Hoofdstuk X: De Romanceros of Balladen (vervolg).
Daar was rumoer in Granada, des avonds bij ’t gebed:
Want de één riep de Drieëenheid aan, de ander Mahomed;
Hier stierf een trouwe Moor—daar werd een Christenkind geboren;
Hier klonk de Christenkerkklok en daarginds de Moorsche horen.
Deze regels geven ons een duidelijk beeld van de verwarring, die volgde op de vlucht der Mooren uit Granada, de laatste vesting der Saracenen in Spanje; deze stad werd ingenomen door het zegevierende leger van Ferdinand en Isabella op den zesden Januari 1492, het jaar van de ontdekking van Amerika. Het verdere gedeelte der ballade is vrij onbeduidend, en dus zullen wij er niet langer bij stilstaan.
Don Alonzo de Aquilar.
Na den val van Granada beijverden Ferdinand en Isabella zich, om de Mooren uit deze provincie tot het Catholicisme te brengen. De meesten der overwonnen heidenen gehoorzaamden, ten minste uiterlijk, aan het koninklijk decreet; maar in de Sierra van Alpuxarra bleef het onder de Mooren gisten, en zij weigerden den doop te ontvangen uit de handen der priesters, die gezonden waren om hen te bekeeren. Ten slotte werd er een koninklijk bevel uitgevaardigd, dat de onwilligen met geweld van wapenen moesten worden gedwongen tot het ondergaan van de plechtigheid. De Mooren boden eenigen tijd weerstand met den koppigen moed, die hun ras eigen is, maar ten slotte werden zij onderworpen en bijna uitgeroeid. Hun ondergang ging echter gepaard met zware verliezen aan de zijde van hunne quasi-weldoeners, onder wie één der voornaamsten was Don Alonzo de Aquilar, de broeder van Gonzalvo Hernández de Cordova de Aquilar, die wijdvermaard was onder den naam van »Den Grooten Kapitein«. Maar de ballade houdt zich niet aan de historie, want zij laat Aquilar sterven vóór den val van Granada, terwijl hij in werkelijkheid eerst in 1501 is gestorven. Fitzmaurice Kelly besluit hieruit, »dat de romance eerst geschreven werd, lang nadat de inneming der stad plaats greep, toen de bijzonderheden reeds vergeten waren.« Maar waarom zouden wij een geheel volk laken om iets, dat misschien een lapsus memoriae is geweest van een enkelen balladeschrijver? En zou Kelly één enkele ballade kunnen aanwijzen, die uit het volk is voortgekomen, en waarvan de bijzonderheden den toets van een nauwkeurig geschiedkundig onderzoek kunnen doorstaan?
Lockhart geeft van deze ballade een vertaling, die, zooals dat meestal met hem het geval is, goed begint, maar eindigt in een bewerking, die zoo goed als geen overeenkomst heeft met het Spaansche origineel.
Fernando, Spanje’s hooge vorst, ligt voor Granada’s wallen
Met alle grandes van het land, met heel zijn staf vazallen;
En met Castilië’s ridderschaar in al haar hoofsche pracht,
Jaagt hij Boabdil van de poort, verslaat diens legermacht.
Wij komen nu tot een serie gedichten, die door Lockhart
De Moorsche Balladen
worden genoemd. Wij hebben het vraagstuk van de meerdere of mindere »Moorschheid« dezer balladen reeds besproken, en wij zullen ze dus nu slechts als balladen zonder meer beschouwen. De eerste, Het Stierengevecht van Ganzul, is een beroemd gedicht, waarin de vaardigheid van den Moorschen ridder Ganzul in de arena beschreven wordt; deze ballade draagt een beslist Moorsch karakter:
Almanzor, Vorst van Granada, riep met trompetgeschal,
De eedlen samen uit zijn rijk, van heuvel en uit dal.
Van Vega, Sierra en Xenil, van vlakten en uit ’t woud,
Met helm en met kuras van staal en van gedreven goud.
— — — — — — — — — — —
Acht dappre ridders uit het land houden zich nu bereid,
Wanneer de woeste stieren dan, aanstormen tot den strijd;
Maar vóór de zon ten middag stijgt, ligt elke Moorsche held
Reeds in het zand, want door den stier werd hij terneer geveld.
Dan dreunt de zware roffel, en dan klinkt de schelle horen;
»Maakt plaats, maakt plaats voor Ganzul!«... de ridder treedt naar voren.
Nog feller raast de trommel; laat luid den horen schallen:
D’Alcaydé van Agalva komt, de dapperste van allen!
Hij verslaat de stieren, die op hem worden afgezonden, met uitzondering van Harpado, een woest, maar verstandig dier.
Zijn donkre huid glanst in de zon, daaronder kookt het bloed;
Zijn felle oogen, wit omringd, zij stralen vuurgen gloed,
Als hij het strijdperk binnenraast in ongetemde vaart,
Dan gloeien zij in woesten glans als hij den held ontwaart.
Maar de trotsche Harpado moet het afleggen tegen den Moorschen ridder, die het onderwerp is van zoovele verhalen, die vooral betrekking hebben op zijn liefdesverhouding met een Moorsche schoone.
De Bruid van den Zegri.
Dit is een ballade, die tot onderwerp heeft de veete tusschen twee Moorsche families in Granada, de Zegris en de Abencerrages, de Montagues en Capulets uit de laatste Moorsche stad, waarvan de val ongetwijfeld verhaast werd door de voortdurende twisten dezer adellijke geslachten.
Lisaro is het trotsche hoofd van Zegri’s hoog geslacht;
Geen is er, die de werpspies voert met zulk een groote kracht.
Vanuit zijn grondgebied rijdt hij nog vóór de dageraad
Van Alcala de Henares in somber rouwgewaad.
De jonge Zegri, zoo verhaalt de ballade, is gekleed voor den strijd, niet voor een plezierrit of een optocht. Hij draagt dan ook een donkere wapenrusting, en zijn paard is in sombere kleuren opgetuigd, zoodat hij onopgemerkt door het vijandelijk land kan trekken:
Zijn gordel en ’t gevest zijn zwart, maar glanzend is zijn zwaard;
Zwart zijn het kleed en ’t zaâl, maar licht de hoeven van zijn paard.
Lisaro draagt op zijn muts een lauriertakje, dat zijn geliefde, Zayda, hem gegeven heeft:
En telkens keek hij naar de bloem, die hem zijn liefste gaf...,
»God weet, of ik niet heden nog zal rusten in mijn graf.«
Maar hij blijft in het leven, en verovert zijn bruid, zooals wij lezen in het korte slotcouplet:
De jonge edelman rijdt voort, maar na een korten tijd
Treft hij den vijand op zijn pad, en fel ontbrandt de strijd.
De Zegri vocht den ganschen dag met woede om zijn bruid,
En zegevierend voerde hij haar weg als oorlogsbuit.
De Bruiloft van Andella.
Deze kleurrijke ballade is waarlijk Oostersch getint:
Sta op, sta op, Xarifa, kom aan het vensterraam,
Zie naar de bonte vlaggen, met heel de stad tezaam;
Hoor naar de zilv’ren tonen van de luiten en guitaren,
Naar ’t schetterend trompetgeschal, en ’t lieflijk spel der snaren,
Zie naar de bonte vaandelpracht van venster en balkon,
En naar des bruigoms vederbos, die wappert in de zon.
Sta op, sta op, Xarifa, kom aan het vensterraam,
Zie naar de bonte vlaggen, met heel de stad te zaam.
Maar de jonkvrouw wilde niet kijken, want Andella, de bruidegom, had zich trouweloos tegenover haar gedragen. De ballade-literatuur is niet bepaald een getuigenis van menschelijke standvastigheid. In het land der balladen wemelt het van ontrouwe jongelingen, zwarte en witte, hoog- en laaggeborenen. Wellicht werd de Engelsche wet op het verbreken der trouwbelofte ontworpen door een taalgeleerde, die bijzondere studie van de ballade gemaakt heeft; hoe het zij, deze wet schijnt een einde te hebben gemaakt aan het schrijven van balladen, waarschijnlijk omdat zij de voornaamste voorwaarde daarvoor heeft weggenomen.
Zara’s Oorringen.
Deze ballade draagt het karakter van een volkslied. Misschien is zij van Moorschen oorsprong, maar schijn bedriegt wel eens. In ieder geval is zij bekoorlijk genoeg om gedeeltelijk te worden weergegeven.
»Mijn oorringen, mijn oorringen, zij vielen in de bron,
Wist ik maar, wat ik Muça, mijn liefste, zeggen kon!«
En stil en treurig hoorde zij naar ’t zacht fonteingeklater.
»Zij liggen in de diepe bron, in ’t koude, blauwe water.
Hij gaf ze mij bij het vaarwel, en kuste mij zoo teêr,
’k Weet niet, wat ik hem zeggen moet, komt hij eens tot mij weer!«
Het meisje besloot eindelijk tot het beste, wat zij in de gegeven omstandigheden doen kon, nl. de waarheid te zeggen. Er bestaan talrijke romances over dezen Muça, die van hooge geboorte schijnt te zijn geweest, evenals Celin of Selin, aan wien Lockhart en Depping ook eenige bladzijden gewijd hebben.
Romantische Balladen.
Wij zijn nu gekomen aan de romantische balladen, de derde en laatste rubriek van Lockharts verzameling. Over »De Moor Calaynos« hebben wij reeds gesproken, evenals over »Gayferos« en »Melisendra«. Daarop volgt »De Droom van Vrouwe Alda,« volgens Lockhart een van de schoonste balladen van Spanje. Ik kan mij met dit oordeel niet vereenigen en geef verre de voorkeur aan »Admiraal Guarinos,« dat in een mooi en martiaal rhytme is geschreven. Guarinos was een admiraal van Karel den Groote. In het laatst der vorige eeuw was de toestand van de Britsche zeemacht een onderwerp van de allergrootste belangstelling onder alle lagen der maatschappij; en toen de schrijver van dit werk in zijn jeugd de ballade »Guarinos« las, maakte hij zich dan ook zeer bezorgd over de tuchteloosheid, die er stellig moest hebben geheerscht bij de Frankische vloot, gedurende de gedwongen afwezigheid van den opperbevelhebber Guarinos, die te Roncevalles door de Saracenen gevangen genomen was. Koning Marlotes, in wiens macht hij zich bevond, behandelde hem op hoffelijke wijze, maar wilde hem dwingen, den Islam te omhelzen, onder de belofte, dat hij hem dan zijne beide dochters ten huwelijk zou geven. Maar de admiraal wilde zich niet laten omkoopen, en weigerde tot den Mohammedaanschen godsdienst over te gaan. Marlotes kreeg dientengevolge een van die hevige driftbuien, die het bijzondere voorrecht schijnen te zijn geweest van Oostersche potentaten, en hij gaf bevel, dat Guarinos in den diepsten kerker van zijn kasteel zou geworpen worden.
Het was een Moorsch gebruik, de gevangenen drie keer per jaar uit hun kerker in het daglicht te brengen, tot vermaak en stichting van het volk. Bij één dezer gelegenheden, op het feest van Johannes den Dooper, had de Koning een groote schietschijf laten oprichten, waar de Moorsche edelen onder door moesten rijden, terwijl zij trachtten, haar met hunne speren te doorboren. Maar de schijf was zóó hoog geplaatst, dat het geen hunner gelukte, en de Koning, die ontevreden was over hun gebrek aan vaardigheid, weigerde het feestmaal te doen beginnen, voordat de schietschijf doorstoken was. Guarinos beroemde er zich op, de proeve van zijn behendigheid te zullen afleggen, en hij verkreeg de koninklijke toestemming, het te probeeren. Men bracht hem dus de wapenrusting, die hij in zeven jaren niet gedragen had, en zijn oud strijdros.
Zij gespten hem het harnas om, en reikten hem de speer,
Zij plaatsten den helm hem op het hoofd, zoo mager en zoo teer.
En zij brachten hem zijn liefste paard uit lang vervlogen tijd:
Zóó wachtte hij dan aan de poort, gereed weer tot den strijd.
Guarinos fluisterde iets in het oor van het oude paard, en het herkende de stem van zijn meester.
Zacht streelde hij het oude ros, licht sprong hij in het zaâl,
En reed, tot waar Marlote zat, in vorstelijke praal.
Maar schamper lachte toen de Moor: »Heer Ridder, wees gegroet!
Rijd naar uw doel, gij dappre held, en toon ons nu uw moed!«
Hoog hief Guarinos toen zijn lans, reed naar den Moorschen vorst,
En met een enklen forschen stoot, doorboorde hij diens borst.
Rijd snel, Guarinos, vlucht toch snel! rijd! vechtend voor uw leven,
Ginds ligt het schoone Frankenland, dat vrijheid u zal geven!
Er schijnt eenig verband te bestaan tusschen deze ballade en de Fransche romance »Ogier de Deen,« en Erman vertelt ons, dat zij in 1828 in Siberië in het Russisch gezongen werd.
Graaf Arnaldos.
Deze mooie ballade, die in de Cancionero van Antwerpen (uitgegeven in 1555) voorkomt, verhaalt, hoe Graaf Arnaldos op zekeren morgen langs het strand wandelde, en getroffen werd door het geheimzinnige gezang van een matroos, die zich op een voorbijvarende galei bevond.
Moge ’t oog verlangend stralen,
Moge ’t hart vergaan van wee,
Nooit zal meer een stervling hooren
’t Lied, dat opstijgt uit de zee.
Bij het zingen van den zeeman
Kwam de woeste storm tot rust,
En de aarde lag te droomen
Als een maagd, in slaap gekust.
Helder lichtend rees de zeester
Uit haar duister kil gebied
En de adelaar bleef zweven
Als betooverd door het lied.
»In den naam van God, den Schepper,«
Kreet Arnaldos, droef en bang,
»Oude man, ach, wil mij leeren
Het geheim van uwen zang.«
»Graaf Arnaldos! Graaf Arnaldos!
Kom aan boord, vaar met ons mee,
Want de zee kan u slechts leeren
De geheimen van de zee.«
Vele kleinere balladen volgen dan, die niet belangrijk genoeg zijn, om hier te worden weergegeven. Een bekoorlijke »Serenade,« overgenomen uit de Romancero General van 1604, is zeker niet het werk van een eenvoudigen boer.
Alle sterren stralen
Aan den hemeltrans
In den stroom zich spieglend
Met verhoogden glans.
Kom zoele zuiderzucht,
Maar laat geen wolkje komen,
Verduisterend de lucht,
En Zara’s teedre droomen
Jagend in ijle vlucht.
»De Gevangen Ridder en de Merel«
verhaalt ons de droefheid van een krijgsman, die in zijn diepen kerker niet bemerkt, hoe de jaren wisselen en hoe de maan wast en afneemt:
Ach, droefenis woont in mijn hart, hoe schoon de Mei ook straalt,
Ik weet niet, dat de dag ontwaakt, en dat de avond daalt;
Eéns zong een blijde vogelstem bij ’t rijzen van de zon;
Dan wist ik, dat de nacht verdween, en dat de dag begon.
Een wreede hand had de merel gedood, die de vreugde had uitgemaakt van den armen gevangene. Maar de Koning hoorde zijn droeve klacht, toen hij langs den kerker wandelde, en hij gaf den ongelukkige de vrijheid terug. Wij zullen het droefgeestige »Valladolid« voorbijgaan, dat een beschrijving geeft van het bezoek van een ridder aan het graf zijner geliefde, die in deze stad gewoond had. »De Ongelukkig-Getrouwde Vrouw« verhaalt het leed van een dame, wier echtgenoot haar ontrouw is, en die zich met een anderen ridder troost. Zij worden verrast door haar heer en gebieder, en zij vraagt hem, alsof het vanzelf spreekt: »Moet ik vandaag nog sterven?« en zij smeekt hem, haar onder de oranje-appelboomen te begraven. De romance vertelt ons niet, of haar laatste wenschen vervuld werden, noch of zij ter dood gebracht werd, maar voor een Spaansch publiek der zeventiende eeuw was dit waarschijnlijk zóó vanzelfsprekend, dat het onnoodig was, het nog te vermelden.
»Dragut« geeft het verhaal van een beroemd zeeroover, wiens schip in den grond geboord werd door een galei, behoorende aan de Maltezer Ridders. Dragut ontkwam aan den dood door naar de kust te zwemmen, maar de Christen gevangenen, waarmede zijn boot volgeladen was, verdronken allen, met uitzondering van één, wien de ridders een touw toewierpen.
Het was een ridder uit een edel Spaansch geslacht,
Die lang gezucht had onder Saraceensche macht.
Gedwongen door den wreeden Moor met ijzren hand,
Op zee galeislaaf, en een tuinmansknecht aan land.
De romancero: »Sale la estrella de Venus« verhaalt een tragische geschiedenis. Een Moorsch krijgsman, die de stad Sidonia ontvlucht was om de wreedheid zijner geliefde, die hem bespot had om zijn armoede en haar hand aan een ander geschonken had, vervult de lucht met zijn droeve klachten. Hij vervloekt de trotsche en wreede jonkvrouw, die hem zoo gegriefd heeft. Waanzinnig van smart begeeft hij zich naar het paleis van den Alcade, met wien de trouwelooze schoone dien avond in het huwelijk zal treden. Het gebouw schittert in een zee van licht, en is vervuld van vroolijk gezang.
En de gasten gaan opzijde,
Als hij voortschrijdt als een vorst.
Wee! hij nadert den Alcade
En doorsteekt diens trotsche borst.
Ach, het bloed uit diepe wonde
Kleurt het vorstelijke kleed.
Het paleis weergalmt van klagen,
Angstgeschrei en wanhoopskreet!
En terwijl de bange klachten
Nog weerklinken in de lucht,
Is de ridderlijke wreker
Naar Medina reeds gevlucht.
Wij hebben nu ieder type der Spaansche balladekunst min of meer uitvoerig behandeld, en gezien, dat over het algemeen de domineerende toon romantisch en ernstig is, een gevolg van de gemoedsgesteldheid van een trotsch en fantasierijk volk. Ook zagen wij, dat tal van deze gedichten iets typisch Spaansch hebben, en dus raseigenschappen vertoonen. »Arm Spanje!« Hoe menigmaal hooren wij deze uitdrukking gebruiken door menschen van het Angelsaksische ras! Zij vergissen zich. Wat beteekent materieele armoede voor een volk, dat begaafd is met zulk een heerlijke verbeeldingskracht? Arm Spanje! Neen, rijk Spanje, schatkamer van een onuitputtelijken rijkdom aan overleveringen, van de kostbaarste juweelen der romance, van het drama en van het lied!