WeRead Powered by ReaderPub
Korte beschrijving van Leiden: wegwijzer voor vreemdeling en stadgenoot cover

Korte beschrijving van Leiden: wegwijzer voor vreemdeling en stadgenoot

Chapter 1: Opmerkingen van de bewerker
Open in WeRead

About This Book

A concise nineteenth-century town guide leads the reader on a pedestrian tour through the city's streets, offering practical directions, a new plan, and descriptions of public buildings and institutions. It balances statistical and topographical information with lively sketches of student life, local industry, markets, monuments, and curiosities, occasionally linking present scenes to their historical origins. Practical notes on travel, refreshments, and urban amenities accompany observations of architecture, fountains, and commemorative statues. The overall aim is to welcome visitors and residents, pointing out useful ways to navigate and appreciate civic, academic, and antiquarian features.

The Project Gutenberg eBook of Korte beschrijving van Leiden: wegwijzer voor vreemdeling en stadgenoot

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Korte beschrijving van Leiden: wegwijzer voor vreemdeling en stadgenoot

Author: Jacobus Marinus Everhardus Dercksen

Release date: February 8, 2011 [eBook #35219]

Language: Dutch

Credits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK KORTE BESCHRIJVING VAN LEIDEN: WEGWIJZER VOOR VREEMDELING EN STADGENOOT ***

Opmerkingen van de bewerker

De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.

Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.
De voetnoten zijn naar het eind van het hoofdstuk verplaatst.

Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een dunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is. Variaties in spelling zijn behouden.
Een extra verduidelijking of vertaling is beschikbaar bij woorden die voorzien zijn van een dunne groene stippellijn.

Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan het eind van dit bestand.

KORTE BESCHRIJVING VAN LEIDEN.

BOEK- EN STEEN-DRUKKERIJ VAN DE BREUK & SMITS.

Leiden. Wat is Leiden? Vraag het aan verschillende personen van onderscheidene geaardheid en vorming en het antwoord zal even verschillend wezen als die geaardheid en vorming zijn. Richt gij die vraag tot den statisticus, hij zal u antwoorden: het is eene stad in het koninkrijk der Nederlanden, provincie Zuid-Holland, welker oppervlakte ongeveer tweehonderd bunders beslaat, gelegen aan den Rijn, op drie uren gaans afstand van 's-Gravenhage, vijf uren van Haarlem, evenzooveel van Rotterdam en acht uren van Amsterdam; zij bezit bijna veertig duizend inwoners, waarvan er zooveel tot het vrouwelijk en zooveel tot het mannelijk geslacht behooren; terwijl u met nauwkeurigheid wordt opgegeven welke godsdienstige meeningen die ingezetenen, door doop, belijdenis, of andere middelen van introductie in eenig kerkgenootschap, geacht worden te belijden, waarbij slechts een twintigtal worden uitgezonderd die er rond voor zijn uitgekomen, dat zij er te dien aanzien geene voorkeur op nahouden. Als bronnen van bestaan en welvaart zullen worden genoemd: de laken-, grein-, saai-, deken- en wollengarenfabrieken, de boter- en kaashandel, de ijzer- en katoen-industrie en—'t laatst maar niet het minst—het voortdurend bestaan eener hoogeschool, welke niet slechts een aantal jongelieden uit de aanzienlijkste en rijkste familiën des lands daarheen lokt, maar ook de voor het onderwijs noodzakelijke hoogleeraren, op éene uitzondering na, daar hunne woonplaats doet vestigen. En vraagt gij nu aan de zooeven genoemde jongelieden: wat is Leiden? Het antwoord zal vol geestdrift klinken: het is de woonstede der Alma Mater, die niet slechts haren kinderen de volle moederborst der wetenschap aanbiedt, maar er nevens—wij zeggen niet bovendien—hun genoegzame gelegenheid laat om zich van de bedoelde borst te spenen en den beker der vreugde aan de jeugdige lippen te brengen. Voor hen is die stad het tooneel, waarop het schoonst bedrijf huns levens, in schier onbeperkte vrijheid, wordt afgespeeld, en wanneer ook zij in de statistieke bijzonderheden der grootte van schier tweehonderd bunders en de drie uren afstands van Den Haag belang stellen, dan dient de eerste om, eens voorgoed, uit te maken dat dit bundertal te weinig ruimte heeft voor een Leidsch student, en de laatste om daaraan de gevolgtrekking te kunnen vastknoopen dat »de vrijster van de buren”—gelijk HUYGENS de residentie noemt—eigenlijk voor hen niets dan de succursaal der bloeiende academiestad is. Hebben de beide eerstondervraagden slechts weinige oogenblikken met het geven van hun antwoord gewacht, niet zoo spoedig is dat van den oudheidkundige gereed. Hij, gewoon nauwkeurig te wikken en te wegen, verklaart het voor waarschijnlijk dat Leiden is het Lugdunum Batavorum, waarvan reeds PTOLEMÆUS, in de tweede eeuw na CHRISTUS' geboorte, gewag maakt, en nu moge hij er bescheiden bijvoegen niet te weten wanneer en door wien dit Lugdunum werd aangelegd, het is hem genoeg uit het reisboek van Keizer ANTONINUS en het oude kaartboek, door Keizer THEODOSIUS gebruikt, het feit bevestigd te zien dat dit Lugdunum lag waar thans Leiden gelegen is, dat men »vandaar op- of omtrent de uitwatering van den Rijn in de Noordzee gereisd” en zich verplaatst heeft op het Praetorium Agrippinae (later Roomburg), het wapenhuis der Romeinen; vandaar op Matilone (het tegenwoordige Koudekerk), op Albiniana (Alphen) en verder over Nigropullo (Oudewater) naar Utrecht en Gelderland. Reken hier echter niet op de eenstemmigheid welke gij bij de statistici en studenten hebt aangetroffen. Reeds hoort gij toch een ander broeder uit hetzelfde gild uitroepen, dat de stichting van den wachttoren der Romeinen al even onbewezen is als die van het Forum Hadriani (Voorburg) door Koning ELINUS, en zoo ge, een beroep doende op de hoogte van Leidens burg en het ringvormige gebouw daarop, nog waagt van den Romeinschen oorsprong der stad te reppen, men zal u eenvoudig naar soortgelijke hoogten in Nederland verwijzen en uw krijgshaftigen wachttoren tot eenen eenvoudigen Germaanschen vluchtheuvel doen afdalen.

Maar reeds acht gij, waarde lezer of lieve lezeres, de vraag waarmede ik dit boekske aanving, zooal niet te uwen genoege, dan toch voor zooverre beantwoord, als met het bijzondere doel waarmede dit werkje geschreven is wenschelijk kan geacht worden; want—de titel heeft het u reeds gezegd—het is mij noch om dorre statistieke cijfers, noch om de schildering van het academieleven, noch om het leveren eener oudheidkundige verhandeling te doen, wanneer ik de pen opneem, om u het een en ander mede te deelen over de stad mijner inwoning. Wat ik wil? Het is niet anders dan u, gelijk men dat een vriend doet, afhalen aan het station van den Hollandschen spoorweg, u daar verwelkomen en met u, in den geest, het Leiden der negentiende eeuw doorwandelen, om u op het vele goede en schoone, dat daarin gevonden wordt, opmerkzaam te maken, nu en dan den indruk van het heden afwisselende door herdenken aan het verleden, waartoe zoo menig gedeelte der stad ons onwederstaanbaar uitlokt.

Ik neem dus aan dat een »felle salamander” u langs de »tweelingslijn” van den zooeven genoemden spoorweg naar of liever bij Leiden heeft overgebracht en ik haast mij, na mijn beleefdste buiging voor u gemaakt te hebben, met u een blik te slaan op het niet weelderige maar toch nog voldoende stationsgebouw, waarna wij sain et sauf heentreden door een cordon van pakjesdragers wier »wegwijzen, wegwijzen, Mijnheer!” u, naar ik mij vlei, koel laat, overtuigd als gij zijt, dat gij hunne hulp niet behoeft, waar ik mij de eere heb voorbehouden u de oude sleutelstad binnen te leiden. Het eerste wat echter reeds vooraf aanspraak maakt op onze opmerkzaamheid is het ter linkerzijde gelegene »Zomerzorg”, het vriendelijk plekje gronds, waar de ruime zaal en de warme kachel u te midden van sneeuw, wind en regen, des winters—waar het weelderige groen en verkwikkende lommer u des zomers zachtkens henen trekken. Toch zullen wij er thans niet binnengaan, maar vervolgen wij onzen weg en slaan ter linkerzijde den blik op eenige kleinere gelegenheden tot verversching en gebruik van geestrijke vochten, waaronder Zomerlust en Eigenzorg verdienen genoemd te worden. Ter rechter vraagt het opschrift »de Haverzaklaan” onze aandacht en voert ons al aanstonds in de verbeelding naar den tijd van Leidens beleg, toen het daarnevens gelegen erf voor een zak haver verkocht werd, terwijl onlangs eenige zakken guldens noodig bleken om dezelfde eigendomsoverdracht te verkrijgen. Treedt gij nu verder met mij voort naar de plek, waar eene breede ijzeren brug een viertal onooglijke en onmogelijke leeuwtjes draagt, dan ziet gij rechts het standbeeld van den grooten BOERHAVE, den wereldberoemden Hoogleeraar aan Leidens schitterende Hoogeschool: eene waardige, krachtige, ernstige figuur, geplaatst op een voetstuk, waarin met zijn naam, de dagteekening en plaats zijner geboorte en die van zijn overlijden staan gegrift. Geen enkel woord van lof, geene vleiende benaming vergezelt die eenvoudige woorden. Zij waren dan ook overbodig waar sprake was van vereering eens mans, omtrent wien de overlevering verhaalt dat, in een tijd toen het postwezen nog in een primitieven staat van ontwikkeling verkeerde, een brief geadresseerd »Aan BOERHAVE, in Europa” behoorlijk aan 's mans woning bezorgd werd, en zij waren onwenschelijk waar de gedenksteen moest getuigen van hem, die het Simplex sigillum veri tot devies en randschrift van zijn geslachtswapen gekozen had. Daar was dan ook eene schoonere hulde aan 's mans nagedachtenis te brengen dan die van brallende opschriften of hoogdravende redevoeringen. En die werd gebracht. Zij staat, niet in steen gebeiteld, maar uit steen en hout opgetrokken, achter zijn standbeeld, in dat academisch ziekenhuis, dat, bestemd tot heul en troost der lijdende menschheid, toch ook—ja niet het minst—bestemd is om het clinisch onderwijs te bevorderen, waarvan BOERHAVE hier te lande de schepper mag genoemd worden. Het is een grootsch en statig gebouw, wel niet zoo fraai als hetgeen in vroegere eeuwen werd tot stand gebracht, maar toch minder smakeloos, dan wij sedert jaren gewoon zijn te zien verrijzen. Wilt gij het bezichtigen, de welwillende en ijverige directeur zal het u wellicht vergunnen; hoewel uit den aard der zaak die vergunningen uitzonderingen moeten blijven op den algemeenen regel dat een gebouw aan krankenverpleging gewijd geen museum, nog minder eene publieke vermakelijkheid is. Wordt u het binnentreden veroorloofd, gij zult dan verbaasd staan over die ruime gangen, luchtige ziekenkamers en welingerichte leerzalen, en tevens het fraaie uitzicht bewonderen dat u uit menig vertrek verleend wordt. Zijt gij een man van 't vak gij zult met waardeering opmerken hoe alles wat de wetenschap, niet het minst die der chirurgie, behoeft, daar op onbekrompen wijze is aangebracht; hoe het gedeelte voor besmettelijke ziekten bestemd op doelmatige wijze van het andere voor gewone lijders ingericht is afgescheiden; hoe het snel en voortreffelijk bereiden der geneesmiddelen verzekerd wordt door eene goedgeordende apotheek, verbonden aan een ruw en een chemisch laboratorium welker reusachtige toestellen door stoomkracht in beweging gebracht aan de eischen der pharmacie in haren ruimsten omvang beantwoorden; en wanneer gij tot de groote keuken, met hare insgelijks door stoom verwarmde kooktoestellen afdaalt en daar een oogenblik verblijft, om er de talrijke bevelen aan te hooren, welke daar onmiddellijk worden ten uitvoer gebracht, dan begrijpt gij dat ook voor de reconvalescenten en voor hen wier ziekte eene goede voeding noodzakelijk maakt in behoorlijke mate wordt gezorgd; ja gij zult er wellicht langer willen verblijven dan wij, die, hoewel met waardeering van al hetgeen daar ten behoeve der lijders gedaan wordt, weder naar de frissche lucht verlangen, en, na deze schoone inrichting te hebben verlaten, onze blikken wenden naar het gebouw uit hout opgetrokken, tegenover BOERHAVE'S standbeeld. Het ziet er vriendelijk uit met zijn ijzeren hek en ruime veranda, omgeven door hoog opgaand geboomte, welig gazoen en keurige bloemperken, doorsneden met breede wandeldreven. Menig genoeglijk oogenblik wordt daar gesmaakt, niet het minst wanneer de tent, welke gij daar ziet, gevuld wordt met het orchest, waarvoor zij bestemd is, en een heir van tonen uitzendt naar de boschjes en in den omtrek, teruggekaatst door het singelwater aan welks breede kom het gebouw gelegen is. Wij zijn hier in de zomersociëteit Amicitia, de plek waar Leidens beau monde zich bij feestelijke gelegenheden in vrij grooten getale vergadert; een getal dat zeker heelwat grooter zou wezen als eene betrekkelijk hooge contributie daartegen geen overwegend bezwaar in den weg leide.

En nu voorwaarts, de Steenstraat op, waar ter linkerzijde de Sint-Aagtenstraat u aan het vroeger hier gestaan hebbende Sint-Agathaklooster en ter rechterzijde het Sint-Salvatorshofje u aan den weldadigheidszin onzer voorvaderen herinnert. Wij zullen de laatste soort van stichtingen dikwijls op onzen weg kunnen aanwijzen, hoewel ik niet durf beloven dit steeds te zullen doen, daar allen, hoe belangrijk om den goeden geest der menschenliefde te kunnen bewonderen, welke onze natie onderscheidt, het toch niet genoegzaam zijn om eene aanduiding—veelmin eene beschrijving—te rechtvaardigen, in een werkje dat geene uitvoerige stedebeschrijving—slechts een wegwijzer heeten mag.

Wij houden ons dus ook bij dit hofje niet langer op en zien al spoedig de ruime Beestenmarkt, welke Leiden, als in het hart van het beemdrijke Rijnland gelegen, behoeft, om plaats te verleenen aan het groot getal runderen, schapen en ander vee, dat daar ter plaatse tot een druk marktverkeer aanleiding geeft. Iets verder gaande vinden wij ter rechterzijde de Klei- of Galgstraat aan welker einde wij het eenvoudig, maar toch behaaglijk koepeldak en torentje der Morschpoort ontwaren. Gaarne zouden wij die straat willen binnentreden indien de kazerne der infanterie aan het eind daarvan gelegen of de zich daarnevens bevindende stadstimmerwerf de moeite der bezichtiging beloonden. Dit echter niet het geval zijnde slaan wij liever links af, en gaan, ter plaatse waar vroeger de Haarlemmer, duitjes- of blauwe poort stond, de breede brug over, ons voerende naar de Paardensteeg, welke wij doorgaan, om daarna op de aan het eind daarvan gelegene Borstelbrug een oogenblik stil te staan en het schoone uitzicht te genieten dat zich hier aan ons oog vertoont. De Rijn—want waarlijk wij hebben hier met „den grootvorst van Europa's stroomen”1) te doen, dien de Leidenaars hier ter plaatse echter „den schurkennaam van Galgewater geven”2) de Rijn dan, stroomt onder deze brug door, ter rechterzijde langs de pasgenoemde timmerwerf en kazerne, het vriendelijke Oranjelust, de zwem- en badinrichting Rijnzicht, de Vink en het Haagsche Schouw, om bij Katwijks sluizen kalm en waardig een leven te eindigen niet verre van Schafhausens waterval krachtig, schitterend en bruischend begonnen; ter linkerzijde zich bij Boommarkt en Apothekersdijk uitstrekkende langs die boomrijke oevers welke zoo jammerlijk ontsierd worden door het aan het water gelegen schoolgebouw, dat, ten blijke van gemeenteraadlijke willekeur, een groot gedeelte eener vriendelijke gracht in eene nauwe straat herschiep en ons voor het oogenblik belet een klein huis te beschouwen, welks inhoud even schitterend is als het uitwendige eenvoudig, schier onooglijk, kan geheeten worden. Daar toch bevindt zich het munt- en penningkabinet der Hoogeschool en vindt de geschiedvorscher het spoor van vergane geslachten, de numismaticus bevrediging eener zucht tot genot en aanleiding tot eene studie, welker voorstanders hoe langer hoe meer tot de zeldzaamheden gaan behooren. 't Is dan ook eigenlijk maar het achtergebouw van 't Museum van oudheden, dat wij wanneer we het Kort Rapenburg over en de Breedestraat zijn opgegaan, ter linkerzijde tegenover de Papengracht aantreffen. Daar vindt gij een schat van overblijfselen uit den grijzen voortijd, met moeite verkregen, met onvermoeide wetenschappelijke werkzaamheid beschouwd, met zorg bewaard en gerangschikt. Als gij er binnentreedt gaat u eene huivering van eerbied en ontzag door de leden. Datgene wat voorgeslachten van onderscheiden aanleg en ontwikkeling heeft gediend in huis en veld, vrede en krijg, grootheid en armoede, vrijheid en slavernij, leven en dood, als voorwerpen der vreeze of der vereering, dat alles vindt gij hier bij elkander, onder één dak, geschift, geordend, geboekt door de hand dier machtige wetenschap, dier ontzagwekkende critiek, welke als het ware de dooden oproept, om in metaal, hout of steen te verhalen, wat zij verricht, gedacht, geloofd, gevreesd, misdaan hebben. Daar sluimert in ruste het offermes des priesters naast de spade des landmans, het gevreesde afgodsbeeld bij de aarden waterkruik, de werpspiets des Germaans nevens den Romeinschen mijlsteen van de legioenen der Caesaren. Pompeji en Herculanum zijn er vertegenwoordigd en spreken van den vuurbrakenden Vesuvius, die zijne vlammen hoog doet opstijgen in Napels' blauwe lucht en zijn lava rommelend, kokend en ziedend over steden en dorpen, straten en velden, hutten en paleizen uitstort. Egypte, het land van Isis en Osiris, moest er zijne doodkisten met hiëroglyphen bedekt aan afstaan en wat meer zegt de gebalsemde lijken van de machtige dienaars zijner schier almachtige Pharaonen. Zij, toevertrouwd met bijna vorstelijke praal aan de steenen wanden der pyramide, welke zij zich als hunne laatste rustplaats hadden gedacht, hebben niet kunnen beletten dat hun gebeente is overgevoerd naar verre gewesten en dat zij, bij name genoemd, worden overgeleverd aan de blikken eener onverschillige, niet altijd bescheidene en eerbiedige menigte. Daartoe behoort gij voorzeker niet, mijn lezer of lezeres. Het »sic transit gloria mundi” ruischt u hier te welsprekend tegen, dan dat gij het wagen zoudt met oneerbiedige luchthartigheid of onbetamelijken spot hen te naderen, die daar, verre van hun geboortegrond, den langen slaap des doods slapen; want ook uit die gesloten mond klinkt een woord en uit die ledige lijkkist een stemme, die u toeroept: »het is den mensch gezet eenmaal te sterven.”

»Maar,” hoor ik mij toeroepen, »mijnheer de auteur? Is dat nu eene manier om ons te Leiden een aangenamen dag te bezorgen? Wie praat er toch van den dood, wanneer hij voor zijn pleizier uit is?”

Vergeef mij, lezer of lezeres, zoo ik u onaangenaam aandeed; maar wijt dit in de eerste plaats niet aan mij. Mij dunkt dat er weinig kans is, om hetzij hier, hetzij elders, in eenige plaats van ons vaderland, ja in de geheele wereld, waar wij weten dat menschengeslachten geleefd hebben, den voet te zetten, zonder de kans te hebben dat een ernstig »memento mori” ons op de eene of andere wijze voor den geest komt. Wij moeten ons dus aan dat denkbeeld maar zoogoed mogelijk zien te gewennen. Wat de mummies der Egyptenaren betreft zij behoeven u echter niet langer ernstig of somber te stemmen; want reeds verlaten wij het eerbiedwekkende gebouw, en vervolgen onzen weg langs de Breedestraat—des Leidenaars rechtmatige trots—en doen nu de prachtige huizen, welke wij hier aantreffen, de revue passeeren.

Ter linkerzijde wordt onze aandacht getrokken door het nieuwgebouwde Postkantoor, de Studentensociëteit Minerva, aan den hoek der Vrouwensteeg staande, het sierlijke geveltje van het huis vroeger door de aanzienlijke familie WARMONT bewoond, de Stadsgehoorzaal—eene wezenlijke behoefte voor Leiden zoodra het tien duizend gegoede inwoners meer tellen en zijne grenzen uitbreiden zal,—de Walsche kerk—vroeger die van Sint-Catharyne's gasthuis, gelijk het huiveringwekkende rad met de scherpe vilmessen omkranst, waarmede die Heilige gemarteld werd, boven de kerkdeur, aanwijst, de openbare teekenschool en daar tegenover door het zoo schilderachtige Gemeenlandshuis van Rijnland, in 1597 voltooid, met zijne drie trapgevels en boogvormige poort. Het laatste vooral heeft recht op onze aandacht, als de zetel van een waterschap dat een der belangrijkste van Nederland mag genoemd worden, als de herinnering, uit steen opgetrokken, aan dat machtige Hoogheemraadschap, waarvan de grijze staatsman Jhr. Mr. D. T. GEVERS VAN ENDEGEEST ons de geschiedenis op zoo getrouwe en boeiende wijze geschreven heeft. Hoe dikwijls is die eikenhouten poort ontsloten geworden voor de zoodanigen die er recht kwamen vragen, er steun kwamen eischen tegen de aanvallen van den waterwolf, die ook in Holland steeds rondwaart, zoekende wat hij zal kunnen verslinden; maar hoe dikwijls ook werd de ruime vestibule betreden met een angstig hart, door hen die de poort niet weder uitgingen dan na eene arbitraire correctie binnenskamers beloopen te hebben, die wèl het smadelijke, maar niet het pijnlijke eener openbare vernedering miste. Ja, ook daar zijn, gelijk niet zelden in de oude rechtspleging, daden van willekeur geschied, die de Schouten en Baljuwen meer als verpersoonlijking van criminaliteit en penaliteit, meer als rechtsschenders, dan als steunpilaren der rechtvaardigheid deden beschouwen.

Dan genoeg hiervan, want nauwelijks eenige schreden verder vraagt ter linkerzijde de (binnen)sociëteit Amicitia onze aandacht; niet omdat het uit twee gedeelten bestaande gebouw, boven welks ingang vroeger het stoïcijnsche »'t is niet anders!” geschreven stond, zooveel bezichtigingswaardigs aanbiedt, als wel omdat zij als verzamelingsplaats van den aanzienlijken stand eene zekere reputatie geniet, welke reeds van het jaar 1794 af dagteekent, toen de Heeren SPOORS, LA PIERRE en VAN LELYVELD, als commissarissen, haar doopten met den naam, welken zij thans draagt. Dat dit: »'t is niet anders” het gevolg zou geweest zijn van een gebrek in de bouworde, waarbij de deur vergeten was, is even onzeker, als het onbewezen is dat, gelijk weleens beweerd is, JAN VAN HOUT hier ter plaatse of daarnevens zijne woonplaats zoude gehad hebben; maar zeker is het dat dit opschrift van toepassing kan geacht worden op veel wat in de jaren, welke die van de vestiging der sociëteit voorafgingen en onmiddellijk volgden, plaatsgreep. Het moet vooral menigeen die zoo luid om vrijheid had geschreeuwd, als een bittere ironie in het oog zijn gevallen, wanneer hij die woorden las in een tijdvak toen hij wel vrij van Oranje was, maar slaven moest in het juk eens dwingelands, wiens verschijning men toch schier als eene uitredding moest beschouwen na de verschrikkingen eener koningsmoordende revolutie en een burgervernielend terrorisme. Dan waartoe hier te politiseeren? Het is er reeds genoeg gedaan in 1795 en later. Er met u binnengaan willen wij evenmin, daar de zaal er uitziet als alle andere lokalen, waar couranten gelezen en gezelschapsspelen gespeeld worden. Liever slaan wij eerst een blik op de plek waar vroeger de blauwe steen—plaats van stedelijke rechtsoefening—werd gevonden, gelijk dit nog door eene ringvormige bestrating bij de Maarsmansteeg wordt aangeduid, en steken dan schuins over naar het Leesmuseum, hetzelfde lokaal dat van 1768 tot 1794 voor sociëteit van dezelfde klasse van ingezetenen als waarvoor thans Amicitia bestemd is, gediend heeft en toen in eigendom behoorde aan HENDRIK HOOGENSTRATEN; zoodat dit huis, na gedurende eenige jaren voor schoollokaal en bijzonder woonhuis gediend te hebben thans weder aan een soortgelijk gebruik hergeven is als waartoe het vroeger geëigend was. Wij zeggen een soortgelijk gebruik—niet hetzelfde; want als gij met mij de blauwe trappen van dat huis bestegen, den toegang verkregen hebt, dan ziet gij geen biljart of speeltafels, maar eene eerbiedwaardige hoeveelheid tijdschriften, feuilletons, dag- en weekbladen, brochures en andere werken, die à l'ordre du jour zijn, op boekenrekken en tafels uitgespreid. Bevreemdt het u, met mij, wellicht dat de leeskamer zoo klein, de conversatiekamer zooveel grooter is, het belet u niet, met mij u in het laatstgemelde vertrek neder te zetten op een der met bruin leder overtrokken canapés, voor die reusachtige vensterruit, waardoor gij een onbelemmerd uitzicht geniet op het daartegenover gelegene Raadhuis in renaissance stijl opgetrokken en in het laatst der zestiende eeuw gebracht tot dien staat waarin wij het thans aantreffen. Ik vooronderstel dat gij, afstand doende van uw goed recht om den hier aanwezigen letterschat te doorzoeken, liever de gelegenheid aangrijpt om dat Raadhuis van buiten op uw gemak te bezichtigen. Nietwaar? Het ziet er goed uit met zijn dubbele schuinsche trap, ieder versierd met een leeuwenpaar dat Leidens wapen, twee kruiselings liggende roode sleutels op een wit veld, krachtig schijnt te willen beschermen—met zijn slanken toren die zijn spits fier ten hemel heft—iets wat zijn voorganger eenmaal duur te staan kwam, toen hij, bij het rondwaren van het bliksemvuur, in het begin van 1573 door dat element werd verteerd. Gij richt ook voorzeker met belangstelling den blik op den hoofdingang aan het boveneind der beide trappen en op de poorten daarnevens; aan de eene zijde die toegang verleenende tot de hoofdwacht, woning van den concierge, het bureau van den burgerlijken stand en de thesaurie; aan de andere zijde die leidende tot het commissariaat van politie en de schuttersraadkamer. Gij vraagt mij den naam van het ongezellig verblijf, welks ingang onder de bedoelde trappen is en ik antwoord u dat gij hier de vroegere vleeschhal vindt, thans tot lokaal voor de nachtwacht ingericht; maar vooral trekken de opschriften boven enkele dier toegangen uwe aandacht en wellicht deed u dit besluiten eerder dan anders uw plan was het Leesmuseum te verlaten, om daardoor in de gelegenheid te geraken die te lezen, indien ik u die niet kon mededeelen. Thans vertoeft gij naar ik hoop, nog eenige oogenblikken en verneemt uit mijnen mond den inhoud.

Boven den hoofdingang vindt gij op verschillende plaatsen deze regels:

„Bewaert Heer Hollandt
En salicht Leyden.”
U Hand mij had geraeckt „Heer
Mijn mond U gunst nu smaeckt” weer.
Anno MDLXXIIII
geraeckt.
Anno MDXCVIIII
gemaeckt.

De ingang naar de thesaurie—ook tot de Vischpoort—draagt tot opschrift het volgende rijmpje:

Thrijc van Spaengien, hem verbliden,
In tbeleggen, als si sagen,
Met gedult, mi dragen t'liden,
Zo veel letters, zo veel dagen.
nae zVVarte hVnger-noot,
gebraCht had tot de doot,
binaest zes-dVIzent MensChen:
aLst god den heer Verdroot,
gaf hI Vns VVeder broot,
zo Veel VVI CVnsten VVensChen.
Zuuct en vint 'tjaer, van liden zwaer,
Dat niet en was te herden:
De Here, maer, vrid' uns daer naer,
Der tiender maent, den derden.

Gij hebt natuurlijk reeds ontdekt dat in het middenvers, zoowel de 131 dagen van het beleg, door het getal letters, als het jaar 1574, door de daarin voorkomende kapitalen zijn aangeduid, en naar ik vertrouw, genoegzame aandacht overgehouden voor het vers uitgehouwen boven de poort die naar het politiebureau voert en dus luidende:

Indien Gods goetheyt u brengt voort
Gheluc en spoet, niet trots t' gemoet
Maer neer wil dragen.
En zend hij (siet) weeromme aen t' boort
Angstich verdriet, weest daerom niet,
Te zeer verslaghen:
U heyl, zulc hil, en toebehoort:
Danct God, swycht stil, zoo was zijn wil
Begeer behaghen.

Naar men zegt zijn deze rijmen samengesteld door den Notaris en Stadssecretaris JAN VAN HOUT, die uit eigen ondervinding spreken kon van het lijden »dat niet en was te herden,” maar aan wien Leiden het te danken heeft dat er volhard is, ondanks honger en pest, tegen den vijand, wiens twee en zestig schansen iederen toegang tot de benauwde stad versperden.

Hebt gij nu lust, waarde lezer, met mij de trappen tegenover ons te bestijgen? Zoo ja! dan bevinden wij ons al spoedig op de zoogenaamde Groote Pers van het Raadhuis, eene soort van vestibule, waarop onderscheidene vertrekken uitkomen. Ter rechterzijde valt uw oog op een getimmerte met vele glasruiten, eigenlijk een glazen huis, dat aan een buffet doet denken en bodenkamer genoemd wordt. Gaan wij daar voorbij en een gangetje in, dan vinden wij rechts de kamer van den Burgemeester—vroeger die van Curatoren der Leidsche hoogeschool, en de oude Wees- en boedelkamer. Keeren wij terug op onze schreden, dan ontwaren wij een deur, welker opschrift »Artillerykamer” ons doet denken aan den tijd toen de stad haar eigen geschut en twee artilleriemeesters bezat, waarvan in 1672 de schrijver van het »Roomsch Hollands Recht”—Mr. SIMON VAN LEEWEN—er een was; maar reeds ziet gij in de nabijheid der zoogenaamde »Kleine Pers”—een tweede voorportaal dat zich aan de zijde van de trap bevindt die naar het bureau van den burgerlijken stand voert—eene andere kamer, die van Burgemeester en Wethouders, naar veler meening, ook door ons gedeeld, het oudste vertrek van dit merkwaardig gebouw, welks koepelvormige zolder de wapenschilden en namen draagt van het viertal burgemeesteren, welke tijdens de restauratie der zaal op het kussen waren, met een antieken schoorsteen en daarboven een stuk van FERDINAND BOL voorstellende hoe de Vrede en de Liefde elkander omhelzen, welke voorstelling ook daar ter plaatse zijn nut kan hebben. Ook het fraaie behangsel, dat ALEXANDERS intocht binnen Babylon vereeuwigt, is zeer bezienswaardig, en zeker veel fraaier dan dat in de zaal die wij door de deur over ons binnentreden, welk vertrek, vroeger de Vroedschapskamer geheeten, thans de vergaderzaal is van den Leidschen gemeenteraad. Toch zal het u aangenaam zijn dat het laatstbedoelde gobelin—een bosch met vogels en andere dieren te aanschouwen gevende—hier behouden bleef, en niet vervangen werd door een modern »deftig behangsel”, waardoor de eigenaardige schoorsteen met de schilderij van JAN LIEVENSZ: »Scipio de Africaner en de bruid van Carthago” tevens »opgeruimd” zou geworden zijn. De meerderheid van den raad deed echter die nieuwe poging tot »wandalisme” falen; het behangsel werd in 1873 gerestaureerd en de leeuwen boven den gevernisten schoorsteen zien nog steeds bloedrood van verontwaardiging over de voorgenomen schennis. Verlaten wij thans de plaats waar de belangen der gemeente behandeld worden, dan treden wij door eene zijdeur de oude Schepenkamer binnen, welker schoon beschilderd plafond minder onze aandacht trekt dan het schoorsteenstuk van KAREL DE MOOR, Brutus' strafoefening over zijne schuldige zonen in herinnering brengende.

Ware mij de eer beschoren geweest u een paar jaren vroeger door dit Raadhuis rond te leiden, ik had u op menig treffelijk schilderstuk kunnen wijzen, dat den wand der vertrekken versierde; maar sedert wij onze uitstekende Lakenhal tot een minder geschikt museum hebben ingericht, zijn die stukken daarhenen verhuisd. Zelfs VAN DER WERFF, ORLERS en VAN DER DOES hebben het lot niet kunnen ontgaan, dat hunne verbanning uit eene plaats waar zij geleefd, gewerkt, geheerscht hadden voorschreef.

Dan .... reeds lang genoeg hebben wij hier verwijld. Toch niet te lang. Wellicht zou dit het geval zijn geweest indien ik u had rondgeleid in de verschillende vertrekken ingenomen door de bureaux der gemeentelijke administratie of u een opstijgen naar het archief had aanbevolen, naar dat rijke archief in zoo jammerlijk lokaal opgetast. Maar ook dan zelfs zou ik geene verschooning gevraagd hebben voor mijne handelwijze. Een Raadhuis toch is altijd een belangrijk deel eener gemeente; vooral wanneer die gemeente eene historie—een rijk, schoon en schitterend verleden heeft.

Nauwelijks zijn wij naar buiten getreden of wij ontwaren een anderen cirkel van wittere steenen, vlak voor het Raadhuis, tusschen de grijsblauwe keien, waarmede de Breedestraat ten deele geplaveid is, en lezen daarin de woorden »Al niet sonder God. 1586”,—een dier spreuken welke ons weder den godsdienstigen geest onzer vaderen in herinnering brengen—en wij gaan de schoone straat ten einde, om, rechts, het Steenschuur op te slaan, waar ons oog getroffen wordt links door het aan de overzijde gelegen gebouw der vrijmetselaarsloge »La vertu”, rechts door de Heilige Lodewijkskerk, vroeger als saaihal- en nog vroeger als gasthuis gebezigd, doch onder het bestuur—wij zeggen: het bestuur, niet de regeering—van Koning LODEWIJK NAPOLEON den Roomsch-Catholieken afgestaan. Zij is de bezichtiging overwaardig, al ware het slechts om het beeld van den Heiligen LODEWIJK, en het marmeren altaarstuk de afneming van het kruis voorstellende, daar aanwezig. Het gebouw uit roode en gele steen opgetrokken ziet er met zijn slanken toren allervriendelijkst uit en schijnt bestemd om al de negentiende-eeuwsche naaktheid van het daarnevens gelegen rechtlijnige huis, waarboven de woorden »Tot nut van 't algemeen” geschreven staan, te doen uitkomen. Toch is dit laatste voor Leiden eene belangrijke stichting geweest, niet zoozeer omdat daar de vergaderingen der maatschappij, wier naam boven den ingang staat, plaats hebben, als wel omdat hier gelegenheid geschonken wordt tot het houden van verschillende soorten van bijeenkomsten en de rijke bibliotheek der maatschappij van Nederlandsche letterkunde hier bewaard wordt, al deden ook de met zaagsel en turf opgevulde afscheidingen der vertrekken en het brandgevaar aan vergaderings- en uitspanningslokalen onafscheidelijk verbonden, bestuurders dier inrichting besluiten hare kostelijke handschriften op veiliger plaats in bewaring te stellen en de hoop voeden ook den anderen boeken een beter verblijf te bezorgen.

Het grootsche gebouw eenige schreden verder staande links latende liggen, slaan wij den hoek om en zien ter rechterzijde een tweeden ingang tot het nutsgebouw, welke naar de bewaarschool voert door het Leidsche departement in het leven geroepen en door geene instelling van dien aard tot dusverre overtroffen. Daarnevens verheft zich het vriendelijke—en in vergelijking met »het nut” artistieke huis, waarin de Nieuwe Sociëteit geherbergd is, welke als een hooggewaardeerde plaats van ontspanning door de Leidsche burgerij van den deftigen stand wordt aangemerkt. Nog eenige schreden verder en de Sint-Petruskerk—hoofdkerk der Roomsch-Catholieken te Leiden—vertoont zich met zijne vier pilaren en frontespies, zijn Petrus-beeld en zijn koepelvormigen toren aan ons oog. Wie haar binnentreedt zal er eene keurige schilderij van NICAISE DE KEYZER vinden, boven het altaar geplaatst en den Apostel—patroon van deze kerk—voorstellende in gesprek met den Heer der Gemeente. Wij doen dit dan ook en slaan daarna een blik op het grootsche gebouw, waarvan wij reeds straks gewaagden, dat met zijn tuin en bijgebouwen het ruime plein beslaat vroeger als Kleine Ruïne bekend. Gij vindt daar het chemisch en het physiologisch laboratorium, het anatomisch kabinet, dat van den landbouw en van natuurkundige werktuigen, en bij dat alles ruime zalen voor het academisch onderwijs in eenige dier vakken. Het dient tevens tot het geven van een industriecollege dat steeds—vooral onder wijlen Professor VAN DER BOON MESCH—oprechte waardeering vond. Wilt gij die lokalen bezoeken, houd dan in het oog dat de Nieuwsteeg toegang tot kabinet van landbouw en scheikundig laboratorium; de Zonneveldsteeg (straatnummer 18) tot physiologisch laboratorium, het Steenschuur (straatnummer 124) tot anatomisch kabinet en de zijde waar wij ons thans bevinden, de Langebrug, dien tot het kabinet van natuurkundige werktuigen verleent; terwijl gij u voor de bezichtiging van het anatomisch kabinet zult hebben aan te melden bij den custos, die in de Zonneveldsteeg zelve (straatnummer 9) woonachtig is. Wij gaan daar juist voorbij, wanneer wij, links afslaande, ons naar de Nieuwsteeg begeven, daar gekomen rechts gaan, en zoo door die steeg—alwaar slechts de Bank-van-leening, in 1675 opgericht, onze aandacht trekt—het Pieterskerkhof bereiken, een blik slaan op het Walsche weeshuis en het zich daarachter verschuilende »Speckhofje” om dan, weder links wendende, aan de kosterij der Sint-Pieterskerk aan te schellen, welke kerk een bezoek overwaardig is.

De Pieterskerk—vroeger de Sint-Pieter- en Pauluskerk—is een schoon gebouw in den Gothischen stijl opgetrokken, den 11 September 1121 gewijd, in het jaar 1339 vergroot, ten dienste van den Roomsch-Catholieken eeredienst, welke er ruim een dertigtal altaren bezat, boven een waarvan de schilderij van LUCAS VAN LEYDEN »het laatste oordeel”—later in Burgemeesters kamer opgehangen—gevonden werd. Zij had toen een hoogen toren, welke in Maart 1512, na een schier driehonderdjarig bestaan, instortte en—volgens JAN VAN HOUT—een deel van het stedelijk archief dat daarin bewaard werd deed verloren gaan, welk gezegde later is gebleken onjuist te wezen, daar dit archiefsgedeelte in de nabijheid der tegenwoordige thesaurie schijnt te zijn teruggevonden. Treden wij dezen tempel binnen dan gevoelen wij ons ernstig en plechtig gestemd. Als een woud van steen, verheffen de reusachtige pijlers zich tot aan het looverdak der kruisbogen in zachte en toch krachtige golvingen en lijnen verzinlijken zij de gedachte welke aan den tempelbouw ten grondslag ligt. Gelijk de toren op het dak met zijne spitse naar boven wijst, zoo is het geheele plan des bouwheers er op ingericht uit zijne schepping van hout en steen een eeuwendurend »Excelsior” te doen hooren. En dan dat in de zonnestralen schitterend koperen hek dat het majestueuze koor van het schip der kerk afscheidt, hoe getuigt het van de onbekrompen wijze waarop die werken vroeger werden in het leven geroepen. Een viertal der zuilen—van het vier en twintigtal dat het gewelf schraagt—schijnt door zijne dikte aan te duiden dat het vroeger heelwat meer te dragen had dan tegenwoordig, en zoo is het, want zij dienden mede tot steunsel voor den toren waarvan wij daar straks gewaagden en de daarin zijnde zware klok, welke na den torenval in een afzonderlijk klokhuis werd opgehangen, waarnaar de steeg, welke wij straks zullen betreden, nog de Kloksteeg heet. Het orgel dat gij hier ziet is een der fraaiste van Nederland; terwijl een tal van monumenten hier worden aangetroffen, welke het bewijs schijnen te leveren dat de beeldstormerij—helaas, ook hier vertoond—geen noodzakelijk gevolg was van het Protestantisme, maar de geïsoleerde daad van datzelfde opgewonden, kwaadaardig gestemde grauw, dat, zijne woede koelend aan alles wat geestelijk en wereldlijk boven hem staat, ook in 1795 hier op schandelijke wijze huishield en de wapenschilden der patriciërs vernielde. Toch hebben deze beeld- en wapenstormers nog het recht als cause atténuante aan te voeren dat zij in den roes der godsdienstige dweepzucht en onder den prikkel der revolutionaire ijlkoorts gehandeld hebben; maar wat zal men zeggen van hen die de beschilderde pilaren daarginds met een laag kalk overdekten, gelijk dat witgedasten en wittenden schoonmakers betaamt. Dan zwijgen wij hierover. Wijzen wij liever op den kunstzin van een onzer stadgenooten, Mr. KNEPPELHOUT VAN STERKENBURG, die de teekening dezer muurschilderingen voor het nageslacht bewaarde, al werden zijzelven ook achter hout verborgen. Beschouwen wij veeleer de monumenten—waaronder wij ook de grafsteenen begrijpen—welke hier in groote mate aanwezig zijn en welker opschriften ons aan de laatste abdissen van Leeuwenhorst en Rijnsburg, aan den kruidkundige DODONAEUS, aan de godgeleerden HOLMANUS, VAN KERKHOVEN en COCCEJUS, den mathematicus SNELLIUS VAN ROYEN, den wereldberoemden SCALIGER en aan zoovele andere edele mannen en vrouwen herinneren; slaan wij een blik op de gedenkteekenen gewijd aan GERARD en JOHAN MEERMAN, leden van een burgemeesterlijk geslacht in Delft en Leiden op het kussen gezeten, van de Hoogleeraren CAMPER, VAN DER PALM, BRUGMANS en KEMPER, van Mr. JOHAN LUZAC, »den schrik der verdrukkers, den troost der verdrukten,” en op den steen onder het orgel die van Dr. E. LAURILLARDS verblijf hier ter stede en de daarmede in verband staande vernieuwing van het inwendige dezer kerk spreekt. Misschien hebt gij ook nog lust aan de zuiderdeur een marmeren gedenkplaat te bewonderen, waarmede eene eerbewijzing bedoeld wordt aan zekeren Student BEECKMAN, die—als zoovele anderen—in den strijd met België gebleven is; maar die dat deed als student-jager en daarom aan het nageslacht ter herinnering moest worden aanbevolen. Een der pilaren draagt het wapen der VAN DUIVENBODES, wier naam denken doet aan de diensten door hen en hunne vogels in Leidens tweede beleg bewezen, en die herinnering brengt ons den derden October van het jaar 1574 voor den geest, toen de psalm der verlossing in dit bedehuis weerklonk en eene blijde schare hing aan de lippen des predikers, die de gemeente in den gebede voorging en God, met haar, voor de verkregen uitredding dankte. Geen wonder dan ook dat deze kerk steeds eene hoofdrol speelde, waar er sprake was van godsdienstige plechtigheden, welke met Leidens ontzet in verband stonden, en dat de Leidenaar daarvoor eene zekere vereering gevoelt, welke, op de geschiedenis zijner stad steunend, van geslachte tot geslachte hen bezielt die een voet zetten op de blauwe zerken, waaronder hunne dooden eenmaal zijn ter ruste gelegd.

Onder die dooden is er een, die noch in zijn leven noch bij zijn sterven tot de machtigen der aarde werd gerekend, en wiens naam toch aan gene zijde des oceaans een weerklank heeft, welke onze MEERMANNEN en andere mannen daar vruchteloos zouden zoeken. Zijn naam is ROBINSON. Hij was een dier Engelsche puriteinen, die, even gehaat door de Roomsche als door de Episcopale kerk, na de hitte der vervolging in hun vaderland verduurd en ontweken te hebben, hier eene schuilplaats vonden en later stichters werden van de Amerikaansche kolonie Plymouth. Op hem is echter wel het eerste niet het laatste toepasselijk; want toen de broederen te Delfshaven scheep gingen, toen vergezelde hij hen tot aan de »Speedwell”, welke hen naar het beloofde land zou overvoeren; maar hijzelf bleef als herder der kudde die te Leiden verbleef aan deze verbonden en het schip kliefde de golven der Maze zonder hem. Waar men hem ten grafkuil heeft nedergelaten is ons onbekend; maar dat het in deze kerk geschiedde, op den 4 Maart 1625, is bewezen door het begrafenisboek, waaruit tevens schijnt te blijken dat het er met zijn boedel povertjes moet hebben uitgezien, daar er zeer weinig voor zijne teraardebestelling betaald werd.

Toch zien wij, wanneer wij het kerkgebouw verlaten hebben, uit een steen in den voorgevel van het Walsche Jan Pesijnshof, dat zijne nagedachtenis dierbaar is aan zijn volk want, al mocht de steller van het vers boven den ingang gewagen van »het puin van een bouwvallig nest” waaruit dit »fraai gebouw” oprees, dat bouwvallig nest wekte de belangstelling van tijdgenoot en nageslacht, en wanneer de zonen van het vrije Amerika Leiden bezoeken, dan laten zij zich gaarne naar de plek geleiden, waar een hunner in grauwen steen deze woorden deed griffelen: ON THIS SPOT
LIVED, TAUGHT AND DIED
JOHN ROBINSON
1611–1625.
en zij werpen een blik van eerbied op de plek waar de »Predikant der Engelsche gemeente bij het klokhuis” den laatsten adem uitblies. Wij hopen dat zij in dat geval nog eenige opmerkzaamheid zullen overhouden voor de nevens dat hofje gevestigde instelling voor de Indische taal-, land- en volkenkunde, welke ons aan Nederlands koloniën in Azië herinnert, door ons verkregen, toen Engeland zijne macht in Amerika vestigde of uitbreidde. Indien wij thans over het Pieterskerkplein het Godsgebouw nog eens rondwandelen, om den aanblik daarvan, waar die niet door kleine huisjes bedorven is, te genieten, dan valt ons oog in de eerste plaats op het aloude 's-Gravenstein, thans huis van arrest, welks beeld van Themis ons aan den tijd doet denken toen hier voor het laatst een schavot werd opgeslagen. Verder vertoont zich aan deze zijde niets wat onze belangstelling waardig is. Wij slaan dus rechtsaf en vragen eene wijle uwe aandacht voor dat blok huizen tegenover de noorderkerkdeur, waar niets meer doet vermoeden dat daar vroeger een vorstelijk verblijf stond, dat met den grond van des Graven steen (de oude naam voor gevangenis) een eiland vormde door breede grachten omringd en slechts door bruggen met het vasteland verbonden. Dat blok huizen begrensd door de Muscadelsteeg, de Lokhorststraat, het Pieterskerkhof en de Pieterskerkstraat, in welke laatste de kerk der Doopsgezinden zich bevindt, droeg in vervlogen eeuwen den naam van het huis Te Lockhorst en vernam de eerste levenskreten van den Hollandschen Graaf en Roomsch Koning WILLEM II. Zoo dit u belangstelling inboezemt, hoezeer zal die niet worden verhoogd door te weten dat ook een andere Hollandsche Graaf hier het eerste levenslicht aanschouwde, wiens naam met liefde door het nageslacht wordt genoemd; en wel FLORIS V, der Keerlen God, zooals hij knarsetandend geheeten werd door de ontevredene edelen des lands, wier macht hij fnuikte, waar die misbruikt werd tot knevelarij der onderzaten, en wier haat de hand van Velzens Heer wapende met het vorstenmoordend staal. Waarlijk, onze fantasie mocht dat slot weder opbouwen, het zou fantasie wezen en niets meer; want geen enkele steen is er welke aan dat glansrijke verleden herinnert.
Wij houden ons dan ook niet langer op om hier te mijmeren; maar, altijd rechts houdende, staan wij al spoedig aan de Heerensteeg, wier naam ons aan de oude Predikheeren van Sint-Jan herinnert, en die in 1592 ten gebruike der inwoners begaanbaar gemaakt werd, waartoe echter eene overeenkomst noodig was van de Stad met den Commandeur der Duitsche orde, wiens betrekking tot deze plek nog in de benaming der niet verre van hier gelegene Commandurysteeg voortleeft. De Heerensteeg doorgaande komen wij uit op het Rapenburg, slaan rechtsom en bevinden ons al spoedig voor een pleintje, gedeeltelijk als parkje aangelegd, door een ijzeren hek van den openbaren weg afgesloten, welks openstaande deur tot binnentreden uitlokt, hetgeen evenzeer het geval is met die van het daarachter gelegen gebouw, met glazen dak, waarin de Academische Bibliotheek thans op waardige wijze is gehuisvest. Wij moeten hier even toeven en zijn binnen weinige oogenblikken in de ruime kamer, waar het dienstdoend personeel zich bezig houdt met het afgeven en verzenden of het terug ontvangen van boeken, en waar de talrijke doozen en boekjes gevonden worden, welke een completen catalogus vervangen, voor welke een minister wien men een standbeeld wil oprichten geene gelden op de begrooting wilde brengen omdat hij »het nut er niet van inzag”. Had die catalogus nu betrekking gehad op het gebied der kunst men zou zulk eene handelwijze begrepen hebben, want »kunst is geen regeeringszaak” was zijne leuze; maar hier gold het »wetenschap.” Vanwaar dan die zonderlinge meening? Ook de daarnevens gelegene leeskamer eischt onze aandacht, al ware het slechts om het portret van WILLEM I, dat den schoorsteen versiert en de beeltenissen van beroemde hoogleeraren hier en in de voorzaal opgehangen. Gaat gij nu verder met mij de keurige wenteltrappen op, welke u tot de verschillende verdiepingen van het gebouw brengen, dan trekt nog eene beeltenis van Prins MAURITS uw oog, en vraagt gij met verbazing hoe dat marmeren gedenkteeken ter eere van zekeren Graaf LAUDON hier terecht gekomen is. Die verbazing zal echter ophouden wanneer gij weet dat dit tehuis behoorde in de Engelsche Presbyteriaansche kerk, dat deze in het bedehuis der Gefaliede Begijnen gehouden werd, en dat dit later tot Academische Bibliotheek werd ingericht. Gij slaat dan tevens, en wel in de eerste plaats, een blik op dat boekental—eenige duizenden deelen—en begrijpt niet hoe hier nog over »betrekkelijke armoede” kan geklaagd worden, gelijk onlangs in een werkje van den geleerden Dr. SCHOTEL geschiedde. Wij verlaten dus het keurige gebouw, na ons herinnerd te hebben dat het WILLEM I, de Vader des Vaderlands, was aan wien de Bibliotheek hare twee eerste boeken dankte en dat die boeken bestonden uit de »Biblia Regia” en den »Joodschen Talmud”. Daarna steken wij het pleintje weder over, slaan rechtsom, en vervolgen zoo onzen weg langs het boomrijke Rapenburg, tot aan de Houtstraat, welke wij echter eerst binnengaan nadat wij een bezoek gebracht hebben aan het Museum van natuurlijke historie dat zich in dat groote gebouw, op den hoek daarvan, bevindt. In een tal van zalen vindt gij hier schier alles bijeen, wat op zoötomisch en delfstoffelijk gebied uwe aandacht kan eischen. Bij het eerste gedeelte zal die wellicht het meest geboeid worden door de rijke afdeeling »vogels”, bij de laatste door de kast met edelgesteenten. Gij zult de verscheurende dieren bewonderen en u verbazen over de grootte der nachtvogels, die u, met uitgespreide vlerken, schijnen aan te grijnzen; maar wat gij ook langdurig beschouwt of met vluggen tred voorbijgaat altijd zult gij bij het heengaan de overtuiging medenemen, dat gij eene verzameling aanschouwd hebt, welke als eene der rijkste van Europa moet aangemerkt worden, eene die den trots des Leidenaars uitmaakt, maar daarom niet minder door hem als eene belasting op zijn beschikbaren tijd wordt aangemerkt, wanneer hij, ter wille van vrienden of verwanten, genoodzaakt wordt meer dan eenmaal 's jaars er heen te gaan. Gij duidt het mij dan ook zeker niet ten kwade, als ik thans weder met u naar buiten treed en, de Houtstraat doorgaande, op het daaraan grenzende »Gerecht”, uwe aandacht vestig op hetzelfde 's-Gravenstein dat wij straks van de andere zijde zagen en blijkbaar uit twee gedeelten bestaat in verschillende eeuwen gesticht. Dat aan de zijde der Houtstraat, in 1672 voltooid, draagt behalve eenige burgemeesterlijke geslachtswapens in de gevelspits een tweetal beelden, de gerechtigheid en de voorzichtigheid voorstellende, welke, als bewaaksters van het tusschen hen instaande wapen, geene verwerpelijke attributen mogen genoemd worden. Het andere deel, meer naar de zijde waar vroeger het huis Te Lockhorst stond, ziet er daarentegen vrij middeleeuwsch uit en verkrijgt iets schilderachtigs door het torentje, dat zich ongeveer ter helfte van de getraliede galerij verheft. Bij die galerij, in het midden der gracht, welke, gelijk wij reeds zeiden, ook dezen »steen” omspoelde, verhief zich in vroegere jaren een zoogenaamd »groen zootje”, rondom bewald, en op de hoeken met vier leeuwen versierd, die Leidens wapenschild vasthielden. Dit was de gerechtsplaats, welke zonderling genoeg, in de oude sententiën »Schoonverdriet” geheeten wordt, die tot 1671 in stand bleef, en toen, bij de verbouwing van het huis, verdween; waarna men zich behielp met een houten schavot, dat, zoodra er executie moest gedaan worden, werd opgericht voor het gebouw, tegenover de Papengracht, alwaar het getal toeschouwers zooveel grooter kon wezen dan op het Gerecht, »ten einde eenen ijgelijck, des begeerig zijnde, te bekwamer de voorsz. executie zoude konnen aanschouwen”. Hoe dit ook zij het groene zootje verdween in 1671 en Mr. JOHAN MEERMAN, wiens wapenschild mede den gevel van dat gebouw versiert, had dus geen kans daarop zoo gruwzaam behandeld te worden, als zijn vriend JOHAN DE WITT dat op het Haagsche groene zootje gedaan werd.

Slaan wij thans de tegenover ons liggende Lockhorststraat in, dan wordt ter linkerzijde onze aandacht getrokken door een gebouw, dat blijkens zijn opschrift: »Pietati, Linguis et Artib. Liberal S.SPQ, Lugdunensis Restav”, met een vroom en geleerd doel door Leidens raad werd gesticht, en wel in 1600, zooals het daaronder gestelde jaartal aanduidt. Het is de »Latijnsche schole”, thans het Gymnasium, gesteld op de plek waar vroeger de vierschaar van Rijnland gehouden werd. De cijfers welke het jaar aanwijzen, een jaar waarin de slag bij Nieuwpoort gewonnen werd, doen ons zien hoe de gevoerde oorlog niet in staat was de harten van Leidens regeerders af te trekken van de zorge voor kunsten en wetenschappen, welke zij, ook onder den klank der wapenen, in hooge eere hielden.

Heet de steeg op welker hoek het Gymnasium staat de Schoolsteeg, de gracht welke wij, insgelijks aan de linkerzijde der Lockhorststraat, doch aan het eind daarvan, voor ons zien, mocht wel de Schoolstraat heeten. Nauwelijks toch zijn wij haar opgegaan of wij zien ter linkerzijde een grootsch gebouw, met hooge blauwe steenen stoep, waarboven wij de woorden: »Hoogere Burgerschool” lezen, welks lokalen, zeer geschikt voor de lessen daar in verschillende vakken gegeven, tevens dienen voor de avondschool van het gunstig bekende genootschap »Mathesis scientiarum genitrix” in 1785 gesticht en sedert eene bron van kennis geworden voor menigeen wiens naam onder de deftige burgers van Leiden schitterend heeft uitgeblonken. Niet verre van daar, in dat oude gebouw, met zijn fraaien gevel en het vriendelijke »Pax Huic Domui” boven de rondbogige poort, is de Leidsche schilder- en teeken-academie »Ars aemula naturae” gevestigd en bevindt zich eene bijzondere school door den Heer J. KNEPPELHOUT uit eigene fondsen gesticht en onderhouden, gelijk ook de daarnevens staande Gymnastiekschool—waarvan de bouwtrant eenigszins gunstig afsteekt bij al hetgeen in de laatste jaren binnen Leiden verrees—door hem werd in het leven geroepen.

Indien wij nu linksafslaan dan komen wij op de zoogenaamde Langebrug, gaan even de Papengracht op, om het keurige Brouckshovenshofje te bezichtigen, in de hoop dat het ons vergund zal worden op de regentenkamer eenige niet onverdienstelijke schilderijen te beschouwen, en vervolgen dan onzen weg naar het Rapenburg, u ter rechterzijde een huis en tuin aanwijzende dat zich van daar tot de Papengracht uitstrekt, vroeger een deel van het Sint-Barbaraklooster,—of wilt gij liever van het Prinsenhof—later het eerste academiegebouw van Leidens hoogeschool. Nu rechtsomslaande bewonderen wij de prachtige rij huizen welke zich aan beide zijden dezer gracht—die naar men meent aan de Heeren VAN RAAPHORST haren naam dankt—verheffen, werpen een blik op het aan de overzijde gelegen rechtsgebouw en bereiken al spoedig de Sint-Anthoniesbrug, alwaar wij weder een dier schoone stadsgezichten genieten, waarin Leiden zoo rijk is. Wij houden ons echter daarbij niet op, maar betreden het Noordeinde, waar wij rechts de zaal »voor christelijke belangen” zien, gesticht in een tijd toen de kerkeraad der Nederduitsche Hervormde Gemeente steeds voortging met moderne predikanten te beroepen, zoodat hun die gaarne leeraren van eene andere richting hoorden niets overbleef dan buiten de kerkgebouwen eene plaatse des gebeds te openen. Als wij nu rechtuitgaan bereiken wij de plaats, waar vroeger de Witte poort zulk een eigenaardig gezicht opleverde, en de Kweekschool voor zeevaart is gesticht op de plek waar de moutmolen stond bewoond door den vader van REMBRANDT, welke vorst der schilders dan ook daar het levenslicht aanschouwde. Wij vervolgen dus onzen weg, slaan tevens een blik op de oude Kazerne, thans door artilleristen betrokken, en keeren dan op onze schreden terug om de oude Varkenmarkt op te gaan, waar wij rechts het Loridanshofje, vlak voor ons de poort van den Doelen—thans Cavaleriekazerne—beschouwen, welker fraaie voorstelling van St.-Joris en den draak, in steen opgericht, ons aangenaam aandoet, bij al het platte en povere wat onze negentiende-eeuwsche bouwmeesters ons niet zelden te aanschouwen geven. Die doelen—beter gezegd die doelens, want op dit terrein lagen er twee nevens elkander—welke ons aan het glansrijkste tijdperk onzer schutterijen herinneren, hebben thans al hun vroegeren luister verloren. De door THIBAUT beschilderde glasruiten, waarop Hollands graven staan afgebeeld, de keurige portretten van hoplieden der XVIIe eeuw, welke vroeger die ruime zalen versierden, zullen wij straks in het stedelijk museum terugvinden; maar van het aardige hoektorentje, dat zich, eene eeuw geleden, nog boven het dak verhief, en waarin »eene eetplaats getimmert was, welke tot vermaeckelijkheid met tafel en gasten te gelijk rond gedraaid kon worden” is geen spoor meer te ontdekken, en het voorplein »met schoone boomen beplant” is een dorre plek gronds geworden, bestemd voor de oefeningen in de edele rij- en drilkunst van eerstbeginnende ruiters. Wanneer wij nu over de Groenhazengracht weder het Rapenburg willen bereiken zullen wij u maar niet op de Garnizoens-infirmerie wijzen, welke daar gevonden wordt, te minder omdat die spoedig zal worden overgebracht naar een ruim gebouw dat buiten de Morschpoort wordt opgericht. Liever slaan wij den blik op het oude huis aan den hoek der beide grachten, met het opschrift »Bibliotheca Thysiana”, eene boekerij door den Hoogleeraar THYSIUS, historiograaf van Holland, achtergelaten en voor het publiek toegankelijk gesteld. Het groote hardsteenen gebouw dat niet verre van daar gezien wordt is 's Rijks Herbarium; een weinig verder voorbij de Doelensteeg—waarin het Eva Van Hoogeveens hofje zich bevindt—aanschouwen wij het Kabinet van pleisterbeelden, gravures en teekeningen en daarnevens het ijzeren hek, dat eene binnenplaats of beter gezegd een voorplein van den openbaren weg afsluit, waarbij gij links eene deur vindt, welke naar het Academiegebouw voert, vroeger de verblijfplaats der Witte Nonnen, die er natuurlijk al uit waren toen de »blonde jeugd van Leiden” hier zijn intocht deed. Als wij ons bij den concierge aanmelden zal hij er niets tegen hebben, ons de verschillende auditoria en de senaatskamer te laten bezichtigen, welke laatste vooral merkwaardig is door de portretten der hoogleeraren, die hier in lange rijen statig op u nederzien, als een vendel soudenieren in den dienst der wetenschap. Er is iets indrukwekkends in het zien van de gelaatstrekken dier mannen op de plaats waar zij geleefd en gewerkt hebben, iets dat ons tot langdurige bespiegelingen zoude opwekken, wanneer het bestek onzer wandeling geene kortheid gebood; en, dit in aanmerking genomen, treden wij weder naar buiten waar de Hortus Academicus, welks ingang nevens het Academiegebouw gelegen is, onze aandacht vraagt en ons bezoek eischt.

Al wat het plantenrijk merkwaardigs aanbiedt vindt gij hier bijeen, even smaakvol als wetenschappelijk gerangschikt. Ruime kasten, waaronder die der »Victoria Regia” het meest uwe aandacht trekt, brengen de tropische gewassen in den waan dat zij hun geboorteland—geboortewater zou ik van sommigen moeten zeggen—niet verlaten hebben, dat zij geene „Tristes exilés sur la terre étrangère” zijn. Zij groeien en bloeien er dan ook dapper op los en wekken de verbazing op van vreemdeling en stadgenoot, die deze schoone inrichting komen bezoeken. Hebt gij het voorrecht den waardigen hortulanus te ontmoeten, dan zal hij u gaarne nog eenige inlichtingen geven, altijd belangrijk uit den mond van een man, wiens dichterlijk geschreven proza aantoont, dat hij de taal der bloemen beluisterd en den harteklop der planten gevoeld heeft, als hij de pen opneemt om ze te beschrijven. Gij zult dan gaarne met hem uitrusten op eene der tuinbanken, welke zulke schoone gezichten opleveren; maar dan zal het na luttel poozens weder aan mij zijn om te herinneren dat wij verder moeten, dat de daarnevens gelegen Sterrenwacht nog onze aandacht vraagt en dat wij, naar buitentredende, nog wel eens een blik mogen slaan op het uitwendige der Academie, haar eigenaardig torentje en hooge kruisramen. En gij gaat, al onttrekt gij u noode aan die met ambergeur doorwademde bloemwarande, en gij wandelt met mij de Cellebroersgracht op, waarbij gij natuurlijk aan de Celliten of Alexianen denkt, die, ziekentroosters en bedienaars der begrafenissen tevens—en dat beiden kosteloos—hier hunne woonplaats en kapel hadden, vanwaar zij eenmaal 's jaars—op kermis—uittogen, om met een ezel door de stad te rijden, teneinde den intocht van JEZUS binnen Jeruzalem den volke in herinnering te brengen. Toen ook deze broeders met de bewoners van andere conventen verdreven waren, werd hier het zoogenaamde Staten-College gesticht, waarin kosteloos jongelieden werden gehuisvest, die voor den predikdienst in de Nederlandsche Hervormde kerk werden opgeleid. Thans is het eene manége, gelijk de paardenkop boven de poort moet te kennen geven. Het gehinnik van STEGERHOEKS rossen en telgangers vervangt er den zang van vroegmet en vesper der monniken, en de plaats waar VAN DER PALM studeerde aanschouwt de pogingen van hen, die voor de eerste maal een paard beklimmen, op het gevaar af spoedig zandruiter te worden. Het is zeker dan ook om die reden dat men de antieke poort, welke daar twee eeuwen lang gestaan heeft, deed wegbreken en dit meesterstukje van portland-cement daarvoor in de plaats stelde. Zoo'n paardenkop is dan ook heel interessant en veel eigenaardiger dan die twee leeuwen op het andere poortje.

Het viertal hofjes dat zich op deze gracht en in de daaraangrenzende Zegersteeg bevindt, vluchtig beschouwende, kunnen wij ons terstond naar de Sterrenwacht begeven, welker ingang hier gevonden wordt. Vergun mij echter bij dat bezoek uw geleider slechts te zijn in dien zin dat ik u onmiddellijk na onze aankomst overlaat aan de zorg van den custos, die u wel zal aanbevelen bij de autoriteiten wier rechtsgebied wij binnentreden; want hoewel ik niets ter wereld tegen de sterrenkunde heb, en er zelfs een tijd was toen ik NIEUWLANDS »Orion” uit het hoofd kende; ofschoon ik met gepasten eerbied Jupiter, Mars, Venus en andere grootmachten aan den hemel beschouw, en den Grooten Beer—den beste der beren omdat hij steeds op een behoorlijken afstand blijft—een goed hart toedraag, zoo ben ik toch een zeer ongeschikt persoon om u hier ter plaatse van eenig nut te zijn. Ik houd mij echter aanbevolen, zoodra wij dit gebouw en het erf waarop het gesticht is verlaten hebben, mijne taak weder op te vatten, en, na u de plek gewezen te hebben, waar het nieuwe Zoötomisch Kabinet verrijzen zal, met u de Cellebroersgracht overgaande, door de Bakkerssteeg—men heeft er verschillende in deze stad—naar den Vliet te wandelen, waar het eerste voedsel binnen Leiden werd aangebracht toen de derde van Wijnmaand 1574 was aangebroken, om dan, door de Molensteeg, de Koepoortsgracht en de Raamsteeg te bereiken, waar wij een blik slaan op het ruime plein dat de ramp van 1807 ontstaan deed en waarop de academische gebouwen zullen verrijzen, tot welker stichting de regeering besloten heeft, en ons eenige oogenblikken ophouden bij het Roomsch-Catholieke Wees- en Oudeliedenhuis, dat zich op den hoek van Raamsteeg en Sint-Jacobsgracht verheft.

Aangezien het plein er echter meer als een wildernis uitziet dan als eene wandelplaats of exercitieveld gelijk het vroeger was, haasten wij ons eerst rechts- dan linksomslaande, over de laatstgemelde gracht den Vestwal te betreden, die er zoo schilderachtig uitzag toen de koepelvormige toren der nu afgebroken Koepoort, evenals de torens van Bourgondië en Oostenrijk, door welig en hoogopgaand geboomte werd overschaduwd. Thans zien wij er de laatste nog slechts, waarbij een krijgsknecht de wacht houdt die er op moet toezien dat gij voorbijgaande uwe sigaar—wanneer gij die rookt—dooft, opdat geen vonk daarvan de kracht ontboeie, welke in dien toren sluimert, eene kracht door BARTHOLD SCHWARTZ der menschheid geschonken, waarvan het Ruïneplein nog de vreeselijke sporen vertoont. Ik weet niet of hij er nog lang zal staan, dat eerwaardig overblijfsel uit vervlogene eeuwen, die zijn tweelingbroeder, niet lang geleden, zag vallen onder den moker, welke reeds zooveel eerwaardigs hier ter stede vernielde; maar lang of kort, het doet mij goed aan het hart dat hij voortgaat met eerbied in te boezemen, zij het bij allen niet door zijn vorm dan toch door zijn inhoud, en ik wensch hem liever dus te zien vallen dan als eene bewaarplaats van producten door het stelsel van LIERNUR verkregen een smadelijk bestaan te zien voortsleepen.

Wanneer gij nu met mij voortwandelt zult gij eene liefelijke plek gronds aanschouwen, welke de Leidenaar met vooringenomenheid zijn Plantsoen heet, eene wandelplaats waarvan het bergje—met het rustiek koepeltje op zijn top en de breede Singelgracht, waarin witte zwanen dartelen, aan zijn voeten—zeker niet het minst pittoreske gedeelte uitmaakt. Wellicht verneemt gij van hier reeds de tonen eener militaire muziek en verhaast gij daarom den tred naar de zijde vanwaar het geluid tot u komt. Zoo gij dat doet dan staat gij weldra voor »Musis Sacrum”, de zomersociëteit voor Leidens burgerij in alle schakeeringen. Wilt gij er eenige oogenblikken met mij uitrusten, plaats u dan onder de ruime veranda. Of wilt gij liever verder gaan, sla dan een blik op de Hoogewoerdspoort die haar toren zoo slank ten hemel heft, op den doodenakker aan de overzijde van den Rijn, wiens hooggetopte populieren—bewogen door het zuidenwindje—wuiven, trillen en groeten, als waren het palmen des vredes, tuigende van de ruste des doods. Richt wanneer gij de poort,—reeds ten doode veroordeeld—zijt binnengetreden even het oog op de Binnenvestgracht en het Tevelshofje, en breng dan met mij een bezoek aan het keurige Ethnographisch museum—waarvan SIEBOLDS rijke verzameling, China en Japan betreffende, recht heeft op de eerste vermelding. Een eind verder vinden wij ter linkerzijde het »Gesticht der Voorzienigheid”, eene instelling tot opvoeding van jeugdige Roomsch-Catholieke meisjes; en nog eenige schreden dan gaan wij de Sint-Jorissteeg in, en het ruime Levendaal op, teneinde een blik te slaan op het kerkgebouw waar Israël den God van »Abraham, Isaac en Jacob” aanroept. Daarna gaan wij door de Barbarasteeg weder naar de Hoogewoerd en zien wij ter rechterzijde de sociëteit Concordia, de eenige hier ter stede waar het mannenpassende kegelspel nog in eere wordt gehouden.

Aan het einde der Hoogewoerd gekomen, gaan wij, rechtsomslaande, het Gangetje door en dan, links, de Botermarkt op, waar eene reeks keurige winkels verrezen is, wier gaslicht des avonds, door het water weerkaatst, een zeer eigenaardig schouwspel oplevert. Het huis op den hoek van Botermarkt en Gangetje is ook in zooverre van beteekenis dat het vóór de derde vergrooting der stad in 1389 den naam »Roodentoren” droeg, gelijk ons het volgende opschrift leert, dat in den gevel te lezen staat: