WeRead Powered by ReaderPub
Legenden en Romances van Spanje cover

Legenden en Romances van Spanje

Chapter 18: Arabische dichtkunst.
Open in WeRead

About This Book

De tekst geeft een overzicht van de Spaanse romantische literatuur, waarbij bronnen en vormen worden behandeld, van cantares de gesta en het Poema del Cid tot ridderromans als Amadis de Gaula en de Palmerin-cycli. Hij analyseert regionale varianten, waaronder Catalaanse stukken, Moorse beïnvloede vertellingen en middeleeuwse balladen, en bevat vertalingen van representatieve romances en balladen. De auteur bespreekt oorsprongsvraagstukken, de wisselwerking tussen historische gebeurtenissen en folkloristische elementen en debatten over Moorse invloed op de romanceros. Latere hoofdstukken verzamelen verhalen over hekserij en toverij, magische motieven en humoristische volksromances, ondersteund door aantekeningen over taal, structuur en muzikaal-poëtische context.

Hoofdstuk I. De Bronnen van de Spaansche Romance.

Het teedere Fransche liefdeslied,

De zangen van ’t schoone Brittanje,

Legenden van het zwaard en de speer,

Geboren in Allemanje,

Dit alles verbleekt bij de kleurige pracht

Der balladen van ’t oude Spanje!

Wanneer een vreemdeling op zijne reizen rust zou zoeken in een tuin van het oude Granada, onder een afdak van citroen- en moerbeibladeren, en zijn oor zou openen voor de melodieën der wateren van de Granaatappelstad, en zijn geest voor de betoovering van hare atmosfeer, dan zou het hem gemakkelijk vallen te gelooven dat in de dagen, toen hare kleuren minder teeder en hare verrukkelijke lucht misschien minder verkwikkend was, de harpen harer zangers de weefgetouwen waren, waarop de weefsels van de romance ontstonden. Bijna instinctief zal hij den indruk krijgen, dat de Spanjaard, die dit paradijs herwonnen heeft, na eeuwen van ballingschap, en die aangeraakt werd door de betooverde echo’s van de Moorsche muziek, die daar nog rondzweefden, werd opgewekt tot hartstochtelijke lofzangen op die helden van zijn ras, die zoo onafgebroken hadden gestreden en zooveel hadden opgeofferd, om het te herwinnen. Maar wanneer hij de Sierra del Sol zou beklimmen en door de betooverde vertrekken van het Alhambra zou dwalen, zooals een kind door het land der droomen, dan zou hij in zijn hart zeggen, dat de menschen, die deze kamers bouwden uit den regenboog, en deze muren beschilderden van het palet van den zonsondergang, ook het onzichtbare, doch daarom niet minder schitterende paleis van de Spaansche Romance opbouwden.

Of als iemand, wandelende in de schaduwen van Cordova, peinst over de Moskee Maqsure, welker deuren van Andalusisch staal toegang gaven aan dichters en sterrewichelaars, of wanneer hij denkt aan het paleis van Azzahra, gebouwd van rozerood en zeegroen marmer, geroofd uit de Byzantijnsche kerken van Ifrikia, zal hij dan niet gelooven, dat in deze stad van verwoeste pracht en vernielde betoovering de passiebloem van de Romance in volle heerlijkheid opbloeide?

Maar wij kunnen de tonen der vergeten melodieën niet meer vinden, noch kunnen wij samenvoegen het mozaïk van verbroken harmonieën in de warme en klinkende stad der Saracenen, evenmin als in de »mijn van zijde en zilver«, het oude Granada; noch te midden van de marmeren overblijfselen van Cordova, waar het marktplein overstroomd was met de geschilderde perkamenten van Moorschen zang en wetenschap. Wij moeten ons afwenden van het bloeiende Zuiden, en de kale hoogten van Castilië en Asturië beklimmen, waar het Christelijk Spanje gedurende 500 jaren gevangen was op eene dorre en verschroeide vlakte en waar geboren werd een diepe hartstocht van vaderlandsliefde en zelfopoffering, die uiting vond in heerlijke krijgszangen, waarvan de echo’s tusschen de bergen weerklinken als spook-klaroenen op een vergeten slagveld.

Afzondering en toewijding aan een nationale zaak zijn machtiger prikkels tot de ontwikkeling der romantiek, dan een atmosfeer van Oostersche weelde. De borsten van deze strenge bergen brachten melk voort, zoeter dan de wijn van Almohaden, en liederen ontstonden in Burgos en Carrión, ontroerender, zij het dan ook minder fantastisch, dan ooit ontsprongen aan de guitaren van Granada. Maar de nooit eindigende strijd tusschen Arabier en Spanjaard bracht met zich mede een voortdurende uitwisseling van den zinnelijken geest van het Zuiden en de ruwere mannelijkheid van het Noorden, zoodat ten slotte het Saraceensche goud het staal van het Spaansche lied versierde, en de Spaansche ziel gevangen werd in de netten van de Oostersche fantasie. In lateren tijd verzachtte eene openlijke bewondering voor de kunst en beschaving van den Moslim den ouden haat, en de Moorsche cavalier bootste de ridderlijkheid, zooal niet de dichtkunst na, van den Castiliaanschen ridder.1

De bakermat van het Spaansche lied.

Het vaderland van de Spaansche overlevering was inderdaad een geschikte kweekplaats voor het ras, dat gedurende eeuwen iederen duim van het Schiereiland moest betwisten aan een vijand, die oneindig veel bedrevener was in de kunst van oorlogvoeren, al was hij dan ook de mindere in doortastendheid, en al ontbrak hem de geest van saamhoorigheid.

Te midden van de dorre woestenijen van het Noorden van Spanje, die tegenwoordig bekend zijn als rijk aan mineralen, vindt men onverwachts weelderige en vruchtbare valleien, ingebed tusschen een steile, vulcanische bergketen, aan den voet waarvan dichte eiken-, kastanje- en dennebosschen verrijzen. Deze dalen, door hunne ligging beschut tegen de ijzig scherpe winden, die van de Pyreneeën jagen, bieden betrekkelijk dezelfde levensomstandigheden als het zachtere Zuiden van het land. Ofschoon door den onderlingen afstand het verkeer tusschen de verschillende dalen gering was, waren deze toch voor de Spaansche Christenen het toevluchtsoord, waarheen zij kwamen om nieuwe krachten te verzamelen en hun geest te sterken voor den grooten strijd tegen de Saracenen.

In dezen eeuwenlangen strijd werd Christelijk Spanje ongetwijfeld gedragen door een diep gevoel van saamhoorigheid en het bezit van een gemeenschappelijke taal, factoren, die het behoud zijn geweest van menig volk, dat in een even wanhopigen toestand verkeerde; en misschien is hun vaste wil, het verloren paradijs van het Zuiden te herwinnen, wel het beste bewijs voor de waarheid van de theorie, dat vóór het tijdperk der Saraceensche overheersching, de Castiliaansche taal slechts een samenraapsel was uit de elementen van de Romeinsche lingua rustica en het onbeschaafde Gothisch, en volgens sommige autoriteiten, zonder bepaalde taalregels of een taaleigen.2 Zeker is het, dat de eindphase in de ontwikkeling van het Castiliaansch plaats vond na den uitval der Arabieren, maar wij zouden te groote waarde hechten aan het gebrekkige bewijs, dat wij bezitten, wanneer wij beweerden, dat de gangbare Castiliaansche taal, onmiddellijk vóór die periode, niets was dan een patois, zonder regels of methode.

Romeinsch en Visigothisch.

Toen in het 1e gedeelte van de vijfde eeuw de Visigothen, als achterhoede van de Vandalen, het Romeinsche Spanje binnentrokken, bouwden zij niet voort op de overblijfselen van zijne beschaving, doch zij behielden de gewoonten van hun Noordelijk vaderland, en zij schijnen gedurende eenige geslachten weinig te zijn beïnvloed door de Romeinsche cultuur. Ook vond de Latijnsche taal van het volk, dat zij overwonnen hadden, weinig aanhangers onder hen, ofschoon zij door hun wonen even buiten de grenzen van het keizerrijk, deze taal ongetwijfeld kenden.

De bewoners van het Schiereiland waren al even weinig geneigd afstand te doen van de beschaafde taal, waarin hunne landgenooten Martialis, Lucanus en Seneca zooveel hadden bijgedragen tot den roem der Romeinsche letteren. Een militaire alleenheerschappij is meestal niet bijzonder gelukkig in hare pogingen, een overwonnen volk hare taal op te dringen, tenzij de overmacht van wapenen gepaard gaat aan letterkundige bekwaamheid: en de Visigothen, die niet in staat waren, zich in dit opzicht te meten met de zeer beschaafde kolonisten van Spanje, kwamen er in den loop der tijden gemakkelijk toe, de Romeinsche taal tot de hunne te maken. Hunne ongeletterdheid was echter niet de eenige reden voor het verlies van hunne taal, want ofschoon zij in militaire bekwaamheden uitblonken boven hunne tegenstanders, waren zij in getal verreweg de mindere. Zij hadden bij hun inval in het Romeinsche rijk weinig vrouwen medegebracht, en waren dus genoodzaakt, vrouwen uit het overwonnen land te huwen, die hunne kinderen de Romeinsche taal leerden. Het noodzakelijk verkeer tusschen overwinnaar en overwonnene schiep in den loop der tijden een potjes-Latijn, dat in zijn verhouding tot het klassiek Latijn te vergelijken was met het Engelsch van de handeldrijvenden aan de Stille Zuidzee.3

Het gebruik van het Latijn als schrijftaal in dat gedeelte van Spanje, waar de Castiliaansche taal gesproken werd, was geruimen tijd een beletsel voor de ontwikkeling van de beschaafde omgangstaal uit het gebruikelijk dialect. Toch vond deze overgang ten slotte plaats. De wijze, waarop dit geschiedde, is niet bekend. Maar uit de vastheid van vorm in de letterkunde van het begin der elfde eeuw, blijkt wel duidelijk, dat de spreektaal ten minste vóór het tijdperk van den Moorschen inval tot volmaaktheid was gekomen.

De Saraceensche overwinning, waardoor de eigenlijke bevolking verdreven werd naar het koude Noordwesten van het land, gaf slechts een kleine belemmering voor de ontwikkeling van de taal, want door den strijd tegen andere Romeinsche dialecten, waarover zij als schrijftaal tenslotte bijna volkomen zegevierde, werd hare woordenschat aanmerkelijk verrijkt.

De Romaansche talen van Spanje.

Drie Romaansche of Romeinsche talen werden er gesproken in dat gedeelte van Spanje, dat in handen van de Christenen bleef. In Catalonië en Aragon het Provençaalsch, Cataleensch of Limousinsch; in Asturië, Oud-Castilië en Leon, Castiliaansch, en in Galicia, Gallegoosch, waaruit het Portugeesch is voortgekomen. Het Cataleensch was bijna volkomen gelijk aan het Provençaalsch of de langue d’oc van Frankrijk en met het bestijgen van den troon van Provence door Raymond Berenger, Graaf van Barcelona, in 1092, werden de volken van Catalonië en Provence onder één regeering samengevoegd. Het Provençaalsch, de taal der Troubadours, was van Franschen oorsprong, en draagt de duidelijke sporen van zijne afstamming van het Latijn van Provençaalsch-Gallië. Het schijnt, dat het in Catalonië werd geïmporteerd door de Spanjaarden, die naar Provence vluchtten, om te ontkomen aan het Moorsche juk, en die langzamerhand weer Zuidwaarts trokken, toen de meer Noordelijke gedeelten van Spanje weer bevrijd waren van de aanvallen der Arabieren. De politieke saamhoorigheid van Catalonië en Provence bracht natuurlijk met zich mede gelijkheid van levensgewoonten zoowel als van taal, en zoo zien wij dan ook, dat de bevolking van de Catalonische kust en de provincie Aragon de ridderlijkheid en de hoffelijkheid van het Noordelijker vaderland van de Gai Saber had overgenomen.

Door geheel Provençaalsch Catalonië werden die romantische liefdes-samenkomsten gehouden, waar van gedachten gewisseld werd over de erotische avonturen van de helden en heldinnen uit de liederen, met een ernst, die bewijst, dat de liefde gelijkwaardig werd geacht aan wetten en godsdienst, en dat de beoefening van de kunst der liefde de hoofdbezigheid was van de hoogere standen. Uit deze verheerlijking van de liefdesbetrekkingen tusschen de sexen ontstond de daaraan verwante wetenschap der ridderlijkheid, welker geest en wetten niet minder overdreven en gestreng waren. Deze Provençaalsche ridderlijkheid vond langzamerhand ingang in Castilië; zij verhoogde en verlevendigde de verbeelding der bevolking en maakte den Spaanschen geest ontvankelijk voor de romantische literatuur. Maar in geen enkel tijdperk was de Castiliaansche verbeelding zuiver passief; zij onderwierp iedere letterkundige strooming, die haar beroerde, aan zulk een geweldige tooverkracht, dat in verloop van tijd alle vreemde elementen hun eigen karakter verloren en uit de smeltkroes van den Spaanschen geest te voorschijn kwamen als bijna zuiver Castiliaansch. De volmaaktheid in berijmde verzen werd ongetwijfeld bereikt door de Troubadours van Provence en Catalonië, en deze vorm van dichtkunst baande den weg voor een lyrische poëzie, die, zoo zij al niet uitblonk door grootschheid of oorspronkelijkheid, zelden overtroffen werd in welluidendheid en fijnheid; maar het is opmerkelijk, dat al deze verzen, met uitzondering van enkele politieke satyren, slechts één onderwerp behandelden.... de vervoering der liefde. Bij kennismaking met de dichtkunst in de beminnelijke Provençaalsche taal, wordt men getroffen door de welluidendheid; zij is altijd melodieus en men vindt er steeds een zekere statigheid in terug, die men in de Pavane aantreft, en die waarschijnlijk evenzeer voortvloeit uit den geest der taal als uit het zuivere maatgevoel der zangers. Maar het eentonig herhalen van de gevoelens der liefde, die men steeds uitdrukte door dezelfde begrippen en woorden, de weinige natuurlijkheid van deze eenvormige zinnen, en het ontbreken van warm menschelijk gevoel, zijn spoedig een teleurstelling voor den lezer, die met vreugde het geheele dichterlijke koninkrijk van Provence zou willen afstaan aan den taalgeleerde of den letterkundigen oudheidkenner, in ruil voor natuurlijker en minder opgeschroefde schoonheden van klanken, die beter geschikt zijn menschelijke gevoelens uit te drukken en minder blijk geven van opzettelijk te zijn geschreven voor een bepaalde letterkundige kaste. De dichtkunst van Provence herinnert ons aan die oude weefsels, waarvan het ontwerp zuiver decoratief is, waar stijve, gestyleerde bloemen met geregelde tusschenpoozen wederkeeren, en die zich onderscheiden door een zekere eentonige gelijkmatigheid van kleur. De tafereelen van de jacht of van het buitenleven betooveren ons niet door hun levendigheid of eenvoud en de verdeeling der kleuren van het zijden weefsel is niet natuurlijk en bekoorlijk.4

Een blik op het oude Spanje.

De Provençaalsche en Catalanische troubadours hadden inderdaad een zekeren invloed op de ontwikkeling van de Castiliaansche dichtkunst en romantiek en er zijn talrijke bewijzen voor hun verkeer met Castilië. Het »Boek van Apollonius« uit de 13e eeuw, is vol van Provençalismen, evenals de latere »Geschiedenis der Kruistochten.« Gedurende de vervolgingen, waaraan zij blootstonden tijdens de Albigenser-oorlogen, vluchtten zij in grooten getale naar Spanje, waar zij een schuilplaats vonden voor hunne onverdraagzame vijanden. Zoo vluchtte Aimeric de Bellinai naar het hof van Alfonso IX en hij bleef later aan het hof van Alfonso X, evenals Montagnagunt en Folquet de Lunel, Raimond de Tours en Bertrand Carbunel, die met Riguier hunne werken opdroegen aan dien vorst, of treurzangen dichtten ter gelegenheid van zijn dood.

Koning Alfonso schreef zelf verzen van onloochenbaar Provençaalsch karakter en nog in 1433 schreef de Markies de Villena, een familielid van den beroemden Markies van Santillana, dien wij later nog zullen ontmoeten, een verhandeling over de kunst der Troubadours,5 welke hij wilde herboren zien in Castilië.6

Het Galiciaansch, een Romaansche taal, die denzelfden oorsprong had als het Portugeesch, is nauw verwant aan het Castiliaansch. Maar het is niet zoo rijk aan keelklanken, zoodat wij mogen aannemen, dat het in zijne samenstelling minder overeenkomst heeft met het Germaansch dan zijne zustertaal. Evenals het Portugeesch heeft het een overvloed van sis-klanken, en wordt het, zooals het Fransch, neuzig uitgesproken, wat naar alle waarschijnlijkheid in verband staat met het bestijgen van den troon door een Bourgondische dynastie in vroeger tijden. Maar reeds spoedig hield de Galiciaansche invloed op de Castiliaansche literatuur op, ofschoon het omgekeerde volstrekt niet het geval was.

De opkomst van het Castiliaansch.

De ontwikkeling van het Castiliaansch uit het oorspronkelijke Latijn, dat door de Romeinsche kolonisten in Spanje werd gesproken, werd door verschillende plaatselijke omstandigheden bemoeielijkt. Bij het samentrekken van woorden uit de Romeinsche taal, liet men niet dezelfde letters weg als in het Italiaansch. Ook verkortte men de woorden niet in die mate, als in het Provençaalsch of Galiciaansch. Waarschijnlijk tengevolge van de overheersching van het Gothische element onder hen, die Castiliaansch spraken, is de taal rijk aan aspiraten, en heeft zij een sterker bouw dan de andere Romaansche talen. De Latijnsche f is in het Castiliaansch dikwijls veranderd in een h, zooals bij hablar = fabulari (spreken). De letter f, die sterk geaspireerd wordt, vervangt dikwijls de l, zoodat filius (zoon) hijo wordt. De zachte ll daarentegen komt in de plaats van de Latijnsche pl, en zoo vinden wij het Latijnsche planus (zacht), in het Castiliaansch terug als llano (spreek uit: lyàh-no). Het Spaansche ch neemt de plaats in van het Latijnsche ct, zooals facto = hecho, dictu = dicho, enz.

Nog andere bewijzen voor de verwantschap met het Germaansch ontbreken niet. Zoo heeft de g voor de c en i, die in het Gothisch en Duitsch een keelklank is, hetzelfde karakter in het Castiliaansch. De Spaansche verandering van de o in de ue vindt hare analogie in het Duitsch. Wij kunnen bv. het Castiliaansche cuerpo en pueblo vergelijken met het Duitsche Körper en Pöbel.

De uitbreiding naar het Zuiden van het Castiliaansch.

Het gebruik van het Castiliaansch als spreek- en schrijftaal werd tenslotte bestendigd door den eindeloozen strijd van het stoutmoedige volk, dat deze taal sprak tegen de Saraceensche bezetting van hun vaderland. Toen de Castiliaansche krijgslieden door een strijd, die geslachten lang aanhield, langzamerhand stad na stad en district na district inplaats van provincie na provincie, heroverden, verdrong hun taal telkens in het kleine herwonnen gebied, die van hunne Arabische vijanden,7 totdat tenslotte de laatste vesting van de Mooren viel en zij geen vasten voet meer behielden op het Schiereiland. »Wel was het een harde oefenschool, die onze dappere voorouders moesten doorloopen als inleiding tot zoo menige roemrijke overwinning en tot verovering van de wereld,« zegt Martinez in zijn roman Isabel de Solis,8 »neergedrukt door hun harnas en met het zwaard in de hand, sliepen zij gedurende 8 eeuwen geen enkelen nacht rustig.«

Van de nederlaag van Roderick af, »den laatste der Visigothen«, bij den slag van Xeres de la Frontera in 711, tot aan den val van Granada in 1492, was Spanje inderdaad een land van veldslagen. Bijna oogenblikkelijk na hun eerste nederlaag tegen de Arabieren, werden de Visigothen verdreven naar de Noord-Westelijke grenzen van het Schiereiland, waar zij een toevluchtsoord vonden in de bergen van Biskaje en Asturië. Daar zouden zij zich, evenals de bewoners van Wales na den inval der Saksen in Engeland, misschien verzoend hebben met het betrekkelijk kleine gebied, dat hun was overgelaten, maar de omstandigheid van hunne feitelijke gevangenschap, droeg er slechts toe bij, hen nauwer te verbinden in een sterk gevoel van vaderlandsliefde, en een gemeenschappelijk besluit, hun oorspronkelijk bezit te herwinnen.

Gedurende vele geslachten bepaalden hunne worstelingen zich voornamelijk tot rooftochten aan de grens, en tot guerilla-gevechten, waarbij zij volstrekt niet altijd gelukkig waren, want de vurige en moedige Saracenen stelden zich niet tevreden met zich uitsluitend te verdedigen, maar tegenover elke overwinning, waarop de Castilianen zich konden beroemen, stonden tegenslagen en verliezen, die zij, met hun klein aantal, moeilijk konden verdragen. Toch werd hun moed en vasthoudendheid langzamerhand beloond, en voordat een eeuw verloopen was, hadden zij het grootste gedeelte van Oud-Castilië heroverd. Alleen reeds de naam van deze provincie, »Het Land van Kasteelen«, bewijst, dat, al was zij herwonnen, zij slechts behouden kon blijven, wanneer elke heuveltop versterkt was door vestingen; en zoo gaf deze landstreek, met al hare kasteelen, ten slotte haar naam aan het volk, dat haar bezit op zulk een hoogen prijs stelde. Voordat er weder 20 jaren verloopen waren, hadden de Castiliaansche strijders vasten voet in Nieuw-Castilië gekregen, en van dat oogenblik af, schijnen zij voortdurend met succes te hebben gestreden.

Met den val van Toledo in 1085 na een Saraceensche bezetting van drie en een halve eeuw, begint een nieuw tijdperk voor den voortgang van de Castilianen in Zuidelijke richting, en met de inname van Saragossa in 1118, keerden de kansen voor de Arabische overweldigers, die nu verdreven werden naar een klein gebied in het Zuiden en het Zuid-westen van het land. Deze omstandigheid schijnt echter meer gunstig te zijn geweest voor hun gevoel van saamhoorigheid, dan dat het hen heeft vernietigd, en de Castilianen moesten nog gedurende vier eeuwen rekening met hen houden, totdat bij den val van Granada, Boabdil of Abu-Abdallah, de laatste der Moorsche koningen, de sleutels afstond aan Koning Ferdinand van Castilië, een laatsten blik wierp op de stad, en naar Afrika voer, waar hij strijdend den dood vond.

In deze atmosfeer van voortdurenden strijd en onrust werd de romantische literatuur van Spanje geboren. Het is volstrekt niet verwonderlijk, dat hare ontwikkeling samenviel met dit wapengekletter. Trompetgeschal klinkt uit de gedichten. De letterkunde van dezen tijd is niet alleen de afspiegeling van den geest van een strijdend volk, maar zij is tevens een noodzakelijk product, want uit de liederen en legenden putten de ridders van Castilië nieuwen moed, strijdlust en opgewektheid, en zij werden er door bezield op den dag van den strijd. Wel mocht de zwervende ridder van Castilië, zooals in de oude ballade, zingen:

»Het harnas is mijn eenig kleed,

En strijd is mij festijn!

Mijne lamp, de straal van een planeet,

Mijn wereld .... een woestijn.«9

Grensgevechten met hun herhaalde verandering van tooneel en voortdurende onrust, waren een geschikte voorbereiding tot het dolende ridderschap.

De letterkundige ontwikkeling van het Castiliaansch.

Ofschoon verschillende vreemde invloeden op het Castiliaansch inwerkten, ontwikkelde het toch een geheel eigen letterkundig karakter, voornamelijk wat zijn gedichten betreft, zooals blijken zal bij de behandeling van zijne diverse Romantische vormen. Het had niets overgenomen van de letterkundige methoden van het Provençaalsch of Catalonisch, echter wel van den geest en den uitwendigen vorm daarvan. Toen het hoffelijke en eenigszins schoolsche dichterlijke systeem van de Troubadours in aanraking kwam met het ernstige en krachtige Castiliaansch, was het niet in staat, lang weerstand te bieden aan dezen invloed. Waar politieke omstandigheden de oorzaak waren geweest van het samentreffen dier twee elementen, waren zij het ook, die de overwinning van het Castiliaansch verhaastten. De regeeringsmacht in Aragon was sedert een vroeger tijdperk in aanraking geweest met het Castiliaansche koningschap, en Ferdinand de Rechtvaardige, die in 1412 den troon van Aragon besteeg, was een Castiliaansch vorst. De hoven van Valencia en Burgas waren dus feitelijk toegankelijk voor dezelfde politieke invloeden. Wanneer onze gevolgtrekkingen juist zijn, dan was het tijdens de regeeringen van Ferdinand den Rechtvaardige en Alfons V (1412–’58), dat de invloed van het Castiliaansch voor het eerst inwerkte op de sfeer van Catalonië. Wij zien het voor het eerst als dichtertaal gebruikt bij een zangwedstrijd ter eere van de Madonna, in 1474 te Valencia gehouden, en de 40 liederen, die bij deze gelegenheid werden gezongen, zijn later verzameld in het eerste boek, dat in Spanje gedrukt werd. Vier hiervan zijn in de Castiliaansche taal, die dus blijkbaar beschouwd werd als zijnde van voldoende letterkundige waarde, om bij zulk een wedstrijd te worden gebezigd. Het schijnt, dat Valencia, dat in vroegere tijden, wat spraak en kunst betreft, zuiver Catalonisch was, van 1470–1550 een eigen school had voor Castiliaansche dichters, die er veel toe hebben bijgedragen, het Castiliaansch als volkstaal te bestendigen. Maar de Cataloniërs waren niet van zins, hun taal, als de letterkundige taal van Spanje, zonder meer prijs te geven, en zij trachtten haar te handhaven door de instelling van een vakopleiding voor Troubadours, en door de schoonheden hunner taal hoog te prijzen bij de groote openbare zangwedstrijden. Het was te vergeefs. Zij moesten het afleggen tegen een taal, die krachtiger en rijker aan woorden en vormen was, en die daarenboven gesteund werd door een politieke macht, die sterker was dan de hunne.

De dichtkunst aan de hoven van Castilië.

De opkomst van het Castiliaansch als letterkundige taal werd ook zeer bevorderd door de natuurwetenschappelijke belangstelling van verscheidene vorsten van Castilië. Alfonso de Wijze was zelf een dichter, en beoefende zijn moedertaal met verstand en toewijding, waardoor hij hare zuiverheid en nauwkeurigheid van uitdrukking aanmerkelijk verbeterde.

Onder zijn toezicht werd de Heilige Schrift in het Castiliaansch vertaald, en op zijn aandringen werd een Algemeene Kroniek van Spanje, zoowel als de Geschiedenis der Eerste Kruistocht, geschreven. Hij maakte het Castiliaansch tot de taal der gerechtshoven en trachtte in de verzen den meer exacten geest en de dichterlijke zinswendingen der Provençalen over te brengen.

Alfonso XI schreef een Algemeene Kroniek in de vlotte en vloeiende versmaat van de inheemsche redondillas, inplaats van de stijve en strakke Alexandrijnen, die in dien tijd gebruikelijk waren in letterkundige kringen. Ook liet hij boeken schrijven in Castiliaansch proza over de jachtkunst en over den stamboom van den adel.10 Zijn familielid, Don Juan Manuel, droeg veel bij tot de ontwikkeling van de Spaansche fantasie, en hij gaf vastere vormen aan de Spaansche proza in zijn Conde Lucanor, een boek van ethische en politieke stelregels, waarvan de strekking duidelijk te voorschijn treedt in verhalen en fabels, ontleend aan de geschiedenis en de klassieke literatuur.

Hoewel Juan II11 een zwak en lui vorst was, was hij toch een beschermer van de letterkunde; hij schreef verzen, ging veel om met dichters, en liet in 1449 een bloemlezing samenstellen uit de beste Spaansche gedichten.

Maar aan zijn hof heerschte een schoolsche geest; men volgde er de Italiaansche methodes, en hijzelf toonde groote liefde voor de Provençaalsche kunstuitingen. Niettegenstaande al deze kunstmatige hinderpalen, maakte de Castiliaansche taal groote vorderingen op haar veroveringspad. Zij was voorgoed de taal der Romance geworden, en de Romance zou in Spanje voor een geheele generatie van dien tijd de voornaamste letterkundige vorm worden.

De opkomst van de Romance.

De ontwikkeling van de Romance in Spanje en de verschillende phasen, die zij heeft doorloopen, heeft niet die mate van belangstelling van den kant der Engelsche schrijvers gehad, die men had mogen verwachten in dezen tijd, waarin de kenner met toewijding de verborgen schuilhoeken der aarde moet doorzoeken, wil hij nieuwe letterkundige schatten te voorschijn brengen. De verschillende trappen van ontwikkeling der Romance zijn slechts terloops aangeduid, inplaats van uitvoerig behandeld, niet zoo zeer om de waardeloosheid van het materiaal, dan wel uit gemakzucht en een zekere oppervlakkigheid, die het kenmerk zijn van de meeste Britsche pogingen, om een juiste indeeling te maken van verschillende tijdperken en het onderling verband daartusschen duidelijk te belichten. Ik mag niet hopen, te slagen in een taak, die andere, en beter toegeruste autoriteiten wellicht uit goede overwegingen hebben verwaarloosd, maar ik zou liever tekort schieten in mijn streven een behoorlijk overzicht te geven van de verschillende overgangstrappen van de Spaansche Romance, dan den lezer te vergasten op een serie alleenstaande feiten en uitspraken zonder onderling verband, die, hoe belangrijk zij ook mogen zijn, geen duidelijk inzicht geven in oorzaak en gevolg, en die door de gebrekkige voorlichting, meestal aanleiding geven tot onjuiste gevolgtrekkingen.

Wanneer wij de letterkundige kaart van Europa beschouwen van de elfde tot de dertiende eeuw, dan zien wij het licht schijnen vanuit twee kwartieren—Joodsch-Arabisch Spanje en Frankrijk. Het eerste is voor het oogenblik voor ons van geen belang. Zijne letterkundige uitingen waren toen ten tijde niet sympathiek aan Christelijk Spanje, dat, zooals wij later zullen zien, alles wat Saraceensch was haatte, totdat de strijd tusschen ’t zwaard en de kromme sabel was uitgevochten. Maar in Frankrijk had Castilië een schitterend voorbeeld, dat het volgde op zijn eigen wijze, die hem voorgeschreven werd zoowel door nationalen trots als door politieke noodzakelijkheid.

Wij hebben reeds gesproken over den invloed van Zuid-Frankrijk. In het tijdperk, waarover wij spreken, was Noord-Frankrijk, het land van de langue d’oïl, ofschoon het er betrekkelijk weinig rustig was, veel beter in staat, goede literatuur voort te brengen dan Castilië, welks voortdurende Vendetta met de Mooren, slechts weinig gelegenheid overliet aan het intellectueele deel der bevolking, zich aan de letterkunde te wijden, eene gelegenheid, waarvan de fijnste geesten echter een ruim gebruik maakten. De opkomst van de kaste der reizende dichters in Frankrijk voldeed aan de behoefte van het volk naar verhalen, en de trouvères van de twaalfde eeuw vonden in den glorierijken tijd van Karel den Groote, een steeds vloeiende bron voor hunne ridderlijke verbeelding, die zulk een ingang vond bij een middeleeuwsch publiek. De verzen, of beter gezegd, de epische poëzie, die zij ontleenden aan de geschiedenis van het Carlovingische tijdperk, waren bekend als chansons de gestes, »zangen van daden« van den grooten Frankischen Keizer en zijne onoverwinnelijke paladijnen. De trouvères zelf noemden ze Matière de France, terwijl de verhalen van Koning Arthur aangeduid werden als Matière de Bretagne, en die, welke berustten op de klassieke geschiedenis, Matière de Rome werden genoemd.

Tot voor betrekkelijk korten tijd waren deze reusachtige werken, waarvan verscheidene uit zes- of zevenduizend dichtregels bestaan, eigenlijk volkomen onbekend, zelfs bij het meerendeel van de letterkundige autoriteiten.12

Zooals wij ze kennen, zijn zij betrekkelijk modern van vorm, na dikwijls te zijn omgewerkt, waarschijnlijk zeer tot hun nadeel. Maar zij zijn het oudste voorbeeld van met zorg bewerkte verzen in eenige moderne taal, uitgezonderd Engelsch en Noorsch, en ongetwijfeld heeft de moderne literatuur van alle Europeesche landen zich ontwikkeld uit deze werken.

Deze chansons waren bestemd om gezongen te worden in de feestzalen der riddersloten, door rondtrekkende troubadours, die ze zelf maakten, of ze aan elkander afstonden. Zij handelden meer over wapengekletter dan over teedere gevoelens, ofschoon ook deze zoo nu en dan meesterlijk beschreven waren. De oudste van deze gedichten zijn geschreven in coupletten, laisses of tirades genoemd, elk bestaande uit twintig tot meerdere twintigtallen van regels, terwijl deze groepen onderlingen samenhang vertoonden door hun berijmd refrein. Later echter waren de geheele chansons berijmd.

Castiliaansche oppositie tegen de Chansons de Gestes.

In deze gedichten, die waarschijnlijk oorspronkelijk uit het Noorden van Frankrijk kwamen, en zich in den loop der tijden naar het Zuiden verspreidden, werd Karel de Groote voorgesteld als het bolwerk van het Christendom tegen de Saracenen van Spanje. Omringd door zijne paladijnen Roland, Olivier, Naymes, Ogier en Willem van Oranje, voerde hij een onafgebroken strijd tegen de Mooren of de »Saracenen« (heidenen) van Saksen. Van deze gedichten heeft Gautier er 110 gecatalogiseerd, waarvan de helft uit de twaalfde eeuw stamt. Een aantal van de latere chansons zijn in het Provençaalsch geschreven, maar alle pogingen, om van de geheele cyclus den oorspronkelijken vorm op te sporen, hebben blijkbaar gefaald.

Zeker is het, dat deze romantische stof in haar geheel haar weg vond in Castilië. Het is niet met zekerheid bekend, of dit geschiedde door Provence en Catalonië, maar het is niet onmogelijk, dat dit het geval was. Men zou meenen, dat Christelijk Spanje door zijn moeilijken strijd tegen de Mooren, zich voelde aangetrokken tot een literatuur, die zoo voortdurend handelde over de nederlagen van zijn aartsvijand. Dit was oorspronkelijk ook het geval, en de chanson vond dan ook een gunstig onthaal. Maar er bleken spoedig twee beletselen te bestaan voor eene onverdeelde waardeering. In de eerste plaats schijnt het Castilië van de twaalfde eeuw te hebben begrepen, dat, als Karel de Groote Spanje binnenviel, hij niet alleen den Moor, maar ook den Spanjaard tegenover zich zou vinden. Dit wordt niet gestaafd, zooals sommige autoriteiten meenen, door een gedeelte van een populair gedicht, bij de Baskiërs bekend als Altobiskarko Cantar, of Lied van Altobiskar, dat stilzwijgend erkent, dat de nederlaag van de achterhoede van Karel den Groote niet te danken was aan de Saracenen, maar aan de Baskiërs, die gebelgd waren over de doortocht van het Frankische leger door hunne bergpassen. Het geheel is een uitvoerig stuk in het Baskisch, door den Baskischen student Duhalde vertaald uit het Fransche gedicht van François Garay de Montglave (circa 1833). Een tweede slag van Roncevalles had plaats onder de regeering van Lodewijk den Vrome in 824, toen twee Frankische graven, uit Spanje komende, weder overvallen werden en verslagen door de Pyreneesche bergbewoners. Maar er schijnt nog een vroeger gevecht te zijn geweest tusschen Franken en Baskiërs in de Pyreneeën, onder de regeering van Dagobert I (631–638). De herinnering aan deze gevechten schijnt bij de bevolking levendig te zijn gebleven, zoodat de Spanjaard den Frank bleef beschouwen als zijn erfvijand. Aartsbisschop Roderick van Toledo trad streng op tegen die Spaansche juglares, die de heldendaden van Karel den Groote in Spanje bezongen, en Alfonso de Wijze trachtte, zooveel het hem mogelijk was, de mythische overwinningen van den Frankischen keizer te kleineeren.

Maar dit was niet alles. Het denkbeeld, dat Karel de Groote zijn intocht in Spanje had gedaan als overwinnaar, alles voor zich uitdrijvende, was in hooge mate beleedigend voor den trots en het patriotisme van de Castilianen, die de chansons de gestes in hun eigen geest wenschten uit te leggen, en inplaats van ze woordelijk over te nemen, zelf een verzameling liederen schiepen. Zij namen als den nationalen held van het Carlovingische tijdperk een denkbeeldigen ridder aan, Bernaldo de Carpio, dien zij begroetten als den bevrijder van Castilië, en ter wiens verheerlijking zij zangen dichtten, waarin hij wordt voorgesteld als de strijder, die Roland bij Roncevalles versloeg aan het hoofd van een zegevierend leger, dat niet uit Arabieren of Baskiërs, maar uit Castilianen was samengesteld.

De Cantares de Gesta.

Maar al namen de Castilianen den inhoud van de chansons niet aan, den vorm namen zij wél over. Hun tegenzin tegen den uitheemschen geest en de strekking van de chansons schijnt te zijn ontstaan eenigen tijd nadat zij door geheel Spanje verspreid waren. Een Spaansch priester uit het begin der twaalfde eeuw schreef de wonderbaarlijke kroniek van Aartsbisschop Turpinus van Rheims; het moest de levensbeschrijving voorstellen van dien krijgshaftigen geestelijke, maar de werkelijke bedoeling was, aan te sporen tot bedevaarten naar Compostella, waarvan in het geschrift sprake was. Vele Franken trokken naar deze heilige plaats, onder wie Troubadours, die naar alle waarschijnlijkheid den geest en de metriek van de chansons brachten tot de Castiliaansche zangers, zoodat wij later hooren van Spaansche Cantares de gesta, waarvan echter de meeste, in tegenstelling met hunne Fransche voorbeelden, voor ons verloren zijn gegaan. De beroemde Poema del Cid, handelende over de krijgsverrichtingen van een groot Castiliaansch held, is in vorm en geest het type van een Cantar de gesta, en wij mogen op goede gronden aannemen, dat vele van de latere romanceros of balladen over helden als Bernaldo de Carpio, Gonzalvo de Cordova en Gayferos, oude cantares zijn, omgewerkt en vervormd door den tijd.

Evenals in Frankrijk, verloren in Spanje de Cantares de gesta hun aanzien. In den loop der tijden werden zij verdrongen naar marktplaatsen en herbergen. Van verscheidene werd de stof verwerkt in kronieken, maar de Juglares, die ze nu zongen, maakten er, wanneer ze ouderwetsch werden, slechte uittreksels van, of vervormden ze tot balladen, om ze geschikt te maken voor den smaak van een minder beschaafd publiek.13

De kronieken.

Maar al kunnen wij het meerendeel van de Cantares de gesta niet meer in hun ouden vorm terugvinden, gedeelten ervan komen voor in de oude kronieken van Spanje. Zoo vertelt de Algemeene Kroniek van Spanje (c. 1252), waarvan wij, op grond van de laatste onderzoekingen, mogen aannemen, dat zij tenminste drie veranderingen of bewerkingen van den tekst heeft ondergaan, het leven van Bernaldo de Carpio, Fernán González, en de zeven kinderen van Lara; zij geeft korte vertellingen over Karel den Groote, terwijl het laatste gedeelte de geschiedenis van den Cid verhaalt, en er zoo nu en dan zelfs verwezen wordt naar de Cantares als de bron van een of ander relaas. Daarenboven zijn verscheiden gedeelten van de Kronieken klaarblijkelijk in hun geheel overgenomen uit zekere Cantares. De omstandigheid, dat zij hun oorspronkelijken onberijmden doch metrischen vorm hadden behouden, maakte het den lateren ballade-dichters gemakkelijk, ze weder om te werken tot verzen. Dit is o.a. geschied met de Kronieken van Bernaldo de Carpio en de Kinderen van Lara, en in dezen nieuwen vorm vinden wij ze terug in de cancioneros of bundels Volkszangen.

De balladen.

De onsterfelijke balladen van Spanje zijn het onderwerp geweest van een fellen strijd, en hun belangrijkheid noopt ons, er een afzonderlijk hoofdstuk aan te wijden. Het tijdperk waartoe zij behooren in aanmerking genomen, en hunne verhouding tot de grootere verhalende gedichten, kunnen wij ze hier niet al te uitvoerig behandelen. Volgens sommige autoriteiten zijn zij van nog ouderen datum dan verzen als de Poema del Cid en Kronieken als van Alfonso den Wijze, terwijl anderen als hunne vaste overtuiging te kennen geven, dat het grootste gedeelte der ballades uit een lateren tijd stammen. Het schijnt mij toe, dat er waarheid schuilt in beide veronderstellingen, en dat het hier zooals dikwijls in de letterkundige zeevaart, verstandig is, den middenkoers te houden. Volgens mijne opvatting zijn er vier verschillende typen van Spaansche balladen:

1. die welke spontaan ontstonden in het Noorden van Spanje, eenigen tijd nadat de Castiliaansche taal gevormd was, en die, wanneer wij er al eenige overblijfselen van bezitten, waarschijnlijk zóó totaal veranderd zijn, dat zij, die ze het eerst gezongen hebben, ze zelf niet meer zouden herkennen;

2. balladen, die als kronieken uit de Cantares de gesta zijn overgenomen;

3. volksballaden uit lateren tijd, meer of minder veranderd;

4. de modernere voortbrengselen van een bewuste kunst.

Ik geloof, dat de balladen of romanceros weer verdeeld moeten worden in twee soorten: die, welke spontaan uit het volk zijn voortgekomen, zonder letterkundige basis, en die, welke eigenlijk Cantares de gesta of gedeelten uit kronieken zijn, die in den loop der tijden een ander uiterlijk hebben gekregen. Ik ben met de meeste onderzoekers van de oude Spaansche literatuur van meening, dat de Cantares of Kronieken niets hebben overgenomen van de balladen uit eenig tijdperk, die, naar ik stellig geloof, slechts een volksuiting zijn. Natuurlijk omvatten deze twee soorten niet de meer »poëtische« of vervalschte balladen, die geschreven werden, nadat de ballade een erkende vorm voor proefnemingen op het gebied van bewuste dichtkunst was geworden; het is duidelijk, dat deze soort in geen der beide klassen kan worden ondergebracht.

Wij bezitten geen stellige aanwijzing omtrent de mate van vervalsching of verandering, die de balladen ondergingen, voordat zij verzameld en uitgegeven werden. Het zou echter vreemd zijn, wanneer geen balladen uit den vroegsten tijd tot ons waren gekomen, zij het dan ook in veranderden vorm, en het lijkt mij een even overdreven uiting van zucht tot kritiek, wanneer men de oudheid zou ontkennen van een lied, alleen omdat het eerst in een later tijdperk gedrukt werd, of omdat men het nooit in oude manuscripten heeft aangetroffen, als wanneer men zou twijfelen aan de oudheid van een legende of een volksgebruik, op grond van het feit, dat deze in onze dagen nog gangbaar zijn, tenzij men hun ontstaan in een latere periode zou kunnen bewijzen. Toch schijnt het mij toe, dat weinig van deze balladen ouder zijn dan bijv. die van Schotland of Denemarken.

Weinig balladen van Europa zijn meer waard bestudeerd te worden dan de Spaansche. Maar op deze plaats kunnen wij haar slechts beschouwen in hare verhouding tot de Romance. Dat zij nauw verwant is aan de romantische literatuur van het Schiereiland, zien wij reeds dadelijk aan den naam, dien de Spanjaarden aan deze gedichten hebben gegeven, nl. Romanceros.14 Sommige ervan zijn eigenlijk slechts in naam romances of Cantares de gesta, doch inderdaad behandelen zij alle onderwerpen, die in de Cantares bezongen zijn, of in de Kronieken beschreven, zooals de Cid, Bernaldo de Carpio, Graaf Alarcos enz. Zij schijnen echter weinig gemeen te hebben met de latere, werkelijke romance, zooals Amadis, Palmerin of Felixmarte, en wel, omdat in den tijd, toen deze in de mode waren, de ballade reeds het eigendom geworden was van het volk. Zooals de markies van Santillana (1398–1458), die zelf een verdienstelijk dichter was, opmerkte in een brief, die beroemd is geworden om het licht, dat hij werpt op den toestand van de Spaansche letterkunde van dien tijd: »Er zijn verachtelijke dichters, die zonder systeem, methode of maat van die liederen en romances maken, waarin het gemeene volk behagen schept.« Zoo zouden Lovelace of Drummond of Hawthornden hebben kunnen schrijven over de Engelsche balladedichters.

Waar de balladen dus waren overgelaten aan de boeren en de arbeidersklasse, daar waren de hoogere standen, die tijd tot lezen hadden, aangewezen op de Kronieken en de enkele Cantares de gesta, die op schrift waren gebracht. Maar als gevolg van de vernietiging der Moorsche staten in Spanje, van den toenemenden rijkdom onder de hoogere standen en de uitvinding der boekdrukkunst, ontstond een meerdere vraag naar gedrukte boeken, die in de behoefte naar ontspanning zouden voorzien. Een groote scheppingsdrang ontwaakte. Eerst werd de romantische stof, die als het ware versteend en begraven lag in de Kronieken, tot nieuw leven gewekt. Voor sommige dezer gedichten was het slechts een kleine stap naar de eigenlijke romances. Maar Spanje snakte naar iets nieuws, en in het begin der vijftiende eeuw wendden de romancedichters hunne oogen opnieuw naar Frankrijk, welks onuitputtelijke bron van geestelijken rijkdom hun een overvloed van romantische stof begon te verschaffen.

De bloeitijd van de Romance.

Misschien zijn de eerste gegevens, die wij bezitten over de echte Spaansche Romance, die van Ayala, Kanselier van Castilië (1407), die zich in zijn Rimado de Palacio beklaagt over den tijd, dien hij verspilde met het lezen van zulk een »leugenachtig prul« als Amadis de Galliër. Hij zou zijn tijd slechter hebben kunnen besteden, maar hoe het zij, door zijn uitspraak krijgen wij een denkbeeld van den machtigen indruk, dien deze soort van romance op den Castiliaanschen geest maakte, die inplaats van zich tevreden te stellen met het slaafsch nabootsen van het Fransche voorbeeld, het herschiep in iets zuiver Spaansch. In geen enkel ander land van Europa vond het zaad van de Romance zulk een geschikten bodem om te ontkiemen en zich te ontwikkelen, en zeker gaf het nergens zulk een bijna tropische weelde en overdaad van bloem en vrucht.

Amadis werd gevolgd door een lange rij van dergelijke verhalen, die de lezer alle in dit boek zal ontmoeten. Het wordt algemeen erkend door de critici, te beginnen met Cervantes, als de beste en belangrijkste van de Spaansche Romances, en het werd vertaald in het Fransch, het Italiaansch en de meeste Europeesche talen; zelfs werd er, naar men zegt, een speciale vertaling van gemaakt voor Joodsche lezers. Met één slag had de Spaansche Romantiek de Fransche ridderlijke fantasie overwonnen op haar eigen terrein. Maar Amadis was niet, zooals Cervantes schijnt te meenen, het eerste ridderverhaal, dat in Spanje gedrukt werd. Want deze onderscheiding komt Tirante de Witte toe (1490), dat volgens Southey geen ridderlijken geest ademt. Onder anderen maken wij hierin kennis met Warwick den Konings-maker, die met goed gevolg een inval in Engeland door den Koning der Canarische Eilanden afslaat, en ten slotte geheel alleen den overrompelaar doodt en zijn krijgsmacht op de vlucht jaagt. Maar al vergist Cervantes zich in zijne bibliographie, de verklaring van zijn barbier, dat »Amadis het beste is van alle boeken, die in deze soort geschreven zijn,« is niet ver van de waarheid.15 Tasso beschouwde het als »het mooiste en misschien ook het leerzaamste verhaal in zijn soort, dat men kan lezen.« Gaf hij slechts het oordeel weer van den kritischen scheerder, zooals men wellicht uit zijn taal zou kunnen opmaken?

Amadis werd gevolgd door een menigte van dergelijke gedichten. Door het buitengewone succes bij het publiek, ontstond er een heele literatuur van gelijke strekking en karakter, zij het ook niet van gelijke waarde. De eerste van deze letterkundige voortbrengselen was Palmerin de Oliva, waarvan de eerst bekende uitgave in 1525 in Sevilla verscheen, en die, evenals de Amadis, weer gevolgd werd door soortgelijke gedichten, zooals Primaleón, Platir en Palmerin van Engeland, misschien wel het beste van deze reeks.

Men neemt als vaststaand aan, dat Amadis en Palmerin van Portugeeschen oorsprong zijn, en ik zal hierop later terugkomen; maar ik wil hier slechts vermelden, dat er geen Portugeesch origineel bestaat, noch gedrukt, noch in manuscript. Maar deze romances werden zóó zuiver Castiliaansch als de Arthur-legenden Engelsch werden, ondanks hun vreemden oorsprong; en Spaansch zijn zij gebleven, zoowel voor het volk als voor de critici van geheel Europa.

De Palmerin-reeks wakkerde slechts de hartstocht voor Romantiek aan, en Spanje snakte zóó naar een letterkundig voedsel, dat geschikt leek voor zijne behoeften, dat zij, die trachtten het publiek te voorzien van romantische lectuur, nauwelijks in staat waren, een voldoende hoeveelheid ervan te leveren. Het natuurlijk gevolg hiervan was een stroom van haastig geschreven minderwaardige verhalen. De fantasie, die eerst alleen maar gewaagd was, werd nu schaamteloos, en het toppunt werd in dit opzicht bereikt in uitingen van een ongezonde verbeelding als Belianis van Griekenland, Olivante de Laura, en Felixmarte van Hyrcania. Maar ofschoon de meeste van deze voortbrengselen onzinnig waren en beleedigend voor het menschelijk intellect en den goeden smaak, vonden zij toch ontelbare lezers, en alles wijst er op, dat het beroep van uitgever in het Spanje van de zestiende en zeventiende eeuw buitengewoon voordeelig moet zijn geweest. Deze flauwe verhalen, die de schoonheid, de ware fantasie en den eenvoud misten van de andere romances, stonden tot deze in dezelfde verhouding als een menigte romans, uitgegeven in het begin der negentiende eeuw, tot die van Scott, die zij trachtten na te bootsen. Mexia, de sarcastische geschiedschrijver van Karel V, verbaast zich in zijn verhandeling over de Romance (1545) over de onnoozelheid van een publiek, dat zich met zulk een flauwe kost bezighoudt; »want«, zegt hij, »er zijn menschen, die gelooven, dat al die dingen werkelijk gebeurd zijn, ofschoon het grootste gedeelte ervan onmogelijk is.« Zoo zou een criticus van onze dagen kunnen spreken over de voorkeur van het groote publiek voor de goedkoope romans, of de minderwaardige sensatie-lectuur, artikelen, die in het groot worden gefabriceerd door de al te vlugge machines van de »Vernuft-Onderneming«.

Een andere merkwaardige en nog minder sympathieke uiting van het verlangen naar romantiek bij het Spaansche publiek, waren de godsdienstige verhalen als De Hemelsche Ridderschap, De Ridder van de Heldere Ster, en andere minderwaardige producten, waarin Bijbelsche figuren zijn bekleed met ridderlijke eigenschappen, en op zoek gaan naar avonturen. De tijd, waarin al deze verschillende typen der Spaansche Romance elkander opvolgden, was merkwaardig kort. Maar er verliep een halve eeuw tusschen het verschijnen van Amadis en de allerlaatste van zijne waardelooze imitaties. Het is niet moeilijk een verklaring te vinden voor de vlugge fabricatie en verspreiding van zulk een hoeveelheid goede en slechte lectuur. Wanneer wij bedenken, dat Spanje sedert eeuwen het land was geweest van de ware ridderlijkheid, dat zijn fantasie sterk ontwikkeld was in een langdurigen strijd met zijne heidensche vijanden, en dat het, in de ridderverhalen, die het nu met zulk een groote bewondering las, de afspiegeling vond van zijn eigen hoffelijken en heldhaftigen geest—den fijnstbesnaarden en ridderlijksten geest van Europa.

Een mogelijke Moorsche invloed op de Spaansche Romance.

Er zijn bewijzen te over, dat de eeuwenlange strijd op leven en dood met de Saracenen, een geweldigen invloed heeft uitgeoefend op de Spaansche romantische verbeelding. Maar was die invloed van directen aard, en het gevolg van een voortdurend contact met de Mooren, of kwam hij voort uit de atmosfeer van betoovering, die de Saraceen in Spanje achterliet, een betoovering, die nog versterkt werd door de wonderen van zijn architectuur en zijn kunst? Er bestaat bijna geen Spaansche romance, waarin de Moor niet beschreven wordt als een caballero en een waardig vijand. Maar is het de werkelijke Moor, dien wij ontmoeten in deze lijvige boekdeelen, die naast onze moderne boeken statige galeien lijken in gezelschap van visscherspinken; of is het de Saraceen der verbeelding, een Oosterling, door de fantasie geschapen, zooals de Turk in de werken van Byron? Het vraagstuk van den invloed der Moorsche literatuur op de Spaansche romance is vertroebeld door een ongelukkig wanbegrip van het publiek. Laat ons dus even den aard onderzoeken van de Arabische letterkundige scheppingen, en nagaan, in hoeverre deze in staat waren, de Castiliaansche kunst en fantasie te beïnvloeden.

De geschiedenis van de ontwikkeling van het Arabisch uit het dialect van een zwervende woestijnbevolking tot een taal, waarvan de schoonheid en dichterlijkheid wellicht ongeëvenaard zijn, is op zichzelf belangrijk genoeg, om een geheel boekdeel over een romantisch tijdperk te vullen. De vorm, waarin het Arabisch voor het eerst in Spanje optrad in het begin der achtste eeuw, moet de bewondering opwekken van iedereen, die belang stelt in letterkundige volmaaktheid. Het ontwikkelde zich in zeer korten tijd als letterkundige taal en handhaafde zich als zoodanig. Het was, alsof de tonen van een harde trompet langzamerhand waren opgenomen in die van een zilveren klaroen, waarvan de tonen zelfs nog helderder klinken, totdat zij tenslotte zulk een graad van scherpte bereiken, dat het oor er pijnlijk door getroffen wordt. Deze rijke taal, de ware taal van den letterkundigen aristocraat is, doordat zij zoo lastig te leeren is, en door de moeilijkheid van hare letterteekens, bij de groote massa van Europeanen zoo goed als onbekend, ook al, omdat er bij vertaling zooveel verloren gaat van hare fijnere schakeeringen. Zelfs bij het grootste gedeelte van de Arabieren in Spanje, waren de fijnbeschaafde verzen, waaraan hunne letterkunde zoo rijk was, onbekend. Hoeveel verder moesten zij dan wel niet afstaan van den Castiliaan of den Cataloniër?

Arabische dichtkunst.

De omstandigheid, dat de Arabieren, toen zij nog een onbeschaafd volk waren, in de woestijn leefden, was niet gunstig voor het bereiken van een hoogen trap van letterkundige bekwaamheid, maar zij bevorderde wel de ontwikkeling van hunne aangeboren opmerkingsgave, die hen een schat van synoniemen deed vinden, waardoor hunne taal zeer verrijkt werd. De vondst van synoniemen en van mooie en treffende vergelijkingen moeten beschouwd worden als de eerste voorwaarde voor een bloeiende dichtkunst, en gedurende een eeuw in het tijdperk der Moorsche overheersching in het Oosten, zien wij de schitterende dynastie van de Abbassiden (circa 750) optreden als beschermers van een dichtkunst, die door de rijke Arabische taal zoo gemakkelijk tot uiting kwam.

Vertellen was altijd een geliefkoosde bezigheid geweest van de Arabieren in de woestijn, en nu kwam deze edele, ongedwongen oefening van de fantasie hun goed te pas. Wij kunnen ons geen juiste voorstelling maken van de snelheid, waarmede de Arabische letterkunde in dien tijd tot bloei kwam. De dichtkunst, die tegenwoordig geen »marktwaarde« meer heeft, was toen voor de waarlijk ontwikkelde hoogere standen een noodzakelijke levensbehoefte, kostbaarder dan de balen zijde van Damascus, de juweelen van Samarkand, of de reukwerken van Syrië, waarvan hunne legenden vol zijn, zooals de muren van Aladins paleis overdekt zijn met tooverachtige edelsteenen. Maar voor de Arabieren waren woorden inderdaad juweelen. Toen Al-Mamoun, de zoon van Haroun-al-Raschid, zijne vredesvoorwaarden dicteerde aan den Griekschen keizer Michael den Stamelaar, was de cijns, dien hij van zijn overwonnen vijand eischte, een verzameling manuscripten van de beroemdste Grieksche schrijvers. Een eisch, den heerscher over een volk van dichters waardig!

Maar het veroverde Spanje was vóór alles de zetel en het middelpunt van Arabische dichtkunst en wetenschap. Cordova, Granada, Sevilla—ja, eigenlijk alle steden van het Schiereiland, die door de Saracenen bezet waren, betwistten elkander den roem van hunne scholen en onderwijsinrichtingen, hunne bibliotheken en andere centra voor den geleerde en den kunstenaar.

De zeventig bibliotheken, die in de twaalfde eeuw in Moorsch Spanje bestonden, maakten Europa, met zijn gebrek aan ontwikkeling, te schande, en in dien tijd was het veel meer Arabië dan het vervallen Rome, dat Europa weer nieuwe beschaving bracht. Het Arabisch werd niet alleen de letterkundige taal, maar ook de spreektaal van duizenden Spanjaarden, die in het Zuiden onder Moorsche heerschappij leefden. Zelfs werd in het midden der achtste eeuw de Heilige Schrift in het Arabisch vertaald voor de talrijke Christenen, die geen andere taal kenden. De colleges en universiteiten, die door Abderahman en zijne opvolgers gesticht waren, werden bezocht door een groote menigte Europeesche geleerden. Zoo was het, behalve de dichtkunst, ook de kennis en de philosophie van de Saracenen, die van grooten invloed waren op de geestelijke vorming van Europa. Wanneer wij echter dieper doordringen in het vraagstuk van deze merkwaardige beschaving, dan zullen wij ontdekken, dat Europa nog meer te danken heeft aan de Spaansche Joden dan aan de Mooren zelf.

De vorm van Arabische cultuur, waarin wij voornamelijk belangstellen, is hare dichtkunst, in verband met den invloed, dien deze gehad heeft op de Spaansche letterkunde. De dichtkunst van dit zeer begaafde volk, dat zoo rijk was aan verbeeldingskracht, had op het oogenblik van hare komst in Spanje zeker wel haar hoogtepunt bereikt. Haar warme en zinnelijke geest was wel in zeer groote tegenstelling met de meer stemmige en ingetogen Grieksche en Romeinsche verzen, die door de Arabieren koud en vormelijk werden genoemd, en niet de moeite waard, vertaald te worden. Het overtrof alles, wat tot nu toe verschenen was, in gewaagde en overdreven uitingen, in beeldspraak en teedere gevoelens. De Arabische dichter stapelde het eene beeld op het andere. Hij was niet in staat in te zien, dat men door overlading te kort kan doen aan de schoonheid van iets, dat uit zichzelf reeds waarlijk schoon is. Verscheidene critici hebben het noodig gevonden, ons gerust te stellen, wat zijn oordeel en onderscheidingsvermogen betreft. Maar reeds bij eene oppervlakkige kennismaking met de Arabische literatuur, zien wij, dat de dichter werd meegesleept door zijn groote liefde voor het onderwerp, dat hij beschreef. In den tuin van den Arabischen dichter is elke bloem een juweel, elk stukje grond een kostbaar Perzisch tapijt, en elk meisje een engel uit het Paradijs, wier lichamelijke eigenschappen ieder op zichzelf weder het onderwerp worden van gloeiende dichtregels. Het voortdurende gebruik van synoniemen en van den overtreffenden trap, de overdrijving in de uitingen hunner liefde, en het dikwijls geheel ontbreken van een strekking en van die wijdloopige bespiegelingen, waarin de dichters van het Westen hunne tijdgenooten geleerd hebben, filosofische vraagstukken voor zichzelf op te lossen—dat waren de zwakheden van de Arabische zangers. Zij stelden een korte spreuk in de plaats van een verhandeling. Zij begrepen niet, dat de dichtkunst niet slechts vermaak beoogt, maar ook een middel is van groote opvoedkundige waarde.

De waarachtige liefde voor de natuur schijnt den Arabier evenzeer te hebben ontbroken als den Griek en den Romein. Hij hanteerde zijn onderwerp met evenveel zorg als een juwelier. Het schilderen van een lelie was hem niet genoeg; hij polijstte haar, totdat het een voortbrengsel uit een goudsmidswinkel geworden scheen. Voor hem was de natuur niet iets, dat verbeterd, maar dat overtroffen moest worden, een diamantmijn, waaruit elke steen geduldig moest worden geslepen.

Maar het zou onbillijk zijn, de fantastische literatuur der Arabieren een belangrijke plaats onder de kunstuitingen te ontzeggen. Wij kunnen het slechts betreuren, dat hun, door verschillende omstandigheden, de gelegenheid niet werd geboden, hunne gaven in de goede richting te ontwikkelen. Wanneer wij de geschiedenis lezen der Arabische staten, met hun hoog ontwikkelde beschaving, hunne druk bezochte academies, en hunne ver reikende macht, die zich uitstrekte van Centraal-Azië tot aan de Westelijke havens van de Middellandsche Zee, en wij wenden ons dan naar de plaatsen, waar dit alles bloeide, dan moet het ons wel zeer aan verbeeldingskracht ontbreken, wanneer wij niet onder den indruk komen van het totale verval, waaraan deze streken ten prooi zijn geworden. Het groote, naijverige en moedige ras, dat deze landen heeft overwonnen en beheerscht, heeft de volkeren voor zijne poorten verzameld, en de onbeschaafde bewoners van Europa zetten zich neder aan zijne voeten, om te luisteren naar zijn tooverachtige verhalen en de Openbaringen der Wetenschap, die van zijne lippen vloeiden. Het volk, dat uit de woestijn gekomen was, keerde weer tot de woestijn terug.

Waar ééns, in Djamschids fonkelend paleis

De jonge Houri’s dansten bij den klank der luit,

Daar dwaalt de wilde ezel, kind van de woestijn;

En op het graf van Barlaam jaagt de leeuw naar buit.

De Moorsche »mode« in de Spaansche Romance.

Van Moorsche grootschheid van gedachte en diepte van gevoel, vinden wij weinig in de Spaansche letterkunde, tenminste tot aan het begin der vijftiende eeuw. Hare eigenschappen waren beslist, zoo nu en dan zelfs hinderlijk, Europeesch, hetgeen verklaard moest worden uit haar oorsprong.16 Maar het schijnt, dat met de Castiliaansche bezetting van de Moorsche gedeelten van Spanje, de atmosfeer, die de Saraceen had achter gelaten, grooten invloed uitoefende op den Spanjaard, die zijn ouden vijand schijnt te hebben omgeven met een stralenkrans van romantiek, en voor wiens fijne beschaving, waarvan de bewijzen zoo ruimschoots voorhanden waren in zijn architectuur en andere kunstuitingen, hij zulk een diepe bewondering had. Wanneer onze gevolgtrekkingen juist zijn, moet er ongeveer in dien tijd een Moorsche »Mode« in de Spaansche letterkunde zijn opgetreden, zooals er in Engeland een hartstocht ontwaakte voor alles wat Oostersch was, ten tijde van Byron en Moore, toen de Engelschen in de Levant begonnen te reizen. Maar deze mode was voornamelijk pseudo-Saraceensch, niet beïnvloed door letterkundige voorbeelden, en meer het indirect gevolg van atmosfeer en de kunstuitingen dan van het persoonlijk contact met de bevolking. Lang vóór de vijftiende eeuw echter, met hare manie voor alles wat Moorsch was, had de Arabische geest al ingewerkt op de Spaansche letterkunde, zij het ook slechts in geringe mate en onbewust. Wat echter de uiterlijke vormen van de Spaansche letterkunde betreft, deze hadden, noch in proza, noch in poëzie, iets van de Moorsche overgenomen, en dit is voornamelijk het geval met de assonanten, die de Castiliaansche dichtkunst kenmerkten, een prosodie, welke gevonden wordt in de gedichten van alle Romaansche talen uit vroegere tijden. De Mooren schijnen echter de balladen van de Spaansch-Moorsche grensbewoners naar hunne behoeften te hebben veranderd, voornamelijk die, welke betrekking hebben op het verlies van Alhamia. Zij zijn in ieder geval gebaseerd op Moorsche legenden. Sommige duffe geleerden, zooals de Markies van Santillana, hanteerden den Arabischen versvorm zooals Swinburne de Fransche rondeau, of Dobson de ballade, of zooals droogstoppels aan de Engelsche universiteiten in Grieksche hexameters schrijven, waarbij zij, uit bewondering voor het uitheemsche en diepzinnige, de onbegrensde mogelijkheden over het hoofd zien, die hun eigen taal hun biedt. Dit maakwerk, waarmede vele letterkundigen uit alle tijden zich hebben beziggehouden, had niet meer invloed op den grooten stroom van Castiliaansche literatuur, dan dergelijke pogingen plegen te hebben op de letterkundige oogst van een land. Sommige van de populaire Coplas, of coupletten, schijnen echter rechtstreeks uit het Arabisch te zijn vertaald, hetgeen niet te verwonderen is, wanneer wij denken aan het groote aantal menschen van gekruist ras, dat in het midden der zeventiende eeuw Spanje bewoonde. Het staat ook vast, dat Arabisch de spreektaal was van duizenden Christenen in het zuiden van Spanje. Maar het blijkt meer en meer, dat het een ernstigen tegenstander had in het Spaansch, een tegenstander, die het Arabisch even hardnekkig bestreed als de Spanjaard het den Moor deed.17

Misschien is wel de beste maatstaf voor het verval van het Arabisch als spreektaal in Spanje het feit, dat de schrijvers van verscheidene romances beweren, dat het slechts vertalingen uit het Arabisch zijn—meestal de scheppingen van Moorsche toovenaars en sterrewichelaars. Deze beweringen kunnen gemakkelijk worden weerlegd. Maar wanneer wij dit vraagstuk objectief beschouwen, moeten wij erkennen, dat de Spaansche literatuur zich evenmin kon vrijhouden van Arabischen invloed, als dit het geval was met de Spaansche muziek, de architectuur en het handwerk. Al deze invloeden waren echter ongetwijfeld van lateren datum en wat de romances betreft, was de invloed meer »geestelijk« dan »materieel.« Christelijk Spanje had gedurende achthonderd jaar de Saracenen van zich af weten te houden en toen het tenslotte erin toestemde uit den Saraceenschen beker te drinken, vulde het dien met Spaanschen wijn. Maar de uitheemsche drank, die dezen beker vroeger tot den rand toe vulde, had den geheimzinnigen geur en smaak van het Oosten erin achtergelaten, wel is waar zwak, maar toch onmiskenbaar.

Het type van de Spaansche Romance.

Het beste type van de Spaansche Romance is dat, waarin de geest van het wonderbaarlijke vermengd is met den geest van ridderlijkheid. Het oude Spanje met zijn grootsche opvattingen van eer, zijn fijn gevoel voor hoffelijkheid en zijn aangeboren fantasie, was als het ware de smeltkroes, waarin de elementen voor de romance gemengd werden. De eigenaardigheden van klimaat en omgeving droegen er ruimschoots toe bij, de sprookjes, waarvan de Spaansche geschiedenis wemelde, te onderhouden; en bovenal had het Spaansche volk een levendige belangstelling in de daden der ridders, zooals dat in geen enkel ander land van Europa het geval was. De Spanjaard droeg de kenteekenen der ridderlijkheid op waardiger wijze dan de Franschman of de Engelschman; het was zijn natuurlijk gewaad, en hij droeg het met een gratie, een ernst en een gevoel voor betamelijkheid, die niet te overtreffen waren. Wanneer hij ontaardde in een Don Quixote, dan was dit tengevolge van de groote toewijding, waarmede hij zich aan zijn ridderleven gegeven had. Hijzelf was de eerste, die er om lachte, toen hij bemerkte, dat zijn riddermanieren en zijn pantser veranderd waren, maar zelfs de klank van dien lach was edel, en het boek, dat dien lach opwekte, heeft minstens zooveel harten voor het romantisme gewonnen als het ontgoochelde.

De geschiedenis van den Spaanschen strijd is een verhaal van ridders, van strijders met een bijna bovenmenschelijke eerzucht en uithoudingsvermogen; van machtige stichters van koninkrijken, groote hervormers van de wereldkaart, die, gesteund door een handjevol getrouwen, in Valencia, Mexico, Italië of Arancanië, de fabelachtige daden van Amadis of Palmerin voorbijstreefden. In latere tijden zond het ijzerland Castilië oorlogsschepen uit, om zijne banieren over de onmetelijke zeeën te dragen naar de verst verwijderde gedeelten der aarde. Wat bewoog hen, te leven en te sterven in het harnas, omgeven door gevaren, grooter dan de tooverkunsten van kwaadwillige toovenaars, of de avonturen, die de dolende ridders ontmoetten, die op zoek waren naar geheimzinnige kasteelen? Wat hield hen staande in hun leven van voortdurenden strijd, ontbering en doodsgevaar? Kunnen wij er aan twijfelen, dat de heldenverhalen van hun Vaderland hen als met tooverkracht bewogen en bezielden, dat, wanneer zij ten strijde trokken, de verre klanken van het krijgsgeweld der helden uit de oude romances in hunne ooren schalden, zooals een fanfare uit de trompetten van herauten bij een tournooi?

En toen wij rustten ons ten strijd,

Toen zong ons hart van zaligheid,

Wij hoorden ’t krijgsgetier.

Bij ’t denken aan Orlando’s smart

Aan Felixmarte’s ridderhart

En den dood van Olivier.


1 De Moro latinado of de Spaansch sprekende Moor, is een voorname figuur in de latere Spaansche geschiedenis.

2 In Bisschop Odoor’s testament (747) zien wij het verval van het Spaansche Latijn aangetoond, en Karel de Kale zinspeelt in een edict van 844 op de usitato vocabulo der Spanjaarden, hun »Spreektaal.« Over het Gothische tijdperk zie men Père Jules Pailham, in het 4e deel van Cahier en Martin’s Nouveaux Mélanges d’Archéologie d’Histoire, et de Littérature sur le Moyen Age (1877).

3 Dit dialect was veel meer verwant aan de lingua rustica dan aan het Gothisch, dat grooter invloed heeft gehad op de uitspraak en den zinbouw van het Spaansch, dan op de woorden.

4 »Over het geheel,« zegt Professor Saintsbury, »zijn het gemak, de verfijndheid, en, binnen zekere grenzen, de verscheidenheid van vorm, opmerkelijker dan de grootschheid van gevoel en van gedachten« (Flourishing of Romance and Rise of Allegory, p. 308–369). Hij merkt verder op, dat het Provençaalsche vers is een »uiting van kleine kunst.«—»Knap, schoolsch, aangenaam, maar zelden uitstekende boven het middelmatige.«

5 Deze was getiteld El Arte de Trobar en een slecht uittreksel daarvan vindt men in Mayan’s Origenes de la Langua Española (Madrid 1737).

6 Over Provençaalschen invloed op Castiliaansche letterkunde zie men Manuel Mila y Fontanal Trovadores en España (Barcelona 1887); en E. Baret, Espagne et Provence (1857), een meer beknopte verhandeling.

7 Toch vonden zij verscheidene Spaansch sprekende bewoners van die streken en het was de Romaansche taal van deze menschen, die tenslotte in Spanje overheerschend was.

8 Madrid, 1839.

9 Cancionero de Romances (Antwerpen, 1555).

10 Zie het artikel over Alfonso XI in N. Antonio, Bibliotheca Hispana Vetus.

11 Regeerde van 1407 tot 1454.

12 Gaston Paris, La Littérature Française au Moyen Age (Paris 1888) en Léon Gautier, Les Epopées Françaises (Paris 1878–’92), zijn de voornaamste kenners van de Chansons de Gestes.

13 Zie Manuel Milo’ y Fontanal, Poesia heróico-populair Castellana (Barcelona, 1874).

14 Deze naam, die het eerst gebruikt werd door Graaf Willem van Poitiers, den eersten troubadour, omvatte oorspronkelijk ieder werk, dat in de inheemsche talen der Romance geschreven was. Later werd hij in Spanje gebruikt als equivalent voor Cantar, en tenslotte duidde men er mede aan lyrisch-verhalende gedichten in achtlettergrepige assonanten.

15 Don Quixote. Deel I, hoofdstuk VI.

16 In het hoofdstuk, getiteld: »Moorsche Romances van Spanje«, zal de lezer voorbeelden vinden van romantische verhalen van dit volk, waaruit hem de verwantschap met de Spaansche romances zal blijken.

17 Zie Dozy, History of the Moors in Spain (Engelsche vertaling) en Recherches sur l’Histoire politique et littéraire de l’Espagne (1881); F. J. Simonet, Inleiding tot zijn Glosario de Voces iberias y latinas usadas entre los Muzárabes (1888); Renan, Averroës et Averroïsme (1866).