AANTEEKENINGEN.
Koning Richard II vormt met de beide deelen van K. Hendrik IV en met K. Hendrik V het viertal stukken, waarin de verheffing van het huis van Lancaster geschilderd wordt. Reeds vroeger had Shakespeare (zie de Epiloog van K. Hendrik V) in een ander viertal: de drie deelen van K. Hendrik VI en K. Richard III, het verval van dat huis, zijn verdringing door dat van York en den ondergang van dit laatste ten tooneele gevoerd.
Edward III, die door zijn overwinningen in Frankrijk, hoe spoedig de veroveringen ook te loor gingen, den roem der Engelsche wapenen hoog had opgevoerd, zag zijn oudsten zoon, Edward, prins van Wales, den overwinnaar van Crecy (1346) en onder den naam van “de Zwarte Prins” een der beroemdste ridders van zijn tijd, ten grave dalen, stierf zelf een jaar later, in 1377, en werd opgevolgd door den zoon van den Zwarten Prins, den elfjarigen Richard II. Gedurende de minderjarigheid des Konings voerde vooral zijn oom Jan van Gent,—naar zijn geboorteplaats zoo genoemd,—Hertog van Lancaster, de oudste der overgebleven zonen van Edward III, de teugels van het bewind, een wakker vorst, tevens begunstiger van den grooten dichter Chaucer en den reformator Wycliffe, doch niet zoo vrij van eerzucht, als de dichter hem in dit stuk geteekend heeft. Reeds vroegtijdig maakte de jonge koning zich vrij van den invloed zijner ooms; de oudste, Jan van Gent, en de derde of jongste, Thomas, hertog van Gloster, werden door hem gewantrouwd, terwijl de tweede, Edmund, hertog van York, een goedmoedig man, wel op beteren voet met hem stond, maar hem weinig kon leiden. Lichtzinnig en verzot op vermaken, luisterde Richard gaarne naar zijn jeugdige gunstelingen, die zijn neiging tot weelde en verkwisting voedden; zij werden met eer en rijkdommen door hem overladen, tot groote ergernis van het parlement, zoodat er telkens over nieuwe geldheffingen getwist werd. Hard en onbillijk jegens zijn tegenstrevers, gaf hij steeds blijken van groote gehechtheid aan zijn vrienden en begon weldra in den haat, dien deze zich op den hals haalden, te deelen. Wel had hij, nog weinig meer dan knaap, bij den geduchten opstand van Wat Tyler grooten persoonlijken moed betoond, maar hij bleek toch geen krijgshaftig vorst te zijn en het gelukte hem niet, de nederlagen af te wenden, die Franschen en Schotten aan de Engelsche wapenen toebrachten. De ontevredenheid over zijn bewind nam steeds toe, en hijzelf werd door den weerstand, dien hij bij zijn streven naar uitbreiding der koningsmacht telkens ondervond, van misnoegen op den hoogen adel en van wantrouwen jegens zijn ooms Jan van Gent en Thomas van Gloster vervuld.
Het was eindelijk zoo ver gekomen, dat de misnoegde adel, aangevoerd door den Hertog van Gloster en in verbond met de Gemeenten, den koning met de wapenen in de hand dwong, een door het parlement benoemden rijksraad te erkennen, die met uitgebreide volmacht alle uitgaven naging en ook verder groot gezag had. Nadat een poging tot verzet mislukt was, moest de koning zijn gunstelingen aan de bloedige wraak van het parlement prijsgeven; de hertog van Gloster was machtiger dan de koning. Bij dezen strijd waren voor het eerst Hendrik Bolingbroke, oudste zoon van Jan van Gent, alsmede Thomas Mowbray, graaf van Nottingham, op den voorgrond getreden, en wel aan de zijde der ontevredenen.
Richard had zich, wel is waar, moeten onderwerpen, maar was niet gezind, deze ondergeschikte rol te blijven spelen; hij streefde naar het herstel zijner volle koninklijke macht en dorstte naar wraak op hen, wien hij zijn vrienden had moeten opofferen, en vooral op Gloster. Om dezen des te zekerder te treffen, verzoende hij zich met zijn twee oudere ooms. De hertog van York werd gewonnen door zijn zoon Edward, die Richards zijde hield en tot Graaf van Rutland benoemd werd. De hertog van Lancaster, Jan van Gent, werd met genadebewijzen overstelpt; hij had jarenlang omgang gehad met de dochter van een Henegouwer ridder, Catharina Swijnford; nadat des hertogs tweede gemalin, Constance van Castilië, gestorven was, werden in 1397 de kinderen, uit zijn verbintenis met Catharina gesproten, die den naam van Beaufort droegen, geheel met echte kinderen gelijk gesteld, als echt en in het bezit van alle rechten, ook troonrechten, erkend1; zijn zoon Bolingbroke, graaf van Derby, werd eveneens gewonnen. Evenzoo koos Thomas Mowbray de zijde des konings en verwierf weldra Richards volle vertrouwen. Met Frankrijk werd een verzoening getroffen; na den dood van Richards diep betreurde eerste gemalin in 1394, hield hij om de hand van de jeugdige dochter, Isabella, van Koning Karel IV aan; zij werd in Jan. 1397 te Westminster gekroond, een huwelijk, dat veel ontevredenheid wekte. Na langdurige voorbereiding werd, in Juli 1397, de stoute slag geslagen. Gloster en zijn voornaamste vrienden werden plotseling in hechtenis genomen. De eerstgenoemde werd naar Calais gevoerd, waar Mowbray het bevel voerde; hij stierf er in de gevangenis, juist toen hij, van hoogverraad beschuldigd, weder naar Engeland moest gevoerd worden; het zeggen was, dat hij door dienaars van Mowbray en Rutland onder veeren bedden gestikt was. Er werd een parlement bijeengeroepen, waarin ’s konings aanhangers de meerderheid hadden en dat omgeven was door een groote lijfwacht des konings, van wel een paar duizend boogschutters. Het herriep de vroeger genomen besluiten, die de macht des konings aan banden legden, verscherpte de wetten tegen hoogverraad en maakte, door toegestane gelden, den koning onafhankelijker dan ooit. Drie van de eerste pairs des lands: de Graaf van Arundel, de Graaf van Warwick en de Aartsbisschop van Canterbury, Thomas Arundel, werden bij het huis der Lords van hoogverraad aangeklaagd; de eerste werd ter dood, de tweede tot levenslange gevangenschap, de derde tot ballingschap veroordeeld.
Tot deze geweldige maatregelen hadden de naaste verwanten des konings: Jan van Gent, de Hertog van York, Bolingbroke en Rutland, alsmede de edelen, de prelaten en de gemeenten hun toestemming gegeven. Belooningen bleven niet uit: Bolingbroke werd hertog van Hereford, en Rutland van Aumerle (Albemarle); de twee stiefbroeders van Richard2, Thomas van Holland, Graaf van Kent, en John van Holland, Graaf van Huntingdon, werden Hertogen van Surrey en van Exeter; Thomas Mowbray, Graaf van Nottingham, werd verheven tot Hertog van Norfolk; John Beaufort, graaf van Somerset, tot Markies van Dorset; Thomas le Despenser tot Graaf van Gloster; Ralf Nevil tot Graaf van Westmoreland; Thomas Percy tot Graaf van Worcester; William Scroop tot Graaf van Wiltshire. Al deze verheffingen hadden plaats op St.-Michielsdag van het jaar 1397, met groote plechtigheid; de koning gespte den nieuwbenoemden een zwaard om, zette hun den hoed op het hoofd en ontving hun hulde.
Men zal de bovenstaande namen, op een enkelen na, in de stukken van Shakespeare terugvinden, daarom zijn zij hier volledig opgegeven3. Voor het gemakkelijk volgen der koningsstukken is het verder noodig met de verwantschap der personen bekend te zijn; daartoe vindt men in dit deel een geslachtslijst, die omtrent al de vorstelijke personen, die optreden of genoemd worden, de noodige inlichtingen geeft. Nevil en Percy, boven genoemd, behoorden tot twee zeer machtige adellijke geslachten van Noord-Engeland.
Het stuk van Shakespeare begint, nadat de bovenvermelde gebeurtenissen hebben plaats gehad.—Het was gebleken, dat de koning de eens hem aangedane beleedigingen niet lichtelijk vergat, met verholen wrok listige aanslagen kon smeden en niet voor geweldige maatregelen terugdeinsde. Geen wonder, dat vroegere tegenstanders, schoon thans in gunst en met rangverhooging voor gedane diensten beloond, niet allen voor de toekomst gerust waren; en het laat zich begrijpen, dat de nieuwe hertog van Norfolk, Thomas Mowbray, geenszins zonder bezorgdheid was; ook hem kon des konings wraak bereiken. In hetzelfde geval bevond zich Bolingbroke, thans hertog van Hereford. Beiden ontmoetten elkander eens op den weg naar Londen en Norfolk gaf zijn gemoed lucht. Dit gesprek werd, naar men zegt, door Hereford den koning overgebracht. Norfolk loochende Hereford’s beweringen, en het gerechtelijk tweegevecht zou te Coventry plaats vinden. Alles geschiedde zooals het in het stuk wordt voorgesteld; de strijd werd door den koning op het oogenblik, dat hij beginnen zou, tegengehouden. Na een paar uur beraadslagens werd door den koning zijn besluit kenbaar gemaakt. Norfolk, die bovendien was aangeklaagd van verduistering van gelden, werd levenslang verbannen en stierf reeds in 1399 te Venetië, naar bericht wordt van hartzeer; Hereford werd, zonder dat hem schuld ten laste werd gelegd, voor tien jaren verbannen. Hij was den koning verdacht; hij was schrander, ondernemend, eerzuchtig en bij het volk, dat hem plechtig uitgeleide deed, hoog in aanzien. Hij was inderdaad wel als gevaarlijk te beschouwen, maar de koning deed het zijne, om hem nog gevaarlijker te maken.—Richard gaf, thans met groote macht bekleed, aan zijn neiging tot gewelddadig heerschen gehoor, legde vroegeren tegenstanders zware boeten op, verschafte zich gelden door afpersing en verspilde ze door een uiterst weelderige hofhouding. Zeer velen waren ongerust en ontevreden. De adel duchtte steeds, wegens vroegere daden voor hoogverraad terechtgesteld te worden, de geestelijkheid klaagde over het niet bedwongen woelen der Wycliffieten of Lollarden en over de voortdurende ballingschap van haar prelaat, het volk over de zware belastingen en de geldafpersingen. Wat van den koning te duchten was, bleek bij den dood, in 1399, van Jan van Gent. Tegen de belofte in, door Richard aan Bolingbroke gedaan, dat deze tijdens zijn ballingschap erfenissen, die hem toevielen, door gemachtigden zou mogen aanvaarden en beheeren, trok de koning, hoewel zijn oom, de Hertog van York, protesteerde, de nalatenschap aan zich.
In hetzelfde jaar, 1399, werd de stadhouder van Ierland, Roger Mortimer, Graaf van March, neef des konings en door dezen als vermoedelijk troonopvolger erkend, door de Ieren overvallen en gedood. Richard besloot te kwader ure zelf naar Ierland over te steken, om den opstand te dempen en den dood des stadhouders te wreken; hij lette niet op de ontevredenheid in Engeland en liet er den zwakken hertog van York als regent achter. Zijn veldtocht in Ierland was ongelukkig en hij was verplicht terug te trekken. In Engeland was zijn afwezigheid hem noodlottig. Bolingbroke was met een handvol volks te Ravenspurg geland, zoo het heette alleen om zijn erfenis op te vorderen. Misschien was dit zoo, maar de gang der gebeurtenissen was hem gunstig en dreef hem weldra, naar meer te staan. De groote adellijke geslachten van het noorden, de Nevils en de Percy’s, verklaarden zich vóór hem, Londen evenzeer; de regent zelf, zijn oom York, overrompeld en onmachtig, maakte vrede met hem; Bristol, de wijkplaats van ’s konings gunstelingen, opende hem de poorten; overal, waar hij kwam, stroomden adel en volk hem te gemoet. Van den koning daarentegen, die van Ierland weldra terugkeerde, verliep het leger, zoodra het Engeland betrad; slechts weinige grooten, zooals zijn stiefbroeders Exeter en Surrey, alsook John Montague, graaf van Salisbury, bleven hem getrouw; zijn voornaamste gunstelingen, Bushy, Green, Wiltshire, waren in Bristol den opstandelingen in handen gevallen en terechtgesteld. Het einde kwam spoedig; Richards zaak was bij zijn aankomst reeds verloren; hij vond nog een toevlucht in het slot Conway, maar werd weldra door den graaf van Northumberland, die hem onderhandelingen voorspiegelde, naar Flintburg gelokt. Daar had Richard zijn eerste samenkomst met Bolingbroke, die, schoon met veel schijnbaar eerbetoon, hem als zijn gevangene behandelde en hem aankondigde, dat hij gekomen was, om hem het verwaarloosde rijk te helpen regeeren. Bolingbroke trok als een overwinnaar Londen binnen; de koning, die op een klein paard volgde, werd door het volk gehoond; hij werd in den Tower gehuisvest. Daar greep het treffend tooneel plaats, dat Shakespeare in de parlementszaal te Westminster laat spelen. In tegenwoordigheid van een groote deputatie en van Bolingbroke moest de vorst de door zijn vijanden opgestelde oorkonde van zijn troonsafstand voorlezen, waarin hij zich voor onwaardig verklaarde, langer de kroon te dragen. Den volgenden dag werd de oorkonde onder een geweldigen toevloed van volk in het vereenigde Parlement voorgelezen en daarna door de pairs des konings afzetting uitgesproken; slechts één man, de Bisschop van Carlisle, waagde, naar men zegt, te protesteeren, maar geheel tevergeefs; éénstemmig erkenden de standen den Hertog van Lancaster als koning.
Dat zulk een groote omwenteling hiermede nog niet voldongen en de rust nog niet verzekerd was, laat zich denken. De vrienden des onttroonden konings, door de wraak der overwinnende partij bedreigd, gaven de hoop niet dadelijk op, om voor Richard en zichzelf de verloren macht weder te veroveren. Reeds in het eerste Parlement, toen het vonnis tegen den in de gevangenis gestorven hertog van Gloster aan een revisie werd onderworpen, barstte de wederzijdsche verbittering los. In een zitting van het Hoogerhuis werd de Hertog van Aumerle,—nu weder tot Graaf van Rutland gedegradeerd,—openlijk door Lord Fitzwater uitgedaagd, anderen mengden zich in den twist en meer dan veertig uitdagingen volgden in die zelfde zitting. Bolingbroke, nu Hendrik IV, kon zijn troon niet wel stevig bevestigd rekenen, zoolang Richard nog leefde. Wel was deze door het hof der pairs tot levenslange, geheime gevangenschap veroordeeld en door Hendrik naar het slot Pomfret of Pontrefact in Yorkshire gevoerd, maar dat Richards leven hem met gevaar bedreigde, zou Hendrik maar al te schielijk bespeuren. De machtige abt van Westminster had met Aumerle, Surrey, Exeter, den Bisschop van Carlisle en anderen een aanslag ontworpen op zijn leven; een groot tornooi zou te Oxford gehouden, de koning daartoe uitgenoodigd en tijdens het feest verslagen worden. Het complot werd nog bijtijds ontdekt; de samengezworenen werden gevat en bijna allen gedood; Aumerle (Rutland) bleef gespaard, daar zijn vader van de zaak kennis gekregen en hem tegengehouden had. Weinige weken later werd het gerucht verbreid, dat koning Richard gestorven was; bij onderzoek bleek dit juist te zijn en eenige dagen later werd het lijk in plechtigen optocht naar Londen gebracht en in de Paulskerk met ontbloot gelaat ten toon gelegd. Hendrik woonde den lijkdienst bij, maar dit kon hem niet vrijwaren tegen de verdenking, dat Richards dood, die hem zoo wel gelegen kwam, zijn eigen werk was. De vijanden van het huis Lancaster beschuldigden hem van den moord. Volgens sommigen zou hij zijn gevangene hebben laten verhongeren, volgens anderen had Sir Peter Exton, op zijn wensch of bevel, koning Richard verslagen. Anderen verhaalden daarentegen, dat Richard zelf geweigerd had voedsel tot zich te nemen. Er waren er echter ook, die beweerden, dat het naar Londen gevoerde lijk niet dat van Richard was, maar van een priester, die aan de laatste samenzwering deel had genomen, en dat Richard zelf, uit zijn kerker ontkomen, in Schotland de gelegenheid afwachtte, om zijn rechten op den troon te doen gelden.
Uit dit beknopt historisch overzicht kan blijken, dat Shakespeare zich inderdaad zeer nauwkeurig aan de geschiedenis heeft gehouden. Zijn bron voor dit en de volgende historiestukken was de Hystory of England, van Holinshed, onder de regeering van koningin Elizabeth geschreven, een inderdaad opmerkelijke kroniek. Verscheiden uitgaven van Shakespeare, b.v. die van Delius en die van Charles Knight,—ik bedoel de Imperial Edition, uitgegeven bij Virtue and Co.—bevatten de gedeelten, die aan Shakespeare stof voor zijn stuk leverden, de laatstgenoemde bovendien nog gedeelten uit oudere geschiedschrijvers, waar Holinshed uit putte. De levendige voorstelling, die Holinshed van de gebeurtenissen geeft, en de talrijke bijzonderheden, die hij mededeelt, maakten hem bijzonder geschikt, om den dichter de bouwstoffen voor zijn kunstwerk te leveren. Zoo wordt, om één voorbeeld te noemen, het tweegevecht van Bolingbroke en Norfolk te Coventry zeer uitvoerig en aanschouwelijk voorgesteld en de personen worden sprekend ingevoerd. In de verdere aanteekeningen zal hier en daar van Holinshed gewag worden gemaakt.
“Koning Richard de Tweede” is ongetwijfeld kort na Koning Jan geschreven, waarschijnlijk omstreeks 1596. Nadat het stuk gespeeld was, werd het in 1597 en in 1598 uitgegeven; eerst de druk van 1598 vermeldt “William Shakespeare” als schrijver. In deze beide drukken ontbreken reg. 154–318 van het vierde bedrijf; onder koningin Elizabeth mocht namelijk het tooneel van ’s konings onttroning nòch gedrukt nòch gespeeld worden; eerst onder Jacobus I was hiertegen geen bezwaar. Daarom komt dit tooneel wel in den druk van 1608 voor, als ook in dien van 1615; evenzoo in de daarop volgende folio-uitgave van al de dramatische werken, van 1623. Dat het van den beginne af een deel van het stuk uitmaakte, behoeft geen betoog.—Behalve de folio-uitgave mogen al de andere drukken onrechtmatig genoemd worden, daar de tekst door slinksche middelen moet verkregen zijn. Trouwens dit geldt van alle afzonderlijke uitgaven van Shakespeare’s stukken, die voor 1623 het licht zagen.
Het viertal drukken van den Richard II, in een tijd verschenen, dat het lezend publiek zeker niet groot was, doet zien, welk een opgang dit stuk maakte en hoe lang het in trek was. Dergelijke onderwerpen vielen zeer in den smaak: er bestonden ten minste nog twee andere tooneelstukken, die de geschiedenis van Richard II behandelden. Beide zijn verloren gegaan. In het eerste kwam de afzetting voor, maar zeker in meer revolutionnairen geest dan in Sh.’s stuk, want het werd geschikt geacht, om de gemoederen op te ruien. Een partijganger van Essex wilde het namelijk daartoe laten spelen op den dag, voordat diens opstand moest uitbreken (1601). Hij moest toen, omdat het stuk geen volk meer trok, aan den schouwburgbestuurder veertig schellingen betalen.—Het andere stuk werd in 1611 in Shakespeare’s schouwburg “de Globe” gegeven. Dit blijkt uit het dagboek van zekeren Dr. Simon Forman, die het er 30 April van dat jaar zag opvoeren. Het schijnt ongeveer het geheele leven van Richard II omvat te hebben, daar zoowel Wat Tyler’s als Gloster’s opstand er in voorkwamen, alsmede de listen van den Hertog van Lancaster, “die heimelijk allerlei schurkerij pleegde, om allen tegen elkander op te hitsen en den adel tegen den koning in opstand te brengen, door welke middelen hij zijn eigen zoon, Hendrik Bolingbroke, tot koning maakte”.
I. 1. 1. Eerwaarde Lancaster. Shakespeare doet Jan van Gent ouder voorkomen dan hij was: “Old John of Gaunt, time-honoured Lancaster.” Hij was op den hier bedoelden tijd pas 58 jaar oud.
I. 1. 40. Te goed daarvoor. Door uw hooge afkomst te goed om verrader te zijn.
I. 1. 88. Achtduizend nobels. Een nobel of rozenobel was 6 schellingen 8 stuivers waard. Norfolk was bevelhebber te Calais en zou 8000 nobels, die hij voor het krijgsvolk ontvangen had, niet uitbetaald hebben. Deze en de volgende beschuldigingen zijn bij Holinshed te vinden.
I. 1. 109. Wat vlucht ten wolken. Vergelijking met een jachtvalk.
I. 1. 125. Tot in het diepst van uwe borst. Waar de leugen ontsproten was.—Hendrik van Lancaster werd eigenlijk eerst toen hij reeds koning was, Bolingbroke genoemd, naar het slot Bolingbroke in Lincolnshire, waar hij geboren was.
I. 1. 131. Toen ik zijn koningin uit Frankrijk haalde. Richard was na den dood zijner eerste vrouw, Anna van Boheme, dochter van Keizer Karel IV, gehuwd met de tienjarige prinses Isabella, dochter van den koning van Frankrijk. Dit halen zou 300000 schellingen gekost hebben. Shakespeare heeft haar ouder gemaakt, om haar te doen optreden.
I. 1. 134. Dien heil’gen plicht. Norfolk had een broeder te wreken, die door den hertog van Gloster vermoord was geworden.
I. 1. 157. Het is, zegt de arts, geen maand van aderlaten. Vroeger lieten ook gezonden zich op geregelde tijden aderlaten, om te zekerder gezond te blijven. In de almanakken van dien tijd,—er is zulk een Engelsche almanak bekend van 1386,—werd aangegeven, welke maanden er het best voor waren.
I. 1. 174. De leeuw maakt panters tam. De koningen van Engeland voeren den leeuw, de Norfolks gouden panters in hun wapen.
I. 2. 68. Naakte muren. Niet met tapijten behangen. Gewerkte tapijten werden niet aan de muren voor goed bevestigd, maar los aan haken opgehangen, zoo dikwijls de kamers gebruikt werden. De ontvolkte zalen, van den volgenden regel, unpeopled offices in het oorspronkelijke, zijn de ruime vertrekken van het kasteel, bestemd voor de huisvesting en werkzaamheden van de talrijke bedienden, die toen steeds bij een riddermatig verblijf behoorden. Zij waren niet in bijgebouwen, maar in de benedenverdieping van het slot gehuisvest. Geen vroolijk gedruisch zou York bij het betreden van de eenzame woning zijner zuster welkom heeten.
I. 3. 1. Mylord Aumerle. Aumerle is hier officieel aanwezig als Groot-connetabel van Engeland. Grootmaarschalk was eigenlijk Mowbray zelf, maar bij deze gelegenheid treedt hier als zoodanig Surrey op.
I. 3. 103. Breng deze lans aan Thomas, hertog Norfolk. Ook deze bijzonderheid, dat Surrey zelf de lans aan den hertog van Hereford ter hand stelde, maar haar aan Mowbray door een heraut liet brengen, ontleende Shakespeare, gelijk zooveel andere van dit tooneel, aan Holinshed’s kroniek.
I. 3. 179. Op ons koningszwaard. De greep van het zwaard vormde een kruis, waarop een eed werd afgelegd.
I. 3. 249. Vaarwel, mijn neef. Deze twee regels worden in de folio- en verdere uitgaven steeds aan Aumerle toegekend; beter, ja noodig is het, ze aan den hertog van York, die aanwezig moet zijn en tot wien zeker de vorige woorden van koning Richard gericht waren,—in den mond te leggen. Ik vond, dat Benno Tschischwitz dit doet, zeker te recht.
I. 3. 274. Een reisbediende. In het Engelsch a journeyman, wat zoowel een man, die reist, als een daglooner beteekent.
I. 3. 289. Een met bies bestrooide feestzaal. Een zaal werd bij feestelijke gelegenheden aldus bestrooid, zie Romeo en Julia I. 4. 35.
I. 4. 1. Wij hebben ’t opgemerkt. De gunstelingen hebben er den koning op gewezen, hoe Hereford bij zijn vertrek de gunst van het volk bejaagd heeft.
I. 4. 28. En ’t werkvolk met zijn liefsten lach bewerkte. Het oorspronkelijke heeft hier een woordspeling met craftsmen en craft: Wooing poor craftsmen with the craft of smiles.
I. 4. 33. Brengt zijn knie hun hulde. Met een nijging, indertijd ook bij mannen gebruikelijk.
I. 4. 45. Ons rijk in pacht te geven. De koning wil de rijksinkomsten tegen baar geld verpachten. Men vindt inderdaad aangeteekend, dat: “in het twee-en-twintigste jaar zijner regeering het gerucht verbreid was, dat de koning het rijk verpacht had (letten to farm) aan Sir William Scrope, graaf van Wiltshire, toen schatbewaarder van Engeland, aan Sir John Bushey, Sir John Bagot en Sir Henry Green, ridders.”—De open brieven, 2 regels lager, zijn mandaten in blanco, blank charters of blanks, welke ’s konings lasthebbers naar eigen goedvinden konden invullen, om schattingen te heffen van rijke lieden. Zulke gedwongen giften aan den koning wekten, al droegen zij den fraaien naam van benevolences, groote ontevredenheid, vooral daar men zich niet juist tot rijke lieden bepaalde. Dat er wel degelijk redenen waren voor de algemeene misnoegdheid, die er heerschte, kan verder nog blijken uit de vordering, in 1398 door den Hertog van Surrey gesteld, toen hij het Stadhouderschap van Ierland aanvaardde; “Item, That he, the lieutenant, may have, at sundry times, out of every parish, or every two parishes, in England, a man and his wife, at the cost of the king, in the land of Ireland, to inhabit the same land where it is wasted upon the marches”. Die gedwongen koloniseering onder de wilde Ieren moet veel verbittering gewekt hebben.—De koning sprak niet ten onrechte van zijn groot hof en ruime giften; want zijn hof werd het weelderigste van geheel Europa geacht; dagelijks aten tienduizend man te zijnen koste.
II. 1. 1. Komt Richard? Dit tooneel aan Gent’s sterfbed is niet historisch, maar de door den stervende uitgesproken verwijten zijn zeer waar, en dat Richard des dooden bezittingen aan zich trok, leert de geschiedenis evenzeer. En Gent was zeer vermogend; zijn eerste vrouw had hem het hertogdom Lancaster aangebracht.
II. 1. 21. Bericht van modes. De modes kwamen in Sh.’s tijd uit Italië, als nu uit Frankrijk.
II. 1. 64. Rottig perkament. Zinspeling op de contracten, waarbij Engeland in pacht gegeven en aan de gewone pachtwetten onderworpen was geworden; vergelijk reg. 111.
II. 1. 72. Hoe is ’t, oom Hans? Sh. heeft: What comfort, man? How is ’t with aged Gaunt? waarop Gaunt antwoordt: Old Gaunt indeed, and gaunt in being old. Het woord gaunt beteekent mager, ontvleesd. De samenhang eischte, dat de woordspeling, in het Engelsch zeer ongedwongen, terug werd gegeven: daarom is hier “magere Hans” tot een naam van den Dood gemaakt. De naam Hans wordt meer tot koppeling aan minder aangename denkbeelden gebezigd; men denke aan Schraalhans, een vrek.
II. 1. 126. Gij hebt reeds, als de pelikaan, dat bloed Vergoten. De vergelijking met den pelikaan, die, naar ’t verhaal, zijn eigen bloed vergiet (om de jongen te voeden), gaat alleen in zooverre door, als Richard, door Gloster te doen vermoorden, het bloed van zijn geslacht vergoten heeft.
II. 1. 144. Hendrik Hereford. In York’s zeggen is Hendrik Hereford accusatief, in Richards antwoord nominatief, evenals bij Shakespeare.
II. 1. 156. Die Kernen. De oproerige Iersche boeren, die pas den Engelschen stadhouder, Richards neef en vermoedelijken troonopvolger, verslagen hadden. “De koning noemt hen het eenige, dat giftig is in Ierland, zinspelend op de legende, dat de beschermheilige van Ierland, Sint Patricius, het eiland van alle giftig gedierte gezuiverd zou hebben.
II. 1. 167. Noch ook dat listig stuiten van het huwlijk Des armen Bolingbroke. Hendrik Bolingbroke begaf zich bij zijn verbanning naar het Fransche hof, en zou waarschijnlijk de dochter van den Hertog van Berry, den oom des Konings, gehuwd hebben, zoo niet Richard, wien deze verbinding gevaarlijk voorkwam, haar door Salisbury had doen tegenwerken met de valsche bewering, dat Bolingbroke wegens hoogverraad verbannen was en daarom een verbintenis met het Fransche koningshuis niet waardig geacht kon worden.
II. 1. 280. Graaf Arundel, de zoon, onlangs ontsnapt. De Engelsche tekst is hier onvolledig. Er staat:
That Harry duke of Hereford, Rainold lord Cobham,
That late broke from the duke of Exeter, enz.
Vergelijkt men deze regels met Holinshed’s kroniek, dan blijkt het, dat hoogstwaarschijnlijk tusschen deze twee regels er één is uitgevallen. Deze regel heeft, zoo men zich zeer nauwkeurig aan Holinshed’s woorden houdt, kunnen luiden:
“The son and heir of the late earl of Arundel,”
of wel, om een beteren versregel te krijgen:
“The son of Richard, earl of Arundel,”
zooals Ritson, en Malone, hebben voorgeslagen. Iets dergelijks moet Shakespeare geschreven hebben. Op blz. 466 is vermeld, dat Richard in 1397 Graaf Richard van Arundel liet terechtstellen en diens broeder Thomas, aartsbisschop van Canterbury, verbande: de oudste zoon van den eerstgenoemde was aan den stiefbroeder van Richard, den hertog van Exeter, ter bewaking toevertrouwd, maar ontkwam en sloot zich bij de andere misnoegden aan de overzijde van het kanaal aan. Deze moet door Shakespeare bedoeld zijn; daarom zijn hier de woorden: Graaf Arundel, de zoon, ingelascht.
II. 2. 58. Waarop Graaf Worcester Zijn staf verbrak. Graaf Worcester, een Percy, broeder van den Graaf van Northumberland, was opperhofmeester van het koninklijk paleis; het teeken zijner waardigheid was een witte staf.
II. 2. 102. Had doen onthoofden. Gloster werd niet onthoofd, maar, naar men zegt, onder kussens verstikt.
II. 3. 41. Ik bied mijn arm u aan. Sh. heeft hier een woordspeling met tender: I tender you my service, Such as it is, being tender, raw and young.
II. 4. 1. Lord Salisbury, wij wachtten hier tien dagen. Koning Richard, die er niet in geslaagd was, de Ieren te onderwerpen en zich te Dublin ophield, bleef geruimen tijd zonder nieuws uit Engeland. Toen dit eindelijk kwam, vernam hij te gelijk, dat Bolingbroke in Engeland geland was en dat de opstand reeds aan merkelijke vorderingen gemaakt had. In stede van terstond zelf naar Engeland over te steken, zond hij er eerst Salisbury heen, om in Wales een legermacht op de been te brengen. Deze slaagde hierin, had in een viertal dagen verscheiden duizend mannen bijeen en hield ze een paar weken te velde. Toen Richard, die na het vertrek van Salisbury nog achttien dagen te Dublin bleef toeven, niet verscheen, verstrooiden zij zich weder en bij de aankomst des konings was de geheele macht verloopen. Te Conway ontmoette Richard Salisbury zonder troepen.—Aumerle bleef niet zoo lang den koning getrouw, als Sh. het voorstelt; hij verliet hem reeds te Conway.—Door Northumberland werd Richard naar Flintburg gelokt.
III. 1. 43. Nog Glendower bestreden. Glendower is eerst opgestaan, toen Bolingbroke reeds koning was. De naam schijnt hier door Sh. slechts vermeld te worden om de Wallisers, door middel van hun geducht opperhoofd, aan te duiden.
III. 2. 116. Zelfs uw bedeelden leeren bogen spannen. Bedeelden, beadsman (bidders), waren die lieden, die geregeld van den koning aalmoezen kregen en daarom gehouden waren, voor hem te bidden.—De taxisboom of ijf wordt dubbel moordend genoemd, omdat hij als giftig bekend stond en ook het beste hout voor bogen leverde. De naam van giftig is niet onverdiend; het nuttigen van jonge bebladerde takken kan voor het vee doodelijk wezen; bij de ouden werd de boom voor zoo vergiftig gehouden, dat het eenigszins lang vertoeven in zijne schaduw levensgevaarlijk genoemd wordt.
III. 2. 204. Wee u, gij neef. In zijn ontsteltenis wendt Richard zich tot den verkeerde, daar vooral de Bisschop van Carlisle zijn moedeloosheid gegispt had.
III. 3. 94. Oop’nen wil hij hier Het bloedig purp’ren testament des oorlogs. Uit het door bloed gepurperd testament, dat hij opent, wil Bolingbroke zien, wat de oorlog, die hier als erflater wordt opgevat, hem vermaakt heeft.—Twee regels later heeft het Engelsch een woordspeling met de dubbele beteekenis van crown: kroon en schedel.—Het woord onburgerlijk, reg. 102, “wat geen burger past”, is minder sterk dan het Engelsch uncivil: onbeleefd, onhoffelijk, ruw.
III. 3. 153. Een kleinen grafkuil. De koning denkt aan het graf, dat de kluizenaar zelf in de nabijheid zijner woning delft.
III. 4. 73. Gij Adamsbeeld. Adam was de eerste spitter en tuinier.
III. 4. 106. Ik zet er ruit. De tekst luidt: Here in this place I’ll set a bank of rue, sour herb of grace. Rue beteekent in het Engelsch zoowel ruit, wijnruit, als leed, wee. Sh. laat, als ter verklaring van het niet gewone woord, nog volgen: Rue, even for ruth.
IV. 1. 21. Mijn schoon gesternte. Hier zooveel als “mijn vorstelijken rang”, die evenals andere gaven aan den invloed der sterren te danken was.
IV. 1. 74. In een woestijn. Waar hij dan alleen met hem zou zijn.
IV. 1. 78. In deze nieuwe wereld. Fitzwater is jong en voor de eerste maal bij een parlementszitting.
IV. 1. 154. ’t Verlangen der Gemeenten. Het verzoek, dat Bolingbroke den troon zou beklimmen.
IV. 1. 173. Moet ik Èn priester zijn èn leek? Heeft de priester de bede gesproken: “Den Koning heil!” dan is het de taak van den dienenden leek of koster, hierop “Amen!” te zeggen, door de gemeente hierin gevolgd.
IV. 1. 256. Zelfs dien naam niet, dien mij de doopvont gaf. In zooverre verliest Richard zijn doopnaam bij zijn onttroning, als hij daarna niet meer, zooals bij koningen geschiedt, bij zijn doopnaam alleen genoemd wordt.
IV. 1. 317. Inhalen? goed!—Inhalig zijt gij allen. In ’t Engelsch staat: O, good! convey? conveyers are you all. Convey beteekent: wegbrengen, weggeleiden, maar ook stelen.
V. 1. 1. Hier komt de koning langs. Wilde men van de gewone indeeling in bedrijven afwijken, dan ware het goed, met dit eerste tooneel het vierde bedrijf te besluiten.—Evenzoo zou men doelmatig met het vierde tooneel van het eerste bedrijf het tweede kunnen beginnen.
V. 1. 2. Julius Caesar’s onheilstoren.—De Tower is bedoeld, in de stormachtige tijden van Engelands oudere geschiedenis van zooveel belang, hetzij als sterkte, hetzij als staatsgevangenis.—Dat in regel 11 Richard door zijn gemalin vergeleken wordt bij de woestgeworden plek, waar eens Troje gestaan had, klonk in Sh.’s tijd minder vreemd dan nu; toen stond de geschiedenis van Troje iedereen voor den geest en er werd vaak op gezinspeeld.
V. 2. 15. De muren, Behangen, spreukrijk. Bij feestelijke gelegenheden werden in Sh.’s tijd de muren met tapijten behangen, waarop dan niet zelden spreuken of wenschen te lezen waren.
V. 2. 46. Wie sieren als viooltjes. Aumerle is aan het hof des nieuwen konings geweest; zijn moeder vraagt nu; “wie is daar thans in bloei, in gunst?”—Hier zij opgemerkt, dat Aumerle’s moeder reeds in 1392 stierf. Voor het overige volgt Shakespeare Holinshed’s verhaal hier zeer getrouw; York ontdekte het complot door aan zijn zoon het document, dat uit zijn boezem stak, te ontrukken, ijlde er mee naar den koning te Windsor, maar werd er door zijn zoon voorkomen, die vergiffenis wist te verwerven.
V. 3. 1. Weet niemand van mijn zoon, den losbol, iets? Shakespeare heeft dit gesprek over Bolingbroke’s oudsten zoon hier blijkbaar ingevoegd, om het optreden van den prins in het volgend stuk, K. Hendrik IV, voor te bereiden. Zijn zoon was te dezer tijd pas 12 jaar oud; hij was door koning Richard medegenomen naar Ierland, daar door hem tot ridder geslagen, en, toen Bolingbroke’s inval in Engeland hem bekend werd, als gijzelaar gehouden. Sh. stelt den prins, om dramatische redenen, ouder voor dan hij was.
V. 3. 80. ’t Is beed’lares en koning. Toespeling op de volksballade van koning Cophetun en de bedelares Penelophon, zie blz. 308 de aanteekeningen op “Romeo en Julia” II. 1. 13.
V. 3. 119. Zeg: “pardonnez-moi.” In Sh.’s tijd een beleefde wijze van weigering, vergelijk “Romeo en Julia” II. 1. 35.
V. 3. 137. Maar wat mijn lieven zwager en den abt. De zwager is Richards halfbroeder John, hertog van Exeter, die met Bolingbroke’s zuster Elizabeth gehuwd was; de abt is de abt van Westminster.
V. 4. 1. Hebt gij des konings zeggen opgemerkt? In de folio-uitgave begint hier, zeer te recht, geen nieuw tooneel.
V. 5. 9. Deze kleine wereld. Richard zelf, in tegenstelling met deze wereld (van den volgenden regel), de groote wereld.
V. 5. 60. En ik sta hier als nar, zijn klokkeventje. Een figuurtje, op een mensch gelijkend, op een klok geplaatst of er elk uur en half uur uit te voorschijn komend, die door de beweging der armen of door een slag op een klok het uur aanwijst, maar verder nooit iets doet.
V. 5. 67. Heil u, mijn souverein!—Dank, noob’le pair! In ’t Engelsch: Hail! royal prince!—Thanks noble peer! Een royal en een noble waren gouden munten (evenals een soeverein), de eerste van tien schellingen (ƒ6.—), de tweede van zes schellingen acht stuivers (ƒ4.—); het verschil is tien groot of veertig stuivers. De beteekenis van den volgenden regel The cheapest of us is ten groats too dear is: wij zijn geen van tweeën veel meer waard. Of Sh. òf zijn vertaler had onzen Huygens gelezen.—De woordspeling met royal noble vindt men ook in “I K. Hendrik IV”, II. 4. 217.
V. 6. 8. Het hoofd van Salisbury, Blunt, Spencer, Kent. Zoo heeft de folio-uitgave, in overeenstemming met Holinshed’s kroniek. De oudere uitgaven in quarto, noemen “Oxford, Salisbury, Blunt and Kent.” Bedoeld zijn de samengezworenen, die, nadat hun aanslag door Aumerle aan het licht was gebracht, in openbaren opstand waren gekomen, doch binnen korten tijd overweldigd werden. De hier genoemde Kent is Richards stiefbroeder, de Hertog van Exeter.
V. 6. 19. De abt van Westminster. Dat de abt van Westminster gestorven was, ontleende Shakespeare aan Holinshed; maar deze was verkeerd ingelicht; de abt heeft Hendrik IV overleefd.
V. 6. 33. Heer Richard van Bordeaux. Richard II was in Bordeaux, toen in de macht der Engelschen, geboren, en werd als prins, ook in officieele stukken, vaak Richard van Bordeaux genoemd.
1 Men vindt het stuk in de Rolls of Parliament, III. 343 a. (De Latijnsche titel van dit gedeelte is Rotuli Parliamentorum; ut et Petitiones et Placita in Parliamento tempore Ricardi R. II). Er staat o.a.: Et pour ceo nre Sr le Roy, come entier Emperour de son Roialme d’Engleterre, pur honour de son sank, voet et ad de sa plenir Roial poiar hablie et fait muliere, de sa propre auctorite, le dit John, ses ditz freres, et soer. Et aussi pronuncia et puplist l’abilete et legitimation, solonc la fourme de la Chre du Roy ent faite. In het Latijnsche stuk, dat volgt, wordt zeer uitdrukkelijk tot hen gezegd, dat zij alle rechten hebben “ac si de legitimo thoro nati existeretis”. Mochten dus wettige kinderen aanspraak op den troon hebben, zij evenzeer; hierop steunde later de aanspraak van Hendrik VII Tudor op den troon. In het tweede exemplaar van dit stuk, dat bij de rollen der patenten bewaard wordt, staat, door een latere hand ingeschoven, de beperking, dat deze kinderen, schoon geëcht, nimmer aanspraak op den troon zouden hebben; men mag als bewezen aannemen, dat dit een krachteloos toevoegsel is van Hendrik IV, die aan zijn halve broeders dit recht niet wilde toegekend zien. ↑
2 Zoons zijner moeder, Johanna van Kent,—dochter van Edmund van Woodstock, Graaf van Kent,—uit haar vroeger huwelijk met den Graaf van Holland of Holand (Rolls of Parliament, IV, 270b). ↑