Hoofdstuk XI: Moorsche Romances uit Spanje.
Het spreekt vanzelf, dat dit meer romances over Mooren zijn dan door Mooren geschreven, want het zijn eigenlijk Spaansche volkszangen, die Saraceensche onderwerpen behandelen, of den tijd der Saraceensche overheersching beschrijven, en niet, zooals men wellicht zou meenen, overleveringen geput uit oude Arabische manuscripten. De Arabische letterkunde van Spanje draagt eerder een didactisch, theologisch en philosophisch, dan een romantisch karakter. Het verdichtsel was voornamelijk het gebied van den rondtrekkenden zanger, zooals het dit ook nu nog in het Oosten is; en het staat vast, dat vele Moorsche legenden en verhalen rondgingen onder de Spaansche boerenbevolking, speciaal in de zuidelijkste gedeelten van het Schiereiland. De verzamelaars hebben echter niet veel aandacht geschonken aan deze gedichten, waarvan de meeste ook weinig belangrijk zijn. Maar de weinige romances, die opgeschreven zijn, bekoren ons door haar groote schoonheid en glans. De belangrijkste verzameling overleveringen van de Mooren in Spanje, is ongetwijfeld die van Washington Irving, de Vertellingen uit het Alhambra. Hij verklaart zelf, dat hij deze »met groote toewijding gestalte en vorm heeft gegeven naar aanleiding van de verschillende vage aanduidingen en verhaaltjes, die hij op zijne vele voetreizen verzameld heeft, zooals een oudheidkundige een historisch document opbouwt uit enkele verspreide letterteekens van een bijna uitgewischt opschrift.« De eerste van onze Moorsche legenden zal ik dus navertellen uit de wondere bladzijden van den grooten Amerikaanschen schrijver.
De Arabische Sterrenwichelaar.
Aben Habuz, Koning van Granada, mocht zeker wel aanspraak maken op een rustigen ouden dag. Maar de jonge en strijdlustige vorsten, wier landen aan zijn gebied grensden, waren niet van plan hem de verschrikkingen van den oorlog te besparen; en ofschoon hij alle mogelijke voorzorgen nam, opdat zijn rijk gevrijwaard zou zijn tegen de invallen dezer heethoofden, vervulde de voortdurende bedreiging van een aanval van één hunner, en de telkens terugkeerende binnenlandsche woelingen, zijn ouden dag met angst en ergernis.
Gekweld en verontrust, zocht hij een raadsman, die hem zou kunnen helpen zijn positie te versterken. Maar onder de wijzen en edelen aan zijn Hof ontmoette hij zulk een grove zelfzucht en gebrek aan vaderlandsliefde, dat hij er niet toe besluiten kon, één hunner zijn vertrouwen te schenken en hem in te wijden in zijne staatszaken. Terwijl hij zijn vereenzaamd bestaan overdacht, kwam men tot hem met de mededeeling, dat een Arabisch geleerde in Granada was aangekomen, wiens groote wijsheid en scherp verstand in het geheele Oosten spreekwoordelijk was. De naam van dezen geleerden Brahmaan was Ibrahim Elben Abu Ajib, en er werd gefluisterd, dat hij geboren was in den tijd van Mohammed, en de zoon was van een van diens persoonlijke vrienden. In zijne kinderjaren had hij het leger van Amru, den generaal van den Profeet, op zijn veldtocht naar Egypte begeleid, en hij was gedurende eenige eeuwen in dat land gebleven, waar hij zijn tijd had gebruikt voor de studie van die verborgen wetenschappen, waarin de Egyptische priesters zoo doorkneed waren. Niettegenstaande zijn hoogen ouderdom (hij zag er inderdaad zeer eerwaardig uit), had hij den langen weg van Egypte te voet afgelegd, steunende op zijn staf, waarin allerlei geheimzinnige teekens gegrift waren. Zijn baard reikte tot aan zijn gordel, zijne doordringende oogen verraadden een bijna bovenmenschelijk verstand en inzicht, en zijn houding was waardiger en vorstelijker dan van den meest verheven Mullah in Granada. Men vertelde van hem, dat hij het geheim bezat van het levenselixir, maar daar hij dit slechts op lateren leeftijd verkregen had, moest hij erin berusten, dat hij het uiterlijk van een grijsaard had, ofschoon hij er reeds in geslaagd was, zijn bestaan te verlengen tot meer dan tweehonderd jaren.
Het verheugde Koning Aben Habuz zeer, in de gelegenheid te zijn, zulk een beroemd man gastvrijheid te verleenen, en dus behandelde hij hem met buitengewone onderscheiding, maar de geleerde Arabier was afkeerig van elken vorm van weelde, en hij installeerde zich in een grot van den heuvel, waarop later het beroemde Alhambra gebouwd werd. Hij liet deze grot zoodanig veranderen, dat zij geleek op het inwendige van de hooge tempels van het Egyptische rijk, waar hij zoovele jaren van zijn lang leven had doorgebracht. Door de natuurlijke rots, die het dak vormde, liet hij door den hofarchitect een lange buis slaan, zoodat hij vanuit zijn duistere verblijfplaats zelfs midden op den dag den loop der sterren zou kunnen volgen. Want Ibrahim was doorkneed in de studie van de wetenschap der hemellichamen, die driewerf edele kunst der sterrenwichelarij, die door de geleerden van alle eeuwen erkend wordt als de ware bron van alle goddelijke wijsheid, en die door de oppervlakkige waanwijzen van een lateren tijd veronachtzaamd is geworden. Maar slechts voor een enkelen dag in de eeuwigheid zal dit wondere en gouden boek op zij gelegd worden; nooit zullen zijne bladzijden, beschreven met geheimzinnige en duistere letters, geheel voor den mensch gesloten worden. De vreemde, kronkelende letters van de taal der wijzen, en de even geheimzinnige symbolen van het oude Egypte, versierden de muren der grot van den sterrenwichelaar, en omringd door deze hieroglyphen, en voorzien van den primitieven telescoop, dien wij beschreven hebben, bracht de wijze Ibrahim zijne dagen door met het ontcijferen van de geschiedenis der toekomst, die in de schitterende bladzijden van het uitspansel beschreven stond.
Het was niet meer dan natuurlijk, dat de ongelukkige Aben Habuz hulp zocht bij den wijzen en helderzienden sterrenwichelaar. Het duurde dan ook niet lang, of Ibrahim was hem onmisbaar geworden, en werd overal in geraadpleegd. Hij antwoordde steeds vriendelijk en stelde zijne wonderbaarlijke gaven geheel in dienst van den gekwelden vorst. Op zekeren dag beklaagde Aben Habuz zich bitter erover, dat hij voortdurend bedacht moest zijn op de aanvallen zijner strijdlustige buren. De astroloog bleef eenige oogenblikken in gedachten verzonken; toen antwoordde hij: »O, Koning, lang geleden heb ik iets wonderbaars in Egypte aanschouwd, gemaakt door een wijze priesteres van dat land. Ten Noorden van de stad Borsia verheft zich een reusachtige berg, waarop het beeld van een ram geplaatst is, waarboven een haan zetelt; beide beelden zijn van glanzend koper en draaien om een spil. Wanneer het land door een inval bedreigd wordt, keert de ram zich in de richting van den vijand, en de haan begint te kraaien. Op deze wijze zijn de inwoners van Borsia in staat, tijdig hunne verdedigingsmaatregelen te treffen.
»Konden wij maar iets dergelijks in Granada uitvinden,« riep de Koning uit, »dan zouden wij weder gerust ons hoofd kunnen neerleggen.«
De sterrenwichelaar glimlachte over den ernst van den Koning. »Ik heb u reeds verteld, o Koning,« zeide hij, »dat ik vele jaren in Egypte heb doorgebracht, en mij heb toegelegd op de verborgen wetenschappen van dat geheimzinnige land. Op zekeren dag, toen ik aan den oever van de Nijl zat, en van gedachten wisselde met een Egyptischen priester, sprak mijn metgezel, wijzende op de geweldige pyramiden, die hunne schaduwen wierpen op de plek, waar wij ons bevonden: »Mijn zoon, hier ziet gij deze bergen van steen, de gedenkteekenen voor Koningen, die stierven toen Griekenland nog in opkomst was, en er nog geen steen van Rome stond; alle kennis, die wij u kunnen schenken, is als een droppel water in den Oceaan, vergeleken bij de geheimen, die deze monumenten bevatten. In het hart van de Groote Pyramide is een doodenkamer, waar de mummie rust van een hoogepriester, die dit geweldige monument ontwierp en bouwde. Op zijn borst ligt een wonderboek, dat gewichtige toovergeheimen bevat; het is hetzelfde boek, dat Adam geschonken werd na zijn val en met welks hulp Salomon den tempel te Jeruzalem bouwde. Van het oogenblik af, waarop ik deze woorden hoorde, o Koning, had ik geen rust meer. Ik besloot, door te dringen in de Groote Pyramide, en in het bezit te komen van dit wonderboek. Ik vormde een klein leger uit soldaten van den zegevierenden Amru en uit geboren Egyptenaren, en begon het stevige gebouw te doorboren, waarin dat boek van onschatbare waarde verborgen was. Na onbeschrijfelijk veel moeite en arbeid gelukte het mij, de verborgen gangen op te sporen. Langen tijd doorzocht ik de labyrinthen der reusachtige pyramide, voordat ik bij de doodenkamer kwam. En tastende in de zwartste duisternis, terwijl ik telkens opgeschrikt werd door het geritsel der kleeden, waarin de mummies der Pharao’s gewikkeld waren, bereikte ik de heilige plaats, waar het lichaam van den hoogepriester in zijn strenge waardigheid lag. Ik opende de sarcophaag, ontdeed het stoffelijk overschot van zijne omhulsels, en vond het geheimzinnige boek, dat temidden van geurige kruiden en amuletten op de verschrompelde borst lag. Ik greep het, vluchtte terug door de duistere gangen en herademde eerst, toen ik den helderen Egyptischen dag en de vriendelijke groene oevers der rivier weder aanschouwde.«
»Maar wat heeft dat alles te maken met mijne moeilijkheden, o zoon van Abu Ajib?« vroeg de Koning geprikkeld.
»Ik heb u dit verteld, o Koning, omdat ik door middel van dit wonderboek de geesten van de aarde en de lucht kan aanroepen, en ik met hun hulp een talisman zal maken, zooals dien van den heuvel bij de stad Borsia.«
De sterrenwichelaar hield zijn woord. Doordat hij de beschikking kreeg over alle hulpbronnen van het koninkrijk, was hij in staat een hoogen toren te bouwen, boven op den heuvel Albayan. Op zijn bevel droegen de geesten groote steenen van de pyramiden van Egypte aan, en hieruit werd het gebouw opgetrokken. Op de bovenste verdieping maakte hij een ronde hal, waarvan de vensters in alle richtingen uitzagen, en voor elk venster plaatste hij een tafel, waarop als bij een schaakbord, houten soldaten waren opgesteld, ruiters en voetvolk, en de beeltenis van den vorst, die in die richting heerschte. Naast elke tafel lag een kleine speer, waarin tooverletters gegrift waren. De hal werd gesloten met een ijzeren hek, waarvan de sleutel door den Koning bewaard werd. Boven op den toren plaatste hij het bronzen beeld van een Moorsch ruiter, dat op een draaienden stang was bevestigd. Het droeg een schild en een speer, welke laatste hij loodrecht in de hand hield. Het beeld keek naar de stad, maar wanneer een vijand naderde, zou de ruiter zich naar hem toekeeren en de lans op hem richten, alsof hij hem wilde aanvallen.
Niettegenstaande zijn grooten afkeer van den oorlog, brandde Aben Habuz van verlangen, de deugdelijkheid van zijn talisman te beproeven. Hij behoefde niet lang te wachten, want op zekeren morgen bracht men hem de tijding, dat het gelaat van den bronzen ruiter naar de bergen was gekeerd, en dat zijn lans in de richting van den pas van Lope wees. Er werd oogenblikkelijk bevel gegeven, alarm te blazen, maar Ibrahim verzocht den Koning, de stad niet op te schrikken, en zijne troepen niet te mobiliseeren, maar hem te volgen naar de geheime hal in den toren.
Toen zij daar binnentraden, vonden zij het venster, dat op den pas van Lope uitzag, wijd open. »Aanschouw nu, o Koning,« zeide de astroloog, »het wonder van de tafel.« Aben Habuz keek naar de tafel, die bedekt was met de kleine houten ruiters en het voetvolk, en tot zijn groote verbazing zag hij, dat zij allen in volle actie waren, dat de krijgslieden hunne wapens zwaaiden, en dat de paarden hinnikten, maar deze geluiden waren niet sterker dan het gezoem, dat uit een bijenkorf opstijgt.
»Uwe Majesteit,« zeide de sterrenwichelaar, »indien U wenscht een paniek te veroorzaken onder Uwe vijanden, dan behoeft gij slechts met den knop van de tooverspeer op de tafel te slaan; maar wanneer gij dood en verderf onder hen wilt brengen, moet gij met de punt slaan.«
Aben Habuz greep de kleine lans en stootte deze in eenige der kleine figuurtjes, terwijl hij andere met de knop bewerkte. De eersten vielen voor dood op de tafel neer, en de anderen vielen in groote verwarring over elkander heen. Er werden bespieders uitgezonden, die zich ervan overtuigen moesten, of de werkelijke aanvallers inderdaad verslagen waren, en zij kwamen terug met het bericht, dat Christentroepen door den pas van Lope waren getrokken, maar dat zij onderling slaags waren geraakt, en in groote verwarring naar hun eigen land teruggevlucht waren.
De Koning was verrukt over het resultaat, en hij verzocht Ibrahim, zelf zijn belooning te noemen. »Ik heb slechts weinig behoeften,« antwoordde de sterrenwichelaar; »wanneer mijn grot wordt ingericht als een gepaste verblijfplaats van een philosoof, dan begeer ik niets meer.«
Verbaasd over deze groote bescheidenheid, ontbood de Koning zijn schatbewaarder, en hij droeg hem op, kennis te nemen van de wenschen van den sterrenwichelaar. De wijze verlangde, dat men een geheele reeks vertrekken in de rots zou uithouwen; en toen dit geschied was, gaf hij bevel, dat zij met de grootste weelde zouden worden ingericht. Vorstelijke ottomanes en heerlijke divans vulden alle hoeken, en de vochtige muren waren behangen met de kostbaarste zijden stoffen van Damascus, terwijl de rotsachtige vloeren bedekt waren met de schitterendste Perzische kleeden. Verleidelijke baden waren aangebracht, voorzien van de heerlijkste Oostersche reukwateren. De vertrekken werden verlicht door ontelbare zilveren en kristallen lampen, die Ibrahim vulde met een geurige en wonderbare olie, die voortdurend brandde, en niet kon worden uitgedoofd.
De schatbewaarder, die ongerust was over de verregaande verkwisting van den sterrenwichelaar, sprak den Koning erover aan; maar daar Zijne Majesteit zijn woord aan den wijze gegeven had, en hij diens verkwisting eenigszins had uitgelokt, kon hij moeilijk tusschenbeide komen, en hij kon slechts hopen, dat de inrichting der grot spoedig voltooid zou zijn. Toen de »kluizenaarswoning« eindelijk gevuld was met de weelde-artikelen van drie koninkrijken, vroeg de schatbewaarder, of de wijze tevreden was.
»Ik heb nog één klein verzoek,« antwoordde hij; »ik zou nl. gaarne eenige danseressen tot mijn beschikking hebben, om mij te verstrooien.«
Ofschoon de schatbewaarder verontwaardigd was over dezen eisch, volgde hij de bevelen van den astroloog op, en toen Ibrahim dus alles had gekregen, wat zijn hart begeerde, sloot hij zich in zijn onderaardsch verblijf op. Intusschen hield de Koning zich in den toren bezig met zijn houten soldaatjes, en daar de sterrenwichelaar niet bij de hand was, om zijn strijdlust te temperen, vermaakte hij zich met het verdelgen van legers, en het verslaan van geheele bataljons door een enkelen stoot met de tooverlans. Zijne vijanden waren zóó ontdaan over het lot van elken krijgstocht naar zijn gebied, dat zij tenslotte ophielden hem te bestoken, en gedurende vele maanden bleef de bronzen ruiter stil staan. Doordat Aben Habuz dus beroofd was van zijn liefste bezigheid, verveelde hij zich, en werd hij brommig. Maar op een goeden morgen bracht men hem het bericht, dat de bronzen ruiter zijn lans had gekeerd naar de bergen van Guadix.
De Koning begaf zich oogenblikkelijk naar den toren, maar op de toovertafel, die in de richting was geplaatst, waarheen de ruiter wees, bleef alles rustig. Geen houten soldaatje bewoog zich, geen paardje hinnikte. Aben Habuz zond een troep bespieders uit, en dezen keerden na verloop van drie dagen terug met de tijding, dat alles rustig was, en dat zij niets anders hadden gezien dan een Christen jonkvrouw, die bij een bron lag te slapen, en die zij gevangen genomen hadden.
Aben Habuz gaf bevel, de jonkvrouw bij hem te brengen. Haar trotsche houding en haar kostbare kleeding verraadden haar hooge afkomst. Op een vraag van den Koning antwoordde zij, dat zij een Gothische prinses was, en dat het leger haars vaders als het ware door een tooverslag in de bergen was uiteengejaagd.
»Wacht U voor deze vrouw, o Koning,« fluisterde de astroloog, die naast hem stond; »het schijnt mij toe, dat zij een toovenares is, die hierheen is gezonden om U ten val te brengen; ik zeg U: wees voorzichtig!«
»Zwijg Ibrahim,« antwoordde Aben Habuz, »gij zijt een wijs man, maar wat weet gij van de vrouw? Wie harer is geen toovenares? De jonkvrouw behaagt mij.«
»O Koning,« zeide Ibrahim, »ik heb U vele overwinningen bezorgd, maar van allen buit, dien gij behaald hebt, heb ik niets ontvangen. Geef mij deze gevangen Christin, die, zooals ik zie, een zilveren lier bij zich heeft, waarop zij heerlijke muziek voor mij kan maken in mijn onderaardsche verblijfplaats. Wanneer zij, zooals ik vermoed, een toovenares is, beschik ik over toovermiddelen om haar onschadelijk te maken. Maar U zou zij spoedig beheerschen, wanneer gij haar in uw huis opneemt.«
»Wat!« riep de vertoornde vorst uit, »bij den baard van den Profeet, gij zijt een zonderlinge kluizenaar! Deze jonkvrouw is niet voor u!«
»Het zij zoo,« sprak Ibrahim met van woede trillende stem, »maar ik vrees voor U, o Koning Aben Habuz. Neem U in acht, herhaal ik; wees voorzichtig.« En met deze woorden trok de sterrenwichelaar zich terug in zijn onderaardsche woonplaats.
Aben Habuz was op het eerste gezicht hartstochtelijk verliefd geworden op de schoone Gothische prinses, en in zijn verlangen, haar te behagen, verspilde hij alle schatten van zijn koninkrijk. Hij overlaadde haar met de kostbaarste geschenken en richtte, om haar genoegen te doen, honderd feesten aan—stierengevechten, tooneeluitvoeringen en tournooien. Dit alles aanvaardde de schoone als iets, wat haar toekwam. Het had er inderdaad allen schijn van, alsof zij den verdwaasden vorst aanspoorde tot steeds roekeloozer uitgaven. Maar hoeveel heerlijkheden hij ook over haar uitstortte, zij weigerde hardnekkig te luisteren naar een enkel verliefd woord van de lippen van Aben Habuz, en telkens wanneer hij trachtte van liefde te spreken, begon zij met hare vingers op de zilveren lier te tokkelen, en zij glimlachte dan raadselachtig. En telkens wanneer zij dit deed, voelde de Koning zich slaperig worden, en wanneer de zoete klanken zich van zijne zinnen meester maakten, viel hij in een diepen slaap, waaruit hij dan gewoonlijk verfrischt en versterkt ontwaakte. Zijne onderdanen waren echter volstrekt niet tevreden met den gang van zaken; zij waren ontstemd over zijn geweldige verkwisting en over het feit, dat hij zulk een gewillig slaaf was geworden van een vrouw van een vijandelijk ras, en ten slotte kwamen zij openlijk in opstand. Maar evenals Sardanapalus van Babylon, maakte hij zich los uit de zachte ketenen, plaatste zich aan het hoofd zijner troepen, en onderdrukte het oproer, nog voordat het zijn hoogtepunt bereikt had. Dit voorval verontrustte hem echter zeer, en hij herinnerde zich de woorden van den wijzen Ibrahim, die hem gewaarschuwd had, dat de Gothische prinses zijn ongeluk zou worden.
Hij zocht den sterrenwichelaar op in zijn grot, en vroeg hem raad. Ibrahim verzekerde hem, dat zijn positie onzeker zou blijven, zoolang de prinses in zijn woning vertoefde. Aben Habuz wilde daar echter niets van hooren, en hij vroeg den wijze, een plaats voor hem op te zoeken, waar hij zijne verdere levensdagen rustig zou kunnen doorbrengen met de prinses, die hij zoo vurig beminde.
»En wat zal mijn loon zijn, als ik zulk een verblijfplaats voor U vind?« vroeg Ibrahim.
»Gij moogt uw belooning zelf kiezen,« antwoordde de onverstandige oude vorst.
»Hebt gij wel eens gehoord van den tuin van Irem, o Koning, dat kleinood van Arabië?«
»Ja, uit sprookjes. Houdt gij mij voor den gek, o astroloog?«
»Evenmin als mijne oogen mij bedrogen hebben, o Koning, want ikzelf heb dit heerlijkste der paradijzen aanschouwd. Toen ik een kind was, ontdekte ik het toevallig, terwijl ik naar een kameel van mijn vader zocht. Vroeger was het het land der Additen; de hoofdstad was gesticht door Sheddad, zoon van Ad, achterkleinzoon van Noach, die besloot, daar een paleis te bouwen, omringd door tuinen, die het Paradijs in schoonheid zouden evenaren. Maar de vloek des hemels trof hem wegens deze vermetelheid. Hij en zijn volk werden van de aarde weggevaagd, en zijn paleis en de tuinen werden betooverd, zoodat zij onzichtbaar werden voor het menschelijk oog. Toen ik het boek van Salomon gevonden had, ging ik weder op zoek naar den tuin van Irem, en ik ontfutselde den geesten, die den tuin bewaken, het geheim van het tooverwoord, dat hem onzichtbaar maakt voor sterfelijke wezens. Door middel van dit tooverformulier kan ik U zulk een verborgen en heerlijk oord zelfs hier op den berg bij de stad verschaffen, o Koning!«
»O wijze sterrenwichelaar,« riep Aben Habuz geestdriftig uit, »het was verkeerd van mij, aan uwe woorden te twijfelen; doe wat gij beloofd hebt en bepaal zelf uw belooning.«
»Ik verlang slechts het eerste lastdier met zijn lading, dat de poort van Uw paradijs zal binnengaan,« zeide Ibrahim; »dat is toch zeker een bescheiden eisch?«
»Bescheidener kan het al niet,« riep de Koning uit, opgewonden door de gedachte aan zijn toekomstig geluk; »uw wensch zal vervuld worden.«
De sterrenwichelaar toog oogenblikkelijk aan het werk. Op den top van den heuvel boven zijn grot, bouwde hij een stevigen toren met een groote poort. Op den sluitsteen van dezen ingang bracht hij de beeltenis van een reusachtigen sleutel, en buiten op de poort die van een even reusachtige hand aan. Op een bijzonder duisteren nacht klom hij op den heuvel en sprak daar allerlei tooverformulieren uit. Den volgenden morgen begaf hij zich naar Aben Habuz, en deelde hem mede, dat hij zijn werk beëindigd had, en dat het paradijs, dat slechts zichtbaar zou zijn voor hem en zijn geliefde, hem wachtte.
Den dag daarna beklom de Koning den heuvel in gezelschap van de prinses, die een wit paard bereed. Naast hem schreed de sterrenwichelaar, steunende op zijn met hieroglyphen bedekten staf. Zoo naderden zij de poort, en Ibrahim wees hun de geheimzinnige hand en sleutel. »Zoolang deze hand den sleutel niet grijpt, zal geen sterveling macht krijgen over den meester van dit paradijs,« zeide hij.
Terwijl hij sprak, reed de prinses op haar paard door de poort.
»Zie,« riep de sterrenwichelaar uit, »kwamen wij niet overeen, dat het eerste lastdier, dat door de poort zou rijden, met zijn lading mij zou toekomen?«
Aben Habuz glimlachte eerst over hetgeen hij als een grap van den astroloog beschouwde. Maar toen hij bemerkte, dat het hem ernst was, werd hij woedend.
Aben Habuz en de Gevangen Prinses.
»Vermetele sterrenwichelaar,« schreeuwde hij, »durft gij uwe oogen op te slaan naar haar, die ik onder alle vrouwen heb uitverkoren?«
»Gij hebt uw koninklijk woord gegeven,« antwoordde Ibrahim. »Ik eisch de prinses op.«
»Hond der woestijn!« riep Aben Habuz, »gij zult gevoelen, wat het zeggen wil, mijn toorn te hebben opgewekt, gij bedrieger!«
»Daar lach ik om,« riep Ibrahim spottend. »Geen sterfelijke hand kan mij deren. Vaarwel! geniet van uw paradijs, en heersch met genoegen over uw rijk. Wat mij betreft, ik ga daarheen, waar gij mij niet volgen kunt.« En dit zeggende, greep hij het paard bij den teugel, sloeg met zijn tooverstaf op den grond en verzonk met de prinses in het binnenste van den heuvel. De aarde sloot zich over hunne hoofden en er was geen spoor meer te bekennen van de opening, waardoor zij verdwenen waren.
Toen Aben Habuz eenigszins van zijn verbazing bekomen was, liet hij een troep werklieden aanrukken om te graven. Maar het zand vulde de opening oogenblikkelijk weer, en ook de ingang der grot van den sterrenwichelaar was verdwenen. En wat nog erger was, de talisman, waarmede de astroloog den vrede in Granada bewaard had, weigerde te werken, en de oude onrust keerde weder. Maar op zekeren morgen kwam een boer bij Aben Habuz, en vertelde hem, dat hij, toen hij den heuvel overtrok, een spleet in de rots had ontdekt; daar was hij doorgekropen, en had toen een blik geslagen in een onderaardschen hal, waar de sterrenwichelaar op een kostbaren divan zat te slapen, terwijl de prinses hem op haar zilveren lier iets voorspeelde. De Koning slaagde er echter niet in, de rotsspleet te vinden. Ook kon hij het paradijs niet binnengaan, dat door zijn mededinger was gesticht. De top van den heuvel bleek een kale vlakte te zijn, die den naam van »Het Paradijs van den Dwaas« ontving. De verdere levensdagen van den ongelukkigen Koning werden hem tot een ondragelijken last door de voortdurende invallen van zijne oorlogszuchtige buren.
Dit is het verhaal van den heuvel van het Alhambra, waarop een paleis is gebouwd, dat in schoonheid de wonderen van de toovertuinen van Irem haast evenaardt. De betooverde poort bestaat nog in haar geheel, en is nu bekend als »De Poort der Rechtvaardigheid.« Men zegt, dat onder deze poort de oude Sterrenwichelaar nog in zijn onderaardschen hal woont, in een voortdurenden slaap gesust door de zilveren lier der prinses. Zij zijn elkanders gevangenen, en zullen dat blijven totdat de tooversleutel zal worden aangevat door de tooverhand, en de betoovering zoo van den heuvel zal worden afgenomen.
Cleomades en Claremond.
Het bekoorlijke verhaal van Cleomades en Claremond is zoo goed als zeker indirect van Moorschen oorsprong. In zijn inleiding tot Berte aux grans piés van Adenès (Parijs 1832), zegt Paulin Paris: Ik ben zeer geneigd te gelooven, dat het origineel van de vertelling Cleomades werkelijk Spaansch of Moorsch is. Alle personen zijn Saracenen of Spanjaarden, het verhaal speelt in Spanje, en zijn karakter vertoont sterke overeenkomst met dat van andere Oostersche verhalen. Keightley was van meening, dat Blanche van Castilië, de vrouw van Lodewijk VIII van Frankrijk, het verhaal in Spanje had gehoord, en het verteld had aan den Franschen dichter Adenès, die er een letterkundigen vorm aan gegeven heeft.
Ectriva, Koningin van Zuid-Spanje, hield een groot tournooi te Sevilla, waarbij Marchabias, Prins van Sardinië zich zóó onderscheidde, dat hij haar hart won. Zij schonk den jongen ridder haar hand, en hun huwelijk was zeer gelukkig, en werd gezegend met drie dochters en één zoon. Zij gaven den jongen den naam van Cleomades, terwijl de meisjes Melior, Soliades en Maxima werden genoemd.
Cleomades werd op jeugdigen leeftijd op reis gezonden. Maar nadat hij, gedurende verscheidene jaren, vreemde landen had bezocht, werd hij weer naar huis teruggeroepen om tegenwoordig te zijn bij het huwelijk zijner zusters, die in den echt vereenigd zouden worden met drie machtige vorsten, die allen beroemd waren als beoefenaren der tooverkunst. Het waren Melicandus, Koning van Barbarije, Bardagans, Koning van Armenië, en Croppart, Koning van Hongarije. De laatste had het ongeluk gebocheld te zijn, en daarenboven had hij een scherpe tong en een wreed hart.
De drie vorsten hadden elkander op weg naar Sevilla ontmoet, en zij hadden afgesproken het koningspaar zulke geschenken te geven, dat het genoodzaakt zou zijn, hun ook een kostbare gave aan te bieden. Melicandus overhandigde het koninklijke paar de gouden beeltenis van een man, die in de rechterhand een trompet van hetzelfde metaal hield, waarop hij blies, wanneer er verraad dreigde. Bardagans schonk hun een gouden kip met zes kuikens, die zoo kunstig waren nagebootst, dat zij korrels graan oppikten, en schenen te leven. Om de twee dagen legde de kip een paarlen ei. Croppart gaf een groot houten paard, dat buitengewoon kostbaar was opgetuigd, en dat volgens zijn zeggen, over land en zee kon reizen met een snelheid van vijftig mijlen per uur.
De Koning en de Koningin, die overdreven vrijgevig waren, noodigden de vreemdelingen uit, alles te vragen, wat zij in hun macht hadden weg te schenken. Melicandus vroeg de hand van Prinses Melior, Bardagans die van Prinses Soliades, terwijl Croppart verzocht, dat Prinses Maxima hem als levensgezellin zou worden gegeven. De twee oudste zusters waren zeer ingenomen met hare a. s. echtgenooten, die beiden schoon en beminnelijk waren, maar toen Maxima den leelijken en mismaakten Croppart zag, liep zij naar haar broeder Cleomades, en smeekte hem, haar te bevrijden van zulk een afschuwelijken minnaar.
Cleomades wees zijn vader op het onrecht, dat hij gedaan had, door zijn toestemming te geven tot zulk een huwelijk. Maar Croppart hield vol, dat de Koning zijn woord had gegeven, en dat hij niet van dit huwelijk wenschte af te zien. Cleomades, die niet wist, wat hij beginnen moest, zeide tot den Hongaarschen Koning, dat de waarde der geschenken van Melicandus en Bardagans reeds gebleken was, maar dat zijn verhaal over het houten paard wel gelogen kon zijn. Croppart bood aan, de waarheid zijner bewering te bewijzen. Plotseling begon de gouden man luid op zijn trompet te blazen, maar de aanwezigen volgden met zulk een gespannen aandacht het gesprek der twistenden, dat niemand op hem lette. De prins besteeg het kostbaar opgetuigde paard, en draaide op verzoek van Croppart aan een stalen pen in zijn kop; maar plotseling werd hij met zulk een snelheid de lucht ingedragen, dat hij binnen enkele minuten uit het oog verdwenen was.
De Koning en de Koningin, lieten in hevige verontwaardiging Croppart gevangen nemen. Maar hij zeide, dat de prins had moeten wachten, totdat hij hem getoond zou hebben, hoe hij met zijn houten paard moest omgaan. Intusschen vloog Cleomades mijlen en mijlen ver. Zijn merkwaardig paard bleef de lucht klieven met een geweldige snelheid, en toen de duisternis inviel, maakte het nog niet de minste aanstalten om zijn vaart te verminderen. Cleomades vloog den geheelen nacht door, en hij had in al die uren volop gelegenheid om over zijn gevaarlijken toestand na te denken. Daar hij zich herinnerde, dat er op de schouders van het paard juist zulke pennen waren als aan zijn kop, besloot hij te onderzoeken, waarvoor zij dienden. Hij ontdekte, dat hij, door een dezer pennen naar rechts of links te draaien, het paard van richting kon laten veranderen, en dat, wanneer hij aan de andere pen draaide, het paard zijn vaart verminderde en begon te dalen. De dag brak nu aan en hij zag, dat hij zich boven een groote stad bevond. Door handig met zijn paard te manoeuvreeren, slaagde hij erin te dalen op een hoogen toren, die in den tuin van een groot paleis stond. Hij klom door een dakraam en trad een prachtige slaapkamer binnen, waar hij een schoone jonkvrouw op een kostbaar rustbed zag liggen. Bij zijn nadering ontwaakte zij, en riep uit: »Antwoord mij, man, hoe hebt gij het gewaagd dit vertrek binnen te treden? Zijt gij wellicht die Koning Liopatris, aan wien mijn vader mij wil uithuwelijken?«
»Ja, dat ben ik,« antwoordde Cleomades. »Mag ik niet met u spreken?« vervolgde hij, want hij had op het eerste gezicht een hartstochtelijke liefde voor haar opgevat.
»Ga dadelijk naar den tuin terug,« zeide zij, »en daar zal ik bij u komen.«
De prins gehoorzaamde. Na enkele oogenblikken kwam de prinses bij hem. Maar zij waren nog niet lang te zamen geweest, toen de vader der jonkvrouw, Koning Cornuant van Toskane, verscheen, die hem dadelijk voor een bedrieger uitschold en hem ter dood veroordeelde. De prins vroeg hem, zijn lot te mogen ondergaan, terwijl hij op zijn houten paard zat. Zijn tooverpaard werd hem dus gebracht; hij besteeg het, draaide vliegensvlug de pen om, en verdween in de lucht, terwijl hij de prinses toeriep, dat hij haar trouw zou blijven.
Korten tijd daarna kwam hij weer te Sevilla aan, tot groote blijdschap van zijne ouders. Zij bevalen Croppart, het land te verlaten, maar hij dacht er niet over, aan dit bevel te voldoen, en bleef in de vermomming van een Oostersch geneesheer in de stad. De twee oudste prinsessen werden in den echt vereenigd met Melicandus en Bardagans. Cleomades kon echter de schoone prinses niet vergeten, en hij besteeg ten tweeden male zijn luchtpaard, en verdween ermede in de richting van het koninkrijk haars vaders.
Hij had het zóó uitgerekend, dat hij in den nacht aan het paleis zijner geliefde zou aankomen, en nadat hij in den tuin was afgestegen, begaf hij zich naar het vertrek van Claremond, die hij in vasten slaap aantrof. Hij wekte haar zachtjes, vertelde haar zijn naam en positie, bekende haar zijn liefde, en gaf zich aan haar genade over.
»Wat!« riep de prinses uit, »zijt gij werkelijk die Cleomades, dien wij allen beschouwen als het voorbeeld van een volmaakt ridder?«
De prins verzekerde haar, dat hij dezelfde Cleomades was, en om haar te overtuigen van de waarheid dezer bewering, ontdeed hij zich van een kostbaren armband, die het portret van zijn moeder en van hemzelf bevatte, en hij bood haar dit kleinood ten geschenke aan. De prinses bekende hem haar liefde, en op zijn aandringen besteeg zij met hem het houten paard. Toen zij opstegen, zag Cleomades beneden zich in de tuinen, den Koning, die door zijne hovelingen omringd was. Hij riep hem toe, dat zijn dochter veilig bij hem was, stuurde zijn paard in de richting van Sevilla, en reed snel weg.
Cleomades steeg af bij een klein, landelijk paleis in de buurt van het Hof, en liet de prinses daar achter om uit te rusten van de vermoeienissen van den tocht, terwijl hij verder reisde om zijne koninklijke ouders het gebeurde mede te deelen. Nadat Claremond zich wat verfrischt had, ondernam zij een wandeling in den tuin, om wat lichaamsbeweging te nemen, want zij was een weinig stijf geworden van haar luchtreis. Maar het ongeluk wilde, dat zij werd opgemerkt door Croppart, die vermomd als Indisch geneesheer, in den tuin was gekomen, oogenschijnlijk om geneeskrachtige kruiden te zoeken, maar in werkelijkheid om het terrein te verkennen.
Croppart herkende zijn eigen houten paard, en hoorde de jonkvrouw den naam Cleomades fluisteren; oogenblikkelijk vatte hij het plan op, het jonge meisje te ontvoeren. Hij naderde haar, en bood haar aan, haar naar Cleomades te brengen, welk aanbod zij, niets kwaads vermoedende, aannam. Croppart nam haar toen achter zich op het paard, draaide de pennen om, en het houten ros steeg met een duizelingwekkende snelheid de lucht in.
Eerst dacht Claremond aan geen onraad, maar na eenigen tijd kreeg zij argwaan, en toen zij naar beneden keek, zag zij inplaats van dichtbevolkte steden, slechts donkere wouden en eenzame bergen. Zij smeekte Croppart haar naar den tuin van het paleis terug te brengen, maar hij lachte om hare smeekbeden; ten slotte bezwijmde zij, uitgeput door leed en angst.
Croppart daalde met haar bij een bron, en besprenkelde de prinses met water, totdat zij weder uit haar bewusteloosheid ontwaakte. Toen deelde hij haar mede, dat hij van plan was, haar Koningin van Hongarije te maken. Maar het ontbrak de prinses niet aan tegenwoordigheid van geest, en zij vertelde hem, dat zij slechts een slavin was, die door hare ouders aan Cleomades verkocht was. Deze mededeeling had tot gevolg, dat de ruwe Croppart haar met nog minder respect bejegende dan tot nu toe het geval was geweest, zoodat zij, om aan de beleedigende behandeling te ontkomen, erin toestemde hem te huwen, in de eerste stad, waar zij zouden aankomen.
Nadat hij Claremond deze belofte had afgedwongen, dronk Croppart, die zeer dorstig was, met groote teugen uit de bron. Maar het water was zóó ijskoud, dat het hem slecht bekwam, en hij viel bewusteloos ter aarde. Claremond geraakte bij de bron in diepen slaap, uitgeput door angst en vermoeienis. Zóó vond haar Mendulus, Koning van Salermo, die zich dadelijk sterk tot het slapende meisje aangetrokken gevoelde. Hij nam haar mede naar zijn paleis, waar hij haar in een prachtig vertrek onderbracht. Croppart werd echter zóó zwaar ziek door het drinken uit de ijskoude bron, dat hij spoedig daarna overleed.
Claremond vertelde Koning Mendulus, dat zij een arme vondeling was, Trouvée genaamd, en dat zij Croppart, een reizend geneesheer, van de eene plaats naar de andere had vergezeld, om een karig stukje brood te verdienen. Dit belette den Koning echter niet, haar zijn hand en kroon aan te bieden. Om aan dit nieuwe gevaar te ontkomen, wendde Claremond krankzinnigheid voor, en zij speelde haar rol zóó uitstekend, dat Mendulus gedwongen was haar onder de hoede te stellen van tien vrouwen, wier taak het was haar te bewaken.
Intusschen heerschte er aan het Spaansche Hof groote onrust. Toen Cleomades met zijne ouders naar het zomerpaleis terugkeerde, was Claremond spoorloos verdwenen, en zijn droefheid was zóó hevig, dat men hem naar de hoofdstad moest terugbrengen in een toestand, die aan waanzin grensde. Toen hij hersteld was, begaf hij zich naar het koninkrijk Toskane, in de hoop, daar iets van zijn geliefde te vernemen. Op zijn eenzamen tocht kwam hij bij een kasteel, waar hij twee ridders versloeg, die weigerden hem door te laten. Van hen hoorde hij, dat een prins, Liopatris genaamd, aan wien Claremond ten huwelijk beloofd was, aan het Hof van Toskane was aangekomen, en dat drie van zijn ridders drie van Claremonds jonkvrouwen ervan beschuldigd hadden, medeplichtig te zijn aan de ontvoering harer meesteres. De beide ridders, die door Cleomades verslagen waren, dongen naar de hand van twee dezer jonkvrouwen, en zij hadden de beleedigers uitgedaagd. Daar nu echter één van hen door Cleomades gewond was, waren zij niet in staat ten strijde te trekken. Cleomades zeide, dat hij bereid was in de plaats van den gewonden ridder te gaan, en dus begaf hij zich met zijn niet gewonden kameraad op weg naar het Hof van Koning Cornuant.
Den volgenden morgen verschenen zij in het strijdperk. De drie beschuldigers werden verslagen, en de jonkvrouwen werden onschuldig verklaard volgens de wetten der ridderschap. Cleomades en zijn nieuwe wapenbroeder keerden nu in gezelschap van de drie jonkvrouwen terug naar het kasteel vanwaar zij gekomen waren. Toen hij zich echter ontdaan had van zijn wapenrusting, werd de dolende prins herkend door de jonkvrouwen voor wie hij gestreden had. Groot was haar droefheid toen zij hoorden, dat Claremond verdwenen was. Maar één van haar smeekte Cleomades hulp te vragen aan een beroemd sterrenwichelaar, die te Salerno woonde, en »die de meest verborgen dingen duidelijk zag.« Cleomades besloot dadelijk den wijze te gaan raadplegen, en dus begaf hij zich den volgenden morgen op weg naar Salerno, nadat hij hartelijk afscheid had genomen van de gelieven.
Bij zijn aankomst te Salerno stapte Cleomades aan een herberg af, en zonder tijd te verliezen vroeg hij den waard, waar hij den sterrenwichelaar zou kunnen vinden.
»Edele Heer,« zeide de herbergier, »hij is helaas een jaar geleden gestorven. En wij hebben hem juist meer dan ooit noodig, want indien hij leefde, zou hij onzen Koning hebben kunnen helpen om het schoonste schepsel, dat ooit geboren werd, het verstand terug te geven.« En hij vertelde Cleomades hoe Mendulus den gebochelde en de jonkvrouw gevonden had. Bij de vermelding van het houten paard schrikte Cleomades hevig, maar hij behield zijn tegenwoordigheid van geest, en deelde den waard mede, dat hij een onfeilbaar middel bezat tegen krankzinnigheid. Hij verzocht den man hem bij den Koning te brengen, en onder het voorwendsel, dat zijne wapenen argwaan zouden wekken, vermomde hij zich met een valschen baard en de kleeding van een geneesheer.
Hij werd dadelijk tot den Koning toegelaten, en toen deze het doel van zijn komst vernam, bracht hij hem oogenblikkelijk naar de plaats waar Claremond verpleegd werd. Cleomades had een handschoen medegebracht, die zijn geliefde toebehoorde; hij had dien volgestopt met kruiden, en onder het voorwendsel, dat deze genezing zouden brengen, legde hij den handschoen tegen haar wang. Toen zij haar eigen handschoen zag, keek zij den pseudo-geneesheer lang aan, en zij herkende haar geliefde onder zijn vermomming; maar nog steeds veinsde zij krankzinnigheid, en zij verzocht, dat men haar het houten paard zou brengen, opdat het met den geleerden dokter zou kunnen redetwisten. Men bracht het in den tuin waar zij zich bevonden, en de prinses zeide vast te gelooven, dat zij slechts zou kunnen genezen, wanneer zij met den geneesheer het houten paard besteeg. Mendulus gaf hiervoor zijn toestemming, en toen zij goed en wel op het kunstros gezeten waren, draaide Cleomades de pen om, en op hetzelfde oogenblik vlogen zij als een pijl uit de boog het luchtruim in. Den volgenden morgen kwam het gelukkige paar te Sevilla aan. Hun huwelijk werd dadelijk voltrokken, en Liopatris troostte zich met Prinses Maxima, zoodat iedereen reden tot vreugde had.
De Drie Schoone Prinsessen.
Toen Mohammed el Haygari, of »de Linksche« in Granada regeerde, ontmoette hij eens een troep ruiters, die terugkeerden van een rooftocht in Christelijke landen. Onder hunne gevangenen merkte hij een schoone en kostbaar gekleede maagd op, en men vertelde hem, dat zij de dochter was van den bevelhebber van een vesting, die bij deze gelegenheid veroverd en geplunderd was. De jonkvrouw was vergezeld van een kamervrouw, en Mohammed gaf bevel, dat beide vrouwen naar zijn harem zouden worden overgebracht. Hij drong er dagelijks bij de gevangen jonkvrouw op aan, dat zij zijn koningin zou worden. Maar zijn godsdienst zoowel als zijn leeftijd, waren oorzaak, dat haar familie niet op zijn aanzoek wenschte in te gaan. Ten einde raad besloot hij gebruik te maken van de bemiddeling der kamervrouw, en deze beloofde hem, zijn zaak bij haar jonge meesteres te bepleiten. Zij zeide tot de jonkvrouw, dat het onverstandig zou zijn, wanneer zij na het saaie leven in de afgelegen vesting, zou volharden in haar weigering, en dat zij, door Mohammed te huwen, meesteres zou kunnen worden over alles wat haar omringde, inplaats van de gevangene des Konings te blijven. Ten slotte gaf de Spaansche schoone toe; zij huwde den Moorschen vorst, en nam zelfs zijn godsdienst aan, even als haar kamervrouw, die met al het vuur, een bekeerling eigen, hare godsdienstplichten waarnam, en den Moorschen naam Kadiga ontving. Na verloop van tijd schonk de Koningin haar heer en meester drie dochters tegelijk. De hofastrologen trokken den horoscoop der kinderen, en met vele onheilspellende waarschuwingen drongen zij er bij den vader op aan, zijne dochters streng te bewaken, wanneer zij den huwbaren leeftijd bereikt zouden hebben.
Korten tijd na de geboorte van de drieling stierf de Koningin, en Mohammed, gedachtig aan de waarschuwing van zijne sterrenwichelaars, besloot de prinsessen in het koninklijk paleis Salobreña op te sluiten, een versterkt gebouw, dat uitzag op de Middellandsche Zee, en waar, naar zijn vaste overtuiging, haar geen kwaad kon overkomen.
De drie Prinsessen bemerken de nadering van de galei met de witte zeilen.
De jaren gingen voorbij en de prinsessen bereikten den huwbaren leeftijd. Ofschoon zij door de vriendelijke Kadiga zeer zorgvuldig waren opgevoed en zij altijd te zamen waren geweest, waren zij natuurlijk zeer verschillend van karakter. Zayda, de oudste, had een onverschrokken aard en nam in alles de leiding; Zorayda, de tweede, had een sterk ontwikkeld schoonheidsgevoel, hetgeen waarschijnlijk de oorzaak was, dat zij zulk een groot gedeelte van den dag voor haar spiegel doorbracht. Zorahayda, de jongste, was zacht en verlegen, en geneigd tot droomen. Alle drie waren zij onbeschrijfelijk schoon, en wanneer de goedige, oude Kadiga naar het schoone drietal keek, schudde zij meewarig het hoofd. Wanneer zij haar vroegen, waarom zij zuchtte, ontweek zij met een grapje het antwoord, en zij ging vlug op een ander onderwerp over.
Op zekeren dag zaten de prinsessen voor een raam, dat uitzag op de hemelsblauwe Middellandsche Zee, en zij luisterden naar het zachte geklots der golven tegen de met palmen begroeide kust, die grensde aan den heuvel, waarop het kasteel Salobreña stond. Het was één van die avonden, waarop het ons moeilijk valt te gelooven, dat wij niet tijdelijk vertoeven in een droomenland, waar alles schoon, maar onwezenlijk is. De ondergaande zon kleurde de nevelen lichtrood als wierook, die opstijgt uit de urnen der schemering, en zee en horizon aan het oog onttrekt. Van achter de sluiers van zeedampen kwam een galei met witte zeilen te voorschijn, die naar de kust gleed en daar het anker liet vallen. Een aantal Moorsche soldaten brachten verscheidene Christengevangenen aan wal, onder wie zich drie kostbaar gekleede Spaansche ridders bevonden. Ofschoon zij met ketenen beladen waren, was hun optreden waardig en voornaam, en de prinsessen konden hare oogen niet van hen afhouden. Nog nooit hadden zij zulke edele jongelingen aanschouwd, want tot dusverre hadden zij nooit anders dan de zwarte slaven en de ruwe visschers uit die streek gezien, zoodat het niet te verwonderen was, dat de aanblik van deze jonge ridders haar het hart sneller deed kloppen.
De prinsessen bleven de gevangenen nastaren, totdat zij uit het oog verdwenen waren. Toen verlieten zij zuchtend het venster, en legden zich zwijgend en nadenkend op hare rustbanken neder.
Zóó vond de zorgzame Kadiga de drie prinsessen, en zij vertelden haar, wat zij gezien hadden, en vroegen haar allerlei over zulke, in hare oogen, hoogere wezens; en dus beantwoordde zij hare vragen met vele ridderverhalen uit Christelijk Spanje, hetgeen er slechts toe bijdroeg de nieuwsgierigheid der jonkvrouwen te verhoogen, die door de verschijning der gevangenen in zulk een hooge mate was opgewekt. Maar het duurde niet lang, of de oude vrouw bemerkte, welk een kwaad zij met hare verhalen gesticht had, en in een onverklaarbare angst, zond zij een slaaf naar haar koninklijken meester met een zinnebeeldige boodschap in den vorm van een mandje, gevuld met vijgebladeren, waarop een perzik, een pruim en een abrikoos lagen, alle drie in het eerste stadium van verleidelijke rijpheid, een symbool, waarvan Mohammed, die doorkneed was in de Oostersche beeldspraak van vruchten en bloemen, de beteekenis volkomen begreep. Gedachtig aan den raad der sterrenwichelaars, besloot hij de prinsessen onder zijn onmiddellijke bewaking te nemen, en hij gaf oogenblikkelijk bevel, den toren van het Alhambra tot haar ontvangst in gereedheid te brengen. Hij reisde zelf naar Salobreña om zijne dochters te halen, en toen hij ze aanschouwde, en zag hoe schoon zij waren, was hij dankbaar, dat hij zonder tijd te verliezen de jonkvrouwen onder zijn persoonlijk toezicht had genomen. Hij was zich zóó zeer bewust van het groote gevaar, dat drie zulke schoonheden konden loopen, dat hij zijn reis naar Granada voorbereidde door het zenden van herauten, met het bevel, dat de weg, dien hij met zijne dochters nemen zou, door iedereen moest worden verlaten, op straffe des doods. Toen ondernam hij de reis naar de hoofdstad, begeleid door een troep van de afschuwlijkste zwarte ruiters, die hij vinden kon.
Toen de ruiterschaar Granada naderde, achterhaalde zij een troepje Moorsche soldaten met een konvooi gevangenen. De soldaten hadden geen tijd zich terug te trekken, en daarom wierpen zij zich met het aangezicht ter aarde, en bevalen hunne gevangenen hetzelfde te doen. Onder de gevangenen bevonden zich de drie ridders, die de prinsessen op een afstand uit het venster van het kasteel Salobreña gezien hadden, en daar zij te trotsch waren om voor hun heidenschen vijand te kruipen, bleven zij staan.
Koning Mohammed ontstak in hevigen toorn over deze openlijke ongehoorzaamheid; hij trok zijn zwaard, en was op het punt de ongelukkige gevangenen het hoofd af te slaan, toen de prinsessen zich tusschenbeide wierpen en genade voor hen smeekten. De aanvoerder van het escorte zeide hem ook, dat de gewelddadige dood dezer ridders ernstige gevolgen zou hebben uit hoofde van hun hoogen rang, en hij beschreef den vertoornden vorst hoe deze dappere jongelingen gevangen genomen waren, terwijl zij als leeuwen onder de Spaansche vlag streden. Hierdoor eenigszins gekalmeerd, stak Mohammed het zwaard weder in de scheede. »Ik zal hun leven sparen«, zeide hij, »maar zij moeten voorbeeldig gestraft worden voor hun onbeschaamdheid«. Brengt hen naar den Vermiljoenen Toren, en laat hen daar dwangarbeid verrichten.
In de verwarring van het oogenblik, waren de sluiers der drie prinsessen op zijde geschoven, zoodat haar verblindende schoonheid te zien kwam. In die romantische tijden was liefkrijgen op het eerste gezicht een herhaaldelijk voorkomend verschijnsel, en de drie edele ridders ontvlamden plotseling in liefde voor de koninklijke jonkvrouwen, die zoo warm voor hun behoud gepleit hadden. Merkwaardigerwijze was elk hunner bekoord door een andere schoone, maar het zou even onbescheiden als onlogisch zijn, wanneer wij zouden vragen naar de oorzaak van deze wonderbare bestiering van Jonkvrouw Natuur, die in de romance misschien verstandiger wordt voorgesteld, dan zij in werkelijkheid is.
De koninklijke stoet reed nu verder, en de gevangenen werden naar hun kerker in den Vermiljoenen Toren gebracht. De verblijfplaats, die voor de prinsessen in gereedheid was gebracht, overtrof in heerlijkheid alles, wat men zich kan voorstellen. De vertrekken bevonden zich in een toren, die eenigszins afgezonderd stond van het eigenlijke paleis van het Alhambra; aan één kant zag men uit op een tuin, die schoon was als de eerste schrede in het paradijs, terwijl men aan de andere zijde het uitzicht had over een diep en schaduwrijk ravijn, dat de terreinen van het Alhambra scheidde van de Generalife. Maar de prinsessen waren blind voor de schoonheden van dit heerlijk oord; zij kwijnden zichtbaar, en niemand zag de gedruktheid der jonkvrouwen duidelijker dan de oude Kadiga, die gemakkelijk de oorzaak ervan kon vermoeden. Vervuld van medelijden met het eenzame bestaan der prinsessen, vertelde zij haar, dat zij, langs den Vermiljoenen Toren komende, de ridders na hun dagtaak bij de klanken der guitaar had hooren zingen. Op verzoek der jonkvrouwen, bracht zij den gevangenbewaarder ertoe, de ridders aan het werk te zetten in het ravijn onder de vensters harer vertrekken. Den volgenden dag werkten de ridders dus in het ravijn, en toen op het heetst van den middag de bewakers waren ingeslapen, zongen zij een Spaansch lied bij hunne guitaren. De prinsessen luisterden, en zij hoorden, dat het een liefdeslied was, aan haar gewijd. De jonkvrouwen antwoordden met een romance, waarvan het refrein aldus luidde:
De roos wordt verborgen door ’t bladerenschild,
Maar het nachtegaalslied in het harte haar trilt.
Elken dag werkten de ridders in het ravijn, en dagelijks onderhielden zij zich met de eveneens gevangen prinsessen, door middel van liederen en romances, die de gevoelens van weerskanten vertolkten. En telkens wanneer de bewakers hun middagslaap deden, vertoonden de prinsessen zich op het balkon. Maar er kwam een einde aan dezen zaligen toestand, want de familie van de drie jonge ridders betaalde een losprijs, en zij werden naar Granada gebracht, vanwaar zij de reis naar hun vaderland zouden aanvaarden. Zij richtten zich tot de oude Kadiga, en smeekten haar, hen te helpen, de prinsessen naar Spanje te ontvoeren. De oude vrouw bracht hare jonge meesteressen dit voorstel over, en daar zij allen dadelijk bereid waren, werd er een plan tot ontvluchting beraamd.
De woeste heuvel, waarop het Alhambra gebouwd is, was in dien tijd doorkruist met allerlei onderaardsche gangen, die van de vesting naar verschillende plaatsen der stad voerden, en Kadiga nam op zich, de koninklijke jonkvrouwen door één dezer gangen naar een uitvalpoort buiten de muren van Granada te geleiden. Daar zouden de ridders haar opwachten met vlugge paarden, die de gelieven over de grenzen zouden brengen.
De vastgestelde nacht kwam, en toen het Alhambra in diepe rust lag, lieten de prinsessen, begeleid door haar kamervrouw, zich langs een touwladder uit hare vensters in den tuin zakken—allen, behalve Zorahayda, de jongste en minst moedige, die op het beslissende oogenblik er niet toe besluiten kon, haar vader te verlaten. Door de nadering van de patrouille, die des nachts het paleis bewaakte, waren hare zusters en Kadiga genoodzaakt, zonder haar te vluchten. Kruipende vonden zij den weg door het duistere labyrinth, en zij slaagden er in, de poort buiten de muren te bereiken. De Spaansche ridders wachtten haar daar op. De minnaar van Zorahayda was wanhopig toen hij hoorde, dat zij geweigerd had den toren te verlaten, maar er was geen tijd te verliezen; de twee prinsessen stegen achter op het paard harer geliefden, Kadiga werd op het ros van een anderen ruiter geheven, en het gezelschap draafde in vliegende vaart weg.
Zij hadden nog niet lang gereden, toen zij het geluid van de alarmtrompet van het Alhambra hoorden, terwijl een wachtvuur op den hoogsten toren in vollen gloed opvlamde. Zij dreven hunne paarden met alle macht tot den grootsten spoed aan, en slaagden er in, hunne vervolgers steeds verder achter zich te laten; zij kozen weinig begane paden, verborgen zich in dichte bosschen, en waren eindelijk zoo gelukkig Cordova te bereiken, waar de prinsessen werden opgenomen in den schoot der Kerk, en met hunne respectieve minnaars in den echt verbonden werden.
Mohammed was haast waanzinnig van smart bij het verlies van zijne dochters. Maar hij nam—eenigszins noodeloos—zijne maatregelen, om zijn laatste dochter beter te bewaken. De ongelukkige Zorahayda, die hierna strenger dan ooit bewaakt werd, had bitter berouw over haar gebrek aan moed, en het verhaal luidt, dat zij vele nachten over de borstwering van den toren leunde, starende in de richting van Cordova. De overlevering, die nooit bijzonder barmhartig is tegenover de heldin en den lezer, zegt, dat zij jong is gestorven, en haar treurig lot was de aanleiding tot het ontstaan van menig droevige ballade, Moorsch, zoowel als Castiliaansch, zoodat zij tenminste in dit opzicht niet vergeefs heeft geleefd, terwijl hare meer gelukkige zusters niet bezongen werden.