WEDERWIJVEN
vol witte en lange stressen
van wolken, die ontvlochten zijn
lijk haar van tooveressen.
die, kwaad van hande en vinger,
malkanderen te keere gaan
en vechten slag om slinger.
geweste, ’t buischt en ’t bommelt
alhier, aldaar een zwepe los,
die deur de wolken schommelt.
malkaar gescheurd, in stressen
van wijsterwaster vechtende, en
verwaaide tooveressen.
30/4 1897.
EXCELSIOR
zijn roekloos opgeklommen,
als die, om loon, zoo zaan de vaart
gedaan is, nederkommen.
naar die in de eerde wroeten;
noch, dwee van halze, en kust hij niet
of waren ’t keizersvoeten.
mij deur de wolken steken,
excelsior, en, vóórgegaan,
mij moed in ’t herte spreken.
dat kan, dat wil, dat zal ik:
geen oneere en geen schande en kan
mijn durven deren, valle ik.”
van zeggen en van zeden:
ootmoedig wil ik, ridder koen,
tot stijgen mij besteden.
op Libans hoogste kragen,
of vielender omtrent mij duist,
nog wil, nog zal ’k het wagen.
Kortrijk, 10/5 1897.
’T SCHEERWIEL
om zien, en, in de zonne
verpreuvelen ’t mijn herte doet,
van louter levenswonne.
Het scheerwiel hoor ik rijden, met
gerul, en zijnen draf
aan ’t draven, alles snijden met
zijn’ scherpe tanden af.
geen wever die zoo weven:
geen een en kent de konste van
zijn laken doen te leven.
’t Doen leven kan ’t de zonneschijn,
’t doen blinken in den glans
des hemels en nog groender zijn
als ’t groenste laken, gansch.
de louter levenswonne
verpreuvelen, en jeunt u wel,
gij kinders, in de zonne;
daar ’t laken ligt en zult gij nu
verwringen hand en voet:
loopt spelen daar en zegene u
de zomerzonne zoet.
13/14/5 ’97.
DE DOORNENBOOM
die midden in de vaten,
veracht en ongetroost,
des olieboeters staat;
hij weet dat ’t zomer is
en zou hij, zou hij ’t laten,
te bloeien, nu dat al,
dat blomme is opengaat?
zijn tonnen, tonnen, tonnen,
die olie zweeten al,
en stinken. Schouwen ook,
verheven boven ’t dak
des oliebouws, en jonnen
maar bitterheid den boom
en afgerolden rook.
en, blij, de zonne bieden
de vreugde van zijn hert:
maar éénen keer in ’t jaar
en wilt het zomer zijn,
en mag’t den boom geschieden
te bloeien in den dwang
van al die tonnen daar.
getooid langs alle kanten
één vlage blommen duikt
zijn’ takken, scheef en krom;
de bietjes zie’k er zog
van zuiver zeem in zanten,
de blommen in en uit
en uit en in, weêrom.
o boom, en luide pralen
laat al uw lief gewaai,
deur dikke en dunne. Neen ’t,
’t en is maar éénen keer,
dat ’t meie is: hillen, dalen
zijn blijde; blijde zijt,
genoeg, genoeg geweend.
gestapeld: zwarte, zware
gedaanten, ongehier
van leelijkheid. Welaan,
o taaie doornenboom,
daar midden in, verjare
nog menigmaal uw hoofd,
vol bloeiend wit gelaân!
16/17/5 ’97
QUIS NOS SEPARABIT?
Ad Rom. viii:35.
zoo zal men hem voor metgezel
begeren en betrachten:
bemint gij God, waarom en gaat,
daar God zoo lange u wachtend staat,
gij God, o mensch, niet wachten?
zeg liever: waar ontvinde ik hem?
Hoe zal ik hem ontvaren?
Hij roert in mij, hij waagt in mij;
hij nacht in mij, hij daagt in mij:
wie zalder ons ontgâren?
o zonderbare zonderheid,
dat overal, gesmeten
bij ’t karrevoer, getuigenis
van God en van zijn’ goedheid is
en wij ’t zoo weinig weten!
Kortrijk, 18/5 ’97.
MIETJE
op zijn bloote voetjes,
lang, gelijk nen terruwstelk,
zoetjes, zoetjes, zoetjes
terdt het voort, en anders niet
als zijn teele melk en ziet’t.
zeggen, zoetjes, zoetjes:
„Mietje!” ’t Meisken ommezag....
op zijn bloote voetjes
viel de melk en, vol verdriet,
wie dat ’t was en wist het niet.
op uw bloote voetjes,
melk aan ’t dragen, wacht u wel:
zoetjes, zoetjes, zoetjes,
mijdt u, meiske, en hoort gij iet,
vóór u, maar niet omme en ziet!
20/5 ’97.
ZONHOEDEN
zoo liggen ze, in ’t vlas;
boos is de zonne en
zoo heet als een oven:
rood in hun aanzichte,
als ongepijnd was....
boos is de zonne en
ze bakelt erboven.
gij, hoeden van stroo;
strekt u, zoo verre als
gij kunt, op hun leden;
laat ze, die wieden,
al rusten ze noô,
halen een asemke,
uw’ schaduw beneden.
gedaan zijn, en dan,
laat ze weer vrij, lijze
en koele, om de slapen,
laat ze verlost van
den arbeid en van....
u, groote hoeden,
een rustje gaan rapen!
21/5 ’97.
BUIGEN OF BERSTEN
ootmoedig neêrgestopen;
terwijl de wind, den afgrond van
zijn diepe longen open,
gevaren komt, door bilk en bosch;
en, bruischende in de boomen,
losbandig, al den gruwel van
zijn’ gramschap heen laat stroomen.
den bodem diepe, en, weren
en zal de wind hun sterkheid noch
hunne oude stammen deren;
ze zuchten en ze stenen wel,
ze roepen en ze razen,
maar wederstaan, zoo willen ze, en....
dat durven ze, die dwazen!
in de eerde neêrgegrepen
als ankers, die gebonden staan
doen ijzervast de schepen;
ze ’n buigen niet. Hun hoofdgewaai
scheurt af en weg: om ’t even,
en zullen noch en willen ze, en
voor wie dat ’t zij, begeven.
voorover, neêrgedwongen;
verplettert en vernietigd haast.—
De wind komt losgesprongen
en, stampende op dat ligt.... „Zoo wel
den naasten als den versten,...
die boomen daar zal ’k buigen doen,
of willens nillens bersten!”
Geen hersendolle koeien
en kunnen, zoo de wind nu doet,
zoo ongedoevig loeien.
Ei! poffen nu, en paffen gaan
de pezen af, en kraken
de wortels: als geweren zijn ’t,
die dood en donder braken.
bij honderden, te perre,
ter aarden uitgeheven, en....
de boomen zijn omverre,
de teenen in de lucht; tot in
den vasten grond gezonken,
verdwijnt, al even slaggelings
hun’ kroone, in de elzentronken.
allengskens stilt het weder,
en legt het, op de rompen van
geroeide boshout, neder
zijn grimmigheid. Een slagveld is ’t
vol lijken. Ongeschonden,
zoo staan de jonge stammen daar
nog, al die buigen konden.
22-23/5 ’97.
CYTISUS LABURNUM
gereesemd, al omleegewaard
eenvervig, en van goude fijn,
des goudenregens blommen zijn.
van lijve, en recht een regenval
gelijken zij, van goude,... neen,
van zijde en licht en edelsteen,
zoo geluw, in geen blommenstad;
’t is geluw, naast aan ’t groen,... ’t en doet,
’t is groen, ten geel’wen uitgezoet.
de goudenregens opengaan,
de duisterheid van ’t groen verdwijnt,
„het regent en de zunne schijnt.”
uw vlagen gaan van goude, en gij,
o gulden regen, al te broos
van leven zijt ge, en tijdeloos!
of twee, dat wij u open zien:
zoo derf is dan uw dood gelaat,
als kaf, daarop de vlegel slaat!
de stervenstijd van allen is
gekommen: geen een blomme en kan ’t
meer houden: ’t goud is uitgebrand.
het jaar, zoo heet gij regenval:
doch regenval van goude, aleer
het meien zal, en zijt gij meer.
weêromme, en tend de hoven, frisch,
vol goudeware en zonneschijn
geregend door uw’ blommen, zijn.
24/5 ’97.
GIERZWALUWEN
(Cypselus Apus)
zie! zie! zie!
zie!! zie!! zie!!
zie!!!”
zwaluwen,
twee- driemaal
drie,
zwierende en
gierende:
„Niemand, die...
die
bieden den
stiet ons zal!
Wie? wie? wie??
wie???”
kriepende,
zwak en ge-
zwind;
haaiende en
draaiende,
rap als de
wind;
wiegende en
vliegende,
vlug op de
vlerk,
spoeien en
roeien ze
ringsom de
kerk.
zweven ze, en
geven ze
bucht;
hooge nu
hemelt hun’
vlerke, in de
lucht:
amper nog
hoore ik... en,
die ’k niet en
zie,
lijvelijk
zingen ze:
„Wie??? wie?? wie?
wie...”
25/5 ’97.
PASCENT IN ÆTHERE CERVI
VIRG.
en zal ’t geen rijspap regenen;
maar, is de tijd daar, Tone, ton,
sta vast, en valt aan ’t lepelen.
mag iedereen verwachten, en
zoo ’t al gebeurt dat beuter mag[1],
de koeien kunnen kachtelen!
Kortrijk, 25-26/5 ’97.
[1] Var. II, 3: Zoo ’t al gebeurt dat beuren kan.
DE SPERRETAKKEN
den boom, alsof hun blâren
gestorven, over langen tijd
aan jeugd en jonkheid waren;
maar, al zoo zaan de zomer komt
herzie ’k hun verste vingeren
met jeugdig groen en zappigheid
den ouden boom omslingeren.
omtrent het bol; en neven
het bol, zijn zwart de takken, die
maar tendenwaards en leven:
het oude draagt het nieuwe dat
nog jong is; maar van dagen
ook oud geworden, beurtelings
zal ’t oude ’et nieuwe dragen.
voorzichtig, jonge spranken;
’n laat u niet verleiden, om
te vroeg u vrij te danken
van ’t oude: uit de oude grauwte van
de schiergestorven boomen
zal nieuwgeboren schoonheid eens,
en sterkte, henenstroomen.
30/5 ’97.
SAMBUCUS NIGRA. L.
dat ik, u voorbijgeschoren,
henenvare, in ’t snelgerij,
overal ontmoet gij mij;
overal voorbij mij drijven
zie ’k uw witte blommenschijven.
schijnen u, met welbehagen,
toevertrouwd; en evengoed
’s avonds u de zonne groet,
als des vroegen morgens. Edel
groen zijt gij, van lijf en schedel.
met u uit den grond gerezen,
door ons volk u toegedicht,
dat, voor mij, in ’t donker ligt:
iets dat overal uw’ twijgen
vrijdom laat, en woonsteê krijgen.
of, gij zijt erin geschoven,
eens of anders, hier en daar
staat gij, vlienderboom, entwaar:
bachten ’t huis, aanzijds het water,
zoo daar iet kan staan, gij staat er!
looverschaduwe en, ’t en ware
versch, ten gronde nieuw gemaakt,
’t steenen huis daar Turk in waakt,
verre niet van ’t messingbekken,
vlienderboom, uw vlerken dekken.
van den weg, daar ’t water, tenden
’t hofgat, hier en daar gedekt
met een brugge, zijwaards strekt,
ringsom de oude mote, schoone
spant ge alweêr uw’ looverkroone
is ’t, om zien, hoe al uw platen
vlakke witheid stijgen op,
trapwijs, naar den esschentop,
die daar staat,—hij zonder blommen—
treurig, in den wind te brommen.
wagenbossen voor ’t vernielen
van de zonne; en meermaals is
’t kindervolk een kerremis,
als gij ze, aan uwe armen, zwingen
luide laat, en liedtjes zingen.
zwartgezunde beiertrossen,
wijn daaruit, en zoetigheid,
heengedaald en toebereid
voor die ziek zijn, doen de lieden
altemale, u eere bieden.
meer als om de dienstbaarheden
uwer goedheid, wel bekend:
gij waart heilig; u omtrent
biechtte men, te lijzer spraken,
’t geen men wilde onweetbaar maken.
in de groote steên, die leeren
dat het zwammen zijn, gedaan
net als ooren, die u staan
om den lijve; maar, zij droomen:
ooren hebt gij, vlienderboomen.
dicht het volk; „en, wat men dwonge,
menschenmond en zou verraân,
’t gene in de oore u is gedaan
diepe, en toevertrouwd”. Nog roeren
hoort me’, in ’t Dietsch, van zulker voeren.
blijft maar vast de takken dragen
uwer schoonheid, houw en trouw,
naast des Vlamings hofgebouw,
nijgt uw’ blom- en bezieschijven.
Houw en trouw zal Vlanderen blijven.
26/6 ’97.
BIGNONIA CATALPA. L.
onthier een amerij, deed ’t immer aan;
nu zijn de scherpgepinde zonnesprieten,
na lang geweld, de wolken doorgegaan:
’t geluchte is los, in tween zijn al de banden,
die lijndoek om geheel den hemel spanden.
onzichtbaar, zichtbaar nu, en bloot, alom
geworden, geuten giet van licht en leven
in ’t blauwe van den blauwen hemelkom!
’t Slaan bliksems in de lucht, en louter sprangen
van reinboogverwe omtrent de boomen hangen.
dat ’t perels overal aan ’t leken gaat;
in ’t groen catalpaloof hij, heengevaren,
de schaduwe en de takken openslaat
daaronder ik nu zitte en asem hale,
nu zuchtte[1], in de al te heete zonnestrale.
midbâmesse en midlente is ’t, almedeen;
op ieder lapken loofs er blommen blaken,
aan ieder taksken hangt er edelsteen,
dat, geluw, groen, en rood en blauw, van boomen
vol bleuzende appels doet, en peren, droomen.
schoon nauwe ik zitte en zie, dat ’t anders niet
als lekend loof en is, en scherpe schooven
van stralen, die daarin de zonne schiet:
’t is alles even vrij, van verwe en voege,
of Adams paradijs weêr opensloege.
geschonken, onder u, Catalpa schoon;
de hand die u daar zette ’et welzijn weze
gegeven van Gods ongekenden loon!
En, zie ’k u zelden weêr, in later tijden,
uw zijden zeildoek zal een ander blijden.
Kortrijk, 19/8 ’97.
[1] Var. III, 6: en zuchte.
BEZIET DIE BOOZE KATTE
zij nalijks nijpt heure oogen toe.
Nu mijdt u, muiske meest van al:
die blende katte u pakken zal!
Het muiske en ha’ geen acht en het,
in een-twee-drie, is opgefret.
29/8 ’97.
’T IS STILLE
en weerom wordt het avond;
het zonnelicht is henen, ’t is
een ander’ land nu lavend.
’t Is stille, stille.... zoetjes vaart
dat roerde alom, te rustewaard.
4/9 ’97.
HET GULDEN VLIES
De blaren vallen: grond en gras
zijn effen, van den wind die waait
vol zilver en vol goud gezaaid.
als wijlen, toen de lente teer,
en ’t jonge jaar zijn herte ontlook,
de weiden en de bosschen ook.
maar ’t houtgewas men scheren ziet;
en ’t scherpe van de windenschaar
aan ’t knippen is in ’t houtgeblaar.
nu honderdduizend bladeren,
die reuzen af de rijzekens,
zoo lustig en zoo lijzekens.
dat altemaal gesneden wordt;
dat af en dóór de schare moet,
zoo ’t al, en te elken jare doet.
en reeuwroofde op het wangedrocht,
aanschouwe ik al mijn leven lang,
als wangeloove en kwenenzang.
den weg dien ik nu ga vermooit,
dat menigvuldig boomverlies,
voorwaar dat is mij ’t gulden vlies.
doorschoten van den zonneschicht,
onmeetbaar, verre, één schapendracht
van ooienwolle en lammervacht.
van louter liefdebengelkens,
die zijde en wolle en gouden blaân
doen liggen, daar ze spelen gaan.
het roert en ’t ruischt, ’k en weet niet hoe;
en ’t riekt, alsof er reuke fijn
van amber uit zou dampend zijn.
geen stap mij ooit zoo zoete en was
als dien ik eens, in Ipersteê,
deur de afgevallen blâren deê!
Kortrijk, 26/10 ’97.
HEBT MEÊLIJEN
den bast hun ongeschonden;
bewaart ze voor de nijdigheid
der kwade nagelwonden;
geen onbermhertig menschenkind
ze dood en kwelle: geeft
de vrijheid aan des scheppers hand,
die in hun lenden leeft.
ontmooit gij mij de vrome,
de vrije en blije boomen, die ’k
zoo geren tegenkome
omtrent uw huis en hof, o gij,
dien God met herte en oog
heeft toegerust, om hem te zien
in ’t heerlijk boomvertoog.
van kappen en van kerven,
gehamerd om den esschenboom,
den esschenboom bederven,
daaraan het hekken vastgehaakt
de bilken sluit, en ’t vee
belemmert, dat zijn vulte zoekt,
en voedsel, in de wee.
in ’s dwingers booze handen,
die nooit geen duimbreed af en laat
zijne ijzervaste banden,
maar spannende en onroerbaar, al
dat leeft en roert in ’t lijf
der boomen, doet misdragen tot
een eerloos wanbeklijf.
doorhakkeld en dooreten,
vol krammen en vol haken staan
gespijkerd en gesmeten;
die werken zoo Gods wet hun wijst,
die tranen en die bloên,
o mensche, om eenmaal vrij te zijn
van al u dertel doen.
de wortelvaste boomen?
En vreest gij dat zij henengaan
en meê met ’t water stroomen;
of vliegen in de lucht, omdat
gij scherpe draden spint,
en lange reken boomen al
in snijdend garen windt?
dat, schier nog ongeboren,
het hout alreê geknipt moet zijn,
geschonden en geschoren;
dat ’t, galoos en tot alles dat
het niet en is, gepraamd,
wordt „gloriette” en „pyramide”,
en „espalier” genaamd!
hun schoonheid ongeschonden,
die schoonder is, onaangeroerd,
onvast en ongebonden,
zoo God ze liet gewassen zijn,
gewonnen en gebaard,
als al hetgene gij, o mensch,
verzint en hebt vergaard.
Kortrijk, 1/11 ’97.
DE LEYE
van staal ze zou bedegen,
van louter staal en stijfheid zijn;
zoo blauw en, allerwegen,
zoo glad is en zoo effen en
zoo bloot zij nu. De winden
en roeren niet of, roeren ze,
geen speur en is te vinden,
geen asemtje op de Leye ervan,
die staal is, onberoerd,
en alletwee mijn oogen tot
aan Harelbeke voert.
niet af nu, en heur plasschen
en komt tot vóór mijn voeten niet
den trakelwegel wasschen;
ze ’n slaat geen witte kladden op
en neere, alzoo de rossen
die, schuimende, in de stringen van
de wagens hossebossen:
maar stille ligt en lusteloos
ze omleege.... stille staat
er tusschen in, het maantje dat
zijn schapen gadeslaat.
en gansch het: tusschen beiden
kan hofgebouw en boomgewas
ik zien en onderscheiden,
die omgekeerd in ’t water staan,
zoo schuren doen en schelven
en schepen uit de Zuiderzee
vol vlas—en ’s luchts gewelven,
die zeggen: „Komt en kijkt, o mensch,
naar ons, met al uw macht,
ge’n kunt niet dat de Leye kan,
bij ’t vallen van den nacht!”
7/11 ’97.