die dingen zóó beschouwen;
Er is geen deugd, die nooddwang evenaart.
Zeg niet, de koning was ’t, die u verbande,
Neen, gij den koning. Zwaarder drukt het leed,
Indien het bij den drager zwakheid speurt.
Neem aan, dat ik op oogst van roem u uitzond,
Niet, dat de koning u verbande; stel,
Dat onverzaadb’re pestdamp in de lucht
Hier hangt, en gij naar reiner lucht ontwijkt.
Zie, wat uw ziele lief is, denk dit daar,
Waarheen gij gaat, niet daar, vanwaar gij komt.
Dat u zangvogels muzikanten zijn,
De grasvlakte een met bies bestrooide feestzaal,
De bloemen schoone vrouwen, en uw schreden
De passen van een zoeten dans of rei;
Want blikketandend leed heeft minder macht
Om hèm te bijten, die ’t niet telt, maar lacht.
Bolingbroke.
O! wie kan vuur verdragen in zijn hand, 294
Door aan de vorst des Kaukasus’ te denken?
Of wie verstompt des hongers scherpen prikkel,
Alleen door zich een gastmaal voor te stellen?
Of wentelt in Decembersneeuw zich naakt,
Door zich een zomerhitte te verbeelden?
O neen, het zich verbeelden van het goede
Doet enkel ’t kwade meer en dieper voelen;
Nooit brengt leeds felle tand meer ett’ring voort,
Dan als hij bijt, maar niet de buil doorboort.
Gent.
Thans breng ik u op weg, mijn zoon; kom aan,
Had ik uw jeugd, ik waar’ reeds lang gegaan!
Bolingbroke.
Vaarwel dan, Englands grond, geliefde bodem,
Mijn moeder, voedster, die mij nu nog draagt!
Wààr ik ook zwerv’, is dit mijn roem, mijn kroon:
Schoon balling, blijf ik Englands echte zoon!
(Allen af.)
VIERDE TOONEEL.
Aldaar. Een vertrek in ’s Konings paleis.
Koning Richard, Bagot en Green treden op door de eene deur, Aumerle door de andere.
Koning Richard.
(tot Bagot en Green). Wij hebben ’t opgemerkt.—Mijn neef Aumerle,
Hoe ver bracht gij den grooten Hereford weg?
Aumerle.
Den grooten Hereford, als gij zoo hem noemt,
Bracht ik tot de’ eersten grooten weg, en ging.
Koning Richard.
Vergoot gij niet een vloed van afscheidstranen?
Aumerle.
Ik eerst geen drop,—maar de noordoostenwind,
Die juist ons snijdend in ’t gelaat blies, maakte
Het slapend zilt mij wakker, en zoo werd
’t Hol afscheid nog aandoenlijk door een traan.
Koning Richard.
En wat was ’t afscheidswoord van onzen neef?
Aumerle.
“Vaarwel”;
En wijl mijn hart het wraakte, dat mijn tong
Dit woord ontheil’gen zou, wees list mij, hoe
Ik mij als overstelpt van smart moest houden,
Elk woord begravend in het graf mijns leeds.
Ja, kon dat woord “vaarwel” zijn uren rekken,
En jaren voegen bij zijn ballingschap,
’k Had hem een boekdeel met vaarwels gegeven;
Doch daar dit niet zou helpen, nu niet één.
Koning Richard.
Hij is mijn neef, mijn neef; ja, maar ik twijfel, 20
Of, als de tijd hem thuis roept uit den vreemde,
Mijn bloedverwant zijn vrienden op zal zoeken.
Wijzelf, en Bushy, Bagot hier, en Green,
Wij zagen, hoe hij ’t volk te streelen wist,
Hoe hij in aller harten zocht te sluipen
Met need’rig doen en zoete minzaamheid,
Hoe hij aan lage knechten eerbied wegwierp,
En ’t werkvolk met zijn liefsten lach bewerkte,
En met het kalme dragen van zijn lot,
Opdat hun hart zijn ballingschap zou deelen;
Zijn muts vloog af, ja, voor een oesterwijf;
Twee karrelieden riepen: “God verzelle u!”
En buigzaam brengt zijn knie hun need’rig hulde,
Met: “Dank, landslieden! dank, mijn lieve vrienden!”—
Als waar’ bij overleving England zijn,
Hij onzer onderdanen naaste hoop.
Green.
Nu, hij is weg, en met hem zulke plannen.
Nù de oproerlingen, die in Ierland staan;—
’t Is noodig, snel te werk te gaan, mijn vorst,
Eer ruimer tijd hun ruimer midd’len schenkt
Tot hun profijt en uwer hoogheid schade.
Koning Richard.
Wij willen in persoon dien krijg gaan voeren.
En wijl door ’t groote hof en ruime giften
Juist onze koffers merklijk zijn verlicht,
Zijn wij genoopt ons rijk in pacht te geven.
Met wat dit opbrengt, kunnen wij den tocht,
Die dringt, bestrijden. Geeft dit niet genoeg,
Dan geven we onzen ambt’naars open brieven,
Waarop zij elk, dien ze als vermogend kennen,
Inschrijven voor een groote somme gouds;
Dan zenden zij ons na, wat wij behoeven,
Want daad’lijk trekken wij naar Ierland op.
(Bushy komt op.)
Wat komt gij melden, Bushy?
Bushy.
Heer, de oude Jan van Gent is ernstig ziek.
Hij werd het plotsling, en hij vraagt door boden,
Dat uwe hoogheid daad’lijk hem bezoek’.
Koning Richard.
Waar ligt hij ziek?
Bushy.
Waar ligt hij ziek? In Ely-hof, mijn vorst.
Koning Richard.
Geef, lieve God, alsnu zijn arts eens in,
Hem oogenblikk’lijk in zijn graf te helpen!
De voering van zijn koffers schaffe ons kleeding
Voor onze troepen in den Ierschen krijg.—
Komt, heeren, gaan wij allen hem bezoeken;
De Hemel geev’, wij spoeden ons te laat.
Allen.
Amen!
(Allen af.)