WeRead Powered by ReaderPub
Koning Richard de Tweede cover

Koning Richard de Tweede

Chapter 20: EERSTE TOONEEL.
Open in WeRead

About This Book

Het drama volgt een vorst wiens willekeurige bestuur en favoriete raadslieden de adel vervreemden, waardoor persoonlijke aantijgingen en rivaliteit uitmonden in uitsluiting en verbanning. Een verbannen edelman keert terug, mobiliseert steun en beantwoordt juridisch en gewapend de aanspraken op zijn eer, wat uiteindelijk leidt tot de onttrooning van de koning en de overdracht van macht. De tekst onderzoekt thema's als legitimiteit, het ritueel van vorstendom, persoonlijke identiteit en de grens tussen privégeschil en publieke politiek, en ontvouwt zich in opeenvolgende hovescènes en confrontaties.

VIJFDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Londen. Een straat naar den Tower.

De Koningin en Gevolg komen op.

Koningin.

Hier komt de koning langs, want deze weg

Geleidt naar Julius Caesar’s onheilstoren,

Waar, in dien steenen boezem, mijn gemaal

Gekerkerd wordt door trotschen Bolingbroke.

Laat ons hier rusten, zoo de oproerige aard

Haar echte koningin nog ruste gunt.

(Koning Richard komt op, vergezeld van zijn Wacht.)

Doch stil, doch ziet, of neen, ziet liever niet,

Hoe reeds mijn lieve roos verwelkt; ja, ziet toch,

Opdat ge uit deernis smelt tot dauw, hem wascht

Met echte liefdetranen en verfrischt.—

O, beeld van ’t veld, waar eenmaal Troje stond,

Der eere beeltnis, koning Richards tombe,

Niet Koning Richard zelf, gij prachtpaleis,

Waarom neemt somber leed in u zijn intrek

En wordt de zegepraal een bierhuisgast?

Koning Richard.

Sluit geen verbond met droefnis, schoone vrouwe,

Om plotsling mij te dooden; leer, mijn beste,

U, wat eens was, als schoonen droom te denken,

Waaruit we ontwaakten, nu de waarheid ziend

Van wat wij zijn. Ik ben gezworen broeder

Van bitt’ren nood, melieve; hij en ik

Zijn tot den dood vereend. Spoed u naar Frankrijk,

Begraaf u in een klooster; heiligheid

Moet thans een kroon des hemels ons verwerven;

Onze aardsche lust wierp de andre neer, in scherven.

Koningin.

Wat! is mijn Richard èn in vorm èn geest

Veranderd en verzwakt? Heeft Bolingbroke

Ook uw verstand onttroond, uw hart geplunderd?

De leeuw steekt stervend nog zijn klauwen uit,

En wondt, niets anders hebbend, de aard, uit woede,

Dat hij bezwijkt; en gij, duldt ge, als een schoolknaap,

Uw straf gedwee? Kust gij de roede? kwispelt

Gij voor eens meesters woede, ootmoedig, laag,

Gij, die een leeuw zijt en der dieren vorst?

Koning Richard.

Een dierenvorst, ja;—waren zij geen dieren, 35

’k Waar’ nog een blijde menschenvorst.—Mijn lieve

Gewezen koningin, spoed u naar Frankrijk;

Acht mij gestorven, denk u aan mijn sterfbed,

En dat gij hier mijn laatst vaarwel ontvangt.

Zit ginds aan ’t vuur in trage winternachten

Met oude goede lieden, die vertellen

Van bitter droeve tijden, lang voorbij;

Vertel dan eens, eer gij hun goede nacht zegt,

Tot dank, van mijnen jammervollen val;

Dan gaan zij weenend naar hun bed. Want, ja!

’t Gevoelloos houtblok op den haard trilt mede

Bij ’t diep geluid van uw bewogen stem,

En weent het vuur van mededoogen uit,

En treurt, hetzij in assche, ’t zij koolzwart,

Dat zoo een wettig koning werd onttroond.

(Northumberland komt op, met Gevolg.)

Northumberland.

Heer, Bolingbroke veranderde van plan;

Naar Pomfret moet gij thans, niet naar den Tower.—

En eed’le vrouw, uw weg is ook bepaald:

Met allen spoed geleidt men u naar Frankrijk.

Koning Richard.

Northumberland, gij ladder, waar die klout’raar,

Die Bolingbroke, mijn troon mee heeft bestegen,

De tijd zal niet veel ouder zijn dan nu,

Eer booze zonde rijpt en zich verzamelt

En openbreekt. Dra zult gij denken, dat,

Al deelt hij ’t rijk en geeft aan u de helft,

Hij u, die aan ’t geheel hem hielpt, te kort doet;

En hij denkt, dat, daar gij den weg zoo weet

Om vorsten, tegen ’t recht, ten troon te heffen,

Gij bij de minste krenking weten zult,

Hoe hèm van zijn geroofden troon te stooten.

Bij snoode vrienden wordt licht liefde vrees,

De vrees tot haat, en haat brengt één van beiden,

Of beiden, welverdiend gevaar en dood.

Northumberland.

Mijn schuld zij op mijn hoofd, en daarmee uit!

Neemt afscheid; uitstel wordt u niet vergund.

Koning Richard.

Een dubb’le scheiding!—Snoodaards, gij ontheiligt

Een dubb’len echt: mijn huwlijk met mijn kroon,

En dan, mijn huwlijk met mijn echte vrouw.—

Laat mij den eed wegkussen tusschen ons;

En toch, dit niet; sloot niet een kus den echt?

Scheid ons, Northumberland, naar ’t noorden mij,

Waar huiverkoude en ziekte kwijning wekken;

Naar Frankrijk haar, vanwaar met glans en praal

Haar England eens in meitooi komen zag,

Bij ’t keeren kaal als Allerheil’gendag. 80

Koningin.

En moet er scheiding zijn en afscheidssmart?

Koning Richard.

Ja, lieve, hand van hand, en hart van hart.

Koningin.

Verban ons beiden; laat hem met mij gaan.

Northumberland.

Dat waar’ recht liefd’rijk, niet zeer wijs gedaan.

Koningin.

Laat mij dan gaan, waar hij vertoeven moet.

Koning Richard.

Ons beider leed wierd één, één tranenvloed.

Ik weene hier om u, gij ginds om mij;

Veel beter ver, dan, niet vereend, nabij.

Ga, meet uw weg met zuchten, ik met klagen.

Koningin.

Dan geeft de langre weg meer leeds te dragen.

Koning Richard.

Bij iedren stap zal ik twee zuchten slaken,

Den kortren weg door hartzeer langer maken.

Doch kom, niet langer met het leed gevrijd;

Het huwlijk volgt, en dit duurt langen tijd.

Een kus verstomm’ den mond bij de afscheidssmart;—

Zoo geef ik mijn en neem voor mij ùw hart.

(Zij kussen elkander.)

Koningin.

Neen, geef mij ’t mijne weer; ’t waar snood, uw hart,

Mij toevertrouwd, te breken door mijn smart.

(Zij kussen elkander nogmaals.)

Nu heb ik ’t mijne weer; ga, ga nu heen;

Ik tracht het ras te dooden door geween.

Koning Richard.

Ons dralen leert aan ’t wee een schertsend woord;

Doch thans vaarwel; nu spreke kommer voort.

(Allen af.)

TWEEDE TOONEEL.

Londen. Een vertrek in het paleis van den Hertog van York.

York en de Hertogin komen op.

Hertogin.

Mylord, gij wildet juist het eind vertellen,

Toen ’t weenen u belette voort te gaan,

Van de aankomst onzer neven binnen Londen.

York.

Waar bleef ik?

Hertogin.

Waar bleef ik? Bij dat treurig oogenblik,

Dat woeste, oproer’ge handen uit de vensters

Op koning Richard stof en vaagsel wierpen.

York.

Ja, ’k zeide reeds, de groote Bolingbroke,

Gezeten op een vurig, moedig ros,

Dat goed zijn fieren ruiter scheen te kennen,

Reed langzaam maar plechtstatig stappend voort,

En alles riep: “God hoede u, Bolingbroke!”

Het was, alsof de vensters-zelve spraken,

Zoo menig gretig oog van oud en jong

Schoot door de ramenlijst zijn vuur’gen blik

Naar zijn gelaat; ja, ’t was alsof de muren,

Behangen, spreukrijk, alle samen riepen:

“U zeeg’ne Christus; welkom, Bolingbroke!”

Hij ondertusschen, rechts en links zich wendend,

Blootshoofds en lager dan zijns kleppers nek,

Sprak telkens: “Hart’lijk dank, mijn landgenooten.”

Zoo, op die wijs, vervolgde hij zijn tocht. 21

Hertogin.

Ach, arme Richard! waar reed hij intusschen?

York.

Gelijk der menschen oogen in den schouwburg,

Na ’t heengaan van een hooggevierd acteur,

Zich achtloos wenden op wie na hem komt,

En ieder, wat die zegt, langwijlig acht,—

Aldus, ja met nog meer verachting, grijnsden

Zij Richard aan; geen sterv’ling riep: “God hoede u!

Geen blijde mond gaf hem een welkom thuis;

Zij wierpen op ’t gewijde hoofd hem stof,

Wat hij zoo zacht en droevig van zich schudde,—

Terwijl een glimlach met zijn tranen kampte,

Getuigen van berusting en van smart,—

Dat, had niet God, naar hoogen raad, het hart

Des volks verstaald, het wis had moeten smelten,

Want de barbaarschheid zelf had zich erbarmd.

Doch dit geschiedt naar ’s hemels hoogen wil,

En waar die spreekt, zwijge elk eerbiedig stil.

Wij allen zwoeren Bolingbroke nu trouw,

Wien ik voortaan als heer en vorst beschouw.

(Aumerle komt op.)

Hertogin.

Daar komt Aumerle.

York.

Daar komt Aumerle. Die Aumerle was;

Als Richards vriend heeft hij dien naam verbeurd;

En vrouw, gij moet uw zoon nu Rutland noemen,

’k Was borg in ’t parlement, dat hij zijn trouw

Zijn nieuwen vorst en leenheer steeds zou wijden.

Hertogin.

Welkom, mijn zoon! Wie sieren als viooltjes

Den groenen schoot der nieuwgeboren lente?

Aumerle.

Ik weet niet, moeder, en mij deert het niet;

God weet, ik wensch er liever geen te zijn.

York.

Draag in dit voorjaar zorg voor uwen groei,

Om niet gewied te worden vóór uw bloei.

Hoe is ’t in Oxford? feesten en tornooien? 52

Aumerle.

Die gaan nog door, Mylord, zoover ik weet.

York.

Gij wilt er heengaan, ’k weet het.

Aumerle.

Zoo God het niet belet; ja, ’t is mijn plan.

York.

Wat voor een zegel hangt daar uit uw boezem?—

Wat! gij verbleekt? Laat dat geschrift mij zien.

Aumerle.

Heer, het is niets.

York.

Heer, het is niets. Dan mag een ieder ’t zien.

’k Wil zekerheid, laat dat geschrift mij zien.

Aumerle.

Ik bid u, heer, dat gij dit niet verlangt;

’t Is iets van geen gewicht, maar ik heb reed’nen

Om ’t zeer ongaarne aan u te laten zien.

York.

En ik heb reed’nen, heer, om dit te willen.

Ik vrees, ik vrees,—

Hertogin.

Wat zoudt gij vreezen? Kom,

Het is een wissel, dien hij heeft geteekend,

Om zich voor ginds een feestdos aan te schaffen.

York.

Zijn eigen wissel? hij zijn wissel hebben,

Waarmee hij zich verbindt? Wat onzin, vrouw!

Kom, knaap, laat mij het zien.

Aumerle.

Vergeef mij, bid ik, toonen mag ik ’t niet.

York.

’k Wil zekerheid; nog eens, laat mij het zien.

(Hij ontrukt hem het geschrift, en leest.)

Verraad! O zwart verraad!—Schelm! schurk! verrader!

Hertogin.

Wat is er, mijn gemaal?

York.

Hé daar! wie is daar? kom!

(Een Dienaar komt op.)

Hé daar! wie is daar? kom! Mijn paard gezadeld!

Algoede God! Wat boos en zwart verraad!

Hertogin.

Wat is ’t dan, mijn gemaal?

York.

Mijn laarzen hier! en vlug mijn paard gezadeld!

(Dienaar af.)

Nu, bij mijn eer, mijn leven en mijn trouw,

Ik klaag den booswicht aan.

Hertogin.

Ik klaag den booswicht aan. Wat is er dan?

York.

Zwijg, dwaze vrouw!

Hertogin.

Ik zwijg niet, neen;—Aumerle, spreek, wat is er?

Aumerle.

Kalm, lieve moeder, kalm; het is niet meer,

Dan wat mijn leven boet.

Hertogin.

Dan wat mijn leven boet. Uw leven? ’t boeten?

York.

Kom, breng mijn laarzen, naar den koning moet ik. 85

(De Dienaar komt terug, met een paar laarzen.)

Hertogin.

Aumerle, sla hem weg!—Verbijsterd, jongen?—

Weg, schurk, en kom mij nooit weer onder ’t oog.

(Dienaar af.)

York.

Geef mij mijn laarzen, zeg ik.

Hertogin.

Spreek, York, wat wilt gij doen?

Wilt gij de schuld der uwen niet verbergen?

Hebt gij meer zoons of hebt ge er meer te hopen?

Is dan mijn barenstijd niet lang voorbij?

Wilt gij mijn ouderdom mijn zoon ontrukken,

Den zoeten naam van moeder mij ontrooven?

Gelijkt hij niet op u? is hij uw zoon niet?

York.

Verblinde, dwaze vrouw!

Wilt gij die dwaze schurkerij verhelen?

Twaalf hunner hebben ’t sacrament ontvangen,

Elkander schriftlijk onderling beloofd,

In Oxford onzen koning om te brengen.

Hertogin.

Hij zal niet met hen zijn, wij houden hem

Bij ons en hier; wat kan het hem dan deren?

York.

Weg, dwaze vrouw! al waar hij twintigmaal

Mijn zoon, ik gaf hem aan.

Hertogin.

Mijn zoon, ik gaf hem aan. Hadt gij als ik,

Om hem gekermd, meer deernis zoudt gij hebben.

Doch nu begrijp ik: gij voedt achterdocht,

Als ware ik ooit uw bed ontrouw geweest,

En hij uw basterd, niet uw eigen zoon.

Mijn York, mijn lieve man, denk zoo toch niet;

Zie, hij gelijkt op u,—het kàn niet meer—

En niet op mij, noch iemand van de mijnen,

En toch, ik heb hem lief.

York.

En toch, ik heb hem lief. Laat door, verdwaasde!

(York af.)

Hertogin.

Hem na, Aumerle! neem zijn eigen paard;

Spoor, ijl en kom hem bij den koning voor,

En smeek vergiff’nis, eer hij u beschuldigt.

Ik volg u op den voet; zoo oud ik ben,

Hoop ik toch even snel als York te rijden;

En ’k sta niet van mijn voetval op, aleer

U Bolingbroke vergiff’nis schenkt. Weg! voort!

(Beiden af.)

DERDE TOONEEL.

Windsor. Een vertrek in het kasteel.

Bolingbroke treedt op, als koning, met Percy en andere Lords.

Bolingbroke.

Weet niemand van mijn zoon, den losbol, iets?

Drie volle maanden zijn ’t, sinds ik hem zag.

Zoo een’ge booze plaag ons dreigt, is hij het.

O, waar’ hij, lords, te vinden, ja, bij God!

Spoort hem in Londen, in de kroegen, na,

Want daar, zoo zegt men, zwerft hij daaglijks rond,

Met losse teugellooze knapen, ja,

Met volk, dat zich in nauwe straten nestelt,

De wachten afrost, reizigers berooft;

En hij, die losbol en verwijfde deugniet,

Hij steunt, als ware ’t hem een zaak van eer,

Een zoo verwaten troep.

Percy.

Voor een paar dagen, heer, sprak ik den prins

En sprak hem van de feesten ginds in Oxford.

Bolingbroke.

Wat zeide toen de wildzang?

Percy.

Zijn antwoord was,—hij zou in een bordeel

Een handschoen aan de veilste deerne ontrukken,

Dien als een helmtooi dragen en daarmee

Den stoutsten ridder uit den zadel lichten.

Bolingbroke.

Loszinnigheid en driestheid! Toch, ik zie

In beide vonken spranklen, die doen hopen

Op eed’ler vuur in later tijd. Wie daar?

(Aumerle komt op.)

Aumerle.

Waar is de koning?

Bolingbroke.

Wat drijft nu onzen neef, dat hij zoo staart

Met wilde haast in ’t oog?

Aumerle.

God hoede uw hoogheid! Dringend smeek ik, heer,

Een mondgesprek, alleen, met uwe hoogheid.

Bolingbroke.

Verwijdert u, en laat ons hier alleen.

(Percy en de Lords af.)

Wat is het, neef, dat gij mij melden komt?

Aumerle

(nederknielend). Mijn knie moog’ wort’len aan den grond, mijn tong

Moge in mijn mond vastkleven aan ’t gehemelt,

Tenzij, aleer ik oprijs of mij uit,

Mijn schuld vergeving vindt bij uw genade.

Bolingbroke.

Was uwe schuld nog opzet of reeds daad?

Is ’t eerste waar, hoe zwaar uw schuld ook zij,

Ik spreek, om u te winnen, thans u vrij.

Aumerle.

Vergun mij dan, den sleutel om te draaien,

Opdat er niemand koom’, die mijn verhaal

Afbreke voor het einde.

Bolingbroke.

Afbreke voor het einde. Toegestaan.

(Aumerle sluit de deur af.)

York

(van buiten). Mijn vorst, neem u in acht, wees op uw hoede,

’t Is een verrader, die daar bij u is. 40

Bolingbroke

(zijn zwaard trekkend). ’k Zal u onschaad’lijk maken, schurk!

Aumerle.

Heer, schors uw wraak; gij hebt hier niets te duchten.

York

(van buiten). Doe open, zorglooze en doldrieste koning,

Moet ik, uit trouw, verraad in woorden plegen?

Ontsluit de deur, heer, of ik breek haar open.

(Bolingbroke opent de deur.)

(York komt op.)

Bolingbroke.

Wat is de zaak, oom? kom op adem, spreek!

En zeg, van hoe nabij ’t gevaar ons dreigt,

Opdat we ons waap’nen, om het kwaad te keeren.

York.

Lees dit geschrift, heer, en erken ’t verraad,

Dat mij mijn hijgen niet vertellen laat.

Aumerle.

Denk onder ’t lezen, heer, aan uw belofte;

Ik heb berouw; lees gij mijn naam daar niet;

Mijn hart is met mijn hand niet in verbond.

York.

Het was dit, schurk, aleer uw hand dit schreef.—

Ik reet dit den verrader uit zijn boezem;

Niet liefde, vreeze wekt berouw in hem.

Gun hem geen deernis, of uw deernis blijkt

Weldra een slang, die in het hart u steekt.

Bolingbroke.

O groote, stoute, zwarte samenzwering!—

O trouwe vader van een valschen zoon!

Gij zuivere, onbevlekte, zilvren bron,

Waar deze stroom langs vuile modderpoelen

Zijn loop uit nam en zich bezoedeld heeft!

Uw overvloed van goed verkeert in boosheid;

Maar de overmaat van goed in u ontschuldigt

’t Afschuwlijk plan uws afgedwaalden zoons.

York.

Zoo wordt mìjn deugd handlangster van zìjn ondeugd,

En hìj verspilt mijn eer in zijne schande,

Als woeste zoons het goud van zuin’ge vaders.

Mijn eer zal leven, zoo zijn schande sterft,

Of sterft, als zijne schand’ genâ verwerft;

Mij doodt gij, zoo gij hem het leven geeft;

Die trouw was sterft, en de verrader leeft.

Hertogin

(van buiten). Om Gods wil! vorst, doe open, laat mij binnen.

Bolingbroke.

Wie meldt zich daar met zulk een roep vol schrik?

Hertogin.

Een vrouw is ’t, uwe moei, o koning, ik!

Verstoot een beed’lares niet, hoor mij aan;

Denk, die hier bedelt, heeft dit nooit gedaan.

Bolingbroke.

Ziedaar op eens verand’ring van vertooning; 80

Geen treurspel meer; ’t is “Beedlares en Koning”.

Laat zelf uw moeder binnen, snoode neef;

Zij komt mij smeeken, dat ik u vergeef.

York.

Schenk geen vergiff’nis, wie ’t ook zij, die smeekt;

Bedenk, dat zulk een goedheid zonde kweekt.

Weg ’t rotte lid, en ’t andre blijft gezond;

Verschoon het, heel het lichaam gaat te grond.

(De Hertogin komt binnen.)

Hertogin.

Hoor niet naar hem, heer, hij is hard gezind;

Wie minde ooit andren, die zichzelf niet mint?

York.

Verdwaasde vrouw, wat wilt ge een schurk behoeden,

Om dien nog eens aan dorre borst te voeden?

Hertogin.

Stil, lieve York;—(Zij knielt.) mijn koning, hoor mij aan!

Bolingbroke.

Op, lieve moei!

Hertogin.

Op, lieve moei! Neen, neen, laat mij begaan;

Mijn knieën blijven aan den grond hier kleven;

Ik kan en wil geen dag van heil beleven,

Eer gij door blijdschap al mijn angst verdreeft,

En Rutland, mijn verdwaasden knaap, vergeeft.

Aumerle

(nederknielend). Ik buig de knie voor mijner moeder beden.

York

(nederknielend). Ik tegen beiden mijn getrouwe leden.

Hun beê brengt ramp, zoo gij er acht op slaat.

Hertogin.

Meent hij het waarlijk? Zie hem in ’t gelaat;

Hij smeekt uit scherts, zijn oog meldt niets van smart;

Hij spreekt slechts met den mond, wij met het hart;

Hij wenscht een weigring op zijn zwakke bede,

Bij ons smeekt hart en ziel en alles mede;

Hij schuwt de knieën langer te vermoeien,

Wij knielen, tot zij met den grond vergroeien;

Bedrog en huichlen schuilen in zijn beê,

In de onze leed en angst en zielewee.

Wij óverbidden zijn gebed; bekroon’

Ons waar gebed genade, vroomheidsloon!

Bolingbroke.

Sta op, mijn lieve moei!

Hertogin.

Sta op, mijn lieve moei! Zeg niet: sta op!

Zeg eerst: genade, en zeg daarna: sta op!

Moest ik u, als uw voedster, spreken leeren,

Dat woord, “genâ”, herhaalde ik duizend keeren.

Nooit smachtte ik naar een woord, als ik nu doe;

Zeg, vorst, “genade,” en deernis leere u, hoe;

Kort is het woord, doch minder kort, dan zoet;

Geen woord klinkt uit eens konings mond zoo goed.

York.

Zoo spreek nu Fransch, heer; zeg: “pardonnez-moi.” 119

Hertogin.

Dan gaf “pardon” den doodsteek aan genâ.

Gij bitt’re gade, booze man, die ’t woord

Belaagt en dooden wilt door broedermoord!

Spreek van “genade”, als onze taal gebiedt,

Het Fransche Koeterwaalsch verstaan wij niet.—

Uw oog wil spreken, plant uw tong er in,

Of geef door ’t oor uw hart een zachten zin,

Opdat, door onze klacht en bede week,

Uw ziel, bewogen, ’t woord “vergeving” spreek’!

Bolingbroke.

Kom, moei, sta op!

Hertogin.

Kom, moei, sta op! Ik vraag niet op te staan;

Neen, enkel om vergeving houd ik aan.

Bolingbroke.

’k Vergeef hem, zooals God het mij eens doe.

Hertogin.

Wat heil stroomt daar een knie, die knielde, toe!

Nog ben ik ziek van angst; herhaal dat woord!

’t Herhalen breidt niet uit, doch voor wie ’t hoort

Erlangt dat woord een hooger kracht en waarde.

Bolingbroke.

’k Vergeef hem, ja!

Hertogin.

’k Vergeef hem, ja! Gij zijt een god op aarde.

Bolingbroke.

Maar wat mijn lieven zwager en den abt,

En de andren van ’t verbonden rot betreft,

’t Verderf zal fluks hun op de hielen zijn.—

Zend troepen uit, mijn waardige oom, naar Oxford,

En overal, waar die verraders steken;

’k Laat hen op aard niet leven; zij zijn mijn,

Zoodra ik weet, waar zij te vinden zijn.

Oom, vaar nu wel;—neef, zoo ik op u bouw,

Dank dit uw moeder, en blijf thans mij trouw.

Hertogin.

Kom, oude zoon, word nieuw door diep berouw.

(Allen af.)

VIERDE TOONEEL.

Sir Pierce van Exton en een Dienaar komen op.

Exton.

Hebt gij des konings zeggen opgemerkt:

“Heb ik geen vriend, die van mijn angst, die leeft,

Mij wil ontslaan?” Niet waar, zoo was het?

Dienaar.

Mij wil ontslaan?” Niet waar, zoo was het? Ja,

Dit zijn zijn eigen woorden.

Exton.

“Heb ik geen vriend,” zoo sprak hij, tweemaal zelfs;

Hij zeide ’t tweemaal achtereen, niet waar?

Dienaar.

Dat deed hij, ja.

Exton.

En keek daarbij mij onderzoekend aan,

Als om te zeggen: waart gìj eens de man,

Die de’ echt mijns harten met dien angst verbrak!”

De koning is ’t, in Pomfret, dien hij meent;

Kom mee, ik ben de vriend, die hulp verleent.

(Beiden af.)

VIJFDE TOONEEL.

Pomfret. De gevangenis van het kasteel.

Koning Richard komt op.

Koning Richard.

Ik was aan ’t denken, hoe ik best mijn kerker,

Mijn woning, met de wereld vergelijk;

Doch nademaal de wereld volkrijk is,

En hier geen schepsel is, dan ik alleen,

Zoo kan ik ’t niet; toch kom ik er met peinzen.

Mijn brein zal ’t gaaiken wezen voor mijn geest,

Mijn geest de vader; en die twee verwekken

Een teelt van steeds zich meerdrende gedachten,

En die bevolken deze kleine wereld,

Zoo grillig als het volkje dezer wereld,

Want geen gedachte is ooit tevreden. Enkle,

De beet’re soort, de geestrijke gedachten,

Aldoor behept met twijfelzucht, bestrijden

De schrift zelfs met de schrift,

Als: “Laat de kindren komen”, en toch volgt:

“Het ingaan is niet minder zwaar, dan dat

Een kemel ga door ’t ooge van een naalde.”

Eerzuchtige gedachten vormen plannen,

Zoo dol als moog’lijk, als: met zwakke nagels

Door dezer harde wereld kiezelribben,

Mijn kerkerwand, een doorgang zich te krabben,

En sterven, wijl ze onmachtig zijn, van trots.

Geduldige gedachten vleien zich,

Dat zij niet de eerste slaven van fortuin,

Noch ook de laatste zijn,—als domme beed’laars,

Die, in den stok gezet, hun schande ontkennen,

Wijl menigeen zoo zat en zitten zal;

En die gedachte is hun een soort van troost;

Zij leggen hun verneedring op de schouders

Van andren, wie voorheen hetzelfde trof.

Zoo speel ik veel personen, gansch alleen,

Nooit een tevreed’ne. Somtijds ben ik koning;

Dan wekt verraad den wensch, ik ware een beed’laar;

Fluks ben ik dit, doch bitt’re nood bewijst mij,

Dat ik het toch als koning beter had;

Dan word ik weer gekoningd, doch weldra

Denk ik mij als door Bolingbroke ontkoningd,

En word terstond tot niets.—Doch wat ik zij,

Nòch ik, nòch eenig mensch, die eenmaal mensch is,

Is ooit bevredigd, tot die vrede komt,

Dat hij een niets is.—

(Muziek).

Dat hij een niets is.— Hoor ik daar muziek?—

O gij, houd maat!—Een zoete klank wordt bitter, 42

Wordt tijd miskend en regelmaat gestoord!

Zoo is ’t met de muziek van ’s menschen leven.

Zie, mijn gehoor is fijn genoeg, om nu

Een snaar, die tijd en maat verstoort, te gispen,

Doch voor den welklank van mijn staat en tijd

Had ik geen oor, al was de maat verbroken.

’k Verdeed mijn tijd, nu doet de tijd het mij;

Zijn uurwerk heeft hij nu van mij gemaakt;

Gedachten zijn minuten, die met zuchten

Haar uren immer tikken, en mijn oogen

Zijn cijferplaat, en wijzer is mijn vinger,

Die telkens weer een traan uit de oogen pinkt.

De slagen, die het uur verkonden, zijn

Mijn luide klachten, haam’rend op de klok,

Mijn hart; zoo toonen zuchten, klachten, tranen

Minuten, uur en tijd; zoo snelt mijn tijd

Steeds voort, den trotschen Bolingbroke tot vreugd;

En ik sta hier als nar, zijn klokkeventje.—

Dol maakt mij die muziek, dat zij verstomme!

Want bracht zij dollen soms tot hun verstand,

In mij, zoo schijnt het, maakt zij wijsheid dol.

En toch gezegend hij, die haar mij brengt!

Zij spreekt van liefde, en liefde jegens Richard

Is in deez’ tijd vol haat een flonkerbag.

(Een Stalknecht komt op.)

Stalknecht.

Heil u, mijn souverein!

Koning Richard.

Heil u, mijn souverein! Dank, noble pair!

Munt van ’t metaal, waar ik van ben gemaakt,

Wellicht gelijk ikzelf in ’t stof geraakt.

Wie zijt gij? om wat reden komt gij hier,

Waar niemand dan de brombeer komt, die mij

De spijze brengt, waar kommer van blijft leven?

Stalknecht.

Ik was een knecht in uwe stallen, koning,

Toen gij nog koning waart. Ik ging naar York,

Waar ik ten laatste mij de gunst verwierf,

Om ’t aanschijn van mijn vroegren heer te zien.

O, hoe ’t mijn harte zeer deed, toen ik onlangs

Den kroningsdag in Londens straten zag,

Toen Bolingbroke den Berberschimmel reed!

Dat ros, dat gij zoo vaak bestegen hebt,

Dat ros, dat ik met zooveel zorg verpleegde!

Koning Richard.

Reed hij den Berber? Zeg mij, lieve vriend,

Hoe liep hij onder hem?

Stalknecht.

Zoo trotsch, als waar’ de grond hem te gering.

Koning Richard.

Zoo trotsch, dat Bolingbroke zijn ruiter was!

Die knol at brood uit mijne koningshand;

De hand hier deed hem trotsch zijn door te kloppen.

Hij struikelde dus niet? hij stortte niet,—

Trots komt toch vóór den val!—en brak den hals

Des trotsaards niet, die rechtloos hem besteeg?—

Vergeef mij, paard! waarom val ik u hard?

Geschapen werdt gij, om den mensch te vreezen,

Te dragen. Ik werd niet tot paard geschapen,

En draag toch, als een ezel doet, een last,

Bloedig gespoord, gestriemd door Bolingbroke.

(De Stokbewaarder komt op met een schotel.)

Stokbewaarder

(tot den Stalknecht). Gij knaap, wat doet gij hier? ga, pak u voort! 95

Koning Richard.

Als gij mij lief hebt, mijd voortaan dit oord.

Stalknecht.

Al spreekt mijn hart, toch waagt mijn tong geen woord.

(De Stalknecht af.)

Stokbewaarder.

Gelief, heer, toe te tasten.

Koning Richard.

Proef gij dan voor, zooals gij anders doet.

Stokbewaarder.

Ik mag ’t niet doen, heer, want Sir Pierce van Exton,

Die van den koning kwam, verbood het mij.

Koning Richard.

Hale u en Hendrik Lancaster de duivel!

Geduld is duf, ik heb een walg er van.

(Hij slaat den Stokbewaarder).

Stokbewaarder.

Help, help, help!

(Sir Pierce van Exton komt op, met Dienaars, allen gewapend.)

Koning Richard.

Ha! wat is dat!

Wat wil de dood met zulk een overrompling?

Schurk, zelf brengt gij het werktuig van uw dood.

(Hij ontrukt aan een der Dienaars zijn wapen en slaat hem neder.)

Ga, zoek ook gij uw plaats op in de hel.

(Hij doodt een tweeden Dienaar, doch wordt daarop door Exton geveld.)

Die hand zal branden in ’t onbluschbaar vuur,

Die mij zoo vallen doet.—Uw drieste hand

Bevlekt met ’s konings bloed des konings land.

Stijg op, mijn ziel! des hemels stemme klinkt;—

Terwijl ’t laag vleesch hier sterft en nederzinkt.

(Hij sterft.)

Koning Richard II, Vijfde Bedrijf, Vijfde Tooneel.

Exton.

Aan moed zoo rijk, als koninklijk van bloed!

’k Vergoot die beide;—waar’ mijn daad slechts goed!

Nu zegt de duivel, die mij heeft gedreven,

Dat in de hel die daad is aangeschreven.

’k Breng aan den vorst, die leeft, den dooden koning;

Delft voor die andren hier hun laatste woning.

(Allen af.)

ZESDE TOONEEL.

Windsor. Een vertrek in het kasteel.

Trompetgeschal. Bolingbroke en York, met Lords en Gevolg komen op.

Bolingbroke.

Mijn waarde oom York, het

nieuwste, dat wij hoorden,

Is, dat door de oproerlingen Cicester

In Glostershire in de asch gelegd is. Maar

Of zij geslagen of gevangen werden,

Bleef me onbekend.

(Northumberland komt op.)

Bleef me onbekend. Wees welkom, Lord! wat nieuws?

Northumberland.

Mijn nieuws, heer, is, dat ik naar Londen zond—

Ja, heil uw rijk; wat dreigde is afgewend!—

Het hoofd van Salisbury, Blunt, Spencer, Kent.—

Hoe wij door ons beleid hen deden zwichten,

Moog’ dit geschrift uitvoerig u berichten.

(Hij reikt een geschrift over.)

Bolingbroke.

Dank, beste Percy, voor dit heilrijk pogen;

Het zal uw rang, hoe hoog reeds, nog verhoogen.

(Fitzwater komt op.)

Fitzwater.

Mylord, van Oxford uit zond ik naar Londen

Het hoofd van Brocas en van Bennet Seely,

Twee medestanders der verradersbent,

Die u in Oxford gruwlijk heeft belaagd.

Bolingbroke.

Fitzwater, wel herdenk ik, wat gij deedt;

Geloof, dat ik uw waarde lang reeds weet.

(Percy komt op, met den Bisschop van Carlisle.)

Percy.

Heer, de abt van Westminster, het hoofd des opstands,

Heeft, diep bedrukt en van zijn schuld bewust,

Zijn lichaam aan het graf ten buit gegeven;

Doch levend wacht hier Carlisle voor uw troon

Uw koningsvonnis, zijner stoutheid loon.

Bolingbroke.

Uw vonnis luidt, Carlisle: kies u een huis,

Klein, groot, hoe ook, maar verre van ’t gedruisch

Der wereld; wijd aan God uw levenstijd,

En leeft ge in vrede, sterf dan zonder strijd;

Mijn vijand waart gij steeds, doch ik waardeer

In u een man van hart en moed en eer.

(Exton komt op, met Dienaars, die een lijkkist dragen.)

Exton.

In deze lijkkist ligt, verheven koning,

Uw vrees begraven, zonder ademtocht

De grootste vijand, dien gij duchten mocht;

Heer Richard van Bordeaux voer ik tot u. 33

Bolingbroke.

Exton, ik dank u niet; voorwaar, ik gruw

Van zulk een daad, waardoor uw booze hand

Vloek brengt op mij en heel dit roemrijk land.

Exton.

Op uwen wensch, heer, is de daad geschied.

Bolingbroke.

Die gif behoeft, bemint het gif toch niet,

Ik u niet; wenschte ik hem ook dood, de daad

Maakt hem mij lief, den moord’naar diep gehaat.

’t Bewustzijn van uw zonde zij uw loon;

Maar wacht geen gunst, geen dank van onzen troon.

Zwerf om met Kaïn door stikdonkre nacht,

Maar berg uw hoofd, als licht of daag’raad lacht.—

Lords, ik betuig u, dat mijn ziele weent,

Nu bloedbesprenkling wasdom mij verleent.

Komt, treurt met mij om wat mijn ziel benart;

Hulle elk van u zich fluks in somber zwart.

Ik doe een pelgrimstocht naar ’t heilig land,

En wasch dit bloed, die schuld, van mijne hand.

Volg, ieder uwer, mij vol rouw, en staar

Met weenend oog op deze vroege baar.

(Allen af, de lijkbaar volgende.)