Oriana’s wreedheid.
Toen Amadis, na afscheid van Oriana te hebben genomen, Brittanje verlaten had, zond hij zijn dwerg Ardian naar het paleis terug, om de stukken van een zwaard te halen, die hem door een jonkvrouw gegeven waren met de bede den dood te wreken van haar vader, die door de hand van een laffen moordenaar gevallen was. Amadis had als een goed ridder beloofd het gebroken zwaard te bewaren, totdat hij den doode gewroken had. Toen Oriana den dwerg zag, vroeg zij hem naar de reden van zijn terugkomst, en Ardian zeide haar, dat Amadis een jonkvrouw beloofd had, een zeker zwaard altijd te bewaren, en dat hij nu gekomen was, om het te halen. Toen nam hij het zwaard, en liep er vlug mede heen. Oriana maakte een verkeerde gevolgtrekking uit de woorden van den dwerg, en daar zij Amadis verdacht van ontrouw jegens haar, schreef zij hem een wreeden brief, dien zij een page ter hand stelde, met de opdracht, niet terug te keeren, voordat hij Amadis gevonden had. Na een lange reis vond hij Amadis op het Versterkte Eiland, en overhandigde hem den brief.
Toen Amadis de koude en bittere woorden zijner geliefde gelezen had scheen hij waanzinnig van droefheid. De page deelde hem mede, dat Oriana geen antwoord van hem verwachtte. In zijn groote droefheid liet Amadis Ysanjo, den Gouverneur van het eiland bij zich komen, en verzocht hem, als een trouw ridder te zwijgen over alles wat hij zien zou, totdat zijne broeder den volgenden morgen de Mis zou hebben gehoord. Toen beval hij Ysanjo stil de poort van het paleis te openen, zoodat hij ongemerkt zijn paard en zijne wapens zou kunnen krijgen. Vergezeld door den braven Ysanjo, dien hij zeer was gaan achten, begaf hij zich op weg naar een dichtbij gelegen kapel van de Heilige Maagd; daar bad hij innig, dat zij zijn voorspraak zou zijn bij haar Goddelijken Zoon, opdat hij hem genadig zou zijn, want hij gevoelde, dat zijne dagen geteld waren. Daarna nam hij hartelijk afscheid van den Gouverneur, besteeg zijn paard, en reed zonder schild, speer of helm, heen.
Gandalin, de schildknaap van Amadis, en de zoon van den Schotschen ridder Gandales, die bij al deze avonturen zijn meester nooit had verlaten, raadpleegde Durin den page, die den wreeden brief van Oriana naar het Versterkte Eiland gebracht had, en zij besloten, den wanhopigen ridder te volgen, opdat hem geen kwaad zou overkomen. Zij vonden hem spoedig in diepen slaap naast een bron, uitgeput door zijn smart, en zij stoorden zijn slaap niet. Maar bij het vallen van den nacht ontwaakte Amadis, en toen zijn groot leed weer tot hem doordrong, barstte hij uit in droevige klachten over zijn rampzalig lot. De schildknapen verborgen zich, maar Amadis ontdekte Gandalin, en hij was zeer verstoord, dat deze hem gevolgd was. Om hem uit zijn neerslachtigheid op te wekken, vertelde Gandalin hem, dat een ridder, die evenals hijzelf door zijn geliefde verlaten was, in de bosschen rondzwierf, dreigende, dat hij iedereen, die hem in den weg kwam, zou dooden. Amadis wilde niets liever dan sterven en dus sprong hij te paard en begaf zich met Gandalin op weg, om den woedenden wreker te zoeken. Zij ontmoetten den onbekende dan ook spoedig, en Amadis daagde hem in driftige bewoordingen uit. Er volgde een woedend gevecht, waarin Amadis zijn tegenstander tenslotte zulk een hevigen slag toediende, dat deze bewusteloos ter aarde viel. Amadis liet den gewonden ridder over aan de zorgen van Durin en reed verder, nog steeds gevolgd door Gandalin.
Toen Galaor, Florestan en Agrayes hoorden, in welk een wanhopenden toestand Amadis het eiland verlaten had, besloten zij, hem te volgen. Intusschen reed hij doelloos verder, en volgde onder tranen en klachten de paden, waarlangs zijn paard hem voerde. Terwijl de zorgzame Gandalin sliep, ontvluchtte de wanhopige minnaar hem, en trok door de meest verlaten gedeelten van de woeste streek, waarheen hij was afgedwaald. Spoedig kwam hij aan een vlakte aan den voet van een berg, waar hij een kluizenaar ontmoette, wien hij verzocht, bij hem te mogen blijven. De kluizenaar groette hem vriendelijk en Amadis stortte zijn hart bij den goeden grijsaard uit, die hem vertelde, dat hij op een hooge rots woonde, die meer dan zeven mijlen in zee vooruitsprong. En de kluizenaar noemde hem Beltenebro, of »de Schoone Sombere Ridder,« omdat hij even beminnelijk als bedroefd was.
De Kale Rots.
Na verloop van eenigen tijd bereikten zij het strand, en nadat hij zijn paard aan de zeelieden had gegeven, ging Amadis met den kluizenaar aan boord van een schip en voer naar de Kale Rots, zooals de monnik de plaats zijner afzondering noemde. Daar deelde Amadis het leven van ontbering van den kluizenaar, »niet uit godsvrucht, maar uit wanhoop, niet denkende aan zijn roem als krijgsman, en verlangende naar den dood—dit alles om de wreedheid eener vrouw!«
Durin, de page van Oriana, reisde terug naar het Britsche Hof, en vertelde zijn meesteres, hoe Amadis haar brief had ontvangen, en hoe schitterend haar ridder de proef van het Versterkte Eiland had doorstaan. Toen wist Oriana, dat Amadis haar niet ontrouw kon zijn geworden. Toen zij hoorde, dat hij in de woestijn was gegaan om te sterven, kende haar schaamte en angst geen grenzen, en zij schreef haren minnaar een berouwvollen brief, waarmede zij één harer kamervrouwen, die »de Maagd van Denemarken« genoemd werd, en een zuster was van Durin, naar hem toezond.
Nadat zij vertrokken was, kwam de ridder, dien Amadis overwonnen had op den avond van den dag, waarop hij Oriana’s wreeden brief had ontvangen, aan het Britsche Hof, de wapenrusting van Amadis brengende, die hij eenigen tijd na zijn ontmoeting met hem, op den rand van de bron gevonden had. En toen Oriana zijn verhaal had aangehoord, was zij zoozeer overtuigd, dat haar minnaar dood was, dat zij zich diep bedroefd opsloot in hare vertrekken, en niet getroost wilde worden.
Intusschen dichtte Amadis, onder den indruk van zijn groot leed, de volgende versregels:
Vaarwel, o roem! vaarwel, o krijgsmanseer en ridderspel!
Waarom te leven met een smart, oneindig groot?!
Roemvoller is een eed’le heldendood.
De trouwe dood, in zijn barmhartigheid
Zal eens mij brengen de vergetelheid.
Het graf zal van mijn wanhoop mij bevrijden,
Waar liefdeloosheid van een jonkvrouw mij deed lijden,
Die in haar trots niet slechts mijn leven heeft bedorven,
Maar ook den krijgsmansroem, in dapp’ren strijd verworven.
Het gebeurde, dat jonkvrouw Corisande, die Florestan liefhad, bij de Kale Rots landde, en hare maagden hoorden de geschiedenis van Amadis, die haar vertelde, dat hij Beltenebros heette, maar dat het gedicht gemaakt was door een zekeren Amadis, dien hij vroeger gekend had. Toen zij weder aan het Britsche Hof terug waren, zongen de jonge meisjes het lied van Amadis voor Oriana, die toen wist, dat Amadis en Beltenebros dezelfde waren. De »Maagd van Denemarken«, die uitgezonden was, om Amadis te zoeken, werd door stormen overvallen en naar den voet van de Kale Rots gedreven.3 Zij landde met Durin en een dienaar, Enil geheeten, en trof Amadis aan, biddende in een kapel; en toen hij het gelaat van het meisje aanschouwde, bezwijmde hij.
Deze uitbundigheid in de liefde, hoe overdreven die ons ook moge toeschijnen, is teekenend voor de laatste helft van de middeleeuwen. Dat Amadis bezwijmde, alleen reeds door den aanblik van iemand, die zijn geliefde gediend had, schijnt ons belachelijk toe, en dat hij zich voor zijne geheele verdere leven zou terugtrekken op een kale rots, omdat zijn geliefde hem wreed bejegend had, doet menschen van onzen tijd, op zijn minst genomen, eenigszins vreemd aan.
Moet ’k, door liefdesmart geplaagd,
Sterven om een schoone maagd?
Maar wij moeten de opvattingen van het verleden zoo voorzichtig hanteeren als het verkleurde borduurwerk onzer overgrootmoeders, dat in stukken zou vallen, wanneer wij het ruw behandelden. Wanneer wij denken aan de wijze, waarop Dante en Petrarca uiting gaven aan hunne vereering voor de vrouw, en hoe de Hoven der Liefde het werk hebben voortgezet, dat zij begonnen waren, kunnen wij er ons niet over verwonderen, dat mannen, opgevoed in dergelijke opvattingen, en de vereering van de vrouw beschouwende als bijna even belangrijk als de Godsvereering, in staat waren zich over te geven aan zulke hartstochtelijke uitingen van wanhoop, wanneer het voorwerp hunner aanbidding hen griefde of verliet. Daarenboven is door alle eeuwen heen de mannelijke geest uiterst gevoelig geweest voor vrouwelijke ongenade. Zooals wij bv. duidelijk kunnen zien, wanneer wij levensbeschrijvingen lezen van groote mannen, zooals Goethe.
Het genie heeft bijna altijd iets vrouwelijks en is geneigd tot dweepzucht, zooals blijkt uit de Sonnetten van Shakespeare en de verzen van Lovelace, en van vele andere dichters. Het mist het zuivere, nuchtere verstand van den middelmatigen man, en door de combinatie van mannelijke en vrouwelijke eigenschappen, is hij gedoemd, de gevoelens van beide sexen te doorleven.
Maar wanneer deze vereering van de vrouw in het algemeen, en van de besten onder haar in het bijzonder, binnen de grenzen van het normale blijft, moet zij beschouwd worden als één van de groote stuwende krachten der menschheid, iets, dat misschien meer dan iets anders heeft bijgedragen tot de beschaving en den vooruitgang der wereld. En juist in een romantisch werk, dat in ieder geval toch de aangewezen plaats is voor zulke overdreven uitingen, behoort het jongere geslacht met waardeering de teedere schoonheid en de groote bekoring op te merken van een eeredienst, die, al is hij nog niet geheel dood, dan toch zeker stervende is. Ik eisch niet van de moderne jeugd, dat zij deze overdreven uitingen zal meevoelen; maar ik vraag haar een open oog te hebben voor den fijnen geest, de groote ridderlijkheid, en bovenal voor de ingetogenheid en het gevoel van eigenwaarde, die deze uitingen kenmerkten. Het is een verblijdend teeken des tijds, dat de beide sexen elkander beter leeren kennen. Maar wij moeten ons hoeden voor een gemeenzaamheid, die leidt tot een gebrek aan waardeering. Wij moeten nog iets overhouden van de ernst en de schoonheid van den vroegeren omgang tusschen man en vrouw, en niet vervallen tot een gebrek aan goede vormen, waaraan wij in latere jaren ongetwijfeld met een gevoel van ergernis en zelfverwijt zullen terugdenken.
Toen Amadis uit zijn bezwijming ontwaakt was, overhandigde de Maagd van Denemarken hem den brief van Oriana, en smeekte hem, tot haar terug te keeren, opdat zij hem vergiffenis zou kunnen vragen voor het leed dat zij hem had aangedaan. Hij nam dus afscheid van den goeden kluizenaar, en voer met het schip, waarmede de Maagd van Denemarken gekomen was, naar het Versterkte Eiland, waar hij eenigen tijd bleef, want hij was nog te zwak om de lange reis naar Engeland te ondernemen. Maar na verloop van tien dagen nam hij Enil als zijn schildknaap in dienst, en hij begaf zich met Durin en diens zuster op weg naar het Engelsche Hof.
De Berouwvolle Oriana.
Intusschen hadden Galaor, Florestan en Agrayes tevergeefs naar Amadis gezocht, en zij kwamen in een zeer gedrukte stemming te Londen aan. Toen Oriana van hun mislukten tocht hoorde, begaf zij zich naar het kasteel Miraflores, dat eenige mijlen van de stad verwijderd was. In de eenzaamheid der oude tuinen kwam zij tot de overtuiging, dat Amadis nog in leven was, en vol berouw over de wijze, waarop zij hem behandeld had, besloot zij, dat er geen nieuwe schaduw op hun liefde zou vallen. De beschrijving, die de romance geeft van Miraflores is zeer bekoorlijk, en de indruk, dien wij krijgen van Oriana, wandelende in de rustige en schaduwrijke lanen, kan het best worden weergegeven in verzen.
Miraflores, waar ontspringen
Zilvren beekjes, vogels zingen,
En het hoog en statig hout
Slechts een deel schijnt van het woud,
In de stilte uwer lanen,
In de schaduw der platanen
Wacht ik zijn vergiffenis,
Die mijn troost en redding is.
Nu kwam er een heraut tot Koning Lisuarte te Windsor, die hem uitdaagde namens Famongomadan, den reus, Cartadaque, zijn neef, den reus van den Verdedigden Berg, Madanfaboul, den reus van den Vermiljoenen Toren; namens Quadragante, den broeder van Koning Abies van Ierland, en Archelaus den Toovenaar, die zich allen vereenigd hadden tegen Brittanje tot hulp van koning Cildadan van Ierland, die met Lisuarte in vijandschap leefde. De ridder stelde echter een zeer vernederende voorwaarde, waarop de vrede bewaard zou kunnen blijven; hij deelde nl. mede, dat de vijandelijke bondgenooten niet tegen hem zouden optrekken, en bereid waren in hun eigen land te blijven, wanneer Lisuarte erin toestemde, zijn dochter Oriana als dienstmaagd te geven aan Madasima, de dochter van Famongomadan, of als vrouw aan Basagante, zijn zoon. Lisuarte wees deze vredesvoorwaarde echter met rustige waardigheid af.
Amadis had koning Abies lang geleden verslagen, en het was dan ook zucht naar wraak, die deze eigenaardige combinatie tot de oorlogsverklaring had gedreven. Florestan was bij het onderhoud aanwezig, en hij daagde den afgezant der reuzen uit tot een tweegevecht. De ridder, Landin geheeten, beloofde met hen te zullen strijden, wanneer de oorlog een uitgemaakte zaak zou zijn, en zij wisselden dus den handschoen.
Toen de ridder vertrokken was, riep Lisuarte zijn dochtertje Leonora met hare speelgenootjes tot zich, om voor hem te dansen, iets, wat hij niet meer gedaan had sedert het bericht van de verdwijning van Amadis. En hij vroeg haar een lied te zingen, dat Amadis eens in scherts voor haar gemaakt had. Het kind en hare makkertjes zongen dus het volgende liedje:
Leonora, scheppings roem!
Witte, smettelooze bloem,
Rein als de dauw in een voorjaarsmorgen,
Waarom in lentetijd
Geurt gij in eenzaamheid,
Stil in uw schaduw van eenvoud verborgen?
Wilt gij, o bloesem rein,
Dan niet de mijne zijn,
Dat ik u koesteren kan en dragen.
Geef dan uw zoeten geur,
Bloei dan in teere kleur,
Als lieve troost in mijn droeve dagen.
Gandalin reisde naar Miraflores om Oriana mede te deelen, dat Corisande aan het Hof was teruggekeerd, en dat zij met Florestan gelukkig hereenigd was. Zij was verrukt over dit bericht, maar kon toch niet nalaten het geluk der gelieven te vergelijken met haar eigen droevig lot, en zij barstte in tranen uit. Maar juist op dit oogenblik trad de Maagd van Denemarken binnen. Oriana luisterde met kloppend hart naar het bericht, dat zij bracht, en toen de jonkvrouw haar den brief van Amadis met diens ring overhandigde, bezwijmde zij bijna van vreugde.
Amadis vertoefde in een afgelegen klooster, waar hij herstellende was van de gevolgen van het groote en langdurige leed, dat hij doorstaan had. Toen hij weer aangesterkt was, stak hij zich in een groene wapenrusting, opdat hij niet herkend zou worden, en begaf zich op weg naar Londen. Op den achtsten dag van zijn reis ontmoette hij een ridder, den reus Quadragante, één van de verbonden vijanden van Koning Lisuarte. Amadis wierp den geweldigen strijder uit het zadel, en dwong hem, zich gewonnen te geven, en zich te onderwerpen aan Lisuarte.
Amadis verslaat Famongomadan.
Amadis vervolgde zijn weg en kwam bij eenige tenten, die in een weiland waren opgeslagen, en bewoond werden door een gezelschap van ridders en jonkvrouwen, die in dienst waren van prinses Leonora. De ridders drongen er op aan, dat hij een lans met hen zou breken. Hij wierp hen allen uit het zadel, en vervolgde zijn weg. Terwijl hij zich eenige mijlen verder aan een bron verkwikte, viel zijn oog op een wagen, vol geladen met ridders en maagden, die geketend waren. Gezeten op een groot, zwart paard, reed een geweldige reus voor den wagen uit, vreeselijk om aan te zien, en Amadis herkende hem als Famongomadan, die den ridder gezonden had om Lisuarte uit te dagen. Amadis was zeer vermoeid door het gevecht met de ridders, en hij gevoelde dus weinig lust, hem op dit oogenblik te ontmoeten, maar toen hij zag, dat Leonora en hare maagden ook in den wagen waren, sprong hij op zijn paard, en met den blik gericht op Miraflores, waar Oriana was, wachtte hij den aanval van den reus af.
Toen Famongomadan hem zag, overrompelde hij hem als een menschelijke lawine; zijn groote speer doorboorde het paard van Amadis, maar de ridder stak zijn lans dwars door de ribbekast van het monster, en het wapen brak in het lichaam af. Toen zijn zoon Basagante dit zag, snelde hij te hulp, maar Amadis werkte zich onder zijn gevallen paard vandaan, trok zijn zwaard, en hieuw één der beenen van zijn tegenstander af. Maar zijn zwaard sprong in stukken door de kracht van den slag, en er volgde een verwoed gevecht om de strijdbijl van Basagante, maar Amadis ontrukte zijn vijand de bijl en sloeg hem het hoofd af. Daarna doodde hij Famongomadan met diens eigen speer, bevrijdde de ridders uit hunne ketenen, en verzocht hen de lijken der verslagen reuzen naar Koning Lisuarte te brengen, met de mededeeling, dat zij gezonden waren door een onbekenden ridder, Beltenebros genaamd. Toen besteeg hij het groote, zwarte paard van Famongomadan, en draafde weg.
Eindelijk kwam Amadis in Miraflores aan, waar hij Oriana aantrof, en zij waren zielsgelukkig in hun liefde. Acht dagen bleef hij bij zijn geliefde in het kasteel; toen vertrok hij, om Lisuarte bij te staan in zijn strijd tegen Cildadan van Ierland, die, zooals wij gezien hebben, den Koning de heerschappij betwistte. Cildadan en zijne bondgenooten de reuzen, werden overwonnen, en de Iersche Koning werd daarenboven ernstig door Amadis verwond.
Eenigen tijd daarna bezocht Briolania, de jonkvrouw, die Amadis het gebroken zwaard had gegeven, Oriana, en vertelde haar, dat zij verliefd was op Amadis, maar dat hij haar gezegd had, dat hij haar niet liefhad. Deze mededeeling vermaakte Oriana zeer. En het geheele Hof wist nu, dat Beltenebros en Amadis dezelfde waren, en men was zeer verwonderd over de macht van dien éénen arm.
Maar Amadis, die wist, dat een avontuurlijk leven de bestemming en het lot van den ridder waren, wenschte weer weg te trekken, en bij hem voegden zich tien ridders, vrienden en verwanten. Lisuarte was hierover zeer verstoord, want naijverige hovelingen stookten den Koning tegen Amadis op, zeggende, dat hij de beste en dapperste ridders op deze wijze van het Hof verwijderde.
Intusschen had Briolania zich naar het Versterkte Eiland begeven, waar zij zeer verontrust werd door onheilspellende voorteekenen. Zij slaagde er in, onder den Boog der Trouwe Minnaars door te gaan, maar toen zij trachtte, de verboden kamer binnen te treden, werd zij met geweld teruggedrongen, en bedroefd keerde zij naar haar eigen land terug. Korten tijd daarna kwam Amadis op het eiland aan, tot groote vreugde van alle bewoners.
Dan volgt in het gedicht een en ander over de ligging en de geaardheid van het Versterkte Eiland, dat negen mijlen lang en zeven mijlen breed was, en dicht bedekt met dorpen en prachtige woonhuizen. Apolidon had zelf vier kostbare paleizen op het eiland gebouwd; één ervan heette Het Paleis van de Slang en de Leeuwen; het tweede was Het Kasteel van het Hert en de Honden. Het derde heette Het Draaiende Paleis, want driemaal daags en drie keer per nacht draaide het met groote snelheid rond, zoodat zij, die zich binnen de muren bevonden, dachten, dat het verbrijzeld zou worden. Het vierde was Het Paleis van den Stier, want elken dag stormde een wilde stier uit een overdekte laan te voorschijn, en wierp zich tusschen de menschen, alsof hij ze wilde dooden. Dan holde hij een toren binnen en kwam weer te voorschijn met een ouden aap op den rug, die hem door harde slagen weer naar zijn verborgen verblijf terug joeg.
Er kwam bericht op het eiland, dat Gromadaza van het Kokende Meer, de vrouw van Famongomadan, den oorlog had verklaard aan Lisuarte; maar deze had hierop geantwoord met de bedreiging, hare dochter Madasima en andere Maagden van het geslacht der reuzen te laten onthoofden, wanneer zij hem hare kasteelen niet overgaf, en geen afstand deed van haar koninkrijk. Amadis en zijne ridders keurden het in Lisuarte af, dat hij tegenover vrouwen zulke maatregelen nam, en twaalf hunner trokken naar het land der reuzen, om de bedreigde vrouwen te beschermen. Natuurlijk gaf deze daad aan het Hof van Lisuarte voedsel aan de kuiperijen tegen Amadis, dien men ten val wilde brengen. Maar Lisuarte was een veel te hoogstaand mensch, om zich daardoor te laten beïnvloeden, en bij de komst der ridders stelde hij de jonkvrouwen in vrijheid.
Amadis twist met Lisuarte.
Maar het noodlot en de inblazingen van kwaadwillige menschen zijn dikwijls sterker dan de goedheid van koningen. De raadslieden van Lisuarte overreedden hem tot het beleg van de laatste vesting der reuzen, het Eiland Mongaza, dat slechts door vrouwen verdedigd werd. Amadis en zijne ridders beschouwden deze onderneming als een onridderlijke daad, en toen dit oordeel Lisuarte werd medegedeeld, ontstak hij in toorn, en zond een oorlogsverklaring aan Amadis op het Versterkte Eiland. Amadis antwoordde, dat, aangezien Madasima, de dochter van Famongomadan, gehuwd was met Galvanes, een vriend zoowel van Lisuarte als van hemzelf, het eiland niet meer bewoond werd door vijanden van Lisuarte, en dat hij het dus met alle macht verdedigen zou. En zoo scheepte hij zich dus in naar het eiland, met een groot en goed uitgerust leger. Daar vonden zij een garnizoen, dat in naam van Lisuarte de heerschappij had opgeëischt; het gelukte hun deze overweldigers spoedig te verdrijven.
Amadis liet een flinke strijdmacht op het eiland achter, en vertrok zoo spoedig mogelijk naar Gallië, omdat hij zich ongerust maakte over Oriana. Toen hij met zijn schip een haven binnenliep om levensmiddelen op te doen, was hij in de gelegenheid zijn broeder Galaor en Koning Cildadan te verlossen uit de macht van een reus, die hen in een hinderlaag gelokt had. Bij zijn terugkomst in Gallië begroette Amadis zijne ouders, die hij in verscheidene jaren niet gezien had. Intusschen was Lisuarte op het eiland Mongaza geland, waar hij het leger van Galvanes, den rechtmatigen vorst, versloeg; maar hij betoonde zich edelmoedig tegenover zijne overwonnen vijanden, en stelde zich tevreden met de openlijke onderwerping van Galvanes en zijn vrouw Madasima.
Nu leidde Amadis eenigen tijd een leven van ontspanning: hij jaagde, vierde feest, en was tevreden met de goede berichten, die hij van zijn geliefde kreeg. Door dit leven van werkeloosheid verloor hij den roep van groote dapperheid, ofschoon de onbevooroordeelde lezer misschien zou vinden, dat hij genoeg roem had geoogst om gedurende zijn verder leven op te kunnen teren. »Jonkvrouwen, die een beleediging, haar aangedaan, door hem gewroken wilden zien, vervloekten hem, omdat hij in de beste jaren van zijn leven de wapenen ontrouw geworden was.«
Maar Amadis had zijne goede redenen om zoo te handelen; want een brief van Oriana had hem in kennis gesteld met het feit, dat zij hem een zoontje geschonken had, en zij smeekte hem, Gallië niet te verlaten, voordat hij nader van haar gehoord had. Zij berichtte hem niet, dat het kind verdwenen was, maar hierover zullen wij later meer hooren. Na eenigen tijd schreef Oriana hem, dat zij hem verzocht, niet de wapenen tegen haar vader te voeren, en Gallië slechts dan te verlaten, wanneer hij zich aan de zijde van Lisuarte schaarde. Amadis besloot dus Lisuarte bij te staan tegen den Koning der Eilanden, met wien hij in oorlog gewikkeld was, en die zijn Koninkrijk was binnengevallen.
De Maagd van Denemarken had het zoontje van Amadis en Oriana des nachts door een donker woud weggevoerd, om hare meesteres voor schande te bewaren. Toen zij het kind een oogenblik verlaten had, was een leeuwin er mee weggeloopen, die het bij een kluizenaar gebracht had, Nasciano geheeten; deze had het kind Esplandian genoemd, en het met zijn eigen neefje opgevoed als jager; en het opmerkelijke bij dezen jongen was, dat een leeuwin hem overal met groote liefde volgde, zoowel in huis als op de jacht.
Intusschen had Amadis, die zich de »Ridder met het Groene Zwaard« noemde, besloten, het leven van werkeloosheid, dat hij den laatsten tijd geleid had, op te geven. Hij nam Ardian, den dwerg, met zich mede, en begaf zich naar Duitschland, waar hij gedurende vier jaren een avontuurlijk leven leidde, zonder eenig bericht van Oriana te ontvangen. Daarna vertrok hij naar Bohemen, waar hij eenigen tijd aan het Hof vertoefde.
Op zekeren dag ging Koning Lisuarte met de Koningin en zijne dochters op de jacht, en kwam bij den berg, waar de kluizenaar Nasciano woonde; daar ontmoette hij Esplandian, en hij besloot den knaap tot zich te nemen. De kluizenaar toonde hem een brief, die aan Esplandians hals gebonden was, toen Nasciano hem vond, en die door Urganda geschreven was. De brief was bestemd voor Koning Lisuarte zelf, en bevatte den raad, den jongen met liefde te behandelen, daar hij hem eenmaal uit een groot gevaar zou verlossen. Lisuarte besloot dus, Esplandian en zijn pleegbroeder Sargil als zijne schildknapen aan te nemen, en toen de kluizenaar hem vertelde, dat het kind door een leeuwin bij hem gebracht was, begreep Oriana, dat het haar zoon moest zijn; want men had haar gezegd, dat de kleine jongen op den drempel van het klooster was neergelegd, en dat een wild beest hem had weggevoerd.
Bij één zijner vele gevaarlijke en wonderbaarlijke avonturen, was Amadis ernstig gewond door een monster, dat hij verslagen had, en hij werd toen verpleegd door een jonkvrouw, Grasinda geheeten, die hij, uit dankbaarheid voor hare vriendelijkheid en hulp, beloofd had, op haar verlangen elk avontuur te zullen ondernemen. Ongeveer in denzelfden tijd besloot El Patin, de Keizer van Rome, aanzoek te doen om de hand van Oriana. Toen Koningin Sardamira van Sardinië, die El Patin lief had, dit hoorde, reisde zij in gezelschap van de afgezanten van den Romeinschen Keizer naar Brittanje, waar zij Oriana ontmoette, wie zij bericht bracht over Amadis en wie zij vertelde, hoe hij eenmaal El Patin in een hevigen strijd had overwonnen, en hoe de Keizer hem dus een doodelijken haat toedroeg. Galaor, die vermoedde, dat Amadis en Oriana elkander lief hadden, ging naar Lisuarte, en gaf hem den ernstigen raad, niet zijne toestemming te geven tot een huwelijk tusschen zijn dochter en den Keizer; daarna reisde hij naar Gallië, in de hoop, daar eenig bericht over Amadis te krijgen. Tegelijkertijd begaf Florestan zich naar het Versterkte Eiland, om Agrayes in te lichten over de moeilijkheden, waarin Oriana zich bevond, en hem tevens bericht te brengen van zijne geliefde Mabilia, die zeer naar hem verlangde.
De »Grieksche Ridder.«
Maar het noodlot wilde, dat juist op dit tijdstip Amadis, die zich nu den »Griekschen Ridder« noemde, met jonkvrouw Grasinda in Brittanje aankwam. Hij wenschte incognito te blijven, en gaf daarom het strenge bevel, dat zijn gevolg zijn naam niet mocht openbaren. Toen hij hoorde, dat Oriana op het punt stond te worden uitgehuwelijkt aan den Keizer, besloot hij, zijne maatregelen te nemen. Grasinda echter, gedachtig aan zijn belofte, zich terwille van haar in elk avontuur te zullen begeven, dat zij voor hem zou uitkiezen, zond een brief aan koning Lisuarte, met de mededeeling, dat zij zichzelf schooner achtte dan welke jonkvrouw dan ook van zijn Hof, en dat, wanneer een ridder van een ander oordeel mocht zijn, hij zou moeten strijden met haar kampioen, den Griekschen Ridder. De Romeinsche afgezanten vroegen Lisuarte op deze uitdaging te mogen ingaan, en dit werd hun toegestaan.
Er volgde dan ook een hevig gevecht tusschen Amadis en de Romeinsche ridders, welke laatsten een volkomen nederlaag leden. Maar de dag brak aan, waarop Lisuarte volgens afspraak Oriana naar den Keizer zenden moest, en ofschoon zij bezwijmde bij de gedachte, naar Rome te worden gevoerd, bracht haar vader haar aan boord van het schip, nam hartelijk afscheid van haar en staarde de Romeinsche galei na, die zijn dochter wegvoerde van het witte strand van Brittanje.
Zoodra Amadis van de plannen van den Koning gehoord had, begaf hij zich aan boord van zijn eigen schip, en wachtte de komst af van het Romeinsche vaartuig, dat zijn aangebedene wegvoerde. Hij viel de Italiaansche galei met woede aan, overrompelde de opvarenden, bevrijdde Oriana en zeilde oogenblikkelijk met haar naar het gouden strand van het Versterkte Eiland.
Na een reis van zeven dagen liep het schip van Amadis de haven van het Versterkte Eiland binnen. Intusschen was jonkvrouw Grasinda daar aangekomen en trad naar voren, om Oriana te verwelkomen, die zij zoozeer wenschte te leeren kennen, omdat haar roem over de geheele wereld verspreid was. En toen zij Oriana aanschouwde, »kon zij niet gelooven, dat eenig sterfelijk wezen zóó verblindend schoon kon zijn.«
Oriana en de andere jonkvrouwen werden ondergebracht in een toren van het paleis, dat de toovenaar Apolidon geschapen had, en op haar verzoek mocht geen ridder dezen toren binnentreden, totdat haar vader haar weder in genade had aangenomen. Amadis begreep zeer goed, dat de ontvoering van Oriana ernstige gevolgen zou hebben, en hij zond dus afgezanten naar zijne vele vrienden over de geheele wereld, met het verzoek hem, zoo noodig, tegen Lisuarte en den Keizer te willen bijstaan.
De trotsche Ridderschap.
De twist, die tusschen zijn beide oude tegenstanders Amadis en Koning Lisuarte gerezen was, bood den sluwen Archelaus een kans, die hij niet ongebruikt wilde laten voorbijgaan. Daarom riep hij verscheidene andere onruststokers te zamen en stelde hun voor, wanneer de oorlog uitbrak tusschen Amadis en den Britschen Koning, zich met hun strijdmacht te verbergen in de nabijheid van het slagveld, en wanneer één der strijdende partijen de overwinning behaald had, zouden zij de overblijfselen van beide legers aanvallen en hen op deze wijze verdelgen. Dit onwaardige plan van den toovenaar vond grooten bijval bij de ontevreden vorsten en kleinzielige koningen, en zij besloten, het ten uitvoer te brengen.
Oorlog met Lisuarte.
Intusschen had Amadis een deputatie naar het Hof van Lisuarte gezonden, om hem de hand zijner dochter Oriana te vragen. Maar de koppige oude Koning wees het aanzoek driftig af en zond hem een oorlogsverklaring. El Patin, de Keizer van Rome, was nu ook in Brittanje aangekomen, en maakte zich gereed tot den strijd met Amadis. Spoedig had hij een groot leger gevormd, en hiermede trok hij op, om de troepen van Amadis te vinden, die zonder tijd te verliezen, een uitval had gedaan in Brittanje, en nu voorwaarts trok, om de strijdmacht van Lisuarte en den Keizer te ontmoeten.
De vrienden van Amadis hadden hem niet in den steek gelaten. In de eerste plaats was zijn vader, Koning Perion, hem ter hulp gesneld met de geheele troepenmacht van Gallië. Ierland had een groot contingent geleverd, en zijne oude vrienden, de Koning van Boheme en de Keizer van Konstantinopel hadden hem goed uitgeruste legioenen gezonden, die alle onder de bekwame leiding van Koning Perion stonden. Daarenboven werd het leger begeleid door Oriana, Grasinda en de andere jonkvrouwen en prinsessen, die naar het Versterkte Eiland waren gekomen, en hare tegenwoordigheid spoorde de ridders aan tot daden van grooten moed. De toovenaar Archelaus en zijne bondgenooten volgden als een schaduw de troepen van Lisuarte, in de hoop hem te kunnen overvallen, wanneer zij teruggeslagen werden.
Eindelijk kregen de legers elkander in het oog. De plaats van samentreffen was een groote vlakte, en mijlen ver zag men niets dan schitterende wapenrustingen en kleurige kleederdrachten, wuivende vederbossen en banieren, en het geheele grootsche vertoon, dat de ridderschap kenmerkte. Twee volle dagen hielden de vijandelijke legers elkander in het oog zonder voorwaarts te gaan; toen maakten zij aanstalten tot den aanval met zulk een geweld van trommels en cymbalen, trompetten en klaroenen, dat het mijlen in het rond werd gehoord. Zij vielen met donderend geweld op elkander aan, en het gekletter der zwaarden op de wapenrustingen was gelijk aan het geraas van duizend hamers op even zoovele aambeelden.
Aan het hoofd van het leger reed Amadis. Op een uitdaging van Gasquilan, den trotschen Koning van Zweden, viel hij hem aan, en wierp hem met zulk een kracht uit het zadel, dat hij voor dood bleef liggen; maar door den schok viel Amadis van zijn paard. Quadragante, die zich in zijn nabijheid bevond, lichtte een Romeinschen ridder uit het zadel, en gaf diens strijdros aan den held, die, gevolgd door Gandelin en andere paladijnen, een krachtigen aanval deed op de flank van het Romeinsche leger. Intusschen hield Quadragante geweldig huis aan het vijandelijke front, en slechts weinigen onder zijne tegenstanders, konden zijn reuzenkracht weerstaan.
De Romeinsche troepen begonnen achteruit te wijken, maar op hetzelfde oogenblik kwam de Keizer met een versterking van vijfduizend man aangerukt. Hij leidde zelf den aanval, roepende: »Rome! Rome!« en hij zwaaide een reusachtig zwaard. Hij stuitte echter op Quadragante, die hem zulk een vreeselijken stomp toediende, dat hij terug moest wijken om bescherming te zoeken bij zijn eigen soldaten.
Amadis was echter omringd door zijne dapperste paladijnen, en verrichtte zulke wonderen van moed, dat zijne vrienden zoowel als vijanden verbaasd waren over zijne heldendaden. De Romeinen begonnen terug te wijken voor de vreeselijke slagen, die hij naar alle kanten uitdeelde, en ten slotte verbraken zij de gelederen en vluchtten. Hij was echter zóó uitgeput door den hardnekkigen strijd, dat hij ervan afzag, zijne overwonnen vijanden te vervolgen, ook al, omdat het leger van Lisuarte nog niet in het veld was geweest, zoodat hij het beter oordeelde, de krachten zijner soldaten te sparen voor de ontmoeting met Lisuartes troepen.
Den volgenden dag voerde Koning Lisuarte zijn leger aan, en nu bracht Koning Perion zijne troepen, die tot nog toe in de achterhoede waren gebleven, in het veld; de strijd had echter nog niet lang geduurd, toen Amadis den Romeinschen Keizer ontmoette, dien hij afmaakte met zulk een slag, als hij nog nooit iemand had toegediend. Bij den aanblik van hun verslagen leider, begonnen de Romeinen en Britten te vluchten, en toen Lisuarte dit zag, trachtte hij zijne troepen in goede orde terug te trekken. Maar Amadis merkte deze pogingen op, en daar hij vreesde voor de persoonlijke veiligheid van Lisuarte, maakte hij gebruik van de invallende duisternis, en riep ook zijn eigen strijdmacht terug, inplaats van den Koning te vervolgen; en zoo werd dezen de gelegenheid gegeven voor een ordelijke terugtocht.
Toen de vrome kluizenaar Nasciano hoorde van de groote oneenigheid tusschen de koningen, besloot hij alles in het werk te stellen, om verderen strijd te voortkomen; en ofschoon hij oud en gebrekkig was, slaagde hij erin, het kamp van Koning Lisuarte te bereiken. De beide veldslagen, die wij juist beschreven hebben, waren echter reeds geleverd. Hij maakte zich bij den Koning bekend, en openbaarde hem dat Oriana een geheim huwelijk had gesloten met Amadis, en dat Esplandian hun zoon was. Bij het hooren van dit bericht was de Koning diep bedroefd, en hij keurde het stilzwijgen der gelieven ten zeerste af, terecht opmerkende, dat vele kostbare levens gespaard zouden zijn gebleven, wanneer zij hem hun vertrouwen hadden geschonken. Hij verzocht den kluizenaar de vredesonderhandelingen te leiden; de goede monnik was gaarne hiertoe bereid, en vergezeld door Esplandian, begaf hij zich naar het kamp van Amadis, waar hij op hoffelijke wijze ontvangen werd. De kluizenaar openbaarde eerst de identiteit van Esplandian aan den vader van den jongen, en Amadis omhelsde zijn zoon hartelijk. Maar de monnik vergat zijn vredelievende zending niet, en voordat hij Amadis verliet, had hij alle moeilijkheden tusschen hem en den ouden trotschen Koning uit den weg geruimd, en er was besloten dat hunne vertegenwoordigers te zamen zouden komen on een duurzamen vrede te sluiten.
Het verraad van Archelaus.
De wraakzuchtige toovenaar Archelaus en zijn ontevreden bondgenooten hadden in groote spanning den gang van zaken gevolgd, en toen hunne spionnen hun mededeelden, dat de vijandelijkheden tusschen Lisuarte en Amadis geëindigd waren, besloten zij, het leger van den ouden Koning onverwijld aan te vallen. Maar Esplandian was getuige van den opmarsch hunner troepen, toen hij op weg was naar Lisuartes hoofdkwartier, en hij reisde oogenblikkelijk terug naar Amadis, om hem te waarschuwen, dat er onraad dreigde. Bij dit bericht begaven Amadis en Koning Perion zich dadelijk op weg, om de uitgeputte troepen van Lisuarte bij te staan. Maar voordat Amadis en zijne ridders het leger van Archelaus konden aanvallen, waren Lisuarte en de weinige troepen, die hem gebleven waren, reeds overrompeld door de strijdmacht van den toovenaar en zijne bondgenooten, die hem een geweldigen nederlaag bezorgd hadden. De oude Koning was genoodzaakt, zoo goed mogelijk een heenkomen te zoeken, en hij vluchtte naar een naburige stad, waar hij zich gereed maakte tot een laatste wanhopige verdediging tegen zijn meedoogenlooze vijanden. De stad werd hevig bestookt door Archelaus, maar werd niet minder krachtig verdedigd door Lisuarte en de ridders, die hem gevolgd waren. Maar toen de toovenaar op het punt stond de stad stormenderhand te nemen, verschenen Amadis en zijne paladijnen, die hem na een bloedig gevecht verjoegen. Archelaus en zijne bondgenooten werden in boeien geslagen, maar werden, zeer onvoorzichtig, weer in vrijheid gesteld, nadat zij beloofd hadden, zich in de toekomst van elke vijandelijkheid te onthouden.
De ontmoeting tusschen Amadis en Lisuarte was buitengewoon hartelijk, en het bleek duidelijk, dat hunne oude vriendschap spoedig weer geheel hersteld zou zijn. Lisuarte riep zijne baronnen en edelen te zamen, en toen zij allen aanwezig waren, deelde hij hun plechtig de verloving van Amadis en Oriana mede.
Eenige dagen daarna reisde het geheele gezelschap, waaronder Lisuarte, Perion en hunne Koninginnen, Florestan, Galaor, Agrayes en vele anderen, naar het Versterkte Eiland, waar het huwelijk van Amadis en Oriana met groote praal zou worden voltrokken. Bij hun aankomst op de betooverde plaats, werden er vorstelijke voorbereidingen getroffen voor de plechtigheid, want niet alleen zouden Oriana en Amadis in het huwelijk treden, maar velen hunner vrienden zouden tegelijkertijd in den echt worden verbonden. Temidden dezer voorbereidingen verscheen de goede fee Urganda, gezeten op den rug van een grooten draak, en allen, over wier geluk zij met zooveel zorg gewaakt had, heetten haar met groote hartelijkheid welkom.
Het huwelijk van Amadis en Oriana.
Toen alles gereed was en de huwelijksdag eindelijk was aangebroken, besteeg een schitterend gezelschap hunne paarden, en reed naar de kerk, waar de kluizenaar Nasciano de mis zou bedienen. Na de plechtigheid verzocht Amadis den Koning, vóórdat de feestelijkheden een aanvang zouden nemen, Oriana toe te staan, de proef af te leggen van den Boog der Trouwe Minnaars, daar de betoovering nog van kracht was, waar het jonkvrouwen betrof. De Koning gaf hiervoor zijn toestemming. Toen Oriana naderde, hief het beeld zijn trompet omhoog, en blies zulk een welluidende wijs, als nog nooit op het Eiland gehoord was, en uit den mond der trompet vielen rozen en andere bloemen in zulk een menigte, dat de grond eronder bedolven werd. Zonder een enkele aarzeling trad Oriana op de verboden kamer toe. Toen zij tusschen de zuilen doorging, voelde zij onzichtbare handen, die haar met kracht tegenhielden, en drie keer werd zij teruggeduwd. Maar door haar onovertroffen trouw en schoonheid gelukte het haar toch, ondanks alle tegenwerking, het betooverde portaal te doorschrijden, waar de hand, die Amadis had binnengeleid, ook naar haar uitgestoken werd. Toen betrad zij de kamer, terwijl de stemmen van onzichtbare zangers teedere liederen zongen, ter verheerlijking harer schoonheid en standvastigheid.
Nu betrad het geheele gezelschap, dat getuige was geweest van dit laatste wonder, de kamer, waar het feestmaal werd aangericht. De langdurige beproeving van Amadis en Oriana was voorbij, en nu zij ten slotte met elkander en hun zoon Esplandian vereenigd waren, gingen zij een toekomst van het hoogste geluk tegemoet, zooals die slechts ten deel valt aan stervelingen in oude romances.
Zoo eindigt dan dit oude heldengedicht, waarin vroegere gewoonten en opvattingen beschreven worden, die zóózeer verschillen van de hedendaagsche, dat zij ons slechts bestaanbaar toeschijnen op een andere planeet. De gedragingen der ridders en jonkvrouwen zijn wellicht eenigszins overdreven; hoe onzinnig een belofte ook was, hoe fantastisch de omstandigheden ook waren, waaronder die belofte was afgedwongen, zij werd toch als bindend beschouwd; en al bewonderen wij den romantischen geest van zulk een wetboek, wij kunnen toch niet nalaten te glimlachen over den ernst, waarmede gebaarde ridders en machtige koningen weken voor de kinderachtige praktijken van toovenaars, om wier listen en lagen elke hedendaagsche schooljongen lachen zou. Niettemin krijgen wij bij het lezen dezer geschiedenis een sterken indruk van den eenvoud en de eerlijkheid van het streven der schrijvers.
Ik moet den lezer, die mij gevolgd heeft langs de paden van deze betooverende romance, vergeving vragen voor het weglaten van menig bekoorlijk en treffend gedeelte; ik had mij echter tot taak gesteld, de groote lijn van het verhaal te volgen, de voornaamste gebeurtenissen te beschrijven, en mij slechts te bepalen tot het boeken van de wederwaardigheden en daden der hoofdpersonen, om den lezer een algemeenen indruk te geven. Het zou mij gemakkelijk zijn gevallen, de schoonheid en leesbaarheid van mijn verhaal te verhoogen, wanneer ik mij ertoe bepaald had, afzonderlijke avonturen te beschrijven, en slechts een relaas te geven van de meest treffende gebeurtenissen, waarvan de romance overvloeit. Maar het was, zooals ik reeds zeide, mijn bedoeling, den lezers, wier tijd te beperkt is, om den oorspronkelijken tekst te bestudeeren, een verkort verhaal van den geheelen inhoud te geven. Tevens heb ik ernaar gestreefd, den geest der romance te behouden, en wanneer mij dit niet gelukt is, moet dit ten deele worden geweten aan de omstandigheid, dat het geen gemakkelijke taak is, deze uitgebreide stof te verwerken in een beknopten vorm. Terecht zegt hij, die ons Amadis in dichtvorm gaf:
Wilde ik beschrijven, al wat op dit feest men zag,
Dan moest ik spreken heel een langen zomerdag.
’k Vertel niet, wie in ’t steekspel brak zoo menig lans,
Wie ’t meeste uitblonk in den zang of bij den dans.
Wie in het spreekgestoelt’ heeft naar den prijs gedongen,
En wie het schoonst den lof der liefde heeft bezongen.4