WeRead Powered by ReaderPub
Laatste verzen cover

Laatste verzen

Chapter 59: IV
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A late collection of short lyric poems that blends devotional meditations, direct religious address, and concentrated nature imagery. Many items read like compact hymns or contemplative monologues that shift between folk scenes, seasonal observation, and inward moral reflection. The language retains older spelling and regional diction, yielding a dense, musical syntax and vivid sensory detail. Formally the pieces vary from brief verselets to longer narrative lyrics and often incorporate refrains and folk-song rhythms.





1897


VRIENDENZOEN

VIS UNITA FORTIOR

Waar zat gij dan
gestoken gij,
verduisterd en
verdoken, gij,
o vriendenhert:
door vriendenhand
zoo waandet ge in
uw onverstand,
gekwetst en afgewezen?
’k En hadde u nooit
vergeten, ik,
geen weêrstand u
verweten, ik;
geen stroo u in
den weg geleid,
geen werk gedaan,
geen woord gezeid
dat kwetsend u kon wezen.
Nog meer als ik,
zijt gij, misschien
een vriendenherte,
en mij, misschien
spijts al hetgeen
ons beider liefde
in stukken smeet,
een ware vriend gebleven?
Dat vriendschap is
moet sterker zijn,
moet sterk alzoo
de kerken, zijn
gesteund op vast-
en dieper grond
als vriendenhand
en vriendenmond,
zoo nu, zoo na dit leven.
’t Is dit alleen,
dat scheiden ons
zoo bitterlijk,
dat beiden ons
kon drijven om,
gij hier, ik daar,
verre af en zoo
nabij malkaar,
te porren en te pogen
aan ’t gene ik wist,
of waande, dat
het was; en gij
hieldt staande dat
het niet en was;
niet anders als
een ijdel woord,
een vuil en valsch,
en opgesmukte logen.
Zoo ziet men ’t gene
op dezen dag
nog ijzervast
gevezen lag,
verworteld en
verwassen, eer
’t ooit morgen is,
met eenen keer,
ter stede, in stukken vliegen;
zoo komt men eere
en trouw vaneen,
zoo komt men man
en vrouw vaneen,
zoo vriendenherte
en vriendenhand
en volk intween te liegen.
’k Herbiede u dan
de vriendenhand,
het vriendenhert,
den vriendenband,
die, spannende en
weerspannig aan
ons beider bede,
is losgegaan,
nu weer aaneen te binden.
’k Herbiede u hulpe
en bijstand, in
den strijde, om weêr
den vijand in
te stormen: en
dat ongekleed,
dat edel Wicht
dat Waarheid heet,
te zoeken en te vinden.

30/1/’97





ZEGEPRAAL

De zonne vecht! Het noordervolk
komt woedend opgestoven,
de diepten uit, afgrijzelijk
verbolgen. Bergen boven
malkanderen zij werpen gaan,
in ’s hemels aangezicht:
den al te schoonen dag uitdoen,
en dooden ’t zonnelicht!
Het spettert, uit de wolken, vier
en vlamme; kwade steenen,
van rammelenden hagelslag,
en bliksem, al met eenen,
vergâren mij de reuzen in
hun vuisten vol geweld,
en ruien ze, onbermhertiglijk
daarheen in ’t zonneveld.
’t Is donker nu, ’t is donkerder,
nog donkerder! Gevaren,
als machtig, overmachtig groote,
en mammothsche adelaren,
omslaan de wolken alles, en
voor ’t nachtelijk bedwang,
onthemelt al dat hemel is,
in ’s hemels zwart gevang.
’t Is donker! Zal ’t verwonnen zijn,
dat overheerlijk blaken,
dat altijd even schoone van
de schoone zonnekaken?
’t Is nacht! En zijt voor goed nu gij
gedompt en doodgedaan?
Gij, beeld des Alderhoogsten, zult
gij, stervend, ondergaan?
Staat op! Het worde dag weerom!
Staat op, en slaat die booze,
die duistere onbedachten, gij,
des hemels schoone rooze;
gij, onverkrachte lichtvorstin,
staat op, uit uwen schans,
en plettert, onbermhertiglijk,
die domme reuzen gansch!
De zonne vecht! Zij duwt den spiet,
den onverwonnen gaffel
des zonnelichts, de reuzen in
den zwartgezwollen naffel;
ze bersten, en ze bulderen
malkander slaande, intween;
en, hersens in de kele valt
het reuzenrot ineen.
Ze pletteren te grondewaard,
ze pletsen en ze plassen,
dat ’t bommelt in de lucht alom:
lijk honden zijn ’t die bassen.
De wereld stroomt, afgrijzelijk,
van ’t bloed alsof het waar’,
van de eindelijk verwonnen, en
verwenschte reuzenschaar.
Ze ’n zijn niet meer,... ze ’n zijn niet meer.
Ze waren!.... In hun stede
komt helderheid, komt hemelsblauw,
komt goud, dat schittert, mede.
De zonne vocht, de zonne won,
en, tierende overluid:
„Hier ben ik!” roept ons zonneken
„des vijands vonke is uit!”

Kortrijk, 12/3 1897.




GROENINGE’NS GROOTHEID
OF
DE SLAG VAN DE GULDENE SPOOREN

I

Daar zat, in ’t gers, een blommeken
zoo liefelijk gedoken;
het hadde geren, luide en lang,
zijn eigen woord gesproken.
De zonne zei: „Staat op, mijn kind,
ontluikt uwe oogskens, welgezind,
en lacht uw’ moeder tegen:
noch wind en zal er schade u doen,
noch hagelslag, noch regen!”
’t Had wortels in den taaien grond,
dat blommeken, verkoren;
en ’t bloeide geren, vrij en blij,
daar ’t weunde en was geboren;
’t zou menig lente kommen zien,
’t zou menig meidag omme zien,
en menig najaar sterven,
maar nooit en zou dat blommeken,
ten gronde toe, bederven.
De Leye liep erlangs, zoo zoet,
zoo lavend, in heur loopen;
De vogel kwam er drinken bij,
en liederen verkoopen;
de meiskes en de mannekens,
de Grietjes en de Jannekens,
ze kwamen en ze zagen—
’t hiet Vlanderland!—dat blommeken
zoo geren,... in die dagen!

II

’t Is oorloge in de locht en in
de boomen;
de wind berent de Leye, en doet
ze stroomen
te bergewaard. Den oest zal, op
het veld,
de hagel slaan, en ’s hemels wild
geweld!
’t Is hooimaand. In den meersch is man
en vrouwe,
den arrebeid, om God en land,
getrouwe:
eenieder, haastig, henenvimt
en vorkt....
Naar huis! De donder dreunde daar
al! Horkt!
’t Is heet! De zonne duikt heur in
de wolken.
„Te wapen!” roept er een: „Waar zijn
de dolken?
De vijand is in ’t land! ’t Zij waar
hij zit,
bereidt den goedendag, en—elk
in ’t lid!”

III

Het Vlaamsche heer staat immer pal,
daar ’t winnen of daar ’t sterven zal:
alhier, aldaar, aan lange lansen,
de leeuwen dansen.
De winden schudden, met geweld,
de zwarte blomme in ’t geluw veld:
de kwaden zien, beneên de transen,
de leeuwen dansen.
Met bezemen, zoo komen ze af,
om ’t Vlaamsche Volk, als ijdel kaf,
dat ’t zweerd onweerd is, af te ransen.
De leeuwen dansen!
Hardop! Hardop! De trompe steekt:
de boeien los, de banden breekt!
Ten vijande in! Dat op z’n schansen,
de leeuwen dansen!
Sta vuist en voet de vane omtrent!
En, gij, die God noch eere en kent,
ruimt bane, eer, op uw veege bansen,
de leeuwen dansen!

IV

De peerdehoeven staan in ’t zand,
bij duizenden, gedreven;
geen hooi en is er meer in ’t land,
geen haver schier gebleven:
’t is al gestolen, al geweerd,
voor vee en volk, voor man en peerd!
Waar gaat gij, edel died, naartoe:
gaan strijden op de heiden?
gaan straffen, met de geeselroe,
die u den vrede ontzeiden?
„Geen heidenen,” zoo roepen ze al:
„de Vlaming is ’t, die ’t boeten zal!”
„Daar groeit en bloeit, te landewaard
der Vlamingen, een blomme,
die honing druipt, die boter baart
en goud: daar gaan wij omme!
’t Is munte slaan, dat wij gaan doen,
terwijl de Vlaamsche bargen bloên!”
o Sigis, van Majorken, gij,
die koning zijt geboren,
wat hebt gij, man van ’t zuiden, bij
den noordeling verloren?
Verliezen zult ge er... Winnen, neen,
’t en zij, voor graf, nen tichelsteen!
En Robbert, op uw ros, Morel,
—pekzwart is het—gezeten,
gij zult uw’ hoogen hals, in ’t spel,
uw ros Morel vergeten:
Jan Breydel zal, in ’t riet gevaân,
ten tweeden male, u ridder slaan!
Die heeren hunne rossen ’t staal
nu stooten in de lenden:
verjagen zullen ze, altemaal,
en slaan die boersche benden!
Harop! De storme is los, en ’t gaat
om dood!—De goedendag slaat! slaat!

V

Harop! De goedendag
slaat! slaat!
Harop! Den goeden slag
slaat! slaat!
Ruimt bane, eer, op
uw’ vuile schansen,
den doodendans
de leeuwen dansen!
Harop! Den goeden slag
slaat! slaat!
Harop! De goedendag
slaat! slaat!
Door hooge en leege
en liên en lansen,
den zegedans, den zegedans
de leeuwen dansen!
Harop!
Den—goeden—dag!
De peerdehoeven staan in ’t zand,
te Leyewaard gedreven;
maar keerwijs om, naar ’t zuiderland,
geen twee, geen een op zeven;
ter Vlamingvaart zoo wilde elkeen:
ze gingen al, ’t en keerde geen!

VI

Onze Vrouwe, onze Vrouwe,
wij dragen ze u op,
de spooren der schoone gevelden:
de blinkende spooren,
gevonden—harop!—
op Groeninge’ns guldene velden.
’t Zijn de guldene spooren
van menigen man,
die, gister nog, gekte, in zijn tale:
„Wie is er zoo dapper
van u, die mij kan
doen ruimen de rompvaste zâle?”
Hij verzuimde te keeren
terug: in den meersch
daar blonken zijn’ dappere hielen;
gebluscht was de woede, en
daar lag, overdweers,
het ros, op den ridder, te ontzielen.
Onze Vrouwe, onze Vrouwe,
de zege is aan ons:
een riet heeft den reuze gedwongen:
tot ’t einde der eeuwen
vertelle nu ’t brons
van „’t Vlaamsche gespuis, en hun jongen!
Keizer Boudewijn’s kerke is,
van beuken, te nauw,
om Groeninge’ns grootheid te hooren:
te Kortrijk vereeuwige
een beeldengebouw
den slag van de Guldene spooren!

Kortrijk, 15/4 ’97.


IN SPECULO

Hoe kan dit zijn,
o Schepper van hierboven,
dat ik U maar
en zie als in een’ glans,
als in een glas
te zelden onbestoven
van doom en stof,
en nooit geheel en gansch?
Zoo Gij bestaat,
en God zijt, moet het wezen,
dat ik U zie:
dat, zonder doek, entwaar,
ik schouwen kan
en, schouwende, in ’t nadezen,
vanbij U zie
en eeuwig op U staar!
Hoe kan dat zijn:
om niet en is gegeven,
uit Uwe hand,
het leefvermogen, dat
mij zuchten doet
en zoeken, naar een leven
dat alle goed,
in ’t zien van U, bevat!
Daar komt toch eens,
ten oosten uit, een dagen,
een dageraad,
eene eeuwigheid, die niet
meer weg en kan
noch weder, noch vertragen
het zielgezucht
dat zoekt en niet en ziet.
Mijne ooge zal
eens vol U zien, en varen
zoo ’t druppelken
in zee, dat is versmoord:
zij zal U zien,
verafgrond in de baren
der ziende zee,
die bedde en heeft noch boord!

Kortrijk, 16/4 ’97.