The Project Gutenberg eBook of Laatste verzen
Title: Laatste verzen
Author: Guido Gezelle
Release date: December 12, 2008 [eBook #27512]
Language: Dutch
Credits: E-text prepared by Anna Tuinman, Eline Visser, and the Project Gutenberg Online Distributed Proofreading Team (http://www.pgdp.net)
E-text prepared by Anna Tuinman, Eline Visser,
and the Project Gutenberg Online Distributed Proofreading Team
(http://www.pgdp.net)
Opmerkingen van de bewerker
De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.
De voetnoten zijn verplaatst naar het eind van het gedicht.
Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel en spellingsverschillen binnen een gedicht zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een dunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is. Daarnaast zijn inspringingfouten ook gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een dunne oranje stippellijn, waarbij via een zwevende pop-up de inspringing in de Brontekst wordt weergegeven.
LAATSTE VERZEN
In deze volledige uitgave van Guido Gezelle’s Dichtwerken verschijnen:
| I. | DICHTOEFENINGEN. |
| II. | KERKHOFBLOMMEN. |
| III. | GEDICHTEN, GEZANGEN, GEBEDEN EN KLEENGEDICHTJES. |
| IV. | LIEDEREN, EERDICHTEN ET RELIQUA. |
| V/VI. | TIJDKRANS. |
| VII/VIII. | RIJMSNOER. |
| IX. | HIAWADHA’S LIED. |
| X. | LAATSTE VERZEN. |
Apart verscheen:
VERZEN, Tweede druk, ing. ƒ 3.90, geb. ƒ 4.50.
GEDICHTEN, samengesteld door Dr. J. A. Nijland, ing. ƒ 1.90, geb. ƒ 2.50, leer ƒ 3.50.
BLOEMLEZING, samengesteld door Dr. J. A. Nijland, Vijfde verbeterde druk, ing. ƒ 0.90, geb. ƒ 1.25.
MOTTO-ALBUM, met versieringen van J. de Praetere, geb. in linnen of gebatikt ƒ 1.50, geb. in leer ƒ 1.90.
KLEENGEDICHTJES, Eerste en Tweede bundel à ing. ƒ 0.25. geb. ƒ 0.50.
LAATSTE VERZEN, Derde druk, geb. ƒ 1.90.
GUIDO GEZELLE’S DICHTWERKEN
LAATSTE VERZEN
VIJFDE DRUK
L. J. VEEN—AMSTERDAM
1913
’T ER VIEL ’NE KEER
(Herinnering aan Beethoven’s Septuor.)
het water
’t Er lag ’ne keer een bladtjen op
het water
En vloeien op het bladtje dei
dat water
En vloeien dei het bladtjen op
het water
En wentel-winkelwentelen
in ’t water
Want ’t bladtjen was geworden lijk
het water
Zoo plooibaar en zoo vloeibaar als
het water
Zoo lijzig en zoo lustig als
het water
Zoo rap was ’t en gezwindig als
het water
Zoo rompelend en zoo rimpelend
als water
Zoo lag ’t gevallen bladtjen op
het water
En m’ ha’ gezeid het bladtjen ende
’et water
’t En was niet ’t een een bladtje en ’t an-
der water
Maar water was het bladtje en ’t blad-
tje water
En ’t viel ne keer een bladtjen op
het water
Als ’t water liep het bladtje liep,
als ’t water
Bleef staan het bladtje stond daar op
het water
En rees het water ’t bladtje rees
en ’t water
En daalde niet of ’t bladtje daalde
en ’t water
En dei niet of het bladtje dei ’t
in ’t water.
Zoo viel der eens een bladtjen op
het water
En blauw was ’t aan den hemel end’
in ’t water
En blauw en blank en groene blonk
het water
En ’t blaadtjen loech en lachen dei
dat water
Maar ’t bladtje en wa’ geen bladtjen neen
en ’t water
En was nie’ meer als ’t bladtjen ook
geen water
Mijn ziele was dat bladtjen; en
dat water
Het klinken van twee harpen wa’
dat water
En blinkend in de blauwte en in
dat water
Zoo lag ik in den Hemel van
dat water
Den blauwen blijden Hemel van
dat water
En ’t viel ne keer een bladtjen op
het water
En ’t lag ne keer een bladtjen op
het water.
Roux St. Leo, 1859.
ONBEVLEKTE VROUWE
ik ben onweerd, eilaas, dat ik uw licht aanschouwe,
zoo lang mij in dit tranendal,
verdoold gelijk een ooi en teenemaal vol zonden,
den waren weg en is gevonden,
o Moedermaagd, die mij tot God geleiden zal.
mijn ziele eilaas den vrede kwijt,
omdat ik, ver van u gebleven,
me in ’s werelds weelden had verblijd;
’t was alles valsch, dat zij beloofden,
en, om hun’ schoon gepinte hoofden,
vol leugens blonk het, vol bedrog;
verfoeide pracht van die u haten,
Maria, ’k wil nu alles laten,
op U alleen betrouwe ik nog!
o Altijd.... enz.
en, ringsom mij, zoo spookten fel
gedaanten, vrij zoo hoog als bergen
en wangedrochten uit de hel;
ik zou vergaan, ik zou verzinken,
ik zou den diepsten grond uitdrinken
des bekers die de ziel vergeeft,
had ik tot U, o altijd goede,
mij niet gewend; die, nimmer moede,
nog helpt die U geloochend heeft.
o Altijd....
die ’s vijands wulpsch geweld ontvliedt,
en is hij; nooit en zal hij rusten,
verwint hij erger vijand niet;
ik ben mijn ergste vijand zelve,
hoe dieper ik mijn hart doordelve,
hoe meer ik vinde dat, onvrij
van alle kwaad, ik ga ten gronde
in eenen poel van rampe en zonde
ach, onbevlekte, bidt voor mij!
o Altijd.... enz.
20/12 1880.
MIJMERINGE
Priez pour ces hommes qui chantent
V. Hugo.
’t is zoo vroeg te sterven;
gefooid! eer de dood
komt ons al bederven.
Gedanst op de blomme:
ons behoort heur glansen!
—Geweend! zoo zeggen zij,
om die lachend dansen!
gij, vroeden, uw gebeden;
de beker is ons
bron van zaligheden!
De teuge en ’t gezang
verzoeten alle pijn.
—Gebeên! zoo zeggen zij,
voor al die zingend zijn.
’t roosken niet gebroken?
Het schoonste, is het niet
tot ’s konings lust ontloken?
Geen koning die bidde
of bedele om een vrouw
—gediend, zoo zeggen zij,
die ’t toekomt, immer trouw!
want de dagen spoeien.
—Geweend! zoo zeggen zij:
’t is troost daar tranen vloeien.
—’t Is valsch, roepen ze,
dat ’t minnen ooit kon geven!
—Gemind! zoo zeggen zij:
daar liefde is, daar is leven!
verdrinkt en, bij ’t genot des vollen bekers,
de liefde gekheid scheldt;
ofwel bij hem die trouw bemint en bidt, te halen?
Op beider voorhoofd hebt gij de antwoord, Heere,
in leesbaar schrift gesteld!
Oostermaand 1846.
D. Joaquim Rubió y Ors.
Guldemaand 1889.
Guido Gezelle.
MOEDERKEN
hiernederwaard,
geschilderd of
geschreven,
mij, moederken,
geen beeltenis,
geen beeld van u
gebleven.
geen lichtdrukmaal,
geen beitelwerk
van steene,
’t en zij dat beeld
in mij, dat gij
gelaten hebt,
alleene.
onweerdig, nooit
die beeltenis
bederven,
maar eerzaam laat
ze leven in
mij, eerzaam in
mij sterven.
Kortrijk, 4/5 1891.
SINT JANS VIER
Men maakt hedendaags nog Sint-Jans vier te Kortrijk, te midzomer, op Sint Jan-Baptistendag; men danst en zingt erbij oude volksliederen.
hooge in den hemelstoel
nu zit de zonne
hooge overal.
hoopt het te gare alhier;
haalt hout en helpt ons
mede, altemaal!
vlerke van ’t zonnewiel,
vliegende vlamme,
vlucht in den hoop!
ziet, hoe heur tonge laait;
ziet, hoe de vlamme bijt,
binnen in ’t hout!
hoopt het te gare alhier;
haalt hout en helpt ons
mede, altemaal!
danst deur de vlammen heen:
danst nu den zomerdans,
gij, gasten, te gaâr!
hoopt het te gare alhier;
haalt hout en helpt ons
mede, altemaal!
dansend den zomerdans,
laat ons een liêken
zingen daartoe!
leutig ons zomervier
sperken en sparken, om-
hooge ten hemel slaan,
en leve Sint Jan
hoe langer
hoe liever,
hoe langer
hoe liever,
ja, leve Sint Jan!
hoopt het te gare alhier;
haalt hout en helpt ons
mede, altemaal!
diepe in den hemel daar,
lonken en linken
naar ons gedans!
Stokken en sterren,
heerdvier en hemelvier,
herten die jong zijt,
al ondereen;
eer wij gaan slapen,
nog eens geroepen nu:
Leve Sint Jan!
hoopt het te gare alhier;
haalt hout en helpt ons
mede, altemaal!
Kortrijk, Febr. 1894.
BAST VAN MURWE WIJNGAARDBEZEN
kan alleen de weêrga wezen
van de zachte en zuivere hand
die mijn hert, heeft overmand.
neen hij wou mijn boosheid bergen,
mijn verwaandheid, ongeboet,
in zijn dierbaar blusschend bloed.
duizendmaal vermenigvoud Hij ’t
in Zijn liefde en laat’ Hij ’t mijn....
neen, voor eeuwig ’t Zijne zijn!
Kortrijk, 5/2 1894.
PERELS
in ’t hofbeluik,
hoe geren zie ’k uw’ sprieten,
o perenstruik;
hoe geren zie ’k uw takken,
vol blommen staan,
vol perels, al in pakken
eer ze opengaan!
door Gods beschik,
u, peretakken geven
nen toovertik;
’t en zou geen pere krommen
uw hout, voortaan:
veel liever zie ’k de blommen,
eer ze opengaan.
uw’ peren groot,
de zonne zitten stoven,
al rijp en rood;
maar ’k zie wel nog zoo geren
uw blommen staan,
de perels van de peren,
eer ze opengaan.
17/4 1894.
SERENUM ERIT
(Matth. xvi:2)
één ovenvier heel ’t westen
daarin de zonne zonk
en ’s werelds oude vesten
in gloeien zette. Laai
noch glans en is er: niet
als enkel rood en, deur
de losse wolken, iet
dat eer aan bloed gelijkt,
of aan onmeetbaarheden
van ongehouwen stier-
en huidlooze ossenleden,
die, drijvende overal,
met vil- en slachthuisvee,
de diepten vullen van
de westerwereldzee.
De zwarte hagen staan
vol oogen, als van dieren
en ongedaanten, die
hun roode blikken stieren
te mijwaard, daar ik sta,
van hoofde tot den voet
bespeit, ik zelve, en diepe
in schijnbaar zonnebloed.
Hoe zal ’t te morgen gaan?
Zal ’t regenen, zal ’t ruischen:
gebouwen af, en al
dat boom is ommebuischen?
Zal ’t hagelslaan? In al
dat hemelsch bloedgeweld,
is ons de jongste dag
des werelds voorgespeld?
Toch neen-hij! Morgen zal,
den oosten uitgeklommen,
een nieuwe dageraad,
een nieuwe zonne kommen
de menschen, blank en blij,
begroeten, die nu staan
en, rood van aangezicht,
den avond gadeslaan.
Kortrijk, 28/10 1894.
IMBER ABIIT
des regentijds, getigerveld,
vol vage plekken, geelwe en bruin,
vol ommetom den wandeltuin.
me in ’t aangezicht; ’t is lentetijd;
voortaan meer in de schiere lucht
en bullebakt der buien bucht.
ter bedden uit weer opgestaan;
ze schudden in den wind, die giert
en tuitend door de takken tiert.
was ’t, op en neêr, een watergang,
die losgegaan bij geuten giet;
nu waait het, maar ’t en regent niet.
verwentelt en verspringt. Noch blad
noch blomme en durft den bunsel uit,
daar Gij, o Heer, ze binnensluit.
hoe vreedzaam loech hij! ’t Moederzog
de boezems van de boomen kwelt,
en al dat mussche is rinkelrelt.
ook wezen? Wist het winterschuw
dat ’t vuisten heeft, het jonge jaar?
God geve ’t, en gij, zonne, daar.
Kortrijk, 30/3 1895.
OCTOBERBOOMEN
al moete ’t nu gaan sterven,
eer langen tijd van hier, hoe schoon,
en schoonder duizendwerven,
als vroeger, ’t najaarsch loofgewas,
wanneer het lente en zomer was.
en dóór den bosch te dwalen;
te zien hoe de oude boomen al
hunne oude schoonheid halen
te schranken uit! wat tijd beleeft
gij, vrienden, die zoo’n vreugde u geeft?
die, vrij van alle schulden,
van monde vaart ten hemel, en,
verlost van ’t eeuwig dulden,
het leven, in dit tranendal,
nu, ketenloos, verlaten zal?
gepint? zijn al uw’ blâren
veranderd in een bruiloftkleed,
om eindlijk heen te varen
te ruste? stervend najaarblad,
Octoberboomen, leert mij dat!
15/10 1895.
AAN......?
zoo smijt gij mij, voor dank,
wat geld! te geenen stonde,
of ware ik nog zoo krank,
en wille ik het! Gaat henen,
ten duivel snelt;
hij breke u hals en schenen;
’t is Judasgeld!
15-16/10/’95.
DE XIV STONDEN
OF
DE BLOEDIGE DAGVAART ONS HEEREN
1895
Credo.
DE EERSTE STONDE:
GEVONNIST.
Magdalena, en de heilige Vrouwen:
bemint? In welke handen,
gevallen, moet hij leed en pijn
gedoogend en verdragend zijn,
o schand der schanden?
Gebonden zie ’k hem henengaan,
gevonnist en verwezen aan
den galgeboom te sterven!
o Gij, die God zijt, laat gij nu
uw’ kinderen onterven
van ’t hemelsch licht?—Wij volgen u,
want, daar gij gaat en zal, gewis,
bedriegen ons de duisternis.
DE TWEEDE STONDE:
NAAR GOLGOTHA.
De vijanden ons Heeren:
Biedt Barabbas het leven!
Sla-dood!—Hij wilt den tempel af,
en ’s keizers geld ontgeven.
Sla-dood!—Wij hebben Barabbas!
Geen hoofd en kent dit jodenras,
—hem...gaan wij galgenboomen!—
als ’t opperhoofd van Roomen.
Op ons zijn bloed, op onzen stam:
die ’t volk ontstak, die leeren kwam
dat hij—op ons, op ons zijn bloed!—
dat hij Gods zone is, sterven moet
hij, sterven!...
De vier heilige Evangelisten:
zachtmoedig als een lam, de vonnisdeuren uit,
Gods zoon, die sterven gaat, en blusschen, in zijn bloed,
de wilde ontuchtigheid van ’s wereld overmoed!
DE DERDE STONDE:
EERSTE VAL.
De vier heilige Evangelisten:
langs de baan,
den boom, die, nagelvast hem dragende,
rood zal staan,
eer ’t heden noene is! Helpt!—Te late is het!—
Ach!...nu ligt
ter aarden neêrgeveld, ’t aanbiddelijk
aangezicht
des Heeren! ’t Vallend hout der ongenade...
och!—En ’t dwingt
hem, als een’ druive, daar de wijnman den
wijn uit wringt!
DE VIERDE STONDE:
MARIA.
Maria, de Moeder Gods:
en vond u na drie dagen maar, bij de oude kerkleeraren;
ik vinde u heden al te ras,
en ’t eerste lang verlies mij nooit zoo leed en was
als dit, wanneer gij mij, hervonden, vaart verloren!
Mijn kind, mijn uitverkoren,
mijn herte kent, mijn ooge u niet,
die, moe van weenen, schemerziet,
en doolt, op uwe schreden!
Waar gaat gij heengetreden?
Komt hier! mijn alderliefste kind,
en zelve uws zelfs vrouw-moeder vindt!—
Doch neen: aan ’s Vaders wil, die u mij heeft geschonken,
blijft gij, blijve ik geklonken!
DE VIJFDE STONDE:
SIMOEN VAN CYRENEN.
De vrienden ons Heeren:
nooit en zal ’t verdwenen,
nooit en zal ’t verloren gaan,
’t geen gij hebt om God gedaan.
Jesus is verschenen:
’t eigen volk en kent hem niet:
vreemdeling, gij, hulp’ hem biedt!
op de scherpe schenen
stoot hij, van de rotsen, aan:
Simoen, wilt hem bij gaan staan!
dragende gaan wij henen,
’t galgenhout met u; en hem
volgen wij, dóór Jerusalem.
DE ZESDE STONDE:
VERONICA.
Magdalena, en de heilige Vrouwen:
’k het minnend aangezicht, het jammerbeeld des Heeren,
met medelijdend herte en monde, omhelzen zie,
Berenice, Veronica, een’ lesse zult ons leeren.
Wij dragen ook een beeld op ons, een penningwerk,
gemunt met ’s keizers hoofd, met ’s keizers zegelmerk,
maar moeten dieper als in dunne doeken halen,
en in ons herte diep
zien af te malen,
het wezen Gods, die ons uit stof en aarde schiep,
en riep
om eeuwig eens, met u en hem, te zegepralen,
in ’s hemels zalen,
Veronica,—die ’t beeld zijns lijdens heeft gedoogd
te worden, langs den weg, door u hier afgedroogd.
DE ZEVENSTE STONDE:
TWEEDE VAL.
De vier heilige Evangelisten:
die, nijdig opgestaan, met honderd duizendtallen
der uwen, nedervielt voor Michaëls „Wie is
Gods weêrga?” in den poel der diepe duisternis!
—Gij stondt en wildet hem, gekropen vóór uw’ voeten,
eens, in de wildernis, met ’s werelds eere groeten:
hij brak uw’ boosheid dan. Gij vluchtet.—Neêr nu ligt
in ’t stof der aarden, ja, zijn Godlijk aangezicht.
Verkondt het al die u als opperheer aanschouwen,
verkondt het, en verheugt, is ’t mooglijk, uw getrouwen:
eer ’t morgen dag is, heeft hij u, in ’t voorgeborcht,
geroofd de zielen, die gij in uw’ strikken worgt.
—Van hier!—Gaat hangen hem, en galgen, op de rotse,
en weet wie—hij of gij—zal zegepralen,—trotse!
DE ACHTSTE STONDE:
DE WEENENDE VROUWEN.
Ons Heere Jesus-Christus:
wel mag het u berouwen,
die moeder zijt, of worden zult,
hetgene, eilaas, uw herten vult
met hope en met betrouwen!
Aanziet mij, schamel moeders eerste en laatste kind, van jaren,
zoo jong nog als de blâren,
die blinkende op de boomen staan,
verdorren en verbranden:—
hoe zal ’t dan met het droog hout gaan,
in ’s vijands wreede handen?
Gij weent op mij, maar, moeders, meer
moet op u zelven treuren,
en op uwe arme schapen teêr,
die ’t roomsche heer
zal kwetsen en verscheuren!
DE NEGENSTE STONDE:
DERDE VAL.
De vrienden ons Heeren:
hoe vast hij sta, bezwijken kan,
op éénen dag; en even
zoo menigmaal herleven.
geen zevenmaal, uw’ broeders schuld,
maar tzeventigmaal zeven
gebreken—hem vergeven.
gevallen, om vergiffenis
te biên u, en te geven,
om uwentwil, zijn leven.
hier kruipende, over hand en voet,
ach, wilt ’t gene ik bedreven
heb duizendmaal—vergeven!
DE TIENSTE STONDE:
ONTKLEED.
De vier heilige Evangelisten:
het kale bekkeneel van Golgotha gekregen,
den zone Gods; ontbloot van alles, moedernaakt
is hij, en ha’ de roe hem eenen rok gemaakt,
van roode wonden! Wie, wie kent hem? Van beneden
tot boven toe, geheel en is, in al zijn’ leden,
nu niets! Wie kent hem, wie, in ’t wisselverwig kleed
van Jacobs lieveling, die m’n in den steenput smeet?
Gods zone is ’t!—Schande op u, wier dertel vleesch geboren
uit Adams vleesch, u ook, als Adam, liet bekoren
tot zonde en schande! Aanschouwt,—want gij het hebt gedaan,—
’t Lam Gods, onschuldig, om uw’ schuld hier schande uitstaan!
DE ELFSTE STONDE:
GEKRUIST.
Spotlied. De oversten des Volks:
daar hangt hij,—onze Koning! hij!—
ten spotliede, achter straten,
—Eli! Eli! Sabacthani,—
van elkendeen!—Eli! Eli!
De Schriftgeleerden:
genaast, nu wilt genezen
u zelven, zoo Gods zoon gij zijt;
en leert ons, eer de dood u bijt,
wach!—ons—geloovig wezen!
De joodsche Priesters:
die ’s Heeren bidsteê breken kan
en maken, na drie dagen,
—Gods zone is hij!—wat wilt hij dan
der dieven dood verdragen?
’t Roomsch krijgsvolk:
—haalt edik!—hem nu hulpe bien;
en, kan ’t, zoo moge ’t nu geschiên,
hetgeen hij zei, voordezen,
volbracht, dat ’t al ging wezen!
Jesus:
hetgeen zij doen, ze’n weten ’t niet:
vergeeft het hun!
De vrienden des Heeren, 3 maal slaande op hunne borst:
Lam Gods, aleer gij sterven zult,
vergeeft het ons!—’t Wordt middernacht...—
Lam Gods!...—Lam Gods!...
Jesus: