WeRead Powered by ReaderPub
Laatste verzen cover

Laatste verzen

Chapter 121: DE BOODSCHAP
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A late collection of short lyric poems that blends devotional meditations, direct religious address, and concentrated nature imagery. Many items read like compact hymns or contemplative monologues that shift between folk scenes, seasonal observation, and inward moral reflection. The language retains older spelling and regional diction, yielding a dense, musical syntax and vivid sensory detail. Formally the pieces vary from brief verselets to longer narrative lyrics and often incorporate refrains and folk-song rhythms.


EGO FLOS....

(Cant. II:1)

Ik ben een blomme
en bloeide vóór uwe oogen,
geweldig zonnelicht,
dat, eeuwig onontaard,
mij, nietig schepselken,
in ’t leven wilt gedoogen
en, na dit leven, mij
het eeuwig leven spaart.
Ik ben een blomme
en doe des morgens open,
des avonds toe mijn blad,
om beurtelings, nadien,
wanneer gij, zonne, zult,
heropgestaan, mij nopen,
te ontwaken nog eens of
mijn hoofd den slaap te biên.
Mijn leven is
uw licht: mijn doen, mijn derven,
mijn’ hope, mijn geluk,
mijn eenigste en mijn al,
wat kan ik, zonder u,
als eeuwig, eeuwig sterven;
wat heb ik, zonder u,
dat ik beminnen zal?
’k Ben ver van u,
ofschoon gij, zoete bronne
van al dat leven is
of immer leven doet,
mij naast van al genaakt
en zendt, o lieve zonne,
tot in mijn diepste diep
uw aldoorgaanden gloed.
Haalt op, haalt af!...
ontbindt mijne aardsche boeien;
ontwortelt mij, ontdelft
mij!... Henen laat mij... laat
daar ’t altijd zomer is
en zonnelicht mij spoeien
en daar gij, eeuwige, ééne,
alschoone blomme, staat.
Laat alles zijn
voorbij, gedaan, verleden,
dat afscheid tusschen ons
en diepe kloven spant:
laat morgen, avond, al
dat heenmoet, henentreden,
laat uw oneindig licht
mij zien, in ’t Vaderland!
Dan zal ik vóór....
o neen, niet vóór uwe oogen,
maar naast u, nevens u,
maar in u bloeien zaan;
zoo gij mij, schepselken,
in ’t leven wilt gedoogen,
zoo in uw eeuwig licht
me gij laat binnengaan.

Kortrijk, 17/11 ’98.


PLATANUS ORIENTALIS. L.

Alhier, aldaar, wijd uit, wijd om,
wijd afgevallen blaren
bezabberen mij ’t wandelpad,
alsof het vagen waren
van verwers handen, geelwe op groen,
die ’t grauw der aarde blinken doen.
Een zure wind is opgestaan,
die ’t schoone der platanen,
zijns ondanks, al te langen tijd
zag schaduwen de banen
van ’t zomerhof. ’t Is winter haast
en ’t oud, afjunstig noorden blaast.
Die zatgezopen, zooveel tijd,
aan ’t zalig zonneleven,
daar stonden, ei! zoo roekeloos
en ’t hoofd omhooggeheven,
gevallen zie ’k nu los en loom,
beneden den plataneboom.
Zoo valt, die op de winden schreed,
ééns bliksemens, doorschoten,
de vogel, bei zijn slagers af,
en langzaam neêrgevloten,
in ’t zand des wegs: met borst en klauw,
vergeefs gewend naar ’t hemelsblauw.
Plataneboomen, ’t deert mij, dat
ik, wandelende, ’t zoete
geweefsel van uw schaduwkleed,
in ’t stof betreden moete,
dat eens zijn bergzaam looverdak
mij bood, wanneer de zonne stak.
Dat eens mij zoete zangen zong
wanneer, te lossen toome,
de bolle wind zijn’ sprongen sprong
en liep van boom tot boome;
al zuchtende.... o, zoo schoon en kweelt
geen vinder, die de harpe speelt.
Dat eens!.... Maar nu is ’t veeg en ’t valt
in ’t graf: de winden loeien
zijn lijkgezang! Platanenloof,
te zomer zal ’t hergroeien
en wederom den zonneschijn
mij zichtend voor de voeten zijn.

Kortrijk, 20/11 ’98.





GODDELIJKE BESCHOUWINGEN.[1]

o Hoogste, grootste goedheid, God,
mijn herte haakt om u, tot smachtens,
tot stervens schier; en immer wachtens,
is ’t moe voortaan. Och, uit het slot,
dat mij benauwd houdt en gevangen,
verlost me, gij die mijn verlangen
volleesten kunt alleen! Wie zal,
in ’s werelds perk, in ’s hemels paden,
mij buiten u, o God, verzaden,
mijn eenig deel, mijn eeuwig al?

1898.


[1] Uit de vertaling van Z. D. H. Mgr. Dr. G. J. Waffelaert’s Meditationes Theologicae.


Edoch, o Heere God,
hoe geren is ’t dat wij
erkennen uw bestaan,
aanbidden u en loven
ootmoediglijk, die ’t al
beneên berekt en boven,
dat ’t voegende in getal,
gewichte en mate zij!
Gij buiten alle macht,
Zijt immer, meer als al
dat grootheid heeten kan
of mogendheid, almachtig;
de kracht van uwen arm,
waar is er één zoo krachtig,
die ’t geen hij willens werkt
hem tegenwerken zal?
Het op- of nedergaan
eens evenaars en heeft
geen mindere achtbaarheid,
in al zijn onbeduiden,
als ’s werelds ommeloop,
bij u; ’t en laaft de kruiden
eer ’t dageraadt, geen dauw,
of gij daar acht op geeft.
Ontfermens zijt gij vol,
die God almachtig zijt,
voor allen; al dat is
bemint gij; geene zaken
en zijnder, die gij eens
gemaakt hebt, of zult maken,
die gij geen jonste en hebt,
geen liefde toegewijd.
Hoe kon dan ievers iet,
uws nillens, blijven staan,
van al dat staande blijft,
een stonde? Zou het leven
niet, zonder uwen roep,
die dooden wekt, begeven?
Zou al dat wezen heeft
niet wezenloos vergaan?
Gij spaart intusschentijd,
al ’t uwe en ongespaard
en laat gij wicht van al
dat lief u is; vernielen
en zal de zielendief,
o minnaar van de zielen,
hetgeen gij, ’s Heeren goede
en zoete geest, bewaart[1].

1898.


[1] Boek der Wijsheid XI, 21-27; XII, 1.


Hoe dankbaar moesten wij,
ontfermnisvolle, wezen,
u, grooten, goeden God,
en die, van jongs af aan,
nooit anders ons en hebt
als immer goed gedaan:
’t zij, niet zijnde, ons gemaakt,
’t zij, dood zijnde, ons genezen?
Niet eer en leefde er licht
in ons, en rechte reden,
of wij erkenden, wij
geloofden u, o Heer;
beminden u, dien wij
erkenden, immermeer
en brachten u den lof
onschuldiger gebeden.
Wij waren, aan de hand
van ouders en van vrienden,
geleidsmand en geleerd;
wij zaten, door uw kerk,
als teêre vogelkens
geborgen in de vlerk
van al uw goedheid, die
geen goedheid en verdienden.
Hoe komt het dan, dat wij,
die al uw goedheid wisten,
al uw bermhertig, al
uw vaderlijk voorzien;
u varen lieten en,
zoo dikwijls, bovendien,
hetgeen gij geren gaaft
al roekeloos verkwistten?
Te spade en is het nooit
te leeren en te weten,
dat u te weten ons
rechtveerdig maken zal;
dat gij ons redden kunt
en wilt, die immers al
rechtveerdigheid, o God,
en macht zijt, ongemeten.
Och, laat, van nu voortaan,
voor goed ons herbeginnen
te leeren wat gij zijt
afgrondelijke schat
van liefde en leven; laat
ons u, in Sion’s stad,
onsterfelijke liefde,
onsterfelijk beminnen!

1898.


Nog nauwelijks hebben wij
den mond aan ’t glas geleid
der hemelschale, die,
vol bruiloftswijn geschonken,
ons de al te milde hand
van God heeft voorbereid,
of dadelijk ontspringt
ons herte en, liefdedronken,
vereert het u, o God,
zijn volle dankbaarheid!

1898.


Verwonderd zien wij uw
almachtig Voorbeschik,
wijl de eeuwen ommegaan,
de vaste gronden bouwen
van ’t Huis- en ’t Kerkgewelf,
dat, aller hellen schrik,
dat aller menschen heil
die op uw woord betrouwen
staat eeuwig, Godvast, nu
en elken oogenblik.

1898.


Belofte is al die Gods[1]
goe vrienden zijn, gedaan,
dat, als zij, zalig, eens
het Leven binnentreden,
zij wezen zullen zoo
de vorsten zijn, voortaan,
die heerschen in ’t gebied
der hooge hemelsteden,
en die, naast Michaël,
getrouw zijn blijven staan.
Zoo zal Jeruzalem,
des vreden vrije steê,
van al Gods kinderen
de moeder eens bedijgen;
veel vreemde steden zal
God ééne stad ermeê
doen worden om alzoo
’t getal bijeen te krijgen
van ’t Volk, dat eeuwig hem
behooren moet, in vreê.
’t Getal der Heiligen
en weet geen een; ’t getal
geen een, der geesten, die
Gods heiligdom ontvielen:
toch weten wij hoe uwe
ontvorste zetels al,
o Hemel, zetten eens
vol vrijgemaakte zielen
de milde moederschoot
van Roomsche Kerke zal.
O Roomsche Kerke, die,
als kinderloos veracht,
als barre wildernisse,
op aarde, wierdt verwezen,
hoevelen zijnder, die
ge in ’t leven hebt gebracht
of die ge in ’t leven nog
zult brengen? In ’t nadezen,
hoevelen zijnder, die
Gods wil van u verwacht?
Hij weet alleen hoe groot
is nu zijn eigen diet,
hoe groot het wezen zal
hierna, die alle zaken
geschapen heeft; die al
dat wezen heeft of niet
te voorschijn roepen en[2]
kan maken of ontmaken:
ie ’t al op mate, wicht
en tel geworden liet.

1898.


[1] Augustinus. Enchiridion de fide spe et charitate, hoofdstuk IX, t. 29.

[2] Ad Rom. IV, 17.


o Heere, God, uw licht hebt ge, en
genade, mij gegeven,
daarbij mij dieper, nu als ooit,
is in de ziel gedreven,
dat u alleen, o gever goed
van ’t waar geloove, ik danken moet.
Zoo helder als de zonne, straalt
de grootheid uwer gave
’t onschatbaar, hemelsch licht, daaraan
mijn herte ik langend lave.
Wie kent er... Ik en kenne geen
zoo onbederfbaar edelsteen.
Noodwendig is ’t geloove, dat
begrijpe ik, en geen zaken,
geloove ik niet, en helpen mij
ter zaligheid geraken:
mijn eigen goed of ware ’t al,
’t geloove alleen mij baten zal.
Mijn wille en mijn verstand ben ik
bereid, ten allen stonde,
te vellen vóór uw voeten om
één woord uit uwen monde:
zoo is het en, die Waarheid zijt,
betaamt het u, ten allen tijd.
Mijn redelijk verstand betuigt,
dat ’t zoo behoort te wezen;
en, komt mijne arme onwetenschap
daartegen opgerezen,
’k geloove en helpt o God, voortaan,
mijn ongeloove ook rechte staan!
Heel vaste en onberoerd is mijn
geloove: niets en is er,
van al dat ooit onloochenbaar
of waarheid was, gewisser:
’k geloove en, uit mijns herten grond,
bedanke ik u, ten allen stond.
’k En was maar eerst geboren, of
gij goedheid zonder gronden,
’t geloof hebt in mijn herte diep,
als heblijkheid, gezonden;
g’ hebt levende als een zaad, voortaan,
’t geloove in mij doen wortel slaan.
In ’t Doopsel is ’t geloove mij,
als deugd, eerst ingegeven,
die werkzaam, is ontwaakt en, met
der daad, in mij gaan leven,
zoohaast haar en verstandigheid
en wil den weg had voorbereid.
Zoo is t, door uw genade, o God,
en ’t leeren uwer Kerke,
dat eindlijk mijn gelooven en
mijn willen kwam te werke:
door ouders, herders, vrienden goed,
geholpen eerst en opgevoed.
’t Geloove was mij, ’t leven door,
een licht en, langs de paden
des werelds, heeft het, recht en wel,
mij, schamel mensch, geraden:
het heeft mij, vaste en onverkeerd,
de waarheid uwer wet geleerd.
Het heeft mij, daar, och arme, ik was
gevallen of gaan dwalen,
weêr opgesterkt, mijn stappen mij
doen wenden, doen herhalen:
dat leed was, af- en weggedaan;
dat goed is, al, mij toegestaan.
Ootmoedig, eerbiedvuldig, zal
uw gave, o God, ik dragen,
tot ’t einde toe mijns levens, en,
daar ’t nood doet, hulpe vragen;
totdat mijne ooge uw weerglans niet,
maar vlak uwe eigen wezen ziet.
Intusschen, wille ik doen alzoo
’t geloove leert en winnen
meer wetenschap om God, voortaan,
meer wetend, meer te minnen.
Zoo weze ’t mij en alle liên,
die blind eerst, nu den dagraad zien.
Die blad voor blad, heeft opgemaakt
dit werksken, wenscht, bij dezen,
dat ’t voordeel doe aan allen, die
’t godvruchtig willen lezen;
opdat uw’ name, God en Heer,
vereerd zij, nu en immermeer.

1898.



1899


„VADER OVERLEDEN”[1]

o Al te kwade boodschapper,
die, bitsig als een horselbie;
die, stekende als een degenstoot;
die, snel gelijk den bliksemslag;
die, stom en doof, noodzakelijk,
te mijwaard op de snaren komt
gevlogen van den teekendraad!
Te gauwe, ach armen, vindt ge mij
en biedt gij, in uw bitsigheid,
de boodschap,—en geen troost daartoe!—
dat „vader overleden” is!
Ge’n zegt niet hoe hij, vroomgezind,
zijn kruise en zijne ellenden droeg;
g’en zegt niet, echt en recht, hoe hij
onwankelbaar geloovig en
betrouwende in Gods goedheid was;
g’en zegt niet hoe, beneên den bast
van buitenwaardsche onteederheid,
hij teêrheid in zijn herte borg;
g’en zegt niet hoe, van ’s morgens vroeg
tot ’s avonds, hij was werkzaam; hoe
’t gevaar hij niet en minde, niet
en vreesde, daar ’t de plicht beval:
g’en zegt niet hoe nauwkeuriglijk
hij omzag, daar te zorgen viel
voor kinderlijke onschuldigheid;
g’en zegt niet hoe noch wat hij was,
vóór God en vóór de menschen: gij
en steekt me.... en gij en stoot me maar
door ’t herte, dat hij henen is,
mijn broeder! Van geen zielenruste
en rept gij!—Och, hoe herteloos
doorslaat mij nu die bliksemslag
en biedt hij mij, in zijn bitsigheid,
de boodschap,—en geen troost daartoe!—
dat „vader overleden” is!
Zijn ziele God genadig zij!
o Al te kwade boodschapper!

Kortrijk, 1/1 ’99.


[1]Vader overledenwas de tekst van een telegram meldend de dood van ’s dichters broeder, Romaan Gezelle, kunstvuurwerker te Brugge.


REQUIESCAT IN PACE![1]

Ze hebben hier hem neêrgeleid,
in de aarde der gestorvene,
den kunstvierwerker, aan en bij
Zijn grafsteê is[2] het oefenperk,
daar dagelijks men schieten hoort
en poffen van geweerschot.
Wij stonden en wij horkten, in
de stilte van den morgenstond,
naar ’t halfgezwegen lijkgebed,
dat iedereens begroetinge is,
die komt alhier. In ’t oefenperk,
daar schoten en daar poften ze
zoo dapper, dat het, spotgewijs,
den doode scheen te gelden. Hem
die menigmaal tienduizenden
deed roepen: „Och, hoe wonderschoon
het schittert!” als hij bommen schoot
in ’t luchtgewelf, bij nachte. Neen,
nu ligt hij daar en zien en kan
noch hooren hij ’t geweergeschut,
dat henenbarst, omtrent hem. Nu
en weet hij van geen duizenden,
die, opwaards ziende, roepen hoe ’t
al hemel vier en vonke is.
Geen volk en ziet hij vluchten en
geen kinders, op den arm getorscht,
die schrikkend schreeuwen. Poppen nu
en raderwerk en ziet hij meer,
die breken, braken, branden, schier
alsof de lucht vol sterren en
vol bliksemende zonnen zat.
Het vier, dat in zijn herte leefde,
is uitgedoofd: hier slaapt hij nu!
Wij stonden daar...tienduizenden?
Neen, twintig stille vrienden, die,
omleege ziende en sprakeloos
hem volgden, daar hij henenvoer
voor eeuwig; die beminden hem,
ten grave toe en verder nog!
o Waker, die de dooden hier
bewaakt, in uw gebeden hem
indachtig zijt: des morgens, als
de nooit vermoeide zonne uitgaat
en leven strooit in ’t doodenveld.
Des avonds, als ’t al slapen gaat
en, moegeleefd, te sterven zoekt
een stonde of twee; indachtig hem
dan weest, aleer gij slapen gaat.
Des nachts, als heel uw kudde ligt
omtrent u, hunnen herder, dien
alleen de lieve zonne zal
ontwekken, als het morgen is:
indachtig weest den doode dan,
als ’t leven u de ruste ontzegt.

Kortrijk, 8/1/’99.


[1] Bij de begraving van Rom. Gezelle; zie voorgaande stuk.

[2] Aan ’t stedelijk kerkhof, te Brugge, paalt het plein voor schietoefeningen.


UIT DE DIEPTEN.

Ik hoore ’t klokspel nauwelijks,
en nauwelijks de slagen,
die slaan de lange stonden van
de stomme winterdagen;
’t is doof omtrent mij alles, en
schier dood, hetgeen mij moed,
mij mannelijken wil, te mets,
en kracht in ’t herte doet:
daar zit entwat in ’t luchtgewelf
dat krank is; dat, beneden
die krankheid, armen mensche, mij
doet krank en ziek zijn, heden.
Ach! wis is mij de dood omtrent
en, heimlijk aangekropen,
des nachts ong’ hiere duisternisse
in ’s herten grond gedropen;
de droefheid,—of ik blijde was
en helder eens van zin,—
op mij heeft heure vuist geveld
en giet mij tranen in.
Waar berge ik mij? Waar vluchte ik u,
o troostloos ondervinden
der zware weemoedsketenen,
die nu mij nederbinden?
Waar vluchte ik mij? Waar schuile ik, of
wie zal mij....? Zal ik vluchten,
die bidden kan; die God bij mij,
voor bijstand, heb: die zuchten
in de oore Gods mijn lijden kan;
die, sprakeloos, verstaan
bij hem kan zijn; die, schaamteloos
bij hem kan binnengaan?
Aanhoort mij dus, o Vader; uit
de diepten roepe ik henen;
„Ontferme ’t u eens dooden en
uw licht zij mij verschenen!”
Gij ook zijt eens in ’t graf geweest,
drie dagen en drie nachten;
gij ook hebt uwe onlustigheid
geklaagd; als al uw krachten
begaven u, om hulp gebeên,
die aller hulpe en troost,
God zelf, voor mij te lijden en,
gegalgd, te sterven koost.
Ontferme ’t u eens stervenden,
die, naast u, neêrgebeden
in ’t graf van zijne ellendigheid,
verrijzen wilt ook, heden!

Kortrijk, 15/1 ’99.




ONGEDAGTEEKENDE GEDICHTEN
EN ONVOLTOOIDE
SLAPENDE BOTTEN