WeRead Powered by ReaderPub
Legenden en Romances van Spanje cover

Legenden en Romances van Spanje

Chapter 47: De ware Cid.
Open in WeRead

About This Book

De tekst geeft een overzicht van de Spaanse romantische literatuur, waarbij bronnen en vormen worden behandeld, van cantares de gesta en het Poema del Cid tot ridderromans als Amadis de Gaula en de Palmerin-cycli. Hij analyseert regionale varianten, waaronder Catalaanse stukken, Moorse beïnvloede vertellingen en middeleeuwse balladen, en bevat vertalingen van representatieve romances en balladen. De auteur bespreekt oorsprongsvraagstukken, de wisselwerking tussen historische gebeurtenissen en folkloristische elementen en debatten over Moorse invloed op de romanceros. Latere hoofdstukken verzamelen verhalen over hekserij en toverij, magische motieven en humoristische volksromances, ondersteund door aantekeningen over taal, structuur en muzikaal-poëtische context.

Hoofdstuk II. De »Cantares de Gesta« en de »Poema del Cid«.

Als in de hooge koningszaal

De ridders en jonkvrouwen bij het maal

Een kostelijk lied verlangen,

Dan komt des minstreels schoone tijd,

Hij zingt van ridders en woesten strijd

En zijn teedere minnezangen.

Wij hebben reeds gesproken over den Franschen oorsprong van de Cantares de Gesta; hun naam reeds verraadt hunne Gallische afkomst. Maar wij moeten nog eens duidelijk in het licht stellen, dat de Cantares spoedig hun Noordelijk gewaad hebben verwisseld voor de Castiliaansche kleederdracht. Sommige landen bezitten zulk een uitgesproken eigen karakter, zulk een gemakkelijkheid, het eigen stempel te drukken op wat hen omringt, dat alles, stoffelijk zoowel als geestelijk, wat over hunne grenzen binnenkomt, van uiterlijk verandert en wordt omgetooverd, zoodat het in korten tijd zich volkomen heeft aangepast aan zijne nieuwe omgeving. Van deze toovergave schijnen Spanje, Egypte en Amerika het geheim te bezitten. Maar verander het uiterlijk van de Fransche Chansons zooveel gij wilt, voor den kenner van dezen dichtvorm zal hun oorsprong nooit twijfelachtig zijn. Ook kon de aard van de scheppende en uitvoerende kunstenaars op dit gebied niet voorgoed worden veranderd, zoodat wij niet verwonderd behoeven te zijn, wanneer wij in Spanje de Fransche trouvères en jongleurs terugvinden als trovadores en juglares. De trovador was de dichter, de schepper; de juglar was slechts de zanger, de voordrager, ofschoon de grenslijn tusschen beiden niet scherp getrokken was. Sommige bijzonder begaafde juglares waren ook de makers van de cantares, die zij zongen, terwijl een onbeteekenende trovador soms genoodzaakt was, de liederen van anderen te zingen. Instrumentalisten of begeleiders waren bekend onder den naam van juglares de péñola, ter onderscheiding van de voordragers of zangers, de juglares de boca.

Een »Troubadour« van het oude Spanje.

De zangers van het oude Spanje.

Met het optreden van den juglar werd er afstand gedaan van den Cantar, want hij pleegde hem te veranderen en te besnoeien, langer of korter te maken, naar zijn gevoel voor de behoeften en den smaak zijner toehoorders het hem ingaf. Menigmaal trachtte hij den Cantar te gieten in den vorm van een volkslied, wat het geheel niet altijd ten goede kwam. Dikwijls was hij niet slechts vergezeld van een instrumentalist, maar door een remendador of gebarenspeler, die zijn verhaal door een stom spel toelichtte. Deze zonen van de luchtige kunsten waren berucht om hun onverschilligheid voor het aardsche slijk en zij leefden meestal van de hand in den tand. Een korst brood en een beker wijn was hun voldoende, wanneer het geld schaarsch was. Nog niet bezoedeld door den dorst naar goud, trokken zij van feestzaal naar feestzaal, van kasteel naar kasteel, slechts denkende aan hun zending—het verzachten van de zeden van een barbaarsche eeuw.

Gij lang gestorven broeders van de minnezangen,

Die voor uw loon een beker wijn en lof slechts hebt ontvangen,

Gij leeft nog voort in ’t hedendaagsche lied!

Maar deze eenvoudige toestand was niet blijvend. Met het toenemen van den smaak voor de cantares, werden de trovadores en hunne trawanten, zooals dat meestal pleegt te geschieden, begeerig naar de genietingen van het leven, zich beroepende op de eeuwenoude bewering, dat de uiterlijke kenteekenen van de schoonheid het geboorterecht van den kunstenaar zijn, en vergetende, hoe noodlottig het is, »te bezoedelen met rijkdom en macht, den rijken en hemelschen geest van den dichter.«

Deze »geesten uit hooger sfeer« versmaadden helaas de goede gaven niet. Koningen, prinsen en edelen overlaadden den trovador met hunne gunsten, vleiden hem, door zijn kunst en zijn leven na te bootsen, en voegden zichzelf bij hun gilde. Weinig menschen van geest zijn zóó geschapen, dat zij een natuurlijke hooghartigheid en heerschzucht volkomen kunnen onderdrukken. In die dagen schijnt dichterlijke aanmatiging even veelvuldig te zijn voorgekomen als militaire blufferij, en de trovadores, verwend en gevierd als zij waren door vorsten en edelen, werden tenslotte onverdraaglijk in hunne onbeschaamdheid en begeerigheid. Het land was overstroomd door echte en zoogenaamde zangers, wier levenswijze overal schandaal verwekte, zelfs in een tijd, waarin men in dit opzicht niet kieskeurig was. Het publiek kreeg genoeg van die eeuwige cantares en het getokkel op één snaar. Het werd meer en meer gebruikelijk romances te lezen, inplaats van ernaar te luisteren, en zóó kwam het voor, dat de juglares langs de heirwegen van Spanje trokken en op de hoeken der straten hunne liederen voordroegen in een toestand van verarming, die vrij wat droeviger was te aanschouwen dan hunne vroegere gebrekkige, maar toch eervolle omstandigheden.

Weinige van de oude Spaansche cantares zijn bewaard gebleven, in tegenstelling met de meer dan honderd chansons, die Frankrijk kan vertoonen. Maar wat ervan is overgebleven, is voldoende om ons een duidelijk beeld te geven van het type. Zooals wij reeds vroeger aantoonden, hebben wij onze bekendheid met meer dan één ervan te danken aan de omstandigheid, dat zij werden opgenomen in de oude Kronieken van Spanje. Een uitstekend voorbeeld van dit proces van letterkundig balsemen wordt ons gegeven door de wijze, waarop de cantar van Bernaldo de Carpio werd ingebed in de betrekkelijk vervelende massa van de Algemeene Kroniek van Spanje, die in 1260 door Koning Alfonso den Wijze werd samengesteld, en waar men dit gedicht zal kunnen vinden in de hoofdstukken VII en XII van het derde deel. De dichterkoning verklaart, dat hij zijne geschiedenis van Bernaldo heeft gegrond op »Oude balladen« en in den geest, zoowel als den vorm van zijn verhaal van den legendarischen held kunnen wij den invloed van den cantar duidelijk waarnemen.

De geschiedenis van Bernaldo de Carpio.

Toen de jonge Bernaldo de Carpio den mannelijken leeftijd bereikt had, was hij, zooals zooveel romanhelden, niet bekend met de omstandigheid, dat hij van vorstelijken bloede was; want zijn moeder was een zuster van Don Alfonso van Castilië en was in het geheim gehuwd met den dapperen en edelen Graaf de Sandras de Saldaña. Koning Alfonso, diep beleedigd dat zijn zuster iemand gehuwd had, die zoo zeer haar mindere in rang was, wierp den graaf in de gevangenis, waar hij hem van het gezicht liet berooven, en sloot de prinses in een klooster op. Hun zoon Bernaldo voedde hij echter zeer zorgvuldig op. Toen hij nog een jongeling was, bewees hij zijn oom belangrijke diensten, maar toen hij vernam, dat zijn vader in de gevangenis zuchtte, maakte een diepe zwaarmoedigheid zich van hem meester, en hij stelde geen prijs meer op de dingen, die vroeger zijn grootste vreugde uitmaakten. Inplaats van zich bezig te houden met dans en tournooi, kleedde hij zich in zwaren rouw, en tenslotte begaf hij zich naar Koning Alfonso, en smeekte hem, zijn vader de vrijheid terug te geven.

Alfonso was diep bewogen, toen hij bemerkte, dat Bernaldo bekend was met zijne afkomst en de gevangenschap van zijn vader, maar zijn haat voor den man, die zijne zuster veroverd had, was grooter dan de liefde voor zijn neef. Eerst gaf hij geen antwoord, en plukte aan zijn baard, zóó verbluft was hij. Maar koningen zijn niet spoedig uit het veld geslagen, en daar hij dacht, de zaak het vlugst van de baan te helpen door een barsch antwoord, zeide hij streng: »Bernaldo, als gij mij lief hebt, spreek dan nooit meer over deze zaak, want ik zweer u, dat uw vader, zoo lang ik leef, de gevangenis niet zal verlaten.«

»Sire«, antwoordde Bernaldo, »gij zijt mijn Koning en kunt doen, wat u goeddunkt, maar ik bid God, dat Hij u tot andere gedachten moge brengen.«

Koning Alfonso had geen eigen zoon, en in een zwak oogenblik stelde hij voor, dat Karel de Groote, de machtige keizer der Franken, hem zou opvolgen. Maar zijne edelen verzetten zich tegen zijne keus, en weigerden een Frank te erkennen als erfgenaam van den troon van Christelijk Spanje. Toen Karel de Groote hoorde van het voorstel van Alfonso, maakte hij zich op, om Spanje binnen te vallen, onder het voorwendsel, de Mooren uit te roeien; maar Alfonso, die berouw had van zijn voornemen, de kroon aan een vreemdeling na te laten, verzamelde zijne troepen om zich heen, en sloot een bondgenootschap met de Saracenen. Er werd een zware en hardnekkige slag geleverd bij Roncevalles, waarin de Franken ten slotte verslagen werden, voornamelijk door de behendigheid van Bernaldo, die met eigen hand den beroemden ridder Roland doodde.

Koning Alfonso trachtte deze en de andere diensten van Bernaldo te beloonen, maar deze wilde geen enkele gunst uit ’s Konings handen ontvangen dan de vrijheid van zijn vader. Telkens weer beloofde de koning het verzoek in te willigen, maar even dikwijls vond hij een voorwendsel, om zijn woord te breken, totdat ten slotte Bernaldo, bitter teleurgesteld, zijn bondgenootschap verbrak, en zijn verraderlijken oom den oorlog verklaarde. De koning, die de populariteit en de oorlogskunde van zijn neef vreesde, nam toen een laffe krijgslist te baat. Hij verzekerde Bernaldo, dat zijn vader in vrijheid zou worden gesteld, wanneer hij er in toestemde, het groote kasteel Carpio aan hem af te staan. De jonge ridder gaf hem oogenblikkelijk zelf de sleutels over en smeekte, dat zijn vader hem dadelijk zou worden teruggegeven. Als antwoord wees de verraderlijke Alfonso op een troep ruiters, die in galop naderden.

»Daar komt uw vader, Bernaldo«, zeide hij spottend, »omhels hem.«

Bernaldo, zoo luidt het verhaal, ging tot hem en kuste zijne hand. Maar toen hij bemerkte, dat deze koud was en zijn kleur zwart, begreep hij, dat hij dood was; en onder den indruk van zijn leed begon Bernaldo luid te schreien en te jammeren, zeggende: »Helaas, Graaf Sandas, ik ben in een kwaad uur geboren, want nooit was iemand zóó verlaten als ik; want nu gij dood zijt, en mijn kasteel is weg, weet ik niet, wat ik beginnen moet!« Sommige Cantares de Gesta vermelden, dat de koning toen zeide: »Bernaldo, het is nu geen tijd voor vele woorden, en daarom beveel ik u oogenblikkelijk mijn land te verlaten.«

Met een gebroken hart, en volkomen vernietigd door dezen genadeslag, wendde Bernaldo de teugels, en reed langzaam heen. En van dien dag af werd zijn banier niet meer in Christelijk Spanje gezien, noch werd de echo van zijn hoorn tusschen de heuvelen gehoord. Ongelukkig en wanhopend nam hij dienst bij de Mooren. Maar zijn naam leeft in de balladen en romances van zijn vaderland voort, als van een dapper ridder, wien door het verraad van een leugenachtig en wraakgierig Koning, groot onrecht is aangedaan.

Ofschoon de Cantares van Fernán González en de Kinderen van Lara ook in de kronieken zijn opgenomen, heb ik er de voorkeur aan gegeven, deze in het hoofdstuk over de ballades te behandelen, daar zij in dien vorm het meest bekend zijn.

De »Poema del Cid«.

Maar verreweg de meest volledige en eigenaardigste van de Cantares de gesta is de beroemde Poema del Cid, die nog steeds zoo genoemd wordt, ondanks alles wat wij van den oorspronkelijken vorm weten. Dat het een Cantar is, moet iedereen duidelijk zijn, die eenigszins bekend is met de Fransche Chansons de gestes. Zooals zoovelen der Chansons-helden wordt de Cid het slachtoffer van de ondankbaarheid zijns Konings, en wordt hij later weder in genade aangenomen. Wij ontmoeten in het gedicht voortdurend den gebruikelijken zinsbouw van de Chansons, en ook de atmosfeer van blufferige heldhaftigheid versterkt de overeenkomst, die tusschen beide bestaat. Er zijn ook duidelijke bewijzen, dat de schrijver van de Poema, de Chanson de Roland had gelezen of ervan had gehoord. Ik wil hiermede niet beweren, dat hij dit gedicht omwerkte, of, wat nog erger is, plagiaat pleegde ten opzichte van het grootsche werk van Roncevalles, maar er bestaat overeenkomst tusschen verschillende kleinere gebeurtenissen, hetgeen echter volkomen wordt goedgemaakt door de oorspronkelijke en bezielende wijze, waarop het onderwerp behandeld is. De gedachte en de vorm zijn typisch Spaansch; ook vertoont de taal geen Franschen invloed, behalve, zooals reeds gezegd is, in de afgezaagde uitdrukkingen, die de clichés zijn van het middeleeuwsche heldengedicht.

Het eenige manuscript.

Er is slechts één manuscript bekend van de Poema del Cid, het handschrift van een zekeren Per of Pedro den Abt. Ongeveer in het laatste kwartaal van de achttiende eeuw kreeg de koninklijke bibliothecaris Sanchez door bibliografische nasporingen het vermoeden, dat zulk een manuscript zou kunnen bestaan in de buurt van Bivar, de geboorteplaats van den held van het gedicht, en hij slaagde erin, het in dit dorp op te diepen. De datum onder aan het handschrift vermeldt MCCXLV en de kenners zijn het niet eens over de beteekenis hiervan, daar enkelen meenen, dat na de tweede C, waar iets is weggeschrapt, met opzet een kleine ruimte is opengelaten en dat men moet lezen 1245 (1207 Gregoriaansche tijdrekening). Anderen gelooven echter, dat de juiste datum onder het manuscript 1307 is. Hoe het zij, het gedicht zelf dateert in ieder geval uit het tijdperk tusschen het midden van de 12e en het midden van de 13e eeuw.

Het manuscript is in een vrij verminkten en beschadigden toestand. Het begin en de titel zijn verloren gegaan, er mist een blad uit het midden, en het einde is slordig bijgeplakt door een onbekwame hand. Sanchez verklaart in zijn Poesias Castellanas anteriores al Siglio XV (1779–’90), dat hij een afschrift heeft gezien, dat in 1596 gemaakt is en waaruit blijkt, dat het manuscript toen reeds dezelfde onvolkomenheden vertoonde als nu.

De schrijver onbekend.

De persoonlijkheid van den schrijver van de Poema del Cid zal waarschijnlijk wel eeuwig onbekend blijven. Misschien was het een priester, zooals Ormsby veronderstelt, maar ik geloof eerder, dat het een beroeps-trovador was. In Frankrijk waren de trouvères en niet de geestelijken de scheppers van dergelijke gedichten, waarom zouden de trovadores het dan niet in Spanje zijn?1

Dat de schrijver leefde in een tijd, niet lang na dien, waarin de gebeurtenissen die hij verheerlijkte plaats grepen, is duidelijk; waarschijnlijk ongeveer een halve eeuw nadat de Cid voor de laatste maal zijn beroemd zwaard Colada uit de scheede trok. Op grond van verschillende plaatselijke toespelingen, die in het gedicht voorkomen, heeft men uitgemaakt, dat hij geboortig was uit de Valle de Arbujuelo, en een monnik was uit het klooster Cardeña, in de nabijheid van Burgos; maar deze veronderstellingen berusten slechts op wat men uit het gedicht heeft opgemaakt, en zijn niet veel waarschijnlijker dan het vermoeden, dat hij een Asturiër zou zijn, omdat hij den tweeklank ue niet gebruikt. Wij hebben echter goede redenen, aan te nemen, dat hij in elk geval een Castiliaan was, en wel voornamelijk om zijn heftigen politieken afkeer van het koninkrijk Leon, en alles, wat daarbij behoorde. Dat Pedro de Abt slechts een copiïst was, blijkt duidelijk uit de mishandeling van het manuscript, want ofschoon wij hem het behoud van de Poema te danken hebben, wordt onze dankbaarheid wel zeer getemperd door onze ontstemming over de wijze, waarop hij zijn taak volbracht. Want de copie staat vol noodelooze herhalingen, hij schrijft dikwijls twee regels door elkaar, en plaatst zoo nu en dan zelfs den inhoud van den éénen regel op den anderen, in zijn haast, om van zijn werk af te zijn.

Andere Cantares van den Cid.

Dat er ook andere Cantares zijn, die van den Cid verhalen, weten wij door de onderzoekingen van Señor Don Ramón Menéndez Pidal, die bewezen heeft, dat één ervan is opgenomen in de oudste uitgave van de Crónica General, waarvan blijkbaar drie exemplaren bewaard zijn gebleven, dateerende uit verschillende tijdperken. Wij weten nu ook, dat het gedeelte, waarvan hier sprake is, niet zooals men vroeger meende, afkomstig is van de Poema zooals wij die kennen. De gedeelten over den Cid in het tweede exemplaar van de Crónica zijn ook overgenomen uit een anderen Cantar van den vereerden held, bekend als de Crónica Rimáda, of Cantar de Rodrigo, dat waarschijnlijk het werk was van een juglar uit Palencia, en blijkbaar een mengelmoes van verschillende verloren Cantares over den Cid, zoowel als van andere Spaansche volksoverleveringen. Dit exemplaar dateert echter uit een lateren tijd dan de Poema en is vooral belangrijk omdat er verscheiden overleveringen van den Cid en oude volksverhalen van Spanje in zijn opgenomen.

De maat van de »Poema del Cid«.

Het heeft er allen schijn van, dat het gedicht, zooals dit met alle Cantares het geval was, geschreven is om in het openbaar te worden voorgedragen. De uitdrukking »O Señores,« die wij telkens ontmoeten, heeft dezelfde bedoeling als het »Listen lordings,« dat zoo veelvuldig in de oude romances en balladen van Engeland voorkomt, nl. de aandacht te trekken en de afnemende belangstelling weer te wekken van een middeleeuwsch publiek. De maat, waarin het werk is geschreven, is bijna even ongelijk als de dichterlijke waarde van den inhoud. Het is voornamelijk geschreven in Alexandrijnen of veertienlettergrepige regels, maar sommige regels hebben veel meer lettergrepen, terwijl andere weer geweldig besnoeid zijn, waarschijnlijk door de onoplettendheid of de haast van den copiïst. Het komt mij voor, dat de Poema, ofschoon in veel van de beste gedeelten van groote waarde, toch eenigszins overschat is, en ik verdenk menig Engelsch criticus, die zoo uitbundig de voortreffelijkheden van het werk prijst, ervan, het nooit in zijn geheel te hebben gelezen. Heele gedeelten ervan zijn buitengewoon onbeduidend, en in sommige ontaardt het in een rijmelarij, die ons herinnert aan de barbaarschheden van de pantomime; maar wanneer de oorlogstrompet schalt, dan wekt zij den zanger, zooals zij Scott wekt (de overeenkomst tusschen beiden is in veel opzichten opvallend) en een machtig orkest barst los. De regels golven aan en zwellen in een waar Homerisch stormgeloei, en wanneer wij luisteren naar het breken der Castiliaansche speren op de Moorsche schilden, dan worden wij herinnerd aan die geweldige regels van Swinburne’s Erechtheus:

»Met een aardschok van botsend geweld,

en met hoeven, bloeddruipend en rood,

Grijpt de woedende krijg naar de zeis

en zijn voet brengt den vlammenden dood.«

Maar de waarde der muziek van de Poema is niet uitsluitend gelegen in luidklinkende tonen. Het is de ware krijgsmuziek, die het bloed vuriger door de aderen jaagt, en de schrijver bereikt zijn effect niet alleen door den metrischen galop van zijn strijdros, zooals dit met den Engelschen dichter het geval is.

Begin van het gedicht.

Het begin van de Poema del Cid, zooals wij dat bezitten, is treffend en dramatisch genoeg, om ons te troosten over het verlies van het oorspronkelijke begin. De groote bevelhebber, die tengevolge van het verraad van de Leonsche partij aan het Hof van Koning Alfonso, door een koninklijk bevel verbannen is uit het huis van zijn vader (c. 1088), rijdt ontroostbaar heen uit de verwoeste poorten van zijn kasteel. Een vrij nauwkeurige vertaling van dit treffende gedeelte volgt hier:

Hij wendt den blik nog eens naar ’t huis, en tranen stroomen neer,

De plek, die eens hem schuilplaats bood, hij kent haar nauwlijks meer.

Verwoest de poorten van het slot, de wind blaast door de hal,

Geen kleeden dekken meer den vloer, geen paard staat in den stal.

Geen valk of havik vliegt hem toe, en zet zich op zijn hand;

Een ridderlijke bedelaar...., zóó trekt hij uit zijn land,

Hij zucht, zooals een strijder zucht: »U Heer, zij lof en prijs!

Mij en den mijnen schonkt Gij reeds zoo menig gunstbewijs.

De lastertong, de leugentaal, die sloegen mij terneer,

Maar éénmaal komt de dag, dat Gij mij wreken zult, o Heer!«

Een raaf vloog hem op zijde, toen hij reed uit Bivar’s poort.

Toen hij te Burgos ruste zocht, vloog nog de vogel voort.

En bij dit somber teeken, verduisterde zijn blik:

»Alvarez Fannez, wees gegroet, gij banneling als ik!«

Met zijn getrouwen, zestig man, zoo reed hij door de straat;

Vanuit de vensters zag hem na zoo menig droef gelaat.

»Daar gaat,« zoo zuchtte menig hart, »een goed en trouw vasal,

Die door zijn Koning werd miskend, door laster kwam ten val.

En zeker had hem menig dak beschut dien droeven nacht,

Als Burgos’ volk niet had gevreesd des Konings sterke macht;

Want een decreet, van zegels zwaar, ging door het gansche land:

»Hij, die den Cid bescherming geeft, diens huis wordt platgebrand.«

Toen dus de droeve stoet reed voort, toen wendde men den blik....

Met zijn getrouwen reed hij heen, de strijder Roderick.

Bij ’t huis, waar hij te wonen placht, daar sprong hij van zijn ros:

»Uw meester staat hier voor de poort, maak slot en grendels los!«

Maar uit een venster sprak de maagd, die ’t slot voor hem bewaart:

»O Heer, die eens in beter tijd hanteerde ’t roemrijk zwaard,

Een brief des Konings kwam naar hier, gezegeld door zijn hand,

Die U en Uw getrouwen bant voor goed uit ’t Spaansche land.

Wie onzer, zij het slechts één nacht, een schuilplaats U mocht biên,

Die is veroordeeld, en hij zal nooit meer het zonlicht zien.

Ga dan, gij strijder voor het recht, en Gode sta U bij;

Voor U geen rust in ’t Vaderland, want gij zijt vogelvrij.

Daar de Cid en zijne getrouwen binnen de stad geen plaats konden vinden om hun hoofd neer te leggen, reden zij mistroostig naar de vlakte van Glera, ten Oosten van Burgos, waar zij hunne tenten opsloegen aan de oevers van de rivier Arlanzon. Daar voegde Martinez Antolinez zich bij hen, één van de vroegere vasallen van den Cid, die voedsel en wijn bracht voor hem en zijne volgelingen, en hem trachtte te troosten. De Cid bezat geen maravedi en wist niet, hoe hij zijne mannen van voedsel en wapenen moest voorzien. Maar hij en Antolinez bedachten een plan, waardoor zij hoopten, zich het noodige voor den krijg te verschaffen. Zij namen twee groote kisten, bedekten deze met rood leder, en versierden ze met vergulde spijkers, zoodat zij er zeer kostbaar uitzagen. Toen vulden zij de kisten met rivierzand, en sloten ze stevig dicht.

Geld leenen in de elfde eeuw.

»Martinez Antolinez«, zeide de Cid, »gij zijt een eerlijk man en een trouw vasal. Ga naar de Joden Raquel en Vidas, en vertel hun, dat ik vele kostbaarheden bij mij heb, die ik hun in bewaring wil geven, omdat zij te zwaar zijn, om mede te nemen. Geef hun deze kisten als pand voor wat zij ervoor willen geven. Ik roep God en al zijne heiligen tot getuigen, dat ik dit doe, omdat ik tot het uiterste gedreven ben, en terwille van hen, die op mij vertrouwen.« Antolinez, eenigszins huiverig van deze zending, zocht de Joden Raquel en Vidas op in hun woning, waar zij bezig waren, hun rijkdom en hun winst te berekenen. Hij vertelde hun, dat de Cid een groote schatting had geheven, die hij onmogelijk kon medenemen, en dat hij hun die in bewaring wilde geven, wanneer zij hem een behoorlijke som daarop wilden leenen; maar zij moesten plechtig beloven, de kisten gedurende een vol jaar niet te openen. De Joden overlegden samen en stemden er in toe, de kisten te verbergen en gedurende minstens een jaar den inhoud niet te onderzoeken. »Maar zeg ons eens«, zeiden zij, »met hoeveel is de Cid tevreden en welke interest wil hij ons voor dat jaar geven?«

»Van alle kanten komen arme menschen bij mijn meester, den Cid, om hulp«, zeide Antolinez; »hij heeft minstens zeshonderd Marken noodig.«

»Wij willen hem die som met genoegen geven«, zeiden Raquel en Vidas, »want de schat van zulk een machtig heer als de Cid, kan niet anders dan onmetelijk groot zijn.«

»Haast u dan«, zeide Antolinez, »want de nacht nadert en mijn meester, de Cid, is door een vonnis gedwongen, Castilië oogenblikkelijk te verlaten.«

»Neen«, zeiden de Joden naar den aard van hun ras, »dat is geen zaken doen; eerst ontvangen en dan betalen.« Zij verzochten dus te worden gebracht naar de plaats, waar de Cid kampeerde, en nadat zij hem begroet hadden, betaalden zij hem de afgesproken som. Zij waren verbaasd en verrukt over de zwaarte der kisten, en vertrokken hoogst voldaan, nadat zij Antolinez nog een commissieloon van 30 gouden Marken hadden gegeven voor het aandeel, dat hij in de zaak gehad had.

Donna Ximena.

Toen zij vertrokken waren, brak de Cid zijn kamp op, en galoppeerde door den nacht naar het klooster San Pedro de Cardeña, waar zijn vrouw, Donna Ximena, met zijn beide jeugdige dochters vertoefden. Hij vond haar verzonken in gebed voor zijn welzijn, en zij ontvingen hem met de hartelijkste betuigingen van vreugde. Hij nam den Abt ter zijde en deelde hem mede, dat hij op het punt stond op avontuur uit te trekken naar het land van de Mooren, en hij overhandigde hem een som, die toereikend was voor het onderhoud van Donna Ximena en hare dochters tot aan zijn terugkomst en hij voegde daarbij nog een milde gift ten behoeve van het klooster.

Maar reeds was het bericht van de verbanning van den Cid door het geheele land verspreid en zóó groot was de roem van zijn dapperheid, dat ridders van heinde en ver zich onder zijne banieren schaarden. Toen hij den voet in den stijgbeugel plaatste bij den brug van Arlanzon, was hij omringd door honderdvijftig ridders, die hem wenschten te volgen op zijn avontuurlijke tocht. Het afscheid van zijn vrouw en dochters is treffend geteekend:

Scherp als de pijn van nagels, die men afrukt van de hand,

Zoo voelde hij zijn droefenis, toen hij verliet zijn land.

En telkens wendde hij den blik, het hart vervuld van rouw,

Bij d’aanblik van zijn dierbaarst goed: zijn kinderen en vrouw.

Totdat Minaya eind’lijk riep, zijn metgezel en vriend:

»De droefheid is geen passend kleed voor wie de wapens dient,

Gij, die geboren zijt, mijn held, in een gelukkig uur,

Trek vroolijk en verheugd van ziel op zoek naar avontuur.

Wat heden gij als smart gevoelt, is morgen zaligheid!

Het leed verdooft noch krijgstrompet, noch vreugde van den strijd!«

Toen gaven zij hunne paarden de sporen en galoppeerden naar de grenzen van Christelijk Spanje en staken op vlotten de rivier Duero over, waarna zij op Moorschen bodem stonden. Ver in het Westen konden zij de sierlijke Minaretten van de Saraceensche stad Ahilon zien, glinsterende in de middagzon, een zinnebeeld van de rijke schat, die zij zouden veroveren in het land der heidenen. In Higeruela schaarden zich nog meer dappere strijders onder de banieren van den Cid, grensbewoners, voor wie een rooftocht een feest was, en het breken van speren de schoonste muziek. Toen de Cid dien nacht sliep, droomde hij, dat de Aartsengel Gabriel hem verscheen, en tot hem zeide: »Stijg op, o Cid Campeador, stijg op en rijd heen; uw zaak is rechtvaardig; zoo lang gij leeft, zal alles, wat gij onderneemt, u gelukken.«

De Cid in den strijd.

Met driehonderd volgelingen reed de Cid het land der Mooren binnen. Hij lag in hinderlaag, terwijl Alvarez Fañez en andere ridders een rooftocht ondernamen naar Alcalá. In hun afwezigheid bemerkte de Cid, dat de mannen van Castijon, een naburige Moorsche stad, de plaats verlieten om op het land te gaan werken, zonder de poorten te sluiten. Hij en zijne mannen deden een aanval op de poorten, doodden de weinige heidenen, die ze bewaakten, en namen de stad zonder veel strijd. Zijne mannen waren zeer verheugd over de schat van goud en zilver, die zij in de eigenaardige Moorsche huizen vonden. Maar zij waren barmhartig tegenover de inwoners, die zij meer tot dienaren dan tot slaven maakten.

De inneming van Alcocer.

Nadat zij te Castijon gerust hadden, reden de Cid en zijne volgelingen door de Vallei van Henares langs Alhamia naar Bubierca en Ateca, en daar hij in een onbekend land was, omringd door een menigte vijanden, nam hij stelling op een heuveltop bij de sterke Saraceensche stad Alcocer, die hij belegerde. Maar de stad was goed bewaakt en hij zag, dat, wanneer hij door de versterking wilde heendringen, het door krijgslist moest gebeuren en niet alleen door vechten. Daarom riep hij op een morgen, nadat hij gedurende vijftien weken Alcocer belegerd had, zijne manschappen terug, alsof hij zijne nuttelooze pogingen opgaf, en hij liet maar één tent achter.

Toen de Mooren zijn terugtocht bemerkten, juichten zij, en in hunne begeerte om te zien welken buit zij in die eenzame tent zouden vinden, liepen zij in alle haast de stad uit, en lieten de poorten open en zonder bewaking. Toen de Cid zag, dat de Mooren een groot eind van de stad verwijderd waren, gaf hij zijne manschappen bevel, terug te keeren en het opgewonden Saraceensche gepeupel te overvallen. Het kostte hem niet veel overredingskracht, zijne manschappen daartoe over te halen. De Castiliaansche ridders wierpen zich met hooggeheven lansen op de dichte menigte, en richtten een vreeselijke slachting aan. De ongelukkige Mooren, die zoo onverwachts overvallen werden, vluchtten in alle richtingen en spoedig was de vlakte overdekt met in het wit gekleede lijken. Intusschen draafde de Cid met enkele vertrouwde volgelingen naar de poorten en bezette ze, zoodat de Spanjaarden Alcocer in triomf binnentrokken. Zooals het zijn gewoonte was, behandelde de Cid de Mooren, die zich goedschiks aan hem overgaven, barmhartig, want, zeide hij, wij kunnen hen niet verkoopen, en wij zullen er niets bij winnen, als wij hun de hoofden afsnijden. Laat ons liever hen tot onze dienaren maken.

De Saracenen uit de naburige steden Ateca en Zerrel waren zeer verschrikt door de wijze, waarop Alcocer ingenomen was en zij berichtten den Moorschen Koning van Valencia, dat een zekere Roderigo Diaz uit Bivar, een vogelvrije, hun land was binnengevallen om er te plunderen, en reeds de sterke stad Alcocer had ingenomen. Toen Koning Tamin van Valencia deze tijding hoorde, was hij zeer vertoornd en zond een leger van drieduizend goed uitgeruste strijders den Campeador tegemoet. In zijn woede gaf hij zijne officieren het bevel, den Spaanschen verrader gevangen te nemen en hem levend bij hem te brengen, opdat hij zijn gerechten straf zou ondergaan. De Cid wist niets van de komst van deze troepen, en toen zijne schildwachten op zekeren morgen op de muren van Alcocer heen en weer liepen, waren zij verbaasd de geheele omgeving overstroomd te zien door Moorsche soldaten, die op hunne vlugge paardjes heen en weer draafden en hunne kromme zwaarden dreigend zwaaiden. Zijne buitenposten brachten spoedig het bericht, dat zij omsingeld waren, en zijne ridders en soldaten smeekten hem, ten strijde te mogen trekken tegen de ongeloovigen. Maar de Cid was bekend met de Moorsche krijgskunst en hij weigerde het verzoek in te willigen. Dagen lang paradeerde de vijand om de muren van Alcocer. Maar de Cid wist te goed, dat het dwaasheid zou zijn, met zijne driehonderd man een leger van drieduizend goed uitgeruste soldaten aan te vallen, en hij wachtte dus zijn tijd af.

De strijd met den Moorschen koning.

Eindelijk slaagden de Mooren erin, den watertoevoer van Alcocer af te snijden. De mondvoorraad verminderde ook, en de Cid begreep, dat zulk een wanhopige toestand een gewaagd besluit noodig maakte. Alvarez Fannez, die altijd naar het gevecht hunkerde, zooals een strijdros, wanneer het de krijgstrompet hoort, drong aan op een krachtigen uitval, en de Cid, die den moed van zijne mannen kende, stemde toe. Eerst zond hij alle Mooren buiten de stad en inspecteerde de versterkingen. Hij liet slechts twee mannen achter om de poort te bewaken, stelde zijne troepen op, en zij verlieten Alcocer in gesloten rijen en in volkomen slagorde. En hier moeten wij weder het woord laten aan den dichter.

Hoera! daar rijdt de woeste Moor, en zwaait het kromme zwaard,

Hoor ’t schetterend trompetgeschal en ’t dreunen van de aard!

Twee vaandels heffen zij omhoog, met trotsch en woest gebaar,

En om elk vaandel legert zich een zwarte heidenschaar;

Als golven van een woeste zee, zoo wast de vijand aan,

En denkt de Christen Ridderschap met wreede hand te slaan.

»Houdt stand! blijft in het zadel nu, gij ridders,« roept de Cid,

»En sluit de rijen, want de aard’ zag nog zoo’n aanval niet.«

Maar ’t vurig hart van Bermuez sprong op bij ’t tromgeluid:

»Hoe? wachten tot de vijand komt? Dat nooit!« zoo riep hij uit.

»Dit trotsche vaandel hef ik hoog; Op! volgt mij in den strijd!

Op, Ridders, tegen ’t heidendom, voor Spanje en Christenheid!«

»Blijf kameraad,« zoo sprak de Cid, maar Pedro schudde ’t hoofd,

En sprak: »Hij volg’ mij trouw, die in de heil’ge zaak gelooft.«

Fier hief de ridder zich in ’t zaâl, en liet de teugels los,

De sporen drukte in de flank hij van zijn edel ros.

En als een schip, dat golven klieft en schuim opspatten doet,

Zoo wierp de held zich in die zee, den Saracenenvloed;

En onbewogen als een rots, die in de branding staat,

Terwijl de woeste golf zich op haar borst te pletter slaat,

Zoo hield, terwijl het heidensch tuig zijn slagen dalen doet

Op helm en schild, de ridder stand met ongebroken moed.

»Ter hulpe!« roept de eedle Cid, »op! voor het heilig kruis!

Oud Castiliaansche Ridderschap, verdelg het Moorsch gespuis!«

Zooals de jachthond voorwaarts stuift, zijn keten losgemaakt,

Zooals de valk schiet naar omhoog, als men zijn kluisters slaakt,

Nòg feller dan de vurigheid van ’t ongebreideld ros,

Zoo barst de woede van Castille op den vijand los.

»Verzamelt U, gij Ridderschap, en valt den heiden aan,

En volgt den strijder van Bivar, die nooit nog werd weerstaan!«

Driehonderd lansen heft men hoog...., zij dalen op bevel,

Driehonderd heid’nen liggen neer, een vlug en dood’lijk spel,

De lansen rijzen weer omhoog, de lansen dalen weer;

Ontelb’re schilden liggen dan in ’t zand versplinterd neer.

Het sneeuwwit vaandel is gedrenkt in ’t bloed nu van den Moor,

Het onbeheerde krijgsros draaft de omwoelde vlakte door.

Gelijk de bliksem ’t luchtruim klieft, zoo schittert in de hand

Van Roderick het scherpe zwaard; en mèt hem houden stand

Alvarez Fannez, Gustior, en enk’le trouwen meer.

Maar ziet, o bange schrik, de Saracenen velden neer

Het strijdros van Alvar Fannez, den grooten, eedlen held!

Maar haastig komt de Cid Campeador ter hulp gesneld,

Ziet, hoe de dappere Fannez bedreigd wordt door den dood,

Doordat een emir op zijn ros den held geen uitweg bood.

Dan grijpt de onverschrokken Cid het zwaard met vaste hand,

Hij zwaait het met een forschen greep..., de emir ligt in ’t zand.

»Bestijg zijn vurig strijdros nu, stijg op, nog dreigt gevaar,

De phalanx van den vijand staat nog ongebroken daar.«

Fannez werpt in het zadel zich, en zaait verderf en dood,

Waarheen zijn ros hem draagt, daar kleurt het bloed de aarde rood.

De Cid rent op den veldheer toe, doorklieft zijn schild met kracht,

De Moorsche veldheer neemt de vlucht; den ridders is de macht.

De moedige Antolinea valt dan op Galve aan;

Hij en Fariz, zij wenden zich, zonder hun man te staan.

Zij trokken op ten zegepraal, zij vluchtten voor den smaad,

Hun helm gespleten door het zwaard, en met bebloed gelaat.

Sinds dichters zongen van een slag en roemden eedlen strijd,

Werd zulk een slagveld niet geroemd, nog tot op dezen tijd.

Geen waardiger en trotscher strijd bezong een heldenlied:

Nog kronen lauweren uw hoofd, o held, gij eedle Cid!

Het was een woedend en bloedig gevecht. De Moorsche nederlaag was volkomen, en de kleine Castiliaansche troep had slechts vijftien man verloren. Vijfhonderd, rijk opgetuigde Arabische paarden, elk met een schitterend zwaard aan den zadelknop, vielen den Cid in handen. Hij hield het vijfde gedeelte daarvan voor zichzelf, zooals dat het gebruik was voor bevelhebbers van dergelijke vrije troepen. Maar daar hij zeer verlangend was, vrede te sluiten met Koning Alfonso van Castilië, zond hij Alvarez Fañez als zijn vertegenwoordiger naar het Hof met dertig van deze kostbaar getuigde en gezadelde paarden.

Maar de Mooren waren, niettegenstaande hun nederlaag, niet van zins, den Cid vrij over hunne grenzen te laten trekken, en daar de Cid zag, dat hij niet lang bij machte zou zijn Alcocer in handen te houden, onderhandelde hij met de Saracenen van de naburige steden over den losprijs van Alcocer. Zij kwamen overeen, dat hij de plaats voor drieduizend Marken in goud en zilver zou verlaten, en zoo trok de Campeador verder Zuidwaarts, en nam stelling op een heuvel, ten Noorden van het district Mont’real. Hij maakte alle Moorsche steden in den omtrek schatplichtig, en bleef volle vijftien weken in zijn nieuw kamp.

Intusschen was Alvarez Fañez naar het Hof gereisd, en had den Koning de dertig prachtige paarden, die zij veroverd hadden, ten geschenke aangeboden. »Nog is het geen tijd om den Cid weder in genade aan te nemen«, zeide Alfonso; »maar daar deze paarden van de ongeloovigen komen, heb ik geen bezwaar ze aan te nemen. Ik schenk u vergiffenis, Alvarez Fañez, en hef uw ballingschap op. Wat den Cid betreft, ik kan niet anders zeggen, dan dat, wanneer een dapper strijder zich onder zijn banier wil scharen, ik hem dat niet zal beletten.

De oorlog met Raymond Berenger.

De Graaf van Barcelona echter, Raymond Berenger, een trotsch en aanmatigend heer, beschouwde de aanwezigheid van den Cid in een gebied, zóó dicht bij het zijne gelegen, als een persoonlijke beleediging, en in groote woede verzamelde hij al zijne manschappen, Mooren zoowel als Christenen, en maakte zich op, om den Cid te verdrijven uit de streek, die hij schatplichtig had gemaakt. Toen de Campeador hoorde, dat dit leger in aantocht was, zond hij een afgezant naar Graaf Raymond, om hem de verzekering te geven van zijne vredelievende bedoelingen ten opzichte van hem. Maar de Graaf vond, dat zijn persoonlijke waardigheid beleedigd was, en hij weigerde den boodschapper te ontvangen.

Toen de Cid het leger van Raymond zag optrekken naar de heuvelen van Mont’real, wist hij, dat zijne vredesvoorstellen vergeefsch waren geweest; hij verzamelde zijne troepen voor het woedende gevecht, dat hij wist, dat volgen moest, en wachtte den vijand af op de vlakte, die de gunstigste voorwaarden bood voor zijne ruiters. Het lichtgewapende Moorsche paardevolk van Berenger stormde tot den aanval, maar werd zonder eenige moeite door de Castilianen teruggeslagen. De Frankische krijgslieden van den Graaf, een troep flinke en oorlogszuchtige huurlingen, stormden toen den heuvel af, en vielen de soldaten van den Cid aan. Het samentreffen was geweldig, maar de strijd was kort, want de ridders van Castilië, geschoold in een voortdurend oorlogvoeren, hadden de Frankische ruiters spoedig verslagen. De Cid zelf viel Graaf Berenger aan en dwong hem, zijn beroemd zwaard Colada af te staan, dat zulk een belangrijke rol heeft gespeeld in de verdere oorlogsdaden van den Campeador. Een strijdzwaard, waarvan de overlevering vertelt, dat het dit beroemde wapen is, het Spaansche Excalibur, wordt nog getoond in de Armeria te Madrid, en alle geloovige bewonderaars van ridderverhalen zijn er van overtuigd, dat dit het zwaard is, dat de Campeador op den trotschen Berenger veroverde; zelfs de zekerheid, dat het gevest uit de vijftiende eeuw dateert, brengt dit geloof niet aan ’t wankelen.

De troepen van den Cid waren buitengewoon verheugd over de zegepraal zoowel als over den buit en er werd een vorstelijk feest aangericht, om de blijde gebeurtenis te vieren.

De Cid noodigde den overwonnen Raymond Berenger op hoffelijke wijze uit zijn gast te zijn bij dit feestmaal, maar deze antwoordde uit de hoogte, dat zijn gevangenneming door vogelvrijen, hem de eetlust benomen had. Geprikkeld door deze onbeschoftheid, liet de Cid hem weten, dat hij zijn land niet zou terugzien, voordat hij het brood met hem zou hebben gebroken en een beker wijn met hem zou hebben gedronken. Gedurende drie volle dagen weigerde de Graaf ieder voedsel, en op den derden dag deelde de Cid hem mede, dat hij onmiddellijk in vrijheid zou worden gesteld, wanneer hij zijn vasten zou opgeven. Dit was teveel voor den trotschen Berenger, wiens honger nu grooter bleek te zijn dan zijn tegenstand. »Groote Goden!« roept de dichter uit, »met welk een gulzigheid at hij! Hij bewoog zijne handen zoo vlug, dat de Cid de bewegingen niet kon volgen.« Toen gaf de Cid hem de vrijheid en zij scheidden als goede vrienden.

»Stijg op, rijd heen, mijn eedle Graaf, als vrij en moedig Frank,

Voor allen buit, dien gij mij liet, brengt u mijn harte dank.

En komt gij met trompetgeschal, opdat de krijgskans keer’,

Dan wacht ik u, verheugd van ziel, hoor ik die klanken weer.«

»Neen Roderick, de krijg is uit, en tusschen ons is ’t vree:

Geen strijd meer tusschen u en mij, het zwaard blijv’ in de schee.«

Toen reed hij heen; maar kort daarna wendde hij steels ’t gelaat

En keek hij angstig achterom, als vreesde hij verraad;

Maar de gedachte aan zulk een daad was nimmer opgeweld,

In ’t harte van den trouwen Cid, dien nooit volprezen held!

De Cid voert oorlog aan de zeekust.

De Cid wendde zich af van Huesca en Montalvan en voerde zijne troepen naar den zeekant. Toen de Mooren van Valencia bemerkten, dat hij zich in Oostelijke richting voortbewoog, ontstelden zij zeer, en zij besloten hem zulk een ontzaglijk leger tegemoet te zenden, dat hij onmogelijk zou kunnen voortdringen. Maar hij weerde zijne aanvallers met zulk een woede af, dat zij het niet waagden, hem langer tegen te houden. Drie jaren lang voerde de Cid oorlog in deze streek en ontelbaar waren zijne overwinningen. Hij en zijne ridders vestigden zich in dit land als koningen. Zij maaiden het koorn, en zij aten het brood van het overwonnen volk, zoodat er hongersnood uitbrak onder de Mooren, die bij duizenden stierven.

Toen zond de Cid afgezanten naar Castilië en Aragon met de boodschap, dat alle Christenen, die zich aan zijne heerschappij wilden onderwerpen, bescherming zouden genieten. Op dit bericht schaarden duizenden zich onder zijn vaandel, en zijn leger werd hierdoor zóó versterkt, dat hij in staat was, op te trekken tegen Valencia, de Moorsche hoofdstad van deze landstreek. Hij stelde zich met zijn geheele leger op voor de poorten der stad en belegerde haar. Negen maanden lang omsingelde hij de stad en in de tiende maand openden de inwoners van Valencia de poorten, en gaven zij zich over. Groot was de buit aan goud en zilver en kostbare stoffen, zoodat alleen het aandeel van den Cid een waarde vertegenwoordigde van dertigduizend Marken. Zijn macht nam dientengevolge zóó toe, dat niet alleen zijn eigen volgelingen, maar ook de Mooren van Oost-Spanje, hem begonnen te beschouwen als hun rechtmatigen Koning.

Die steeds groeiende macht verontrustte den Moorschen Koning van Sevilla zeer, en hij besloot zijn geheele legermacht te mobiliseeren. Met een leger van dertigduizend man trok hij op tegen Valencia. Maar de Cid ontmoette hem aan de oevers van de Huerta en versloeg hem zóó volkomen, dat hij na dien nooit meer in staat was den Campeador te bestoken.

Toen ontwaakte in het hart van den Cid de hoop, dat de Koning hem weer in genade zou aannemen en hem zijn vertrouwen weer zou schenken. En hij zwoer een duren eed, dat hij uit liefde voor Alfonso nooit meer zijn baard zou laten scheren. »Zoo,« zeide hij, »zal mijn baard beroemd worden onder Mooren en Christenen.« Hij zond Alvarez Fañez ten tweede male naar het Hof, met een geschenk van honderd schitterend opgetuigde paarden van het zuiverst Arabische bloed, met de bede, dat hij zijn vrouw, Donna Ximena, en hunne dochters, zou mogen brengen naar zijne goederen, die hij zich met het zwaard veroverd had.

Intusschen was uit het Oosten een monnik naar Valencia gekomen, Bisschop Don Jerome, die in verre landen van den moed van den Cid had gehoord, en ernaar verlangde, tegen de ongeloovigen te strijden. De Cid was zeer met hem ingenomen en stichtte het bisdom Valencia voor den dapperen Christen, wiens eenige gedachte was, het Christendom te verspreiden en de Saracenen uit te roeien.

Inmiddels reisde Alvarez Fañez naar het Hof en werd tot den Koning toegelaten. Deze was verrukt over de verhalen, die Fañez hem deed over de krijgsverrichtingen van den Campeador, die de Mooren had bevochten in vijf groote veldslagen, hunne landen had onderworpen aan de Kroon van Castilië, en een bisdom had gesticht midden in het gebied der heidenen, zoodat hij hem gaarne wilde toestaan, Donna Ximena en de jonkvrouwen Elvira en Sol naar Valencia te brengen. Bij het hooren van dit bericht, was Graaf Garcia Ordoñez van de Leonesische partij, die indertijd de aanleiding was geweest tot de verbanning van den Cid, en die hem uit den grond van zijn hart haatte, zeer verstoord. De twee Infantes of Prinsen van Carrión echter, die de groote macht en den groeienden invloed van den Cid zagen, besloten, diens dochters ten huwelijk te vragen aan den Koning, maar zij verzwegen dit plan voorloopig.

Het tijdstip, waarop de Cid zijn schuld zou moeten aflossen bij de Joden Raquel en Vidas was reeds lang verstreken; en toen zij hoorden, dat Alvarez Fañez zich aan het Hof bevond, begaven zij zich daarheen, en zij verzochten hem, de geleende som terug te betalen. Alvarez Fañez verzekerde hun, dat alles zou geschieden, zooals de Cid beloofd had, en dat slechts het voortdurend oorlogvoeren zijn meester belet had, aan zijne verplichtingen tegenover hen te voldoen. Zij waren volkomen bevredigd door deze verklaring, en zoo groot was hun vertrouwen in den Cid geweest, dat zij de kisten nooit hadden geopend, om den aard te onderzoeken van het onderpand, dat hij hun gegeven had.

De Cid verwelkomt zijn gezin.

Alvarez Fañez reisde nu met Donna Ximena en de dochters van den Cid naar Valencia, en hij bracht haar veilig naar hare nieuwe woonplaats. Toen de Cid hoorde, dat zij naderden, besteeg hij zijn beroemd paard Babieca, dat hij eenige dagen te voren op de Mooren veroverd had, en reed zijn vrouw en dochters in galop tegemoet, om haar naar hare nieuwe bezittingen te brengen. Nadat hij zijn familie met groote hartelijkheid begroet had, geleidde hij haar naar het kasteel, van welks torens hij haar de landen toonde, die hij voor haar veroverd had. En zij dankten God voor zulk een rijke gave.

Er ontstond echter groote onrust onder de Mooren van Afrika, toen zij van de krijgsverrichtingen van den Cid hoorden, want zij beschouwden het als een schande, dat hij zulk een groot gedeelte van Spanje op hunne broeders van het Schiereiland veroverd had. Hun Koning Yussef verzamelde een machtig leger van vijftigduizend man, waarmee hij over zee voer, om tegen Valencia op te trekken, in de hoop, deze stad voor de Mooren te heroveren. Toen de Cid dit hoorde, riep hij dit: »Ik dank God en de Heilige Maagd, dat ik mijn vrouw en dochters hier heb. Nu kunnen zij zien, hoe wij de Mooren bestrijden, en ons brood verdienen in het vreemde land.«

De troepen van Yussef kwamen spoedig in het gezicht, en zij omsingelden Valencia zóó dicht, dat niemand de stad kon binnengaan of verlaten. Toen de vrouwen die groote krijgsmacht zagen, die om de stad gelegerd was, waren zij zeer beangst, maar de Cid stelde haar gerust. »Houdt goeden moed,« zeide hij, »want groote rijkdom zal ons deel zijn; ik ga een bruidsschat voor onze dochters veroveren.«

De strijd met Koning Yussef.

De Cid besteeg Babieca, en bracht zijne soldaten in het veld tegen de Mooren van Afrika. Toen begon een hardnekkige en woeste strijd. De Spaansche speren waren dien dag rood van het Moorsche bloed, en de Cid zwaaide zijn scherp zwaard Colado zóó verwoed, dat de Saracenen werden weggemaaid als het koren door de zeis. Hij richtte het zwaard op den helm van Koning Yussef, maar de Moorsche aanvoerder ontweek den slag, gaf zijn paard de sporen, en vluchtte in razende vaart, gevolgd door zijne zwarte troepen. Onmetelijk was de buit in goud, zilver, kostbaar opgetuigde paarden, schilden, zwaarden en wapenrustingen.

Door deze onafgebroken gevechten was de Cid te vermoeid, om den vijand te vervolgen, en met zijn zwaard nog druipend van het bloed, reed hij naar de plaats, vanwaar zijn vrouw en dochters den strijd gevolgd hadden. En zich voor zijne dames terneder buigende, riep hij uit: »Zóó worden de Mooren op het slagveld vernietigd.« Maar als steeds gedachtig aan zijn Koning en leenheer, zond hij oogenblikkelijk Alvarez Fañez en Pero Bermuez naar het Hof met de tent van Koning Yussef en 200 kostbaar uitgeruste paarden. Alfonso was zeer verheugd. »Ik zal dit geschenk van den Cid gaarne aannemen,« zeide hij, »en moge de dag van onze verzoening spoedig aanbreken.«

Toen de Infantes van Carrión zagen, dat de roem van den Cid dagelijks toenam, werden zij versterkt in hun besluit, den Koning om de hand van de dochters van den Campeador te vragen. Alfonso beloofde hun, met den Cid in onderhandeling te treden, niet alleen over een huwelijk van zijne dochters, maar ook over een verzoening met hem, want hij was zich volkomen bewust van de groote diensten, die de Campeador hem bewezen had. Daarom ontbood hij Alvarez Fañez en Pero Bermuez, stelde hen in kennis met het aanzoek van de Infantes van Carrión, en verzocht hun, het den Cid oogenblikkelijk over te brengen en hem tevens de verzekering van zijn hoogachting te geven.

De afgezanten begaven zich in allerijl naar Valencia en brachten den Cid de vereerende boodschap van den Koning over. De Cid was bijzonder verheugd over de toenadering. »Het is mij een vreugde de wenschen van mijn Koning te vervullen,« zeide hij, »ofschoon de Infantes van Carrión trotsch zijn, en slechte vasallen van den Troon. Maar de wil van God en van den Koning geschiede.«

Daarop maakte de Cid zich gereed, en begaf zich op reis naar het Hof; en toen de Koning vernam, dat hij naderde, verliet hij zijn paleis en reed hem tegemoet. En de Cid knielde neder voor den Koning, en hij beet in het gras, om zich voor zijn heer te vernederen. Maar Don Alfonso was ontroerd bij dit gezicht, en hem opheffende, gaf hij hem de verzekering van zijn gunst en van zijn liefde, bij welke betuiging de Cid diep bewogen was, en van vreugde schreide. Toen richtte de Koning een schitterend feestmaal aan, en toen dit ten einde liep, deed hij namens de Infantes van Carrión aanzoek om de hand zijner dochters. De Cid antwoordde, dat hij en zijne dochters het eigendom van den Koning waren, en dat Alfonso dus de jonkvrouwen ten huwelijk kon geven.

De dochters van den Cid treden in het huwelijk.

Na eenige dagen van feesten en vermaak, keerde de Campeador terug naar Valencia, in gezelschap van de twee Infantes van Carrión. Hij vertelde zijn vrouw en dochters, dat dit huwelijk niet tot stand was gebracht door hem, maar door den Koning, en dat hij niet zonder vrees was over den afloop van deze verbintenis. Hij maakte echter die voorbereidingen, die in overeenstemming waren met de belangrijkheid van zulk een huwelijk met twee van de machtigste vorsten van Spanje; en Donna Elvira en Donna Sol werden met de Infantes van Carrión in den echt vereenigd in de Kerk van Sante Maria, door den krijgsman-bisschop Jerome. De huwelijksfeesten duurden veertien dagen, en de Cid had geen reden tot ontevredenheid over zijn schoonzoons, die zich zoowel in het tournooi als bij den dans als ware ridders gedroegen.

Het avontuur van den leeuw.

De Infantes van Carrión hadden met hunne echtgenooten ongeveer twee jaar in Valencia gewoond, toen er iets ernstigs gebeurde. Op zekeren dag, tijdens het middagrustuur, verbrak een leeuw, die gehouden werd ten dienste van de arena, zijne tralies, en drong het paleis binnen. De Campeador lag op een rustbank te slapen, maar al zijne onverschrokken schildknapen schaarden zich om hem heen om hem te beschermen, behalve de Infantes van Carrión, van wien de een achter de divan wegschoot, terwijl de ander zóó haastig het paleis ontvluchtte, dat hij over den boom van een druivenpers viel, en zijne kleeren scheurde. Door het rumoer ontwaakte de Cid; hij stond op, liep rustig op den leeuw toe, legde zijn vaste hand op den ruigen kop, en bracht het trotsche dier naar zijn hok terug. De leeuw verzette zich niet; klaarblijkelijk voelde hij in den Campeador zijn meester.

Toen de Infantes bemerkten, dat alle gevaar geweken was, verlieten zij hun schuilplaats; zij zagen er zóó bleek en angstig uit, dat de dappere volgelingen van den Cid niet konden nalaten te lachen. De trotsche Grandes van het Noorden voelden zich daardoor diep beleedigd, en in hunne harten ontwaakte de lust tot wraak.

Eenige dagen na deze gebeurtenis verspreidde zich de mare in de hoofdstad, dat Abu Bekr, de aanvoerder der troepen van den Koning van Marocco, naar Valencia optrok. De Cid en zijne strijders verheugden zich over dit bericht; de Infantes van Carrión echter waren minder verrukt over het nieuws, en zij beraadslaagden samen over middelen om den strijd te ontloopen, en weer naar hun eigen grondgebied terug te keeren.

Hier mist een gedeelte van het verhaal, maar uit het verder verloop blijkt, dat de ontbrekende regels betrekking hebben op een proeve van moed van ten minste één der Infantes, die, geprikkeld door de beschuldiging van lafheid, zich wapende om met een Moor te strijden, die hem echter op de vlucht dreef. Maar Pero Bermuez, die de gevoelens van den Cid wilde sparen, doodde den Saraceen, en liet het voorkomen, alsof de Infante het had gedaan.

Een »Geheime Dienst«-geschiedenis van »de Cid«.

Er is een zeer romantisch verhaal verbonden aan den eersten regel van het volgende gedeelte van het gedicht:

»Eens koom’ de dag, dat ’k van U bei hetzelfde ondervind.«

Deze regel wordt verondersteld de laatste te zijn van de toespraak van Pero Bermuez tot den Infant Don Ferrando, die hem waarschijnlijk zijn dankbaarheid had betuigd.

De eerste Engelsche schrijver, die getracht heeft de Poema del Cid te vertalen, was John Hookham Frere, de vertaler van de tooneelstukken van Aristophanes, die jaren geleden Britsch gezant te Madrid was. Hij gaf een waarschijnlijke verklaring van bovengenoemden regel en stelde den Markies de la Roma daarmede in kennis. Eenige jaren later, in 1808, toen de Markies in Franschen dienst het bevel voerde over een legerafdeeling in Denemarken, was Frere in de gelegenheid, hem een vertrouwelijke instructie te doen toekomen, en om den Spaanschen bevelhebber te overtuigen van de echtheid van de boodschap die hem gebracht werd, zinspeelde hij in zijn brief op bovengenoemden regel, waarvan slechts den Markies en hemzelf deze uitlegging bekend was. De boodschap leidde tot één van de gewichtigste troepenbewegingen in den oorlog met Napoleon.

De strijdende Bisschop.

De Infantes van Carrión, die niet veel lust hadden in een langdurigen oorlog met de Mooren, besloten, bij de eerstvoorkomende gelegenheid naar hun eigen grondgebied terug te keeren. Maar, als om hen te beschamen, verscheen de strijdlustige Bisschop Jerome tot de tanden gewapend voor den Cid, en smeekte hem, aan het gevecht te mogen deelnemen. De Cid gaf glimlachend zijn toestemming, en oogenblikkelijk daarna besteeg de dappere geestelijke een reusachtig strijdros en rende in vollen draf de poort uit en den Saracenen tegemoet. Bij het eerste samentreffen doodde hij er dadelijk twee, maar hij had het ongeluk, zijn lans te breken. Niet in het minst uit het veld geslagen, trok deze vurige zoon van de Kerk het zwaard, zwaaide het boven zijn hoofd als de meest geoefende soldaat, en wierp zich met zijn geweldig strijdros ten tweede male op de Moorsche gelederen; en terwijl hij verwoed om zich heensloeg, wondde of doodde hij met elken slag een Moor. Maar de vijand omsingelde hem, en het zou slecht zijn afgeloopen met den vechtenden Bisschop, als niet de Cid, die met de oprechte bewondering die den strijder gevoelt voor de daden van een ander moedig man, diens dapperheid had gadegeslagen, zijn eigen strijd had gestaakt, Babieca de sporen had gegeven, en zich in het heetst van het gevecht had gestort. Bij dezen vreeselijken aanval weken de lichtgewapende Mooren angstig terug. Ten tweede male draafde hij op hen in, brak door hunne gelederen als een orkaan, en zaaide dood en verderf om zich heen. De Mooren wankelden, hunne troepen werden uiteengeslagen en zij vluchtten in allerijl. Het geheele leger van den Cid viel toen op hen aan; met al het voetvolk en paardenvolk stormden zij het Moorsche kamp binnen, verbraken de koorden der tenten, en wierpen de schitterende Oostersche paviljoens omver, waarin de Saracenen gehuisd hadden.

Zóó stormt in het vijandlijk kamp de Spaansche ruiterschaar,

En door den schrik verlamd, staan Koning Bucars mannen daar.

Het afgehouwen, bloedend hoofd, den arm van ’t lijf gekapt,

Verbrijzeld liggen zij in ’t zand, door paardenhoef vertrapt.

»Halt Koning Bucar!« roept de Cid; »tot mij kwaamt ge over zee;

Gij zocht mij in deez’ fellen strijd!... aan mij is ’t woord van vree.«

»Als in uw zwaard die vrede huist, en in uw steigrend ros,

Begeer ik uwen vrede niet!...« Hij laat de teugels los.

En als de wind stuift hij vooruit, recht naar de open zee,

En naast hem, op zijn edel ros, draaft Spanje’s ridder mee.

Colado schittert in zijn hand, hij grijpt den Koning aan:

»Kies!« wilt gij sterven door het zwaard, of in de golven gaan?«

Het scherpe zwaard doorklieft den Moor, in stroomen vloeit zijn bloed.

Moog’ zóó verdwijnen van de aard’ het gansche Moorsch gebroed!

— — — — — — — — — — —

’t Was op deez’ glorierijken dag, dat Spanje’s ridder won

Dat kostbaar stuk als oorlogsbuit: zijn edel zwaard Tizon.

Toen de Cid uit den strijd terugkeerde, zag hij de Infantes van Carrión, en begroette hen: »Nu zij zich als dapperen gedragen, zullen zij ook door de dapperen goed worden ontvangen,« zeide hij ernstig tegen Alvarez Fannez. De trotsche en domme prinsen waren zeer vertoornd, toen zij deze uitlating toevallig hoorden, en de zucht naar wraak ontwaakte opnieuw in hunne harten. »Wij zullen den Cid in den steek laten en naar Carrión terugkeeren,« zeiden zij, »wij worden door deze roovers en hun leider bespot en beleedigd. Op weg naar huis zullen wij wel gelegenheid hebben, ons te wreken op zijne dochters.«

Bezield met dit laffe voornemen, vroegen zij den Cid glimlachend verlof tot vertrekken. Deze gaf met een bedroefd hart zijn toestemming, overlaadde hen met geschenken, waaronder de beroemde zwaarden Colado en Tizon, die hijzelf op de Mooren veroverd had, en droeg zijn neef, Felix Muñoz, op, de Infantes en zijne dochters naar Carrión te begeleiden.

De wraak van de Infantes.

Groot was de droefheid van den Cid en van Donna Ximena, toen zij afscheid namen van hunne dochters Elvira en Sol, want zij waren niet gerust over haar lot. Maar zij droegen Felix Muñoz op, hunne dochters goed te bewaken, en hij beloofde dit te zullen doen. Na een reis van enkele dagen moest het gezelschap het groote woud van Corpes doortrekken, waar zij op een open plek hunne tenten opsloegen en den nacht doorbrachten. In den morgen zonden de Infantes de leden van hun gevolg vooruit, namen de zadelriemen van hunne paarden en sloegen daarmede de dochters van den Cid op gruwelijke wijze. De ongelukkige vrouwen smeekten te mogen sterven, liever dan deze schande te moeten ondergaan, maar de wraakzuchtige Infantes lachten verachtelijk, bespotten haar en mishandelden haar zóó schandelijk, dat zij haar voor dood achterlieten. »Zoo,« zeiden zij, »is de schande van het avontuur met den leeuw gewroken.« Daarop bestegen zij hunne paarden en reden heen.

Toen de verlaten en vernederde vrouwen bloedend in het gras lagen, kwam Felix Muñoz, haar neef, die den nacht in een ander gedeelte van het bosch had doorgebracht, aangereden, en toen hij haar ongelukkigen toestand zag, haastte hij zich, haar te helpen. Nadat hij hare wonden zoo goed mogelijk verbonden had, reed hij vlug naar de naastbijgelegen stad en kocht daar kleederen en paarden voor haar, zooals haar rang dat eischte.

Toen het bericht van dit alles den Cid te Valencia bereikte, werd zijn hart vervuld van toorn; hij gaf daaraan echter geen uiting, maar bleef mokken over de schande, zijne dochters aangedaan. Na enkele uren riep hij uit: »Bij mijn baard! dit zal den Infantes van Carrión geen voordeel brengen!« Spoedig daarna kwamen de dames Elvira en Sol te Valencia aan en hij ontving haar liefdevol maar niet met beklag. »Welkom, dochters,« zeide hij, »God behoede u voor kwaad. Ik heb dit huwelijk aanvaard, omdat ik het niet kon tegengaan. God geve, dat ik u spoedig gelukkiger gehuwd zie, en dat ik mij zal kunnen wreken op mijn schoonzoons van Carrión.«

Het hof van Toledo.

De Cid zond zijne afgezanten naar Koning Alfonso om hem in kennis te stellen met den grooten smaad, zijne dochters aangedaan door de Infantes, en hem zijn steun te verzoeken, opdat gerechtigheid zou geschieden. De Koning was zeer verontwaardigd over het gebeurde, en beval, dat het Hof te Toledo zou bijeenkomen, en dat de Infantes daar zouden verschijnen, om zich over hun misdaad te verantwoorden. Zij verzochten toestemming on weg te blijven, maar de Koning weigerde beslist iedere uitvlucht, en eischte, dat zij oogenblikkelijk gehoor zouden geven aan zijn oproep. Met grooten tegenzin reisden zij naar Toledo, in gezelschap van Graaf Don Garcia, Asur González, Gonzalo Asurez en verscheiden vazallen, in de hoop, door uiterlijk vertoon den Cid ontzag in te boezemen. Spoedig kwam ook de Campeador aan het Hof aan, met eenige beproefde strijders, allen tot de tanden gewapend. Hij droeg een kostbaar gewaad van rood fluweel met goud geborduurd, en zijn baard was met een koord samengebonden. Toen hij binnentrad, verrees het geheele Hof om hem te begroeten, behalve de Infantes van Carrión met hun gevolg, want hij leek een hoog edelman, en de Infantes waagden het niet, hem aan te zien.

»Vorsten, baronnen en edelen«, zeide Koning Alfonso, »ik heb u opgeroepen, om in de zaak van den Cid Campeador recht te spreken. Zooals gij allen weet, is zijne dochters groote schande aangedaan, en ik heb rechters aangesteld, om deze zaak te onderzoeken en de waarheid aan het licht te brengen, want ik verdraag geen onrecht in Christelijk Spanje. Ik zweer bij het gebeente van San Isidro, dat hij, die deze zitting verstoort, uit mijn koninkrijk zal worden verbannen, en mijn liefde zal verbeuren, en dat ik zal staan aan de zijde van hem, die zijn recht zal kunnen bewijzen. Laat nu de Cid zijn klacht indienen, en wij zullen de verdediging van de Infantes van Carrión hooren.«

Toen verrees de Cid van zijn zetel en er was geen edeler figuur onder al deze hooge ridders aan het Hof.

»Mijn Heer en Koning«, zeide hij, »niet alleen mij hebben de Infantes van Carrión beleedigd, maar ook u, die hun mijne dochters ten huwelijk hebt gegeven. Laat hen, nu zij mijn schoonzoons niet langer zijn, mij eerst mijne zwaarden Colado en Tizon teruggeven.«

Toen de Infantes den Cid zoo hoorden spreken, dachten zij, dat hij niet verder tegen hen zou optreden, wanneer hij zijne zwaarden maar terug had, en dus overhandigden zij deze in allen vorm aan den Koning. Maar het was de bedoeling van den Cid, hen te treffen met alle middelen, die hem ten dienste stonden, en toen hij dus de kostbare zwaarden uit de hand van Alfonso had ontvangen, bood hij ze oogenblikkelijk Felix Muñoz en Martinez Antolinez aan, daarmede te kennen gevende, dat hij ze niet voor zichzelf begeerd had. Daarna wendde hij zich weer tot den Koning.

»Heer«, zeide hij, »toen de Infantes Valencia verlieten, gaf ik hun drieduizend Marken in goud en zilver ten geschenke. Laat hen, nu zij mijne schoonzoons niet langer zijn, mij dit geld teruggeven.«

»Neen«, riepen de Infantes uit, »wanneer wij daartoe gedwongen worden, verarmt de landstreek Carrión.« Maar de rechters eischten, dat de som oogenblikkelijk betaald zou worden. De verraderlijke prinsen konden zulk een schat niet in geld opbrengen, en dus besliste het Hof, dat zij dan in natura moesten betalen. Toen zagen de Infantes, dat er geen ontkomen aan was, en dus brachten zij den Cid verscheiden prachtige en kostbaar getuigde rijpaarden, die zij grootendeels van de leden van hun gevolg moesten leenen, waardoor zij voor de eerstvolgende jaren, groote verplichtingen op zich moesten nemen.

Eerherstel door strijd.

Toen deze zaak eindelijk geregeld was, bracht de Cid zijn voornaamste aanklacht tegen de Infantes in het geding, en vroeg eerherstel in het tournooi voor den grooten smaad zijn dochters aangedaan. Hierop stond Graaf Garcia op, om de Infantes te verdedigen. Hij pleitte, dat zij van vorstelijken bloede waren, en alleen reeds daarom volkomen gerechtigd, zich te ontdoen van de dochters van den Cid. Toen verrees de oudste van de Infantes, Fernandez González, van zijn zitplaats om zijn instemming te betuigen met hetgeen zijn vazal gesproken had, en hij toonde opnieuw zijn minachting voor het huwelijk dat hij had aangegaan, door zijn laffe handelwijze te verdedigen, op grond van zijn vorstelijken rang. Hierop ontstak Pero Bermuez in hevigen toorn; hij hoonde de Infantes om hun lafheid bij het avontuur met den leeuw, en daagde hen tot den strijd uit.

Het optreden van Asur González.

Toen de twist het hoogst gestegen was, trad Asur González, een aanmatigende vazal van de Infantes, de rechtszaal binnen.

Het grof gelaat verhit door wijn en ’t overvloedig maal,

De kleeren slordig en gescheurd, zóó drong hij in de zaal.

Hij mat den Koning en het Hof met onbeschaamden blik

En riep: »Wat moet die bluffer hier, die roover Roderick?

Wil hij zich meten met Carrión, dat edel Vorstenhuis,

Hij, die op roof trekt door het land, met al zijn vuil gespuis?«

Maar woest sprong Muño Gustioz op: »Zwijg stil, gij dronken zwijn,

Die ’s morgens vroeg, nog voor ’t gebed, reeds zat zijt van den wijn,

Voor wien geen eed ooit heilig was, en trouw slechts was een woord,

Van wien geen daad van menschlijkheid door iemand werd gehoord!

O, moog’ het mij gegeven zijn, dat ’k met dit scherpe staal

De tong u snijde uit den mond, en stoppe uw leugentaal!«

»Genoeg!« zoo riep de Koning uit; »deez’ twist wordt niet beslecht

Met woorden in het Parlement, maar met een zwaardgevecht.«

Nauwelijks was het tumult door het optreden van den Koning eenigszins bedwongen, of twee ridders traden de rechtszaal binnen. Het waren afgezanten van de Infantes van Navarra en Arragon, die gekomen waren, om namens hunne meesters den Koning om de hand te vragen van de dochters van den Cid. De Koning wendde zich tot den Cid en verzocht zijne toestemming tot dit huwelijk, en toen de Cid nederig zijne machtiging had gegeven, deelde de Koning de vergadering mede, dat het huwelijk op de gebruikelijke wijze zou worden voltrokken, en dat de strijd tusschen de twistende partijen den volgenden dag zou worden uitgevochten. Dit was slecht nieuws voor de Infantes van Carrión, die in hun angst eenig uitstel verzochten, om in de gelegenheid te zijn, zich te voorzien van goede paarden en wapenen, zoodat de Koning ten slotte minachtend zeide, dat het tournooi nu definitief zou plaats hebben over drie weken, en wel in Carrión, zoodat de Infantes geen enkele uitvlucht zouden kunnen bedenken of zouden kunnen beweren, dat de strijders van den Cid iets op hen vóór hadden gehad.

Toen nam de Cid afscheid van den Koning en bij het vertrek verzocht hij hem, zijn strijdros Babieca van hem aan te nemen, maar Alfonso weigerde dit vriendelijk aangeboden geschenk, met de hoffelijke verklaring, dat, als hij Babieca aannam, het dier een minder goeden meester zou krijgen. Daarna wendde de Campeador zich tot hen, die geroepen waren, zijn zaak in het tournooi te verdedigen, sprak eenige hartelijke woorden van afscheid, en vertrok weer naar Valencia, terwijl de Koning naar Carrión reisde, om het zwaardgevecht bij te wonen.

Het gerechtelijk bewijs door middel van den strijd.

Toen de tijd van den wapenstilstand verstreken was, begaven de strijdende partijen zich naar de plaats, waar het tournooi zou plaats vinden. De mannen van den Cid hadden niet veel tijd noodig om zich te wapenen; maar de verraderlijke Infantes van Carrión hadden een groote menigte vazallen medegebracht, in de hoop, dat zij in den nacht de kampioenen van den Cid zouden kunnen overvallen, wanneer dezen niet op hunne hoede waren. Maar Antolinez en zijne metgezellen waren op verraad bedacht, en verijdelden het plan. Toen zij zagen, dat er geen ontkomen aan was, en dat zij gedwongen waren met hun tegenpartij op leven en dood te vechten, smeekten zij den Koning, de kampioenen van den Cid te verbieden, de beroemde zwaarden Colado en Tizon te gebruiken, want zij hadden een bijgeloovige vrees voor de macht van deze wonderbaarlijke wapenen, en zij betreurden het zeer, dat zij ze hadden teruggegeven. Maar Alfonso weigerde aan dit verzoek te voldoen.

»Gij hebt uwe eigen zwaarden,« zeide hij kortaf; »deze zijn zeer voldoende. Ziet toe, dat gij ze als mannen hanteert, want gij kunt er op aan, dat er van de zijde van den Campeador geen fouten zullen worden begaan.«

De trompetten schalden, en de Cid en drie zijner kampioenen sprongen op hunne ongeduldige strijdrossen, nadat zij eerst het teeken des kruises op hun zadel hadden gemaakt. De Infantes van Carrión bestegen ook hunne paarden, echter met minder animo. De maarschalken of herauten, wier taak het was de regelen van het gevecht te bepalen, en uitspraak te doen in geval van oneenigheid, namen hunne plaatsen in. Toen sprak Koning Alfonso: »Hoort naar mijne woorden, Infantes van Carrión. Het was uw plicht geweest, dezen strijd in Toledo te voeren, maar gij wildet niet; daarom heb ik deze drie ridders veilig naar Carrión gebracht. Maakt gebruik van uw recht, maar met eerlijke middelen. Wie verraderlijk handelt, dien zal het slecht vergaan.«

Hier volgt de beschrijving van den strijd:

Als de heraut het perk verlaat, dan staan zij oog in oog,

Zij heffen ’t schild zich voor de borst, de speren gaan omhoog;

Tot d’aanval buigen zij het hoofd, dan sporen zij het paard,

En stormen op elkander toe in razend woeste vaart.

Dof klinkt de echo van den schok, en dreunend trilt de grond,

Vol spanning zien de ridders toe of geen nog is gewond.

Ferrando’s speer stoot door het schild van Bermuez met kracht,

Maar vóór hij nog het harnas raakt, versplintert reeds de schacht.

Maar nu heft Bermuez zijn lans, en stoot met forsche hand;

Door schild en harnas dringt de speer: Ferrando glijdt in ’t zand,

En kermend smeekt hij om genâ, het bloed stroomt uit zijn borst,

En angstig op d’omwoelden grond ligt daar de laffe vorst!

Toen trok Bermuez ’t zwaard Tizon, te eindigen den strijd,

Maar de Infant riep: »Ik erken, dat ge overwinnaar zijt.«

Daarna kwam het samentreffen tusschen Antolinez en den anderen Infant. Beiden braken zij hun lans op het schild van de tegenpartij. Toen trokken zij de zwaarden, en renden op elkander in. Antolinez deed met Colada zulk een geweldigen uitval naar Diego, dat het scherpe zwaard de stalen helm middendoor sneed, en een gedeelte van het hoofdhaar van Diègo medenam. De verschrikte prins wendde zijn paard en vluchtte, maar Antolinez vervolgde hem met voorgewende woede, en sloeg hem met het vlakke zwaard tusschen de schouders. Zóó kreeg de lafaard de straf der laffen. Toen Diègo de aanraking van het zwaard voelde, begon hij luidkeels te schreeuwen, gaf zijn paard de sporen en sprong over de omheining van het strijdperk, hiermede, volgens de regelen van het gevecht, zich gewonnen gevende.

Toen de trompetten der herauten schalden, stormden Muño Gustioz en Asur González op elkander in. De punt van Asurs speer gleed af op de wapenrusting van Muño, maar de speer van den kampioen van den Cid doorboorde het schild van zijn tegenstander en ging door diens borst heen, zoodat zij meer dan een vadem uit zijn schouderbladen stak. De trotsche Asur viel met een doffen slag ter aarde, maar had nog kracht genoeg, om genade te smeeken.

Toen verklaarde de Koning plechtig, dat de kampioenen van den Cid de overwinning hadden behaald, en zonder tijd te verliezen, reden zij naar Valencia terug, om hun meester op de hoogte te brengen van het blijde bericht, dat zijn eer gewroken was.

Spoedig daarna werd met groote praal het huwelijk voltrokken van de dochters van den Cid met de edele Infantes van Navarra en Arragon. De Poema del Cid eindigt echter even plotseling als zij begon:

Zoo kwamen bei zijn dochters dus tot groote eer en macht,

En op den troon van Spanje zit zijn roemrijk nageslacht.

Steeds grooter werd zijn eedle naam, roemruchtiger zijn zwaard,

Tot op een schoonen Pinksterdag hij scheidde van deez’ aard.

Voor Christus, die Zijn zegen gaf, buig ’k mij ootmoedig neer,

Zóó leefde de Campeador, zijn grooten naam zij eer!

De ware Cid.

De bewerking, die Cervantes geeft van de Poema del Cid is misschien wel de beste, die in deze soort bewaard is gebleven. Stellig heeft de Cid geleefd; wat doet het er toe, of hij inderdaad zoo edelmoedig was? Want de Cid uit de romance is een totaal verschillende persoonlijkheid van den historischen Cid, die wel is waar een geboren leider, maar een slim, gewetenloos en wreed man was. De Poema is dus een romance, gebaseerd op de historie, en daar dit boek handelt over de romance en niet over geschiedenis, heeft het weinig zin den lezer te vergasten op een beschrijving van den waren inhaligen Roderigo van Bivar. »Mio Cid«, de naam, waarmede hij meestal wordt aangeduid, is een half Arabische, half Spaansche vertaling van het Arabische »Sid-y«—»Mijn Heer«, onder welken naam hij waarschijnlijk bekend was bij zijne Moorsche onderdanen in Valencia, en het is niet waarschijnlijk, dat hij bij zijn leven zoo werd genoemd in Spanje. Maar nog in deze tijden gaat er in het Schiereiland een zekere betoovering uit van dien naam. Zoolang het hart van den Brit sneller klopt, wanneer de naam van Koning Arthur genoemd wordt, en de Franschman ontroerd wordt door den naam van Roland, zoolang zal de Spanjaard de romantische schim vereeren, die als een machtig oorlogsgod zweeft boven de vroegste geschiedenis van zijn vaderland,—den Cid Campeador.


1 Ormsby (The Poem of the Cid), die zijne verhandeling in 1879 schreef, schijnt zeer eenvoudige begrippen te hebben gehad over wat een Cantar was, en hij zegt, dat de Poema bijna gelijktijdig ontstond met de »chansons de gestes«. Maar hij is waarschijnlijk minstens een eeuw in de war, daar de eerste Chansons dateeren uit het midden der elfde eeuw. Van trovadores en juglares had hij blijkbaar nooit gehoord. Toch is hij allesbehalve oppervlakkig en over het geheel is zijn boek het beste, dat in Engeland over de Poema geschreven is. Het is jammer, zooals Saintsbury terecht opmerkt, dat noch Ticknor noch Southey, die zoo uitvoerig over de oude Spaansche letterkunde schreven, bekend waren met de »Chansons de gestes.« Nog betreurenswaardiger is het, dat zooveel op het gebied van Spaansche vertalingen is overgelaten aan Longfellow, die zoo menige mooie ballade schandelijk verminkte. Waarschijnlijk was geen dichter beter in staat dan hij, een ballade zoo te vertalen, dat hij haar beroofde van alle kern en kracht. Maar hoe slecht zijne Spaansche vertalingen ook zijn, zij zijn nog heilig, vergeleken bij wat de Italiaansche vertalers ervan gemaakt hebben.