WeRead Powered by ReaderPub
Legenden en Romances van Spanje cover

Legenden en Romances van Spanje

Chapter 56: Het Versterkte Eiland.
Open in WeRead

About This Book

De tekst geeft een overzicht van de Spaanse romantische literatuur, waarbij bronnen en vormen worden behandeld, van cantares de gesta en het Poema del Cid tot ridderromans als Amadis de Gaula en de Palmerin-cycli. Hij analyseert regionale varianten, waaronder Catalaanse stukken, Moorse beïnvloede vertellingen en middeleeuwse balladen, en bevat vertalingen van representatieve romances en balladen. De auteur bespreekt oorsprongsvraagstukken, de wisselwerking tussen historische gebeurtenissen en folkloristische elementen en debatten over Moorse invloed op de romanceros. Latere hoofdstukken verzamelen verhalen over hekserij en toverij, magische motieven en humoristische volksromances, ondersteund door aantekeningen over taal, structuur en muzikaal-poëtische context.

Hoofdstuk III. »Amadis de Galliër«.

Op tooverheuvel staat een heerlijk slot;

Betreed met mij de lichte tooverpaden,

Waarop ééns jonkvrouwen en ridders traden;

Beklim den heuvel, want u wacht een hoog genot:

Uw blik zal waren langs de schoone dreven,

De wegen, waar nog zweeft gestorven heerlijkheid

Van roem en glorie uit den schoonen tijd,

Die in aloude verzen is beschreven.

De wapenrusting glinsterend in teere kleuren,

Vergeten schimmen uit het licht verleden,

Verbleekte flarden van veroverde banieren,

Doordrongen van de onsterfelijke geuren

Van d’ouden tijd! O, kom met mij getreden:

De Moorsche Fantasie gaat hoogtij vieren!

Menig venster in het aloude kasteel van de Spaansche Romantiek geeft het uitzicht op tafereelen van fantastische schoonheid of sombere grootschheid, maar geen enkel verschaft ons zulk een schitterend afwisselend en kleurrijk vergezicht, als het hooge torenvenster, van waaruit wij die omgeving van wonderen en hooge ridderlijkheid kunnen aanschouwen, waar de beroemde geschiedenis van den dapperen Amadis den Galliër zich heeft afgespeeld. Het venster, waarvan hier sprake is, bevindt zich in een hoogen toren van een eeuwenoud kasteel en toont ons de soort van landschap, die de wevers van oude tapijten, of de fantastische schilders van het oude Florence zoo lief hadden. Beneden ons ligt een vorstelijk domein van heerlijk weiland, waar zilveren beekjes doorheen stroomen; naar het Noorden toe verrijzen heuvels, waarop kasteelen gebouwd zijn. Daarachter, ver verwijderd, en meer gelijkend op lucht dan op aarde, verheffen zich de blauwe, scherp geteekende toppen van spookachtige bergen. Dit schouwspel van bijna bovennatuurlijke schoonheid geeft bij den eersten aanblik den indruk van onvergelijkelijken rijkdom van kleur en schittering. Het weiland is bezaaid met Moorsche tenten, en tegen de lucht teekenen zich de heldere kleuren van wimpels en de gouden pracht van banieren af. Het geschitter der wapenen prikkelt het bloed, evenals het geschal der krijgsmuziek. Wonderbaarlijke marmeren paleizen, wit als gebeeldhouwd ijs, verrijzen aan de grens van tooverachtige bosschen, of glinsteren op een vooruitspringende vlakte van het gebergte, en hunne tuinen en terrassen loopen schuin af naar een stil en eenzaam strand. Het tooneel is inderdaad »schoon als een stukje van het Paradijs.«

Zóó schijnt ons het verhaal van Amadis toe, wanneer wij voor het eerst bladeren in dit levendige en kleurige boek. Maar wanneer wij, met behulp van den tooverspiegel van den romancedichter, er een dieperen blik in slaan, dan zien wij, dat op sommige plaatsen het heldere tooneel in diepe schaduwen ligt. Naast de lichte heuvelen liggen diepe bergklooven, donker als de nacht, waarin allerlei monsters krioelen en zich vermenigvuldigen. De vorstelijke kasteelen, de lichte paleizen, herbergen dikwijls vogelvrije roovers en booze toovenaars. Afschuwelijke reuzen wonen in de bergen of op de boschrijke eilanden, die uit de lichtblauwe zee verrijzen, en draken bevolken de rotsen en bosschen. Maar al bevat het gedicht sombere naast lichte gedeelten, de atmospheer van Amadis is doortrokken van zulk een glans, dat wij eindigen met ook de donkere plaatsen lief te krijgen; wij gevoelen, dat de gruwelen, die zij bevatten, slechts een sterker product zijn van den wijnstok der romantiek, een bijzondere oogst, die bedwelming geeft.

En wanneer wij tot aan het vallen van den avond op onze observatiepost blijven, en de tooverachtige maansbelichting van deze wonderbare streek aanschouwen, dan zal ons een nog bezielender drank worden toegereikt uit den beker der romantiek. In het geheimzinnige maanlicht glinstert de wapenrusting als zilver in een bovenaardsche blankheid; bloedroode lichten stralen uit de torenkamers der toovenaars, en de bevallige gestalten van nymphen dwalen tusschen zee en bosch als levende manestralen. Uit de woestijnen tusschen de heuvelen en de ver verwijderde bergen, komen de kreten van roofzuchtige monsters, en de geheele fantastische wereld van Toovenarij is tot leven ontwaakt.

Is het dan een wonder, dat, toen dit heerlijke schouwspel aan de oogen van een volk van ridders werd geopenbaard, er zulk een geestdriftig gejuich opging, als waarmee slechts weinig voortbrengselen der letterkunde begroet werden? De schrijver van Amadis ontsluierde voor de ridderschap van Spanje die wereld, waarvan zij gedroomd had. Elke ridder voelde in zich de mogelijkheid van een Amadis en iedere jonkvrouw vond in zichzelf de eigenschappen van een Oriana. De geest en de stemming van het boek veroverden de Spaansche ziel volkomen, verbonden grovere idealen, en schiepen een nieuw wetboek van gebruiken en opvattingen. De intrige van het verhaal en de verschillende gebeurtenissen, die er uit voortkomen, zijn een samenhangend geheel en niet slechts een opsomming van afzonderlijke krijgsverrichtingen, of vervelende beschrijvingen van kleederen, uitrustingen of architectuur, afgewisseld door het gebluf van ruwe ridders of breedsprakige koningen, zooals dat bij de Cantares de gesta het geval was geweest. Daarenboven was het geheel doorweven met de liefdes-philosophie van ridderlijkheid, volgens welke de vrouw, inplaats van het eigendom of een stuk speelgoed van den man te zijn, werd verheven tot een oppermachtig voorwerp van vereering, zooals dat nooit gedroomd was door de ruwere dichters der Cantara.

De oorsprong der »Amadis«-Romances.

De eerste Spaansche lezing van Amadis verscheen in een Portugeesch kleed en was het werk van een Lusitaansch ridder, Joham de Lobeira (1261–1325), die te Porto geboren werd, te Aljubarrota streed, waar hij door Koning Joham, zaliger nagedachtenis, op het slagveld tot ridder werd geslagen, en die te Elvas stierf. Maar al beweert Southey het tegendeel, alles wijst er op, dat Frankrijk de bakermat was van deze romance, en er wordt in de Portugeesche literatuur zelfs melding gemaakt van de omstandigheid, dat een zekere Pedro de Lobeira, Amadis uit het Fransch vertaalde, in opdracht van den Infant Don Pedro, den zoon van Joham I. Het oorspronkelijke Fransche verhaal is volkomen verloren gegaan, maar de Spaansche vertalingen, die er uit voortkwamen, bleven behouden, en ook de Portugeesche uitgaven zijn niet bewaard gebleven. Het is bekend, dat een handschrift van Lobeira’s romance reeds in het eind van de zestiende eeuw in de archieven der Hertogen van Arveiro te Lissabon gevonden werd, en daar ook nog aanwezig was in 1750. Na dit tijdstip echter werd het door de boekenverzamelaars uit het oog verloren, en alles wijst er op, dat het vernietigd werd bij de aardbeving van Lissabon in 1755, tegelijk met het hertogelijk paleis, waarin het bewaard werd.

Zijn roem en zijn inhoud bleven echter behouden door de Spaansche vertaling; wij moeten Portugal beschouwen als het geboorteland van Amadis in het Schiereiland, en wij hebben het te danken aan den Castiliaanschen geest, dat deze romance ons niet alleen bewaard bleef, maar dat dit waarschijnlijk zelfs geschiedde in verbeterden vorm. In de jaren tusschen 1492 en 1508 wijdde Garcia Ordoñez de Montalvo, gouverneur van de stad Medina del Campo, zich aan de taak, de romance te vertalen en om te werken. Het is niet bekend, wanneer het werk gedrukt werd; de eerste exemplaren zijn verloren gegaan, maar men zegt, dat de Spaansche veroveraars van Mexico getroffen waren door de gelijkenis dezer stad met de betooverde plaatsen, waarover in Amadis gesproken werd. Dit was in 1519 en niet in 1549, zooals Southey vermeldt. Misschien hadden zij het oog op de Portugeesche vertaling, maar in ieder geval is het bekend, dat er in 1519 een uitgave verscheen, en in 1547 een tweede in Sevilla. Wij hebben elders reeds vermeld, dat deze romance in alle talen werd overgebracht, en dat verschillende dichters er een vervolg op schreven, maar wij moeten er bijvoegen, dat slechts de eerste vier boeken van Amadis (dus de oorspronkelijke Amadis) door Montalvo zijn geschreven; de rest is van de hand van anderen.

Elisena en Perion.

De handeling der romance begint op een duister en onbepaald tijdstip, dat volgens de beschrijving, onmiddellijk valt na den dood van den Verlosser, toen er in Brittanje een Christelijk Koning leefde, Garinter genaamd, die gezegend was met twee bekoorlijke dochters. De oudste, bekend als »de vrouw met de guirlande«, omdat zij steeds een bloemenkrans droeg, was eenige jaren tevoren in het huwelijk getreden met Koning Languines (Angus) van Schotland, en zij had twee mooie kinderen, Agrayes en Mabilia. Elisena, de jongste dochter, was over de geheele Christelijke wereld beroemd om hare schoonheid, maar ofschoon vele machtige koningen en prinsen om hare hand hadden gedongen, wilde zij niemand huwen, en wijdde zij haar leven aan heilige werken. Volgens de opvatting van alle ridders en edelvrouwen van haar vaders Koninkrijk, overtrad deze bekoorlijke jonkvrouw door ongehuwd te blijven, alle wetten der liefde, en het geschiedde, dat de schoone en heilige Elisena door de meer wereldschen onder de vroolijke ridderschap, werd aangeduid als de »Verloren Kwezel.«

Zooals Elisena voldoening vond in een gestreng leven, zoo vond haar koninklijke vader vreugde in de jacht, en hij bracht veel tijd door in de groene bosschen, die in die dagen het grootste gedeelte van Klein-Brittanje bedekten. Bij één van deze gelegenheden, toen hij, zooals dat zijn gewoonte was, geheel alleen door de bosschen reed, hoorde hij wapengekletter, en toen hij bij een open plek in het bosch kwam, vanwaar de klanken van den strijd kwamen, zag hij twee Britsche ridders, die een gewapenden vreemdeling aanvielen, in wien hij, afgaande op zijn houding en wapenrusting, een man van rang en hooge geboorte vermoedde, en die zich met zulk een moed en behendigheid gedroeg, dat het hem gelukte, zijne beide tegenstanders te verslaan.

Toen de vreemdeling bezig was, zijn zwaard in de scheede te steken, ontdekte hij Garinter, reed op hem toe en groette hem op hoffelijke wijze. Hij beklaagde zich erover, dat een dolende ridder in Christelijk Spanje, zóó door de bewoners behandeld kon worden, als dit met hem het geval was geweest, waarop de Koning zeer verstandig antwoordde, dat er in ieder land goede en slechte menschen gevonden werden, en dat de verslagen ridders hun leenheer ontrouw waren, en hun lot hadden verdiend.

De vreemdeling deelde toen mede, dat hij op weg was naar den Koning van Brittanje met berichten van een vriend, en toen de Koning dit hoorde, maakte hij zich bekend. De ridder vertelde hem, dat hij Koning Perion van Gallië was, die reeds lang gehoopt had, vriendschap met hem te sluiten. Garinter drong er op aan, dat zijn vorstelijke ambtgenoot hem naar zijn paleis zou vergezellen, en toen Perion hierin toestemde, keerden zij naar de stad terug.

Elisena en Perion zien elkander aan.

Toen zij in het paleis waren aangekomen, werd er een kostelijk feestmaal aangericht, waarbij de Koningin en Prinses Elisena aanzaten. Nauwelijks hadden Elisena en Perion elkander aanschouwd, of zij gevoelden, dat een groote en onsterfelijke liefde zich van hen had meester gemaakt. Toen de Koningin en de Prinses de feestzaal hadden verlaten, stortte Elisena haar hart uit bij haar dienstmaagd en vertrouweling Darioleta, en zij vroeg haar, te onderzoeken, of de Koning reeds gehuwd was. Darioleta, die niet spoedig uit het veld was geslagen, begaf zich regelrecht naar Perion, die zijn liefde voor Elisena in hartstochtelijke bewoordingen bekende, en beloofde, haar tot vrouw te nemen. Hij smeekte de dienstmaagd, hem bij Elisena te brengen, opdat hij het geluk mocht smaken, haar persoonlijk zijn liefde te verklaren. Darioleta keerde tot de Prinses terug met deze boodschap, en Elisena was zóó verlangend, zelf van Perions lippen de bekentenis zijner liefde te hooren, dat zij, niet denkende aan plaats of uur, zich naar zijne vertrekken begaf, waar zij bleef tot aan de morgenschemering, teruggehouden door zijne liefdesbetuigingen en door haar eigen verlangen, het bewijs harer liefde te geven aan den edelen en ridderlijken vorst, die zoo plotseling erin geslaagd was, haar ervan te overtuigen, dat haar vroeger leven kleurloos en droefgeestig was geweest. Tien dagen bleef Perion aan het Hof van Garinter, toen moest hij weer vertrekken; maar voordat hij afscheid nam, gaf hij zijn woord aan Elisena, wie hij één van de twee volkomen gelijke ringen, die hij droeg, als pand gaf van zijn trouw. Hoe hij echter zocht, hij kon zijn zwaard niet vinden, een beproefd en betrouwbaar wapen, en tenslotte gaf hij het op, ernaar te zoeken.

De geboorte en het verstooten van Amadis.

Na het vertrek van haar minnaar was Elisena diep bedroefd, en Darioleta slaagde er niet in, haar te troosten en haar op te wekken uit den toestand van wanhoop, waarin zij vervallen was. In het rijk van haar vader bestond, evenals in het moderne Schotland, een oude wet, die bepaalde, dat twee menschen, die zich door een plechtigen eed aan elkander hadden verbonden, geen verdere formaliteiten noodig hadden om hun huwelijk te wettigen, ofschoon het gebruikelijk was, dat het later door Kerk en Wet bekrachtigd werd. Perion en Elisena hadden elkander deze plechtige gelofte gedaan, maar de Prinses vreesde den toorn van haar vader, omdat de gelieven hem geen toestemming hadden gevraagd, en toen haar dus een zoontje geboren werd, was zij in grooten angst voor de gevolgen, want zij kende haar vader als een trotsch en driftig man, die in staat was tot het nemen van ernstige maatregelen, voordat hij zich op de hoogte had gesteld van de waarheid. Maar de wereldsche en schrandere Darioleta was niet kieskeurig in hare middelen om haar meesteres en zichzelf te vrijwaren voor de woede van den Koning, en ondanks de tegenwerpingen van Elisena, die te zwak was om het te beletten, bouwde zij een kleine houten ark, maakte die waterdicht met teer, en zonder te letten op de tranen en klachten harer meesteres, plaatste zij het pasgeboren jongetje erin, met het zwaard van Perion, dat zij uit zijn slaapvertrek had weggenomen. Toen schreef zij op een stuk perkament: »Dit is de Koningszoon Amadis«, bedekte dit geschrift met was, zoodat de letters niet konden worden uitgewischt, bond het aan den trouwring, dien Perion aan Elisena had gegeven, en hing het aan een zilveren koord om den hals van het kind. Toen droeg zij het kleine vaartuig voorzichtig en ongemerkt naar de rivier, die langs den tuin van het paleis stroomde, en vertrouwde het toe aan de kabbelende golfjes van het diepe water.

De kleine ark dreef vlug naar de zee, die slechts een halve mijl van het paleis verwijderd was, en nauwelijks was zij opgenomen door de golven, of zij werd ontdekt door de bemanning van een Schotsch schip, waarmede een Caledonische ridder, Gandales genaamd, uit Gallië naar zijn Noordelijk vaderland terugkeerde. Op zijn bevel zetten de zeelieden een boot uit, en toen zij het kleine vaartuig gegrepen hadden, brachten zij het naar het schip. De echtgenoote van Gandales was zóó verrukt over de schoonheid van het kind, dat zij besloot, het als haar eigen aan te nemen. Eenige dagen later voer het schip de Schotsche haven Antalia1 binnen, en Gandales bracht den kleinen Amadis naar zijn kasteel, waar hij hem opvoedde met zijn eigen zoontje Gandalin.

Eenigen tijd daarna, toen Amadis ongeveer vijf jaren oud was, brachten Languines, de Koning van Schotland, en zijn Koningin, »de Vrouw met de Guirlande,« een bezoek aan het kasteel van Gandales, en zij waren zoo bekoord door de bevalligheid en schoonheid van Amadis, dat zij den wensch uitdrukten, hem als hun eigen kind aan te nemen. Gandales vertelde hun, wat hij van de geschiedenis van het kind wist, en het koninklijke paar beloofde hun, het geheel als hun eigen zoon te beschouwen. Amadis was, om de merkwaardige omstandigheden, waaronder hij gevonden was, bij iedereen bekend als »het Kind van de Zee,« en deze naam bleef aan hem verbonden, totdat zijn identiteit volkomen bewezen was. Hij toonde geen tegenzin zijne nieuwe beschermers te volgen, maar hij was wel bedroefd, omdat hij zijne pleegouders verlaten moest. De kleine Gandalin wilde echter volstrekt niet van hem gescheiden worden, en hij smeekte zóó hen samen te laten, dat Koning Languines tenslotte beide jongens met zich medenam.

Perions droom.

Laat ons nu terugkeeren tot Koning Perion. Hoewel hij weer in beslag genomen werd door staatszaken, voelde hij zich toch bezwaard van ziel om een droom, dien hij gehad had tijdens zijn verblijf aan het Hof van Garinter. In dien droom was iemand zijn slaapvertrek binnengekomen, had een hand in zijn borst gestoken, zijn hart er uitgenomen en dat in de rivier geworpen, die langs den tuin van Koning Garinter stroomde. Toen hij in zijn angst gilde, zeide een stem, dat hem nog een hart was overgebleven. Hij werd verontrust door de herinnering aan dezen droom, dien hij niet kon ontraadselen, en dus riep hij alle wijzen van zijn koninkrijk te zamen en verzocht hen te beproeven, een verklaring ervan te vinden. Slechts één van hen kon den droom uitleggen, en de wijze verzekerde hem, dat het hart, dat hem uit de borst was gerukt, een zoon was, die hem door een edele jonkvrouw was geboren, terwijl het tweede hart een andere zoon beteekende, die op een of andere wijze zou worden weggenomen tegen den wil van haar, die zich van het eerste kind had ontdaan. Toen de Koning terugkwam van den wijzen man, ontmoette hij een geheimzinnige jonkvrouw, die hem groette, en zeide: »Weet, o Koning Perion, dat wanneer gij uw eigendom terugkrijgt, het Koninkrijk Ierland zijn schoonste bloem zal verliezen«, en voordat de Koning haar terug kon houden om haar te ondervragen, was zij verdwenen.

Na verloop van tijd stierf Koning Garinter, en Perion en Elisena traden in allen vorm in het huwelijk. Maar toen Perion zijn vrouw vroeg, of zij hem een zoon had geschonken, schaamde zij zich zoo over de rol die zij gespeeld had bij de verdwijning van het kind, dat zij alles loochende. Later werden hun twee mooie kinderen geboren, een zoon en een dochter, Galaor en Melicia genaamd. Toen Galaor nog slechts twee en een half jaar oud was, wandelden de Koning en de Koningin, die in dien tijd in de stad Banzil, in de nabijheid der zee woonden, eens in de tuinen van het paleis, toen er plotseling een geweldige reus uit de golven verrees, den kleinen Galaor greep, en zich met hem uit de voeten maakte, voordat iemand het kon verhinderen.

Het monster sprong met het kind te water, klom aan boord van een schip, waarmede hij snel zee koos, en riep triomfantelijk uit: »De jonkvrouw heeft de waarheid gesproken!« De ouders waren diep bedroefd over het verlies van hun zoon, en in haar groot verdriet bekende Elisena het gebeurde met Amadis. Nu wist Perion, dat de wijze de waarheid had gezegd, toen hij zijn verklaring van den droom over de twee harten had gegeven. De reus, die den kleinen Galaor gestolen had, was echter geen kwaadaardig monster, doch een edelmoedig en vriendelijk schepsel. Hij zorgde voor het kind, alsof het één van zijn eigen reuzengeslacht ware geweest.

Hij woonde te Lyonesse, was bekend onder den naam van Gandalue, en bezat twee kasteelen op een eiland in de zee. Hij had dit eiland bevolkt met Christenen, en gaf den kleinen Galaor in de hoede van een vromen kluizenaar, met het uitdrukkelijk bevel, hem op te voeden tot een dapper en trouw ridder. Hij vertelde den kluizenaar, dat een jonge vrouw (dezelfde die de geheimzinnige woorden tot Koning Perion gesproken had, en die een machtige toovenares was), hem had gezegd, dat slechts een zoon van Perion zijn aartsvijand zou kunnen verslaan, den reus Albadan2, die zijn vader gedood had en hem de rots Galtares had ontstolen. En zoo werd Galaor opgevoed door den kluizenaar.

Oriana.

Ongeveer in denzelfden tijd landde Koning Lisuarte van Brittanje in een Schotsche haven, waar hij met veel eerbetoon ontvangen werd door Koning Languines. Lisuarte had zijn echtgenoote Brisena en zijn bekoorlijk dochtertje Oriana bij zich, het schoonste schepseltje ter wereld; en omdat zij zoo’n last van zeeziekte had, besloten de ouders haar eenigen tijd aan het Schotsche Hof te laten. Amadis was nu twaalf jaren oud, maar hij leek wel vijftien, zóó groot en forsch was hij, en de Koningin stelde hem aan als page van Oriana, die zeide, dat zij »dit prettig vond«. Amadis koesterde deze woorden in zijn hart, zoodat hij ze nimmer meer kon vergeten. Maar hij wist niet, dat Oriana hem lief had, en hij had groot ontzag voor dit lieve en ernstige kleine meisje, voor wie hij zulk een diepe genegenheid opvatte. De stille liefde, die deze kinderen elkander toedroegen, was aandoenlijk schoon, maar zij bleef onuitgesproken, want Amadis was zeer bescheiden en Oriana was een ingetogen meisje.

In het hart van Amadis ontwaakten hooge gevoelens van ridderlijkheid, zoodat hij ten slotte Koning Languines verzocht, hem tot ridder te slaan. Languines was zeer verbaasd, dat deze jongen verlangde naar een eer, die hem zulke zware verplichtingen zou opleggen, maar hij ging op het verzoek in, en gaf bevel, dat er wapens voor hem gesmeed zouden worden. Hij zond Gandales, den ridder die hem in zee gevonden had, het bericht van de plannen van den jongen, en Gandales stuurde een afgezant naar het Hof, met het zwaard, den ring en het perkament, die hij in de ark had gevonden bij den kleinen zeevaarder.

Deze zaken werden Amadis als zijn eigendom ter hand gesteld, en toen hij dit alles aan Oriana toonde, vroeg zij hem de was, die het perkament voor bederf bewaarde, niet wetende, dat het een gewichtig document was, en natuurlijk gaf hij het haar. Korten tijd daarna bracht Koning Perion een bezoek aan Languines, om hem zijn hulp te vragen tegen Koning Abies van Ierland, die Gallië was binnengevallen met zijn geheele strijdmacht. Daar Amadis wist, welk een grooten naam Perion had als krijgsman, wilde hij liefst door zijn hand tot ridder worden geslagen, en hij vroeg de Koningin, hierin zijn voorspraak te zijn. Maar zij was bedroefd en afgetrokken en lette niet op zijn vraag. Hij vroeg Oriana naar de oorzaak dezer droefheid, en zij antwoordde: »Kind van de Zee, dit is de eerste vraag, die gij mij ooit gedaan hebt.«

»Ach jonkvrouw«, zeide Amadis, »ik ben niet waard iets te vragen aan iemand zooals gij.«

»Wat?« riep zij uit, »is uw hart zóó zwak?«

»O, jonkvrouw«, antwoordde hij, »het is te zwak in alles wat u betreft; maar het zou u willen dienen, alsof het uw eigendom was.«

»Mijn eigendom«, zeide Oriana verward, »en sedert wanneer?«

»Sinds gij »het prettig vondt«, antwoordde Amadis met een glimlach. »Weet gij niet meer, dat dit uwe woorden waren, toen de Koningin mij voor uw dienst bestemde?«

»Ik vind het heerlijk, dat het zoo werd geschikt«, zeide Oriana verlegen; en daar zij zag, dat Amadis zeer ontroerd was door haar allerliefst antwoord, sloop zij weg, om de Koningin naar den reden van haar droefheid te vragen.

De Koningin vertelde haar, dat zij treurig was, omdat vijanden het Koninkrijk harer zuster Elisena waren binnengevallen, en Oriana keerde tot Amadis terug en legde hem uit, waarom de Koningin niet op zijn vraag had gelet. Daarop gaf Amadis als zijn wensch te kennen, naar Gallië te gaan, om tegen de Iersche overweldigers te strijden, en Oriana juichte dit plan met geestdrift toe. »Gij zult als mijn ridder ten strijde trekken,« zeide zij eenvoudig en lieftallig. Amadis kuste haar hand, en verzocht haar, Prinses Mabilia, Perions dochter (en dus de zuster van Amadis) te vragen, er op aan te dringen, dat haar vader Amadis tot ridder zou slaan. Het meisje beloofde hem dit, en Koning Perion was zeer ingenomen met den vurigen wensch van den jongeling, het beroep van krijgsman te volgen. Hij verzocht hem dus te knielen, gaf hem den ridderslag, bevestigde de ridderlijke sporen aan zijne hielen, en gordde hem het zwaard aan.

Amadis trekt op avontuur uit.

Amadis besloot, dadelijk op weg te gaan naar Gallië, en dus nam hij teeder afscheid van Oriana, en verliet, begeleid door zijn pleegbroeder Gandalin, tegen den avond het paleis. Zij hadden nog niet lang gereden, of zij ontmoetten de geheimzinnige toovenares, die, zooals wij gezien hebben, zulk een levendig belang stelde in het lot van onzen held, en wier naam Urganda was.

De fee groette Amadis bijzonder vriendelijk en gaf hem een lans ten geschenke, zeggende, dat deze binnen drie dagen »het huis, waaruit hij was voortgekomen, voor ondergang zou behoeden.« Zij was vergezeld van een jonkvrouw, en toen Urganda vertrokken was, bleef deze bij hem, en zeide, dat zij drie dagen met hem zou medereizen, en dat zij gewoonlijk niet bij de toovenares was, maar haar nu toevallig had ontmoet. Zij hadden nog niet ver gereden, toen zij bij een kasteel kwamen, waar zij een schildknaap hoorden jammeren, dat zijn meester daarin bedreigd werd door de bewoners. Amadis spoedde zich naar het voorplein, en ontdekte Koning Perion, die zich heldhaftig verdedigde tegen twee ridders en eenige soldaten. Met een kreet van woede viel Amadis de belagers aan, zwaaide zijn zwaard in alle richtingen, en deelde zulke hevige slagen uit, dat de verachtelijke ridders, die den Koning hadden aangevallen, gedood werden, en dat hunne volgelingen op de vlucht werden gedreven.

Perion herkende Amadis oogenblikkelijk als den jongeling, dien hij niet lang geleden tot ridder had geslagen. Zij verlieten te zamen het kasteel, en namen bij een tweesprong afscheid van elkander, met de wederzijdsche belofte, elkander in Gallië weder te ontmoeten. De jonkvrouw, die Amadis tot zoover begeleid had, vertelde hem, dat zij een afgezant van Oriana was, waarop Amadis bij het hooren van den naam zijner Vrouwe, zóó begon te beven van vreugde, dat hij, als Gandalin hem niet gesteund had, van zijn paard zou zijn gevallen. Toen nam de jonkvrouw afscheid van hem, zeggende, dat zij haar meesteres zijn succes zou melden.

Na verscheiden andere avonturen, kwam Amadis met Gandalin aan het Hof van Koning Perion van Gallië aan. Zij hadden nog slechts eenige oogenblikken gerust, toen zij de klaroenen van Koning Abies van Ierland hoorden schallen voor den aanval op de stad. Zij bestegen dadelijk hunne strijdrossen en deden met Agrayes en andere ridders een uitval naar het vijandelijk leger. Er volgde een hardnekkige strijd, waarin Amadis wonderen van dapperheid verrichtte. Perion en zijne volgelingen vielen daarna den vijand aan, maar zij waren zooveel minder in aantal dan het leger van Koning Abies, dat zij wel gedwongen waren, terug te trekken. De dag werd echter weer goed gemaakt door Amadis, die met zulk een woede vocht, dat paard noch man hem kon weerstaan, en in het heetst van het gevecht doodde hij o.a. Daugavel, den lieveling van Abies. Toen de Iersche Koning dit hoorde, was hij diep bedroefd, en toen hij tegenover Amadis kwam te staan, daagde hij hem voor den volgenden dag uit tot een tweestrijd op leven en dood. Zij kwamen dus samen en na een verwoed tweegevecht, dat verscheidene uren duurde, werd Abies verslagen; en hiermede nam de oorlog een plotseling einde.

Nu gebeurde het, dat Melicia, de dochter van Perion, haar ring verloor, dien zij van haar vader gekregen had, denzelfden, dien de Koning gedragen had, toen hij voor het eerst Elisena ontmoette, en die het duplicaat was van den ring, dien hij haar geschonken had, en dien zij om den hals van Amadis had gebonden, toen zij zich van hem ontdeed. Om te voorkomen, dat haar vader het verlies zou bemerken, gaf Amadis zijn eigen ring aan de prinses. Maar de Koning vond zelf het verloren kleinood en stelde een onderzoek in naar de herkomst van den tweeden ring. Door de bekentenis van Melicia, en de herkenning van het zwaard, dat Amadis droeg, kwam Perion tot de overtuiging, dat Amadis niemand anders zijn kon dan zijn lang verloren zoon; en toen de jonge ridder zijn levensgeschiedenis verhaalde, en hoe hij in zee was gevonden, verdween elke twijfel der ouders omtrent zijn identiteit. Zij waren zielsgelukkig, dat zij hem hadden teruggevonden, en erkenden hem in het openbaar als den troonopvolger.

Wij moeten nu weer den levensloop volgen van den broeder van Amadis, Galaor, die als kind zoo plotseling door den reus was weggevoerd. Hij was opgegroeid tot een dapper en behendig jongeling, en daar hij gehoord had, dat aan geen enkel Hof zulk een ridderlijke geest heerschte als aan dat van Koning Lisuarte van Brittanje, besloot hij daarheen te reizen, in de hoop, daar den ridderslag te mogen ontvangen. Zijn pleegvader, de reus, vergezelde hem, en zij hadden nog slechts twee dagen gereisd, toen zij aan het kasteel kwamen van een wreeden ridder, die, geholpen door zijne ondergeschikten, juist een eenzamen krijgsman aanviel. Galaor snelde hem te hulp en slaagde erin, de bende te verslaan. Galaor vatte zulk een liefde op voor den vreemdeling, dat hij verzocht, uit zijne handen den ridderslag te mogen ontvangen. Deze gunst werd hem met vreugde verleend, en nadat Amadis—want hij was de vreemde ridder—vertrokken was, vroeg Galaor een jonkvrouw, die hij plotseling naast zich vond staan, of zij den naam kende van den ridder, dien hij zoojuist geholpen had. De jonkvrouw, de toovenares Urganda, antwoordde, dat hij Amadis heette en dat hij de eigen broeder van Galaor was. Toen Galaor dit hoorde, was hij uitgelaten van vreugde, maar zijn vreugde was vermengd met groote droefheid, omdat hij hun verwantschap niet ontdekt had, voordat zij afscheid van elkander hadden genomen.

Nadat de toovenares Galaor had ingelicht, reisde zij Amadis achterna, die op weg was naar het Hof van Koning Lisuarte in Windsor. Zij vertelde hem, dat het zijn broeder Galaor was, die hem bevrijd had, het kind, dat zijn ouders ontstolen was. Dit bericht verrukte hem, maar bedroefde hem tevens.

Gesterkt door deze merkwaardige ontmoeting, vervolgde Galaor zijn reis, die ten doel had, de rots Galtares voorgoed te ontrukken aan de wreede heerschappij van den reus, die haar veroverd had.

Een reis van eenige dagen bracht hem op de plaats zijner bestemming, en op zijn uitdaging kwam de reus naar buiten, gezeten op een geweldig strijdros, en de vreeselijkste bedreigingen uitstootende. Hij reed onmiddellijk op den jongen ridder toe, in de hoop, met één slag den strijd te beslechten. Maar toen hij woest zijn knots zwaaide, trof hij zijn eigen paard; hij viel met donderend geweld ter aarde, en Galaor reed over zijn lichaam heen. Daarbij viel hij echter van zijn ros, en ontving een vreeselijken vuistslag van den reus, maar hij herstelde zich spoedig, trok zijn zwaard, en sneed den arm van het monster bij den schouder af. Feitelijk was hiermede de strijd geëindigd, want met een tweeden slag van zijn zwaard, onthoofde hij zijn tegenstander.

Amadis kwam nu aan het Hof van Koning Lisuarte, werd daar opgenomen in den kring van ridders en was daar spoedig de ziel hunner ondernemingen, zoodat hij in korten tijd beroemd was als een der edelste paladijnen van de Christelijke ridderschap. Zijne avonturen aan het Hof van Lisuarte zouden boekdeelen kunnen vullen; zijne voornaamste praestaties waren een verdelgingsoorlog tegen de reuzen, de nederlaag van den overweldiger Barsinan en den toovenaar Archelaus, benevens een groote menigte krijgsverrichtingen, te veel om ze hier te beschrijven. Zijne heldendaden zijn samengeweven met die van zijn broeder Galaor, met wien hij eens zelfs in fellen strijd geraakte, daar geen van beiden den ander herkende door de wapenrusting.

De belofte van Lisuarte.

Het gebeurde, dat terwijl Lisuarte recht sprak te Londen, er een bejaarde ridder in de zaal trad, die zulk een wonderschoone kroon en mantel vertoonde, dat de Koning verklaarde, ze tot elken prijs te willen koopen. De ridder zeide, dat hij op een bepaalden dag zou terugkomen om zijn loon op te eischen, en de Koning verbond zich, kroon en mantel zorgvuldig te bewaren, op straffe van verlies van zijn dierbaarst bezit. De ridder was een gezant van den valschen toovenaar Archelaus en de versierselen, die hij Lisuarte getoond had, waren door toovenarij gemaakt, zoodat, toen de Koning ze wenschte te dragen, en de koffer ontsloot, waarin ze bewaard werden, hij ontdekte, dat ze verdwenen waren. De oude ridder kwam terug en verlangde zijn loon. Lisuarte was genoodzaakt te bekennen, dat kroon en mantel verdwenen waren, en de handlanger van den sluwen toovenaar eischte Prinses Oriana als prijs van den Koning op. In een zwak oogenblik ging Lisuarte op dien eisch in, en de ridder reed heen met Oriana, die hij dadelijk in de macht van Archelaus stelde; Lisuarte viel in een hinderlaag, die hem door den listigen toovenaar gelegd was.

Toen Amadis en Galaor, die op dat oogenblik niet aan het Hof vertoefden, van dit verraad hoorden, spoedden zij zich naar Windsor, vast besloten de booze plannen van den toovenaar te verijdelen. Deze wilde n.l. Oriana uithuwelijken aan den pretendent naar den Britschen troon, den verraderlijken Barsinan, die al eens door Amadis overwonnen was. Galaor bevrijdde Lisuarte uit de macht zijner vijanden, en nadat Amadis in alle richtingen gezocht had naar de edele jonkvrouw, ontmoette hij haar ten slotte in een bosch, toen zij door Archelaus werd weggevoerd. Toen de toovenaar den dapperen ridder in het oog kreeg wiens heldendaden hij reeds zoo dikwijls had hooren roemen, maakte hij zich haastig uit de voeten, en liet Oriana achter in de handen van haar minnaar, die haar veilig naar het Hof terugbracht.

Het Versterkte Eiland.

Met het begin van het Tweede Boek treden wij een wonderbaarlijke en geheimzinnige wereld binnen; dit boek kan in waarheid het Cor Cordium, de spiegel, de quintessence der romantiek genoemd worden. Het brengt ons in kennis met den Griekschen koningszoon Apolidon, die ons beschreven wordt als een dapper ridder en een machtig toovenaar. Hij stond zijne rechten af aan zijn jongeren broeder, en voer door de Groote Zee, waar hij een eiland ontdekte, dat slechts door boeren bewoond werd, en waar een machtige reus heerschte; dit eiland was bekend als het Versterkte Eiland, en werd in verscheidene romances bezongen als een waar paradijs.

Nadat hij den reus verslagen had, bleef Apolidon op het eiland wonen totdat zijn broeder stierf en hij naar Griekenland terugkeerde; maar voordat hij de plaats verliet, legde hij haar onder een machtige betoovering, opdat geen ridder of jonkvrouw daar zou mogen wonen, die niet zijn gelijke was in dapperheid, of niet even schoon als zijn geliefde Grymenysa. De wonderen van dit tooverland zijn wel waard beschreven te worden, en daar een groot gedeelte van de handeling dezer romance zich daar afspeelt, zullen wij ons inschepen op de toovergalei, die altijd gereed ligt in de haven der legende, en naar het eiland zeilen, om op de betooverde kust te landen.

Hier volgt dan een beschrijving in dichtregels van het eiland.

Het Versterkte Eiland.

Apolidon, door toovermacht,

Bouwde een huis van wondre pracht

Op een eiland, waar geen enkel schip

Voer door de zee langs die eenzame klip.

Op de granieten zuilen van de poort

Grifte hij het strenge woord,

Dat slechts hij, die hem in deugden was gelijk,

Zou mogen komen in dit gezegend rijk.

Hangende terrassen glinsterend wit in de zon,

Schoon als de tuinen van koningin Semiramis van Babylon,

En de hoogte was van zulk een stralende pracht

Alsof de dag lag opgestapeld op den nacht,

En uit een groep van mirten, teedergroen,

Verrees een wit en heerlijk paviljoen,

Dat toescheen aan de zeelieden van ver,

Een op een weiland neergedaalde ster.

Tusschen paleis en zee vertoonde zich aan ’t oog

Een tooverachtig fonkelende stralenboog

Met zon en sterren heerlijk bejuweeld;

En in die nis stond een betooverd beeld,

In welks ten hemel opgeheven hand

Een koperen klaroen scheen, lichtend als in fellen brand.

En als een ridder of een maagd

In overmoed het had gewaagd,

Geboren uit een vrij geslacht,

Minder in schoonheid en in macht

Dan toovenaar Apolidoon,

Of Grymenysa, wonderschoon,

Te treden in de tooverhal,

Dan zou, met bulderend geschal

De koperen klaroen uitbarsten in geweld,

Zoodat daar de vermetele werd neergeveld.

Maar als een jonkvrouw, hoog van naam,

Een ridder zonder vrees of blaam

Zou komen aan de poort,

Dan zouden in den zaal’gen hof

Fanfares, daverend van lof

En vreugde zijn gehoord.

Kristallen zuilen gaven aan de tooverlijn;

Een platte steen van jaspis of van serpentijn,

Waar, tusschen vlammende arabesken glinst’ren zou de naam

Des ridders of der jonkvrouw van zoo hooge faam,

Straalde op het Grieksch plaveisel; wie van beiden

Eenmaal de tooverlijn zou overschrijden,

Die zou aanschouwen in een glans, als stralend ijs

De heerschers uit dit wond’re paradijs,

Gegoten in de bovenaardsche praal

Van glinsterend, onsterfelijk metaal.

Nog dieper in den hof plaatste de toovenaar

Voor Grymenysa, in zijn hoogen zin,

Als een verheerlijking van grenzenlooze min,

Een wacht voor haar vertrekken, vol gevaar:

Met negen zegels vol vervloeking, sloot hij haar ivoren deur

Opdat slechts ’t edelst hart, dat ooit werd voortgebracht,

Aanschouwen zou die goddelijke pracht

En zich zou laven aan den bovenaardschen geur.

En opdat laagheid nimmer daar zou binnengaan,

Liet hij twee woeste geesten met de macht van Sheol in de zwaarden,

Onzichtbaar echter voor de oogen dezer aarde,

Als strenge wachters voor de kamer staan.

En alle draden van zijn wonderbaren geest,

Waren geweven in het geheimzinnig tooverspel

Rondom de schaduwen van deze citadel

Waar hij zoo lange tijden oppermachtig was geweest.

Toen ging hij uit die plaats van zaligheid,

Aanroepend alle geesten als beschermers dezer oorden:

Sabitu, Baphomet, Siduri, met zijn tooverwoorden,

En macht hun gevend tot in eeuwigheid.

En toen de maan verduisterde aan de lucht,

Toen is de toovenaar dit paradijs ontvlucht;

Hoe hij zijn rijk verliet, heeft niemand ooit gehoord,

En nimmer keerde hij terug naar ’t zalig oord.

Maar nog zien herders in het morgenschemerlicht,

Gestalten zweven, witter dan de neev’len dicht,

En altijd hooren zij nog bij het vallend duister,

Een teeder zuchten en een lispelend gefluister.

Voordat hij het toovereiland verliet, had Prins Apolidon er een gouverneur aangesteld, en hij had bevolen, dat wie er niet in slaagde, door den eereboog te gaan en toch het geweldige trompetgeschal overleefde, zonder vorm van proces van het eiland zou worden gegooid; maar dat hij, die de proef glansrijk doorstond, ontvangen en gediend zou worden met groot eerbetoon. Ook besliste hij, dat, wanneer het eiland een nieuwen heerscher zou krijgen, de betoovering zou worden opgeheven.

Het Versterkte Eiland.

Toen de betoovering van het eiland ongeveer honderd jaar had geduurd, ontmoette Amadis, die teeder afscheid van Oriana had genomen en op avontuur was uitgetrokken, een jonge maagd, die hem van de wonderen van het Versterkte Eiland vertelde, dat, zooals zij zeide, nauwelijks twee dagen zeilen verwijderd was van de plaats, waar hij zich toen bevond. Amadis zeide, dat hij niets liever wilde dan zijn geluk te beproeven, en de vader der jonkvrouw, een machtig ridder, stemde erin toe hem te vergezellen op zijn gevaarlijke onderneming. Toen zij bij het Versterkte Eiland aankwamen, zagen zij het paviljoen, waarvan de muren behangen waren met de schilden van hen, die vergeefs getracht hadden, daar binnen te gaan; want ofschoon het verscheidenen gelukt was, onder den boog door te gaan, was nog niemand tot het paviljoen doorgedrongen. En toen Amadis zag, dat zoovele dappere ridders gefaald hadden, ontzonk hem de moed.

Amadis gaat onder den boog door.

Amadis was vergezeld van Agrayes, den zoon van koning Languines van Schotland, en deze besliste, dat zij dadelijk zouden trachten onder den boog door te gaan. Toen hij door de poort trad, deed de trompet, die door het tooverbeeld werd omhoog geheven, zachte klanken hooren, en hij ging het paviljoen binnen. Toen naderde Amadis den overdekten gang, en de trompet blies nog luider en melodieuser dan zij eerst gedaan had. Beide ridders richtten nu hunne schreden naar de afgesloten kamer; zij zagen de plaat van Jaspis, waarop geschreven stond: »Dit is Amadis van Gallië, de ware minnaar, zoon van koning Perion.« Terwijl zij dit lazen, kwam Ardian, de dwerg van Amadis, op hem toeloopen met de mededeeling, dat Galaor en Florestan, zijn broeders, getracht hadden onder den boog door te gaan, maar dat zij van alle kanten door onzichtbare handen waren aangevallen, en nu voor dood waren achtergelaten. Amadis en Agrayes keerden dadelijk op hunne schreden terug en vonden de jonge ridders in een toestand van diepe bezwijming. Terwijl Amadis zijne broeders zoo goed mogelijk hielp, trachtte Agrayes de afgesloten kamer binnen te treden, maar ook hij ontving zulke slagen, dat hij het bewustzijn verloor.

Toen Galaor en Florestan zich eenigszins hersteld hadden van de uitwerking der slagen, die zij van onzichtbare aanvallers ontvangen hadden, vond Amadis, dat hij het aan de eer zijner geliefde verplicht was, de groote onderneming te wagen, en te trachten de gesloten kamer binnen te gaan, waarin nog geen ridder was binnengedrongen. Hij raapte dus al zijn moed bijeen, overschreed den tooverlijn tusschen de zuilen en voelde zich oogenblikkelijk bestookt door de onzichtbare krijgslieden, die zijne metgezellen ook hadden aangegrepen. Hij hoorde een verschrikkelijk geweld van stemmen, alsof alle ridders der geheele wereld tegen hem schreeuwden, en de slagen daalden met verdubbelde kracht en woede op hem neer. Maar de gedachte aan zijn geliefde maakte hem sterk en hij hield stand. Zoo nu en dan kreeg hij stompen tegen de knieën, en éénmaal werd het zwaard hem uit de hand geslagen; maar hij worstelde verder, totdat hij de kamerdeur bereikte, die vanzelf openging, om hem als het ware tot binnentreden te noodigen. Er werd hem een hand toegestoken, die hem naar binnen trok, en een stem riep uit: »Welkom, Gij ridder, die hier heerschen zult, want gij overtreft in dapperheid hem, die deze plaats onder betoovering gebracht heeft, en die in zijn tijd zijn gelijke niet had.« De hand die hem leidde, was groot en hard als die van een ouden man, en de arm was bedekt door een groen satijnen mouw. Zoodra Amadis in de kamer was verdween de hand, en hij gevoelde zijne krachten terugkeeren.

Toen Florestan en Galaor en de geheele bevolking van het eiland hoorden, dat de onderneming eindelijk geslaagd was, stroomden zij naar het paleis, waarvan de betoovering nu verbroken was, en zij bewonderden alle pracht en heerlijkheid ervan. Het was vol van de wonderbaarlijkste schatten en kunstwerken, maar niets was heerlijker te aanschouwen dan de standbeelden van Apolidon en Grymenysa.