DE TWAALFSTE STONDE:
GESTORVEN.
De vier heilige Evangelisten:
een klove, die tot in de moergebinten bijt
der bergen.—Zonne en mane en sterren houdt de Dood,
—al ’t licht van dezen dag,—geborgen in den schoot
van heure afschuwlijkheid.—Zij nadert tot den stam,
daar overwonnen, hij, die haar verwinnen kwam,
uit vrijen halze, en eer zij hem aan ’t lijf besteelt,
—bij ’t deinzen van de dood,—zijn’ ziele aan God beveelt
en—sterft.
DE DERTIENSTE STONDE:
DE VII WEE’N.
De heilige Vrouwen, de vrienden ons Heeren:
die ’t spreken van één woord u in de zijde bracht,
geheugt u nog die nacht,
als de Engelen, in de wolken,
geboren in uw’ schoot, aanbaden hem,
onzalig moederherte,—o Zalig Bethlehem!—
daar nu ligt, ontlijfd?—o Moeder van veel smerten,
Maria, hadt gij meer als één, als honderd herten,
in ieder zou, doordoornd, doorgeeseld en doorgaan,
het zevenhandig zweerd van uwe droefheid staan!
o Moeder, bidt voor ons,—daar bij den boom gezeten,—
die einde aan uwe smerte, aan uwe liefde en weten!
o Moeder, bidt voor ons, die Jezus’ Moeder zijt
en onze Moeder nu,—nu—bidt voor ons—altijd...!
DE VEERTIENSTE STONDE:
EN BEGRAVEN.
Joseph van Arimatheia:
’t nog onlangs uit den steen gegraven graf besteden,
dat mij was voorbereid.—Het roomsche volk zal ’t waken,
misschien, en joodsche wantrouw zegelvast het maken.
De vier heilige Evangelisten:
van roomsche en ander volk, van zegelvast en waken;
maar Jesus heeft de Dood, eer dagen drie geleden,
—gestegen uit den steen, onsterflijk,—doodgetreden:
Allen, eenmaal:
1897
VRIENDENZOEN
VIS UNITA FORTIOR
gestoken gij,
verduisterd en
verdoken, gij,
o vriendenhert:
door vriendenhand
zoo waandet ge in
uw onverstand,
gekwetst en afgewezen?
’k En hadde u nooit
vergeten, ik,
geen weêrstand u
verweten, ik;
geen stroo u in
den weg geleid,
geen werk gedaan,
geen woord gezeid
dat kwetsend u kon wezen.
zijt gij, misschien
een vriendenherte,
en mij, misschien
spijts al hetgeen
ons beider liefde
in stukken smeet,
een ware vriend gebleven?
Dat vriendschap is
moet sterker zijn,
moet sterk alzoo
de kerken, zijn
gesteund op vast-
en dieper grond
als vriendenhand
en vriendenmond,
zoo nu, zoo na dit leven.
dat scheiden ons
zoo bitterlijk,
dat beiden ons
kon drijven om,
gij hier, ik daar,
verre af en zoo
nabij malkaar,
te porren en te pogen
aan ’t gene ik wist,
of waande, dat
het was; en gij
hieldt staande dat
het niet en was;
niet anders als
een ijdel woord,
een vuil en valsch,
en opgesmukte logen.
op dezen dag
nog ijzervast
gevezen lag,
verworteld en
verwassen, eer
’t ooit morgen is,
met eenen keer,
ter stede, in stukken vliegen;
zoo komt men eere
en trouw vaneen,
zoo komt men man
en vrouw vaneen,
zoo vriendenherte
en vriendenhand
en volk intween te liegen.
de vriendenhand,
het vriendenhert,
den vriendenband,
die, spannende en
weerspannig aan
ons beider bede,
is losgegaan,
nu weer aaneen te binden.
’k Herbiede u hulpe
en bijstand, in
den strijde, om weêr
den vijand in
te stormen: en
dat ongekleed,
dat edel Wicht
dat Waarheid heet,
te zoeken en te vinden.
30/1/’97
IK DROOME ALREÊ
en van de blijde dagen, de dagen
dat samen wij, en welgezind,
vliegt dagen, vliegt voorbij gezwind,
ons lief en leed gaan dragen.
noch late ik mij gelegen, gelegen
aan al dat aardsch en bitter smaakt,
dat ’t lijf en ’t lijf alleene raakt,
en daar de geest kan tegen.
gij hebt hem, doorgestreden, gestreden
den nacht dien ’s vijands booze hand
gespreid had om ’t beloofde land:
gij zijt erin getreden.
en ga ik langs de straten, de straten,
daar heimlijk in mijn herte weunt
’t gedacht daar al mijn hope op steunt:
God zal u mij toch laten.
Aan Eug. van Oye.
12/2 ’97.
O BAND
om zuid en noord, om zee en zand
ter overwinning heen te voeren,
o hert- en ziel- en tongenband,
vereent mij, lijf en ziele en aderen,
met de overeeuwde onvalsche vaderen
en.... leve vrij ons Vlanderland!
12/2 ’97.
WIJ NADEREN
zoo hel, geleên
twee stonden amper, nu
vol duisterheên,
vol donkerte is? Hoe komt ’t
dat ’t gers, zoo net
een’ schreê te ruggewaard,
is al besmet
met onraad nu? Hoe ligt
alomme hier
gebroken handalaam
en drukpapier?
De zonne is blindgedoekt
en rookgeweld,
dat bitter is van bete,
omhooggesnelt,
of doolt de wegen langs,
en stinkt! Wat is ’t,
dat ’t overal, omtrent
mij, goort en gist
en geil is nu? Dat zacht
en zoete om gaan
en zijn de paden meer?
Dat ’t steen voortaan,
dat ’t tanden ongetemd,
dat ’t schorren scherp,
dat ’t kale keien zijn,
die ’k ommewerp?
Waar ben ik, meldt het mij:
verdoold in schijn?
—Wij naderen ’t gebied
daar menschen zijn!
16/2 ’97.
ZEGEPRAAL
komt woedend opgestoven,
de diepten uit, afgrijzelijk
verbolgen. Bergen boven
malkanderen zij werpen gaan,
in ’s hemels aangezicht:
den al te schoonen dag uitdoen,
en dooden ’t zonnelicht!
en vlamme; kwade steenen,
van rammelenden hagelslag,
en bliksem, al met eenen,
vergâren mij de reuzen in
hun vuisten vol geweld,
en ruien ze, onbermhertiglijk
daarheen in ’t zonneveld.
nog donkerder! Gevaren,
als machtig, overmachtig groote,
en mammothsche adelaren,
omslaan de wolken alles, en
voor ’t nachtelijk bedwang,
onthemelt al dat hemel is,
in ’s hemels zwart gevang.
dat overheerlijk blaken,
dat altijd even schoone van
de schoone zonnekaken?
’t Is nacht! En zijt voor goed nu gij
gedompt en doodgedaan?
Gij, beeld des Alderhoogsten, zult
gij, stervend, ondergaan?
Staat op, en slaat die booze,
die duistere onbedachten, gij,
des hemels schoone rooze;
gij, onverkrachte lichtvorstin,
staat op, uit uwen schans,
en plettert, onbermhertiglijk,
die domme reuzen gansch!
den onverwonnen gaffel
des zonnelichts, de reuzen in
den zwartgezwollen naffel;
ze bersten, en ze bulderen
malkander slaande, intween;
en, hersens in de kele valt
het reuzenrot ineen.
ze pletsen en ze plassen,
dat ’t bommelt in de lucht alom:
lijk honden zijn ’t die bassen.
De wereld stroomt, afgrijzelijk,
van ’t bloed alsof het waar’,
van de eindelijk verwonnen, en
verwenschte reuzenschaar.
Ze waren!.... In hun stede
komt helderheid, komt hemelsblauw,
komt goud, dat schittert, mede.
De zonne vocht, de zonne won,
en, tierende overluid:
„Hier ben ik!” roept ons zonneken
„des vijands vonke is uit!”
Kortrijk, 12/3 1897.
DIE MIJN HERT BEMINT
hem gevinden! Heere, vonde ik
U, mijn hert, mijn toeverlaat,
wiste ik waar hij henengaat.
is de liefde- en troostinspreker,
want mijn herte zwemt, o wee,
in een wijde tranenzee.
in goud, rijkdom of gesteen hij,
als hij in mijn hert niet is,
neen-hij, neen-hij, neen gewis.
—/3/’97.
HALF APRIL
halfwit omtrent uw boorden,
die gruwzaam in den hemel moert,
en grimt in ’t gramme noorden:
hoe lange speelt gij, koud en kil,
den baas nog hier? ’t Is half April!
de zonne ondanks gebeuren,
dat ’s morgens, al dat gers is, wit
geruwrijmd, staat te treuren!
Waar wilt gij, boos geweld, naartoe,
des winters? Wij zijn wintermoe!
die bijt en straalt; ’t moet open,
dat, wachtende, in de botte zit,
of weer in ’t gers gekropen,
van schuchterheid, voor ’t nijpen van
den hardgevuisten winterman!
en schiet, bij volle grepen,
uw schichten uit; doorkwetst, doorlijdt
het graf, daarin, genepen,
de zomer zat: verrijzenist
des konings kind! te late al is ’t!
dat ’t wederklinkt alomme,
den gorgel los, de vogel en
de luidgekeelde blomme;
de klepel zal de klokke slaan
en kondigen den Koning aan.
12/4/’97.
GROENINGE’NS GROOTHEID
OF
DE SLAG VAN DE GULDENE SPOOREN
I
zoo liefelijk gedoken;
het hadde geren, luide en lang,
zijn eigen woord gesproken.
De zonne zei: „Staat op, mijn kind,
ontluikt uwe oogskens, welgezind,
en lacht uw’ moeder tegen:
noch wind en zal er schade u doen,
noch hagelslag, noch regen!”
dat blommeken, verkoren;
en ’t bloeide geren, vrij en blij,
daar ’t weunde en was geboren;
’t zou menig lente kommen zien,
’t zou menig meidag omme zien,
en menig najaar sterven,
maar nooit en zou dat blommeken,
ten gronde toe, bederven.
zoo lavend, in heur loopen;
De vogel kwam er drinken bij,
en liederen verkoopen;
de meiskes en de mannekens,
de Grietjes en de Jannekens,
ze kwamen en ze zagen—
’t hiet Vlanderland!—dat blommeken
zoo geren,... in die dagen!
II
de boomen;
de wind berent de Leye, en doet
ze stroomen
te bergewaard. Den oest zal, op
het veld,
de hagel slaan, en ’s hemels wild
geweld!
en vrouwe,
den arrebeid, om God en land,
getrouwe:
eenieder, haastig, henenvimt
en vorkt....
Naar huis! De donder dreunde daar
al! Horkt!
de wolken.
„Te wapen!” roept er een: „Waar zijn
de dolken?
De vijand is in ’t land! ’t Zij waar
hij zit,
bereidt den goedendag, en—elk
in ’t lid!”
III
daar ’t winnen of daar ’t sterven zal:
alhier, aldaar, aan lange lansen,
de leeuwen dansen.
de zwarte blomme in ’t geluw veld:
de kwaden zien, beneên de transen,
de leeuwen dansen.
om ’t Vlaamsche Volk, als ijdel kaf,
dat ’t zweerd onweerd is, af te ransen.
De leeuwen dansen!
de boeien los, de banden breekt!
Ten vijande in! Dat op z’n schansen,
de leeuwen dansen!
En, gij, die God noch eere en kent,
ruimt bane, eer, op uw veege bansen,
de leeuwen dansen!
IV
bij duizenden, gedreven;
geen hooi en is er meer in ’t land,
geen haver schier gebleven:
’t is al gestolen, al geweerd,
voor vee en volk, voor man en peerd!
gaan strijden op de heiden?
gaan straffen, met de geeselroe,
die u den vrede ontzeiden?
„Geen heidenen,” zoo roepen ze al:
„de Vlaming is ’t, die ’t boeten zal!”
der Vlamingen, een blomme,
die honing druipt, die boter baart
en goud: daar gaan wij omme!
’t Is munte slaan, dat wij gaan doen,
terwijl de Vlaamsche bargen bloên!”
die koning zijt geboren,
wat hebt gij, man van ’t zuiden, bij
den noordeling verloren?
Verliezen zult ge er... Winnen, neen,
’t en zij, voor graf, nen tichelsteen!
—pekzwart is het—gezeten,
gij zult uw’ hoogen hals, in ’t spel,
uw ros Morel vergeten:
Jan Breydel zal, in ’t riet gevaân,
ten tweeden male, u ridder slaan!
nu stooten in de lenden:
verjagen zullen ze, altemaal,
en slaan die boersche benden!
Harop! De storme is los, en ’t gaat
om dood!—De goedendag slaat! slaat!
V
slaat! slaat!
Harop! Den goeden slag
slaat! slaat!
uw’ vuile schansen,
den doodendans
de leeuwen dansen!
slaat! slaat!
Harop! De goedendag
slaat! slaat!
en liên en lansen,
den zegedans, den zegedans
de leeuwen dansen!
Den—goeden—dag!
te Leyewaard gedreven;
maar keerwijs om, naar ’t zuiderland,
geen twee, geen een op zeven;
ter Vlamingvaart zoo wilde elkeen:
ze gingen al, ’t en keerde geen!
VI
wij dragen ze u op,
de spooren der schoone gevelden:
de blinkende spooren,
gevonden—harop!—
op Groeninge’ns guldene velden.
van menigen man,
die, gister nog, gekte, in zijn tale:
„Wie is er zoo dapper
van u, die mij kan
doen ruimen de rompvaste zâle?”
terug: in den meersch
daar blonken zijn’ dappere hielen;
gebluscht was de woede, en
daar lag, overdweers,
het ros, op den ridder, te ontzielen.
de zege is aan ons:
een riet heeft den reuze gedwongen:
tot ’t einde der eeuwen
vertelle nu ’t brons
van „’t Vlaamsche gespuis, en hun jongen!
van beuken, te nauw,
om Groeninge’ns grootheid te hooren:
te Kortrijk vereeuwige
een beeldengebouw
den slag van de Guldene spooren!”
Kortrijk, 15/4 ’97.
IN SPECULO
o Schepper van hierboven,
dat ik U maar
en zie als in een’ glans,
als in een glas
te zelden onbestoven
van doom en stof,
en nooit geheel en gansch?
en God zijt, moet het wezen,
dat ik U zie:
dat, zonder doek, entwaar,
ik schouwen kan
en, schouwende, in ’t nadezen,
vanbij U zie
en eeuwig op U staar!
om niet en is gegeven,
uit Uwe hand,
het leefvermogen, dat
mij zuchten doet
en zoeken, naar een leven
dat alle goed,
in ’t zien van U, bevat!
ten oosten uit, een dagen,
een dageraad,
eene eeuwigheid, die niet
meer weg en kan
noch weder, noch vertragen
het zielgezucht
dat zoekt en niet en ziet.
eens vol U zien, en varen
zoo ’t druppelken
in zee, dat is versmoord:
zij zal U zien,
verafgrond in de baren
der ziende zee,
die bedde en heeft noch boord!
Kortrijk, 16/4 ’97.
TWIJFELZONNIG
de wind en wilt niet zoeten:
’t geboren loof zijn moeder mist
en wachten zal ’t mij moeten,
zoo lange er buien bovenslaan,
om schielijk weer zijn gang te gaan.
in heesters en in hoven,
begeert het, alle boeien los
en alle buien boven;
dan wilt het al vol zonne zijn,
vol wellust en vol wonne zijn.
herlachen en herleven;
voor winden noch voor ongeval
van bange buien beven.
Och, lente, weest mij willekom
en werkt uw edel werk weêrom!
een liedeken vereeren,
daar ’t vogelvolk niet aan en kan,
en zingen ’t duizend keeren;
maar al zoo lang ’t uw wonne mist,
mijn herte, twijfelzonnig is ’t.
Kortrijk, 18/4 1897.
EN DAARMEÊ AL
geen eenen keer gezien u, zonne,
’t en zij te noene, en bij geval,
een witte plekke, en daarmeê al.
der blind gedoekte hemelstreken:
hoe is ’t dat ik u heeten zal?
Een witte plekke, en daarmeê al!
van ’s werelds ooge is uitgewreven,
op, over mij en ’t aardsche dal,
een witte plekke, en daarmeê al!
dat levenslustig mensche en miere is,
voor oosterlied en lofgeschal,
een witte plekke, en daarmeê al?
zien uitgaan en goênavond groeten,
mij dezen dag! O, al te smal:
een witte plekke, en daarmeê al!
laat, morgen vroeg, uw aanschijn wezen
mij zoete, o zonne, en liefgetal:
geen witte plekke, en daarmeê al!
19/4 1897
JANTJE
neêr en op, gewiegewaagd,
toutert Jantje, en, omgezonken,
raakt de stam, die Jantje draagt,
de aarde bijkans: op en neder
rijst het weg en zinkt het weder.
Jantje, zal ’t bij beurten gaan;
lief en leed zal, voor en tegen
’t herte u en de schenen slaan:
wiegewagen zult ge, en dansen,
tusschen goê en kwade kansen.
diepe in ’t goor, beneên u daar;
zwicht u, en bezien ze u allen,
helpende u met handgebaar,
om nog hooger op te schrijden,
zwicht u, Jantje, en rust in tijden.
21-22/4 1897.
ZWART
dat zwellend hout in ’t boomenland;
noch blad en leeft er nu, noch blomme,
maar geilheid al en spon, dat spant:
geliggen zal ’t en groene vlagen,
van schoonheid en van schaduw, dragen.
hoe donkerbruin is ’t lindenhout,
dat kenen wilt, dat is aan ’t kenen,
tienduizendmaal tienduizendvoud!
’t Zal, schier of morgen, groen bedijgen
dat zwart is nu, en blâren krijgen.
de wolken zwart, in ’t luchtgebied;
maar hemelsteen en hagelbijzen
en werpen ons de boomen niet;
één vlage zal ’t, eer lang nadezen,
een’ storm van al dat groen is, wezen.
’t wijduitgestrekte boomenland;
maar nauwlijks heeft de „middagsterre”
des winters vaartuig afgebrand
of seffens gaan, uit al hun’ knopen,
de boomen en de blijdschap open.
’t zal wierookwerk en honingdauw,
van ieder blad, van ieder blomme,
zoo, ’s heiligdags, in Gods gebouw,
het volk ontvangt den hoogtijdszegen,
in spaarsvat- en in wierookregen.
29/4 1897.
LOOFGEBOUW
nog onvolworden lenteblad,
terwijl April te Meie gaat,
dat schielijk op de boomen staat.
dat verwig is, en ’t loofgewas,
zoo enkel en zoo ijdel in
de lucht, is als een goudgespin.
den achtkante, in den hoogen top
des hoogen booms gebouwd. Hij zal
eer morgen hier is, groen zijn al.
bewolkt de hooge toppen, daar;
eer morgen hier is, heel, voortaan,
zal nest en al in groen vergaan.
dat onvolworden boomgepraal:
elk houtgewas één wondernis
van boven tot beneden is!
30/4 1897.
SPREEUWEN
recht den torre in van de kerke,
daar ze is nest aan ’t bouwen!... „’k zie-’t!”
piept de spreeuwe, en anders niet.
zwart-halfgroen gevliggervlerkte,
vage vogel, dan ’t bedied
van uw eeuwig zeggen: „’k zie-’t?”
ziet ge, aan ’t blijde jongskes voeden,
in uw pierende oogskes, iet
dat elk mensche niet en ziet?
dat gij ziet, is ’t buien bijzen;
kwade wichten of kwa died
zitten ievers, diepe in ’t riet?
deze borst, mij iet beminnen,
haten, willen, wenschen iet,
blijdschap hebben en verdriet?
diepe in ’t diepste diep mijns zelven
en ontdekken daar ’t bedied
van uw eeuwig zeggen „’k zie-’t!”
’t leven gaf, en aan de spreeuwen,
Een die, vrij van al ’t verdriet,
hooge zit en verre ziet.
zonder schaalje en zonder schorre;
en, van ’t gene in mij geschiedt,
Hij mag eeuwig zeggen: „’k zie-’t!”
30/4 1897.