WeRead Powered by ReaderPub
Legenden en Romances van Spanje cover

Legenden en Romances van Spanje

Chapter 71: Agesilan van Colchos.
Open in WeRead

About This Book

De tekst geeft een overzicht van de Spaanse romantische literatuur, waarbij bronnen en vormen worden behandeld, van cantares de gesta en het Poema del Cid tot ridderromans als Amadis de Gaula en de Palmerin-cycli. Hij analyseert regionale varianten, waaronder Catalaanse stukken, Moorse beïnvloede vertellingen en middeleeuwse balladen, en bevat vertalingen van representatieve romances en balladen. De auteur bespreekt oorsprongsvraagstukken, de wisselwerking tussen historische gebeurtenissen en folkloristische elementen en debatten over Moorse invloed op de romanceros. Latere hoofdstukken verzamelen verhalen over hekserij en toverij, magische motieven en humoristische volksromances, ondersteund door aantekeningen over taal, structuur en muzikaal-poëtische context.

Hoofdstuk IV: De vervolgboeken van »Amadis de Galliër«.

»Al staan de vervolgboeken van Amadis niet op de hoogte van het oorspronkelijke gedicht, toch zijn zij, als uiting van den tijd, waarin zij geschreven zijn, van genoeg belang on een korten inhoud van de geheele serie hier weer te geven.«

Southey.

Bij het behandelen van de letterkunde van het Pyreneesche Schiereiland, een taak, waarvoor hij zoo bij uitstek berekend was, volgde Southey het instinct van zijn onderscheidingsvermogen, dat hem zelden bedroog. Al mogen wij niet ontkennen, dat sommige dezer »vervolgboeken« van Amadis zeer zwak zijn, toch kunnen wij niet nalaten er onze aandacht aan te schenken, al ware het slechts ter wille van hun beteekenis als letterkundig verschijnsel. In deze verdichte verhalen was de fantasie, die zoo welig gebloeid had in Amadis, dikwijls zóózeer overdreven, dat deze voortbrengselen van den geest, in de snelheid waarmede zij verwelkten en verloren gingen, deden denken aan de bloembladeren, die uit een stervende roos vallen.

Het eerste dezer vervolgboeken, dat Het Vijfde Boek van Amadis heet, is meer algemeen bekend onder den naam van Esplandian, daar het voornamelijk handelt over de avonturen van dezen held.

Cervantes is misschien iets te hard in zijn oordeel over deze romance, wanneer hij zijn critischen monnik ervan laat zeggen: »Inderdaad mag de deugd van den vader geen verontschuldiging zijn voor het ontbreken dezer deugd bij den zoon. Hier, mijn beste huishoudster, open het raam, en smijt dit boek op het erf; laat het het eerste stuk van den hoop rommel zijn, dien wij straks in brand zullen steken«.

De eerste uitgave van Esplandian verscheen in 1542 te Sevilla. Het grootste gedeelte hiervan schijnt te zijn gemaakt door Montalva, den oorspronkelijken vertaler van Amadis. Maar waar hij bij het neerschrijven van dit werk slechts den rol van vertaler vervulde, daar trad hij bij de bewerking van Esplandian ook als schrijver op, en het blijkt uit alles, dat zijn krachten op dit gebied volkomen te kort schoten. Het is echter ook weer overdreven, in Esplandian niets dan een minderwaardig product te zien, en ik verdenk meer dan één dezer strenge critici ervan, den origineelen tekst niet te hebben gelezen, of het ongunstig oordeel van Cervantes na te spreken. Het is bekend, dat verscheidene Engelsche critici zich gerechtigd gevoelen, een werk, geschreven in het Spaansch, te beoordeelen, terwijl zij slechts oppervlakkig met deze taal op de hoogte zijn, en dat onder vele letterkundigen het wanbegrip heerscht, dat, wanneer men Latijn en Fransch kent, men slechts een beetje Castiliaansch behoeft te lezen, om ook deze taal spoedig volkomen machtig te zijn.

Esplandian bezit vele schoonheden, en de mengeling van tooverkunst en beminnelijken eenvoud maakt het tot een bekoorlijk en stemmingsvol geheel. Waar vinden wij daarenboven een sprekender voorbeeld van een goede uiting van romantische overdrijving? Want Esplandian bezit, zonder te vervallen in de grovere gebreken der andere vervolgboeken, de rijke en kleurige verbeeldingskracht, die het geboorterecht is van alle ware dichters die er echter niet allen in slagen zich in dit opzicht te beperken. Ik geef evenwel dadelijk toe, dat Esplandian slechts kost is voor den enthousiast, en ik moet den niet romantischen lezer dit werk dan ook ten zeerste ontraden. Het is niet geschreven voor de barbiers en pastoors dezer wereld, en het is te betreuren, dat zij, die den geest van zulke gedichten niet begrijpen, hun invloed gebruiken, om ook anderen ervan afkeerig te maken.

Esplandian bracht zijn jeugd door aan het Hof van zijn grootvader, Koning Lisuarte, en zoodra hij geridderd was, ontwaakte in hem de roeping tot grootsche avonturen. Aan zijn wenschen in dit opzicht kon spoedig worden voldaan, want kort nadat de gouden sporen aan zijne hielen bevestigd waren, viel hij in een diepe bezwijming, hetgeen er op wees, dat hij onder den invloed kwam van een machtige betoovering. Terwijl hij sliep, zag de bevolking van het Versterkte Eiland, waarheen hij gekomen was om tot ridder te worden geslagen, een grooten vuurberg, die steeds naderbij kwam; daaruit steeg de sylphide-achtige gestalte van de toovenares »Urganda de Onbekende« omhoog, die door de lucht voer op den rug van een reusachtigen draak. Eenigen tijd tevoren was Amadis, in wiens gevangenschap de booze Archelaus zich bevond, zoo onvoorzichtig geweest, dien stokebrand der tooverwereld weer in vrijheid te stellen, en hij had spoedig daarna tot zijn schade gemerkt, dat de trouwelooze toovenaar misbruik had gemaakt van zijn herwonnen vrijheid, en den goedgeloovigen Lisuarte weer in zijn macht had gekregen, zoodat de Koning, die blijkbaar door ondervinding niet wijzer was geworden, nu in den diepsten kerker van het kasteel des toovenaars zuchtte. Urganda deelde den bedroefden schoonzoon mede, dat het noodzakelijk was, dat Esplandian wraak ging nemen, en voordat Amadis in de gelegenheid was iets naders te vragen, voerde zij den jongeling op den rug van het gevleugelde monster met zich mede.

De toovenares bracht den slapenden Esplandian aan boord van een geheimzinnig vaartuig, Het Schip van de Groote Slang genaamd, en toen hij bij zijn ontwaken bemerkte, dat hij zich op zee bevond, was hij uitgelaten van blijdschap. Toen hij over de rustige golven gedragen werd, voelde hij een groote, innerlijke vreugde over de wonderbaarlijke snelheid, waarmede de betooverde galei de baren kliefde. Na eenigen tijd ontdekte hij een rotsachtig eiland, midden in een verlaten zee, en toen hij aan land ging, zag hij, dat het onbewoond was, en dat er zich niets op bevond dan een hooge toren, die op het hoogste punt der rots gebouwd was. Hij beklom de hoogte, waarop de toren stond, en ontdekte, dat de oude vesting volkomen verlaten was. Bij een nader onderzoek van het gebouw zag hij een steen, waarin een rijk versierd zwaard stak; maar toen hij probeerde, het er uit te trekken, werd de lucht plotseling vervuld van het woeste gebrul van een geweldigen draak, die met zulk een snelheid op hem toekwam, dat, vóórdat hij zich tot den aanval had kunnen gereedmaken, het monster zijn reuzenklauwen om hem heengeslagen had, met het kennelijk doel, de platen van zijn wapenrusting te breken, en hem te vermorzelen. De man en de draak worstelden op leven en dood, en zóó hevig was hun strijd, dat de aarde beefde en het kasteel onder hen heen en weer bewoog, toen zij zich wendden en wrongen in een doodelijke omhelzing. Tenslotte slaagde Esplandian er in, zijn rechterhand te bevrijden uit de grijparmen van den draak, en, een tooverzwaard trekkende, dat Urganda hem gegeven had, stak hij het door de geschubde huid van het monster. Doodelijk gewond liet het tooverdier zijn prooi los, en het geweldige lichaam verstijfde in den dood. Toen Esplandian zich ervan overtuigd had, dat het monster werkelijk dood was, verliet hij het kasteel, en keerde naar het strand terug, bij de invallende duisternis geleid door een bovenaardsch licht, dat uit het betooverde zwaard straalde, dat hij uit het rotsblok getrokken had.

Nu voer hij op het Schip van de Groote Slang weer verder en belandde op een woeste plaats, bekend als de Verboden Berg, een vesting, gelegen op de grens tusschen Griekenland en Turkije. Uit de verte zag hij een kasteel, en toen hij zich daarheen begaf, ontmoette hij een kluizenaar, die hem ontraadde, in de nabijheid daarvan te komen. Hij vertelde hem, dat een beroemd vorst daarin gevangen gehouden werd. Oogenblikkelijk begreep Esplandian, dat dit niemand anders dan Lisuarte kon zijn, en dat het kasteel de vesting was van den boozen toovenaar Archelaus; deze overwegingen deden hem natuurlijk besluiten, de plaats nader te onderzoeken.

Toen hij bij de poort kwam, zag hij, dat deze bewaakt werd door een reusachtigen schildwacht, die bij zijn nadering woedend op hem afkwam een geweldige knots zwaaiende. Terwijl hij den aanval van zijn reusachtigen tegenstander ontweek, doodde hij hem met het tooverzwaard, en hij was op het punt, het kasteel binnen te treden, toen hij plotseling tegenover Archelaus zelf kwam te staan. Er volgde een vreeselijke worsteling. De toovenaar, hevig vertoornd over de onbeschaamdheid van den jeugdigen knaap, die het gewaagd had door te dringen in de geheimen van zijn vesting, en in het besef, dat hij stamde uit het geslacht van zijn aartsvijand Lisuarte, viel Esplandian met groote woede aan. Maar zijn blinde woede was niet opgewassen tegen de koelbloedigheid van zijn jeugdigen tegenstander, die erin slaagde, hem met zijn tooverzwaard te dooden, en die hierdoor voor goed een einde maakte aan de gevaarlijke streken van den sluwen toovenaar. Een neef van den verslagen boosdoener viel daarna den jongen ridder aan, maar ook hij was niet bestand tegen het tooverwapen van Urganda. Vervolgens trachtte de moeder van Archelaus, Arcobone, die diep was doorgedrongen in de geheimen der zwarte kunst, hem te verdelgen door hare vervloekingen, maar de tooverkracht, die in zijn zwaard verborgen was, redde Esplandian voor de woede van de vreeselijke heks, die zelfs gedwongen was, hem te gehoorzamen. Hij beval haar, hem de plaats te wijzen, waar Lisuarte gevangen gehouden werd, en smaakte de voldoening, zijn ouden bloedverwant te bevrijden.

Toen Esplandian en Lisuarte op het punt stonden, het eiland te verlaten, landde de vloot van Matroed, den oudsten zoon van Arcobone aan het strand, en de jonge held was gedwongen, weer met een nieuwen vijand te strijden. Daar deze vertrouwde op zijn krijgskunst en in verband met den jeugdigen leeftijd van zijn tegenstander, diens krachten onderschatte, daagde hij hem uit tot een tweegevecht. De beide mannen vochten, totdat de zon onderging, maar ten slotte was de heidensche krijgsman door de vele wonden, die hem waren toegediend, gedwongen den strijd op te geven, en hij smeekte Esplandian in vrede te mogen sterven. Juist op dit oogenblik kwam een monnik voorbij, en de stervende heiden vroeg zijn zegen, die hem liefdevol gegeven werd.

Esplandian noemde zich nu »de Zwarte Ridder« om de kleur van zijn wapenrusting en hij leefde op den Verboden Berg als vorst van het kasteel, dat hij veroverd had. Maar veel rust werd hem niet gegund, want korten tijd na zijn overwinning werd het fort omsingeld door een groot leger van den Sultan van Turkije. Er hadden zich echter vele ridders bij Esplandian gevoegd en door hen geholpen, versloeg hij de heidenen, en nam hij hun aanvoerder gevangen. Aangemoedigd door dit succes, verplaatste hij den oorlog naar het hart van Turkije, en veroverde de hoofdstad. Voordat hij op avontuur was uitgetrokken, had hij Leonorina ontmoet, de dochter van den Keizer van Constantinopel; hij had haar zeer lief gekregen en haar gedurende den oorlog vele boodschappers gezonden, die haar de verzekering van de standvastigheid zijner liefde moesten brengen. Hij hoorde nu, dat zij aan zijn trouw was gaan twijfelen door zijn langdurige afwezigheid, en toen dus de hoofdstad van Turkije gevallen was, begaf hij zich haastig naar Constantinopel. Daar aangekomen kocht hij een kunstig gebeeldhouwde kast van cederhout, en hij droeg zijn boodschappers op, deze naar zijn geliefde te brengen. Toen zij de kast in de eenzaamheid harer vertrekken opende, trad tot hare verbazing en vreugde, haar minnaar er uit te voorschijn. In de Spaansche romance is het onvermijdelijk, dat de liefde van den held en de heldin verborgen blijft voor de verwanten van de jonkvrouw, niet alleen omdat de romantische smaak van den Spaanschen lezer dit eischt, maar ook omdat de Spaansche opvattingen ernstig gekwetst zouden worden door de gedachte aan eenige toegeeflijkheid van den kant der ouders, waar het betreft iets meer dan een uitsluitend vormelijken omgang tusschen de gelieven vóór het huwelijk. Deze ouderwetsche opvattingen heerschen ook nu nog onder den middenstand en in de hoogere kringen van Spanje en Spaansch Amerika, en het is met een gevoel van verbazing, dat wij hooren, hoe verliefde jongelingen met de meisjes, waarmede zij officiëel verloofd zijn, slechts een vertrouwelijk woord kunnen wisselen door zich onherkenbaar te vermommen, of door de vriendelijke hulp van ondergeschikten. Het komt niet zelden voor, dat jonge Spaansche paartjes, wier verloving volkomen en règle is, en tegen wier vereeniging niet het minste bezwaar gemaakt wordt, hun toevlucht nemen tot een schaking, alleen om het romantische van het geval. Door zulke toestanden krijgen wij eerst een juist begrip van de groote macht, die de romantiek uitoefent op het Spaansche hart.

Maar Esplandian had niet veel tijd te verliezen, daar de Turken zich weer gereed maakten tot den strijd. Hij had een grooten steun in Urganda; maar daartegenover stond, dat de ongeloovigen geholpen werden door de toovenares Melia, de zuster van Armato, den overwonnen Sultan, die erin geslaagd was te ontvluchten op den rug van een gevleugelden draak, die hem voor dit doel door de Turksche toovenares was toegezonden. Met grooten spoed vormde Armato een leger, waarmede hij Constantinopel belegerde. Zijne bondgenooten waren talrijk als het zand der zee; één ervan was een schoone Amazonenkoningin, die naar de plaats der vijandelijkheden gekomen was met een troep van vijftig griffioenen, die over de stad vlogen zooals bommenwerpers, vuur en rook spuwende op de hoofden der ongelukkige inwoners.

Zóó vreeselijk was het verlies aan menschenlevens in dezen slag tusschen Christenen en heidenen, dat er ten slotte overeengekomen werd, den strijd te beslechten door een dubbel tweegevecht. Esplandian en Amadis werden door de ééne partij aangewezen, en de Amazonenkoningin en een bevriend heidensch Sultan door de andere. De heidenen werden verslagen, maar zij waren zóó woedend over hun nederlaag, dat zij zich met elken man (en vrouw), die hun gebleven was, op den vijand wierpen. Maar de Christenen, aangemoedigd door de overwinning hunner kampioenen, brachten hun groote verliezen toe en drongen den vijand terug van de grenzen van het Grieksche Rijk. De Grieksche Keizer was overgelukkig zich te kunnen ontdoen van een last, die hem langzamerhand te zwaar was geworden, en hij deed afstand van den troon, ten behoeve van Esplandian, die zijn dochter Leonorina huwde en zich in Griekenland vestigde, waar hij zich aan zijn regeeringstaak bleef wijden.

Nadat de wijze Urganda ontheven was van hare oorlogsplichten, kon zij weer meer aandacht schenken aan de persoonlijke belangen harer beschermelingen. Maar toen zij haar tooverspiegel en andere hulpmiddelen raadpleegde, zag zij tot haar groote droefheid, dat Amadis, Galaor, Esplandian, in het kort, al haar liefste ridders, aan het einde van hun aardsch bestaan waren. Indien haar profetische ziel in staat geweest was, alle wonderbaarlijke verwikkelingen te voorzien, waartoe hunne verdere avonturen aanleiding zouden geven, dan zou zij ongetwijfeld de natuur haar beloop hebben gelaten; en hieruit moeten wij dus besluiten, dat haar helderziendheid niet onbeperkt was. Zij besloot het wreede noodlot te trotseeren, riep hare beschermelingen naar het Versterkte Eiland, en raadde hun, wanneer zij zich aan de sterfelijkheid wenschten te onttrekken, zich te onderwerpen aan hare bevelen. Zij beloofden haar gaarne, dat zij haar onvoorwaardelijk zouden gehoorzamen, en stemden er met de grootste opgewektheid in toe, in een betooverden slaap te worden gebracht, waaruit zij eenmaal zouden worden gewekt door Lisuarte, den zoon van Esplandian, die in het bezit zou komen van een tooverzwaard, waardoor hij in staat zou zijn, hun een nieuw leven en verjongde krachten te schenken.

Het Zesde Boek van de Amadis-Serie behandelt de avonturen van Florisano, zijn neef; maar daar deze niet in rechte lijn afstamt van de vorige helden, en hij daarenboven onverdragelijk vervelend is, zullen wij slechts volstaan met de vermelding van zijn persoon.

Lisuarte van Griekenland.

Onderhoudender is Lisuarte van Griekenland, de held van het zesde en zevende boek, die, naar men meent, geschreven zijn door Juan Diaz, Candidaat in het Kerkelijk Recht, en uitgegeven werden in 1526. Lisuarte is echter niet de eenige held dezer romance, want Perion, een latere zoon van Amadis en Oriana, speelt een belangrijke rol in deze geschiedenis. Deze jonge strijder had veel gehoord van de dapperheid en krijgskunst van den Koning van Ierland, en hij besloot dus naar het Groene Eiland te reizen, om door hem tot ridder te worden geslagen. Toen hij het St. George-Kanaal door voer, ontmoette hij een jonkvrouw, die in een boot was gezeten, die door vier apen geroeid werd. De dieren verzochten Perion, hun meesteres te vergezellen op een gewichtige onderneming, en dus verliet hij zijn eigen vaartuig, en nam plaats in de boot met de apen en de jonkvrouw. Zijne metgezellen waren zeer ontstemd over het feit, dat hij zich zoo gewillig in dit avontuur had begeven, en zij wendden hun schip naar het Oosten, en zeilden verder, totdat zij toevallig Constantinopel bereikten, waar zij de verdwijning van Perion vertelden, waarop zijn bloedverwant Lisuarte besloot, hem te gaan zoeken.

Intusschen was de jonge Perion met zijn eigenaardig gezelschap in het Koninkrijk Trebizonde aangekomen, dat, zooals wij bemerken, gemakkelijk te bereiken is van de Iersche kust. In die stad had hij de dochter van den Keizer gezien, en was op haar verliefd geworden, maar hij had niet veel gelegenheid haar het hof te maken, want de jonkvrouw met de Apen zette hem voortdurend tot spoed aan bij zijne voorbereidingen voor de taak, die zij hem had opgedragen. Nauwelijks hadden zij Trebizonde verlaten, of Lisuarte verscheen in de stad, en werd dadelijk verliefd op Onoloria, de tweede dochter van den Keizer. Maar op zekeren dag, toen de gelieven te zamen waren, kwam een geweldige reuzin aan het Hof, en eischte van Lisuarte een belofte, die hij, zooals gebruikelijk was in de romance, aflegde, zonder eerst naar den aard ervan te vragen. Het bleek, dat zijn tegenwoordigheid gedurende een vol jaar geëischt werd, overal, waar de reusachtige jonkvrouw die begeerde. De reuzin was nl. een heidensche spion, die dit verzonnen had, om Lisuarte, die één der steunpilaren van Christelijk Griekenland was, te verwijderen van het Hof, op een moeilijk en gevaarlijk tijdstip.

Toen Lisuarte, zeer tegen zijn zin, Trebizonde had verlaten, vernam de Keizer, de vader van het voorwerp zijner liefde, wat de eigenlijke functie was van de geweldig groote jonkvrouw, die hem ontboden had door middel van een brief, die gesloten was met zeven en zestig zegels, en waarin vermeld was, dat Constantinopel binnenkort belegerd zou worden door Armato, den Sultan van Turkije, die zich vereenigd had met zeven en zestig vorsten, om een oorlog te ondernemen tegen de keizerlijke stad. Intusschen werd Lisuarte gevangen gehouden door den Koning van het Reuzeneiland, wiens dochter Gradaffile op hem verliefd werd en hem hielp ontvluchten. Zij volgde hem naar Constantinopel, waarheen hij dadelijk trok, om tegen de ongeloovigen te strijden, die de stad belegerden. Hierin werd hij bijgestaan door Perion, die nu in Griekenland aankwam na aan de opdracht van de jonkvrouw met de Apen te hebben voldaan.

Na verloop van tijd drong het tot Lisuarte door, dat het zijn plicht was, zijn slapende voorouders te verlossen uit de betoovering, waaronder zij gebracht waren om hun aardsch bestaan te verlengen. Na vele avonturen, die wij den lezer zullen besparen, kwam hij in het bezit van het verlossende zwaard, en reisde hij naar het Versterkte Eiland, waar hij den tooverslaap verstoorde waarin Amadis, Esplandian en de rest gebracht waren door de helderziende Urganda. Zij waren natuurlijk verfrischt door hun langdurige rust, en snakten naar een beetje strijd, en dus hielpen zij hem dadelijk bij het verslaan van de heidensche troepen, en verzekerden zóó den vrede in het land. Toen nu Lisuarte ontheven was van zijn krijgsmansplichten, kon hij zijne gedachten weer aan zijn geliefde geven, en hij reisde dus naar Trebizonde. Perion had zich ook reeds om een dergelijken reden daarheen begeven, maar op verzoek van de Hertogin van Oostenrijk, vergezelde hij deze dame naar haar rijk, om dat te bevrijden van overweldigers. Nadat hij deze ridderlijke taak volbracht had, ontmoette hij zijn bloedverwant Lisuarte, en beide ridders bereidden hunne huwelijksfeesten voor, toen Perion en de Keizer van Trebizonde, terwijl zij op de jacht waren, door heidenen werden weggevoerd. Lisuarte, die hen gevolgd was om hen te bevrijden, werd ook door den vijand gegrepen, en tegelijk met hen die hij had willen bijstaan, gevangen gehouden.

Amadis van Griekenland.

Het Negende Boek behandelt de avonturen en heldendaden van het geslacht van Amadis, van wien in meer dan één beteekenis gezegd kan worden, dat hij onsterfelijk was. De eerste uitgave verscheen in 1535 te Burgos, een letterkundig centrum, en men beweert, dat het werk uit het Latijn in het Grieksch werd overgebracht, zooals de beroemde Trojaansche romance Dares en Dictys, en dat het in een latere periode vertaald is in de Romaansche taal door den machtigen en wijzen toovenaar Alquife, klaarblijkelijk een soort van Moor, in dienst van een schrijver, die deze romance schreef met buitengewoon veel verbeeldingskracht en zeer weinig routine. Amadis van Griekenland is nl. een mengsel van de grootste fantasie en de meest onlogische verzinsels, en wij belanden in zulk een doolhof van wonderbaarlijke verwikkelingen, dat het geen gemakkelijke taak is, er een begrijpelijk en geregeld relaas van te geven.

Wanneer wij de wilde vlucht van den dichter volgen met den ingehouden stap van ons modern ongeloof, dan bemerken wij, dat Amadis van Griekenland, evenals zijne voorouders, bij zijn geboorte niet bepaald welkom was; hij was de zoon van Lisuarte en Onoloria, Prinses van Trebizonde, en geboren korten tijd na de plotselinge scheiding van dit heimelijk gehuwde paar. Toen het kind gedoopt werd aan een bron op een woeste, eenzame plek, waarheen het gebracht was om openbaarheid te vermijden, werd het door zeeroovers weggevoerd, en verkocht aan den Moorschen Koning van Saba. Daar hij op zijn borst het beeld van een zwaard had, noemde hij zich, na van den heidenschen Vorst den ridderslag te hebben ontvangen, »De Ridder van het Vlammende Zwaard.« Korten tijd daarna werd hij ten onrechte ervan beschuldigd, een geheime liefde voor de Koningin van Saba te koesteren, en daar hij den toorn van zijn weldoener vreesde, vluchtte hij, en stortte zich in een leven van avonturen, zooals dat in zijn geslacht gebruikelijk was.

Hij was door zijn opvoeding en aard een heiden, en toen hij dus bij den Verboden Berg kwam, dien zijn grootvader uit de macht der ongeloovigen bevrijd had, verwoestte hij het vrome werk, door hem verricht, en verjoeg hen, die door den Keizer van Griekenland daar als verdedigers waren neergezet. Toen de groote Esplandian, die nu Keizer van Constantinopel was, hoorde, dat het werk der Christenen bedreigd werd, spoedde hij zich naar het tooneel der vijandelijkheden, en daagde den dapperen jongeling tot een tweegevecht uit; hij werd echter door hem verslagen, een omstandigheid, die nooit zou zijn opgekomen in het brein van den enthousiasten schrijver, die de romance van dezen held dichtte, en die stellig zeer ontdaan zou zijn geweest over den val van zijn „ster”. Korten tijd na deze gebeurtenis ontmoette Amadis den Koning van Sicilië; hun kennismaking begon met een gevecht, want dit was de gebruikelijke manier, waarop dolende ridders zich aan elkander voorstelden; maar toen zij elkander leerden kennen en hoogachten, sloten zij een vriendschap, die nog hechter werd door de liefde van Amadis voor de bekoorlijke dochter van den strijdlustigen Koning.

Op weg naar Sicilië kwam Amadis toevallig bij een eiland, waar hij den Keizer van Trebizonde, Lisuarte, Perion en Gradaffile in een betooverden slaap aantrof. Zooals wij gezien hebben, waren zij ontvoerd door de handlangers der heidenen.

Ongeveer in dienzelfden tijd, ontmoette Amadis van Gallië, die blijkbaar nog niet te oud was voor avontuurlijke ondernemingen, de Koningin van Saba, die op zoek was naar een kampioen, die bereid zou zijn haar te verdedigen tegen de valsche beschuldiging van echtelijken ontrouw. Amadis stelde zich tot hare beschikking, en vergezelde haar naar Saba, waar hij met haar echtgenoot die haar beschuldigde, streed, en hem overwon. Hij slaagde er ook in, haar onschuld, en die van zijn naamgenoot, Amadis van Griekenland, te bewijzen, tot groote voldoening van den Koning, haar echtgenoot.

Nadat Amadis van Griekenland zijne voorouders uit hun tooverslaap gewekt had, vervolgde hij zijn reis naar Sicilië. Hij had nog niet lang op het eiland vertoefd, toen hij hoorde hoe in de buurt van het paleis een ridder verliefde verzen voordroeg. Dadelijk kwam zijn jaloersch hart tot het besluit, dat de verliefde ridder den lof zong zijner prinses. Half waanzinnig door deze verdenking, zocht hij overal naar zijn veronderstelden medeminnaar, maar zonder resultaat; hij volgde overal zijn spoor, maar slaagde er nooit in, hem te vinden. Bij deze vervolging ontmoette hij vele avonturen; maar ten slotte begreep hij, dat zijn verdenking ongegrond was, en dat de zanger, dien hij gehoord had, geen aanslag had willen plegen op het hart van het voorwerp zijner liefde.

Terwijl dit alles gebeurde was Lisuarte, de vader van onzen held, naar Trebizonde teruggekeerd, en had in allen vorm aanzoek gedaan om de hand van Onoloria. Maar Zairo, de Sultan van Babylon, had deze prinses in den droom gezien, en hij kwam, vergezeld van zijn zuster Abra, te Trebizonde aan, om haar ten huwelijk te vragen. De Keizer was dadelijk bereid zijn toestemming te geven, maar Lisuarte, die oudere rechten op de jonge dame had, was van een andere meening, en zijn tegenstand vertoornde den Sultan zóó hevig, dat hij tot krachtige maatregelen overging, en »Trebizonde met de vele Torens« belegerde. Toen het beleg geruimen tijd geduurd had, koos men uit beide legers eenige ridders, om den strijd door tweegevechten te beslechten. Maar de paladijnen van den Sultan werden verslagen door Gradaffile, de dochter van den Koning van het Reuzeneiland, die zich als ridder vermomde, en die met zulk een woede vocht, dat de ongelukkige Babyloniërs volkomen machteloos tegenover haar waren. De Sultan echter brak, zooals de overwonnenen in de romances dat veelvuldig deden, de regelen van het tournooi, en ontvoerde Onoloria door een krijgslist.

Toen zijn vloot zich met groote snelheid van Trebizonde verwijderde, ontmoette hij die van Amadis den Galliër, die op weg was naar deze stad, om haar te ontzetten, en die blijkbaar niet was opgehouden bij de Dardanellen door een of ander artikel van Internationaal Recht. Het is natuurlijk onnoodig te vermelden, dat de Sultan gedood werd. Maar de zucht tot kwaad was niet gestorven in het Babylonische ras door den dood van den Sultan met den romantischen naam Zairo. Zijn zuster Abra besteeg na hem den troon van Semiramis. Terwijl zij in de gelukkige dagen voordat de vijandelijkheden tusschen haar broeder en Lisuarte waren uitgebroken, in Trebizonde verblijf hield, was zij onder de bekoring gekomen van dezen ridder, en zooals dat, wanneer men tenminste de romanceschrijvers gelooven mag, gebruik was bij de vrouwen van het Oosten, deed zij de eerste toenadering tegenover het voorwerp harer genegenheid. Wij zullen hopen, dat hij haar niet zoo ruw afwees, als de onhebbelijke Heer Bevis van Hamton dit deed, toen de schoone Saraceensche Josiana hem hare boodschappers zond met de bekentenis harer liefde:

Hij zei: »Waart gij geen afgezant,

Ik doodde u met eigen hand.

Geen voet verzet ik van den grond,

Voor zulk een vuilen heidenhond!

Zij is een hond, en dus onrein:

Mijn kamer uit, gij smerig zwijn!«

Maar Lisuarte wees Abra toch af, en alle haat, waartoe een versmade vrouw in staat is, ontbrandde in den boezem der schoone Babylonische. In haar groote wraakzucht, zond zij afgezanten naar alle landen der aarde, met het verzoek, dat de geheele ridderschap van ieder koninkrijk haar zou bijstaan om Lisuarte ten val te brengen. Op haar rondreis naar de verschillende hoven, trof een harer kamervrouwen Amadis van Griekenland, die, daar hij nog een heiden was, gemakkelijk kon worden overgehaald tot de belofte, dat hij niet zou rusten, voordat hij Lisuarte’s hoofd aan Jonkvrouw Abra zou hebben gebracht. Toen Amadis te Trebizonde aankwam, ontbrandde er dus een gruwelijke strijd tusschen vader en zoon, die goddank werd beëindigd door de verschijning van Urganda, die volgens haar gewoonte de strijdenden met elkander bekend maakte. Maar de jonge Amadis ontkwam evenmin als zijn vader dat deed, aan de liefdesbetuigingen van heidensche prinsessen. Niquea, de dochter van een Oostersch Sultan, was alleen reeds door de verhalen over hem, verliefd op hem geworden, en zij had hem haar beeltenis gezonden, die door haar dwerg gemaakt was. De bekoorlijkheden, die deze jonge dame ongetwijfeld bezat, wogen echter niet op tegen de omstandigheid, dat ieder, die haar verblindende schoonheid aanschouwde, òf stierf, òf beroofd werd van zijn verstand. Haar vader, een verstandig man, sloot haar op in een toren, waarin niemand werd toegelaten behalve de naaste familieleden, die zooals meestal het geval is, niet zoo gemakkelijk onder den indruk harer bekoorlijkheden kwamen als vreemden.

Ondanks zijn vroegere hartstochtelijke liefde voor de Prinses van Sicilië, had Amadis nauwelijks het portret van Niquea aanschouwd, of hij vergat zijn vorige aangebedene, en gaf zijn geheele hart aan de Oostersche schoone. En opdat hij het geluk mocht smaken het origineel van de beeltenis, die hem zoo verrukt had, met eigen oogen te aanschouwen, vermomde hij zich als slavin, en werd hij toegelaten tot den toren, waarin Niquea was opgesloten. Zij beloofden elkander trouw en Amadis bleef in zijn vermomming in den toren. Onnoodig te zeggen, dat de schoonheid van Niquea hem geen ongeluk aanbracht.

Laat ons nu terugkeeren tot de schoone doch wraakzuchtige Abra, die een reusachtig leger had samengesteld en daarmede tegen Trebizonde optrok. Na een verwoeden strijd werden de heidensche troepen natuurlijk verslagen. Maar daar Onoloria intusschen zoo vriendelijk was geweest, het tijdelijke met het eeuwige te verwisselen, huwde Lisuarte, op aanraden van zijn platonische vriendin Gradaffile, de Babylonische Koningin, die dus gelukkiger was in de liefde dan in den oorlog.

Niquea had echter langzamerhand genoeg van haar gevangenschap, en zij slaagde erin, met Amadis te vluchten; kort daarna kwamen zij te Trebizonde aan, waar hun huwelijk voltrokken werd. Hun werd een zoon geboren, dien zij Florisel van Niquea noemden, en die weer de held is van een andere geschiedenis.

Deze romance eindigt, evenals die van Esplandian, met de betoovering van de Grieksche helden en prinsessen in den »Toren van het Heelal«, door den wijzen toovenaar Zirfea, die hen waarschuwde, dat dit de eenige manier was, om aan de sterfelijkheid te ontsnappen. Maar in afwijking van wat er op het Versterkte Eiland gebeurde, was de betoovering waaraan zij zich in den wondertoren moesten onderwerpen, niet een toestand van slaap, zoodat de betooverde ridders en hunne jonkvrouwen in staat waren, zich ongeveer een eeuw lang genoegelijk met elkander te onderhouden, een voordeel, dat zij zeer op prijs stelden, omdat zij zoo lang van elkander gescheiden waren geweest.

Zelfs indien zij genoeg hadden gekregen van elkaars gezelschap, behoefden zij zich nog niet te vervelen, want de vriendelijke en zorgzame toovenaar had in den toren een toestel aangebracht, waardoor zij alles konden aanschouwen, wat er in de buitenwereld gebeurde, een bron van ontspanning en vermaak, waarvan mevrouw d’Aulnoy ook gebruik heeft gemaak in één harer sprookjes.

De barbier en de priester van Cervantes waren vooral vijandig gestemd tegenover Amadis van Griekenland en diens onmiddellijke opvolgers. »Smijt het heele zoodje op het erf«, riep de priester uit; »want ik zou liever mijn eigen vader verbranden als ik hem tegenkwam in de kleeding van een dolenden ridder, dan dat ik Koningin Pintiquinestra en den herder Darinel met zijn herderszangen en de gruwelijk overdreven toespraken van den schrijver spaarde.«

Florisel van Niquea.

De geschiedenis, die zoozeer de verontwaardiging heeft opgewekt van den onromantischen priester en den nog minder dichterlijken barbier van Cervantes, is het Tiende Boek van Amadis, dat den naam draagt van Florisel van Niquea, en waarvan ons wordt verteld, dat het geschreven is door niemand minder dan Cirfea, Koningin van Argos, die het dan zeker heeft gedicht in de korte rustpoozen, die haar gelaten waren bij haar moeilijke regeeringstaak. Hare Majesteit verlaagt zich er niet toe ons mede te deelen, hoe groot het honorarium was, dat zij in 1532 van hare Valladolidsche uitgevers ontving; maar wanneer wij, zonder ons schuldig te maken aan majesteitsschennis, een prijs mochten bepalen, dan zouden wij zeggen, dat de letterkundige ontboezeming dezer fantasierijke vorstin uitstekend betaald zou zijn geweest met een stuiver per regel. In één woord, Cirfea, of de tienderangs schrijver, die zich achter haar vorstelijke persoon verbergt, is betrekkelijk vervelend, en haar flauwe herdersverhalen kunnen onmogelijk ernstig genomen worden. Het eenige, wat haar werk nog eenige beteekenis geeft, is, dat zij waarschijnlijk de eerste was, die het landelijk element in de romance heeft gebracht, en dat zij dus de schepper is van een lange rij gekunstelde en sentimenteele herders en herderinnen, wier tranen en zuchten de bladzijden der zestiende- en zeventiende-eeuwsche dichtwerken vullen, en wier niet te stelpen klachten de oorzaak zijn, dat men er tegen op ziet een boek te openen, dat zelfs maar uit de verte herinnert aan l’esprit de bergères.

De romance brengt ons in kennis met Sylvia, de dochter van Lisuarte en Onoloria, die, zooals vanzelf spreekt, in haar kinderjaren aan de ouders ontrukt werd en in de buurt van Alexandrië werd opgevoed voor het herdersleven. Deze streek, die toen ten tijde misschien een zekere vermaardheid genoot om haar veeteelt, had dit dan zeker te danken aan de groote hoeveelheid zand, die zij oplevert, hetgeen blijkbaar een zeer deugdelijk veevoedsel is geweest. Toen Sylvia grooter werd, begon zij te beseffen hoe schoon zij was, en vertrouwende op haar bekoorlijk uiterlijk, en misschien ook op haar allerliefsten naam, onderwierp zij den schoonen jongeling Darinel, wiens naam evenals de hare in het land der Pharao’s uitheemsch was, aan haar wil. Sylvia was van oordeel, dat een herderin »hardvochtig« tegenover haar minnaar behoorde te zijn, en deze was het dus, die voor de sonnettendichters de nieuwe mode in het leven riep, zich bitter te beklagen over de onverschilligheid eener geliefde. Hij toonde zijn goeden wil tot sterven, door zich op den top van een berg bloot te stellen aan de woede der elementen, een betrekkelijk omslachtig proces zou men zoo oppervlakkig meenen, in een streek, die zoo bij uitstek gezond wordt geacht voor longlijders. Waarschijnlijk kwam hij tot het inzicht, dat het Egyptische klimaat zich niet bijzonder leende tot de uitvoering van zijn droevig plan, en dus vertrok hij naar de omgeving van Babylonië, waar hij, zoekende naar bergen in een streek, waar er opmerkelijk weinig zijn, in de gelegenheid was vriendschap te sluiten met Florisel, die met zijn opgewekten aard er wel eens genoeg van zal hebben gekregen, dat eeuwige gejammer over de schoone oogen der aangebeden jonkvrouw te moeten aanhooren. Darinels beschrijvingen van Sylvia’s bekoorlijkheden waren echter zóó geestdriftig, dat Florisel werd aangestoken door de gevoelens van zijn ongelukkigen vriend, zoodat hij ten slotte zóó weinig in staat was, de hartstocht, die hem verteerde te overwinnen, dat hij zich als herder vermomde, en den ongelukkigen Darinel overhaalde, hem naar de woonplaats van Sylvia te brengen. Maar hoewel Florisel haar de groote eer had bewezen, den geheelen weg van Babylon te voet af te leggen om beloond te worden met een blik uit hare oogen, was zij tegenover hem even koud en wreed als zij dat tegenover Darinel geweest was.

Op een avond, toen Florisel tot opluchting van den lezer zijne klachten aan de schoone herderin eens een oogenblik staakte, vertelde hij haar, hoe Prins Anastarax, de broeder van Niquea, in een betooverd paleis gevangen werd gehouden door den machtigen Zirfea. Toen de wispelturige Sylvia dit verhaal hoorde, ontvlamde zij plotseling in liefde voor Anastarax, en zij dwong Florisel en Darinel, welke laatste niet meer naar de woeste bergen hunkerde, met haar er op uit te trekken om den Prins uit zijn door vlammen omgeven gevangenis te verlossen. Maar toen zij in de nabijheid kwamen van den Toren waarin hij was opgesloten, hoorden zij, dat dit avontuur reeds was ondernomen door Alastraxare, een schoone Amazone, de dochter van Amadis van Griekenland en de Koningin van de Kaukasus. De lezer is dan genoodzaakt de lotgevallen van deze vrouwelijk Hercules te volgen, wier onuitsprekelijke naam een struikelblok is geweest voor heele geslachten van boekdrukkers. Hare avonturen vullen vele bladzijden.

Het kleine gezelschap uit Alexandrië ging op zoek naar deze heldin en ontmoette op zijn tocht vele avonturen; onder de belangrijkste daarvan behoort de flirtation van Florisel met Arlanda, Prinses van Thracië, die op hetgeen men haar van hem verteld had, verliefd op hem was geworden, zooals dat toenmaals de gewoonte schijnt te zijn geweest onder de jonge dames uit den bloeitijd der romance.

Zij stak zich in de kleederen van de ongenaakbare Sylvia, en verlokte hem tot een samenkomst in den maneschijn, bij welke gelegenheid zij er in slaagde zijn gunst te winnen, terwijl hij in de vaste verbeelding was, dat zij de herderin was, die hij zoolang vruchteloos met zijne liefdesbetuigingen vervolgd had.

Bij hunne omzwervingen werd Sylvia tijdens een geweldigen storm van hare medereizigers gescheiden, en toen zij op hare schreden terugkeerde, kwam zij weder bij de door vlammen omgeven gevangenis van Anastarax. Intusschen waren Florisel en Darinel aan de kust van Apollonia gekomen, waar de eerste gelukkig de bekoorlijkheden van het grillige herderinnetje vergat, dat op het goede oogenblik als de dochter van Lisuarte herkend werd en met haar beminden Anastarax vereenigd werd. Doch het was niet alleen te wijten aan zijn slecht geheugen, dat Florisel zijn aangebeden Sylvia vergat, maar voornamelijk aan de schoone oogen van Prinses Helena van Apollonia.

Het verder verloop van het verhaal is er bepaald op berekend, den meest lankmoedigen lezer te tarten. Florisel had niet veel tijd om te genieten van het gezelschap der bekoorlijke Apollonische Prinses, daar hij was uitverkoren om zijn oom uit de gevangenis te bevrijden. Toen hij eindelijk aan dien plicht voldaan had, begaf hij zich op weg naar Apollonia, maar het was hem natuurlijk niet gegeven, het strand van dit schoone land zonder verdere lotgevallen te bereiken. Toen hij te Colchos landde, ontmoette hij Alastraxara, die haar geluk had gevonden in Falanges, een dapper krijgsman uit het gevolg van Florisel. Bij zijn komst in Apollonia was Prinses Helena op het punt, in het huwelijk te treden met den Prins van Gallië, welke verbintenis om politieke redenen door haar vader was bevolen. Maar Florisel zou niet waard zijn geweest te stammen uit een geslacht welks helden nooit lijdelijk waren gebleven onder dergelijke omstandigheden, indien hij had nagelaten de plannen van den vader te verijdelen, en zooals de koninklijke schrijfster opmerkt, hij zorgde voor een herhaling van de geschiedenis van Troje, door deze tweede Helena te schaken.

Evenals in het oorspronkelijke verhaal van Homerus, werden natuurlijk door deze daad de echte en onechte koninkrijken van het Oosten en het Westen in een vreeselijken oorlog gewikkeld. Geholpen door de Russen, die dus toen reeds een zekere voorliefde schijnen te hebben gehad voor het omverwerpen van een bestaande maatschappij, wierpen de landen van het Westen hunne reuzenlegers in de vlakten van Constantinopel, en brachten de Grieksche wapenen een geweldigen nederlaag toe. Maar de Slaven keerden zich later tegen hunne Oostersche bondgenooten, verdreven hen van de kusten van den Gouden Hoorn, en stelden Florisel ten slotte in het bezit van de hoofdstad van het Oosten en van Prinses Helena.

Hier zou de doorluchtige Cirfea met haar gouden pen gevoegelijk Finis hebben kunnen schrijven onder deze verbazingwekkende historie. Maar in dit stadium van het verhaal schept de schrijfster op nieuw adem, waarschijnlijk in verband met de omstandigheid, dat de boekhandelaren in Valladolid hunne klanten beloofd hadden, dat zij vergast zouden worden op zooveel duizend regels van haar hand, en zij hen niet wilde teleurstellen om redenen, waarboven zij als gekroond hoofd verheven had behooren te zijn. Maar Argolis is spreekwoordelijk bekend als een arm land, waarvan de bevolking een aangeboren afkeer heeft van belasting betalen. Hoe het zij, Cirfea was niet het laatste gekroonde hoofd van den Balkan, dat door letterkundigen arbeid aan speldengeld moest komen; zij voorzag zich dus van een nieuwen riem perkament van het Departement van Argos (want het is bekend, dat Gouvernements-papier vanaf de tijden van Khammurabi algemeen eigendom is) verzon weer nieuwe verwikkelingen, en maakte zich gereed om die uit te werken.

Toen de verraderlijke Russen afgerekend hadden met de Westersche legers, keerden zij naar hun eigen land terug, om daar nieuwe plannen uit te broeden voor de verdere vernietiging van het bedreigde Europa. Maar Amadis van Griekenland was van oordeel, dat een volk dat zooveel te danken had aan de beschaving van andere volken (om niet te spreken van zijn financiëele verplichtingen) gevoelig moest worden gestraft voor zijn oorspronkelijk bondgenootschap met den vijand. Hij vervolgde dus hunne schepen, maar verloor hen uit het oog en kwam terecht bij het verlaten eiland, dat in geen romance schijnt te mogen ontbreken. Daar besloot hij te blijven om boete te doen voor zijn ontrouw tegenover de Prinses van Sicilië. Natuurlijk belandde deze dame daar ook en nadat zij haar ontrouwen minnaar duchtig de les had gelezen, raadde zij hem aan, terug te keeren tot zijn diepbedroefde echtgenoote Niquea, welke raad hij tenslotte opvolgde.

Toen Amadis na verloop van eenigen tijd niet te Constantinopel terugkwam, werd men ongerust in de keizerlijke stad, en Florisel en Falanges werden uitgezonden om hem te zoeken. Zij belandden bij het eiland, waar Florisel onder den aangenomen naam van Moraizel verliefd werd op koningin Sidonia, en zich met haar verloofde; zij ontzag zich echter niet, haar voorkeur voor zijn metgezel onbewimpeld te toonen. Maar Florisel had spoedig genoeg van zijn bruid, die hem een allerliefst dochtertje Diana schonk, dat bestemd was om als heldin te fungeeren in het Elfde en Twaalfde Boek van deze eindelooze geschiedenis.

Agesilan van Colchos.

Terwijl de jeugdige Agesilan van Colchos voor zijne studieën te Athene vertoefde, zag hij toevallig het portret van de schoone Diana. Hij gevoelde zich onweerstaanbaar tot haar aangetrokken, en besloot het origineel te zoeken om haar met eigen oogen te aanschouwen; dus vermomde hij zich als vrouwelijk minstreel, en reisde naar het Hof van Koningin Sidonia, de moeder der jonge Prinses, die hem in dienst nam als speelnoot voor haar dochtertje. Maar toen er achtereenvolgens verscheiden ondernemende ridders naar het eiland kwamen, kon hij niet nalaten in de vermomming van een Amazone met hen te strijden, en bij deze gevechten was de overwinning steeds aan zijn kant. Toen Agesilan van de Koningin hoorde, hoe zij door Florisel verwaarloosd werd, stelde hij zich zeer gedienstig tot haar beschikking, om haar het hoofd van den dolenden ridder te brengen, en tegelijkertijd deelde hij haar mede, wie hij was. Sidonia koesterde een diepen wrok tegen haar echtgenoot, die haar zoo trouweloos verlaten had, en dus nam zij het aanbod van den jongen ridder gretig aan. Agesilan vertrok dus naar Constantinopel en daagde den trouwelooze tot een tweegevecht uit. Er werd bepaald, dat het samentreffen in het rijk van Sidonia zou plaats vinden, maar toen de a. s. strijders daar aankwamen, ontdekten zij, dat het koninkrijk belegerd werd door de alomtegenwoordige Russen die, niet tevreden met hunne eigen, uitgestrekte steppen, begeerig waren naar een zonniger plaats met een zachter klimaat. Het was eigenlijk niet edelmoedig, twee zulke beroemde kampvechters tegelijk op de woeste Russen af te sturen, en na korten tijd was de overwinning dan ook aan de zijde der ridders. Waarschijnlijk bracht de vreugde hierover Florisel en Sidonia weer tot elkaar, en alles verliep volkomen naar wensch, want Agelisan en Diane verloofden zich met elkander.

Men was echter van oordeel, dat het schitterende Constantinopel een waardiger achtergrond zou zijn voor de huwelijksplechtigheid, en dus scheepten allen zich in naar den Gouden Hoorn, nadat men eerst de eer had genoten van een bezoek van Amadis van Gallië in eigen persoon, die ondanks zijn patriarchalen leeftijd nog zijn grootste genoegen vond in het leven van een dolenden ridder. Hij was vergezeld van Amadis van Griekenland, die bijna even eerwaardig was als zijn grootvader, en nog gaarne een lans brak met elken gelijkgezinden ridder.

Zij waren nog niet ver van de kust verwijderd, toen zij overvallen werden door een hevigen storm, waarbij Agesilan en Diana van het overige gezelschap gescheiden werden. Zij werden op een verlaten rots geworpen, waar zij zeker zouden zijn omgekomen, indien niet een hulpvaardig ridder, die, gezeten op een gevleugeld paard, toevallig boven die rots vloog, hen had opgenomen en gebracht had naar zijn woonplaats op de Canarische Eilanden. Maar de belangeloosheid van hun redder verdween, toen hij de schoonheid van Diana aanschouwde, en toen dus Agesilan er niet op verdacht was, bracht hij haar naar een afgelegen gedeelte van het Groene Eiland, zooals zijn domein heette. Zijn liefdedroom zou echter ruw verstoord worden, want juist op dit oogenblik landde er een troep zeeroovers, die in Diana een kostelijken buit voor de slavenmarkt zagen en die haar met geweld ontvoerden.

Daar Agesilan zijn geliefde niet vinden kon, vreesde hij verraad, en in groote angst besteeg hij het gevleugelde paard om Diana te zoeken. Nadat hij vanaf den rug van het vliegende dier vruchteloos het geheele eiland had overzien, vloog hij wanhopend verder. Door een »motordefect« of een nog onverklaarbaarder reden, was hij genoodzaakt te dalen in het land van de Garamantes, welks Koning met blindheid was geslagen als straf voor zijn onuitstaanbare aanmatiging. Daarenboven werd het voedsel, dat voor den ongelukkigen vorst bereid werd, dagelijks door een vreeselijken draak geroofd. Agesilan verloste hem van dit monster. Deze geheele geschiedenis is een onbeschaamde imitatie van een gedeelte van Orlando Furioso, waarin Senapus, Koning van Ethiopië, bezocht wordt door eenzelfde ongeluk, daar zijn voedsel dagelijks verslonden wordt door harpijen, totdat hij verlost wordt door Astolpho, die in het koninkrijk neerdaalt op een gevleugeld paard. Maar de schrijver van Agesilan is niets schuldiger dan Ariosto zelf, want beiden hebben hunne gegevens geput uit de geschiedenis van Phineus en de Harpijen in de Tocht der Argonauten van Apollonius Rhodius. Bij zijn zoeken naar Diana kwam Agesilan bij het Verlaten Eiland. De God Tervagant (Termagaunt, Tyr Magnus = Tyr de Machtige) was verliefd geworden op de Koningin van dit land, maar toen zij hem had afgewezen, had hij een heel leger van duivels op haar bezittingen losgelaten, die alles wijd en zijd verwoestten. Het orakel van den god had verkondigd, dat hij zijn wraakneming niet zou opgeven, of de bewoners moesten dagelijks een jong meisje op het strand tentoonstellen, totdat hij er een had gevonden, dat evenzeer in zijn smaak viel als de Koningin. Elken dag werd er dus een ongelukkige jonkvrouw aan de rots van het Verlaten Eiland geketend, en oogenblikkelijk werd zij verslonden door een monster, dat uit de zee verrees. Hierdoor werden de meisjes uit de omgeving natuurlijk schaarsch, en om nu één der jonkvrouwen uit het land voor een volgende gelegenheid te sparen, werd Diana, die naar het eiland gebracht was, op een morgen aan de rots gebonden, en als een tweede Andromeda aan de genade van het monster prijs gegeven. Maar toen Agesilan op zijn gevleugeld ros door de lucht vloog, zag hij, welk een vreeselijk gevaar haar bedreigde; hij snelde haar te hulp en versloeg na een hevig gevecht het monster, dat haar juist verslinden zou. Nadat hij met den Satelliet van Tervagant had afgerekend, nam hij de half bezwijmde Diana op zijn vliegend paard, dat hij in de richting van Constantinopel stuurde. Maar op zijn weg daarheen ontdekte de nu geoefende vliegenier het schip van Amadis, dat hij en zijn geliefde bij den storm uit het oog hadden verloren. Hij vloog recht op het vaartuig af, zooals de loods van een reddingsboot op het »moederschip«, begroette zijne verbaasde bloedverwanten, en eindelijk bereikte het gezelschap Constantinopel, waar het huwelijk der hoofdpersonen luisterrijk voltrokken werd.

Silvio de la Selva.

Silvio de la Selva, de zoon van Amadis van Griekenland en een zekere Finistea, is de held van het twaalfde en laatste boek der Amadis-serie. Wij maken voor het eerst kennis met hem bij het beleg van Constantinopel, waar hij zich onderscheidde door groote dapperheid. Toen de Czar van dit krijgszuchtige volk voor de afwisseling weer eens een oorlog wenschte te ondernemen, behoorde Silvio tot de eersten die het zwaard trok, en die de twaalf dwergachtige afgezanten van de moskovieten de verzekering gaf, dat de honderdzestig vorsten, die zich tegen Griekenland hadden verbonden, weinig kans hadden naar hunne respectieve landen terug te keeren. Wij zullen geen beschrijving geven van het beleg, dat op dit antwoord volgde, noch van alle slagen en uitvallen, maar slechts terloops opmerken, dat het een strijd was met veel afwisseling. Maar wanneer de Grieksche vorsten zich verbeeldden, dat zij door deze overwinning op het slagveld waren ontsnapt aan de gevolgen van hun tarten van de strijdlustige Russen, dan hadden zij buiten den waard gerekend; want door één enkele aanraking met den tooverstaf, was het geheele schitterende leger van ridders van de aarde gevaagd. De bewoners van de romantische stad aan de Bosporus verkeerden ten tweeden male in grooten angst; maar de ridders en paladijnen in de familie—op zichzelf reeds een niet onbelangrijk leger—lieten zich niet uit het veld slaan, en trokken uit om hunne geliefde bloedverwanten te zoeken. Maar wij zijn nog niet verlost uit het net van intriges, dat door Castiliaansche schrijvers gesponnen was, en de uitgaande kaars van de groote romance van Amadis dooft niet na een laatste opflikkering uit, met de bevrijding van de helden en heldinnen, die zich in al die bladzijden zoo hebben geweerd in een eindelooze opvolging van avonturen en strijd; want toen de prinsessen veilig waren teruggebracht, bleek het, dat eenigen onder haar gedurende hare afwezigheid gezegend waren met kleine olijftakjes, waarvan ons de lotgevallen ook weer verteld werden; zoodat ten slotte de lezer, geheel ontdaan door de wonderbaarlijke intriges, evenals Miltons Satan wanhopig naar een uitweg zoekt, roepende:

»Wee mij, ongelukkige! Waarheen zal ik vluchten?«

Maar evenals de gevallen aartsengel moet hij tot het einde volharden, en zich heenworstelen door de avonturen van Spheramond, den zoon van Rogel van Griekenland, en van Amadis van Astre, den zoon van Agelisan—of, wanneer hij dit niet wil, moet hij doen zooals wij deden, en eerbiedig het wormstekige boek terugbrengen naar de bibliotheek, waar de kunstig versierde band waarschijnlijk meer gewaardeerd wordt dan de overdreven inhoud.

Inplaats dat het geslacht van Amadis van den troon gestooten werd door het verwaarloosde en woedende volk, bleef het in hooge eer; en misschien ligt het geheim van het succes der leden dezer dynastie wel in de omstandigheid, dat zij vaker verblijf hielden in door vuur omgeven kasteelen en op betooverde eilanden, dan in het vorstelijk paleis in de hoofdstad, dat zij blijkbaar meer beschouwden als een soort van herstellingsoord, waarheen zij kwamen om te genezen van wonden, die hun waren toegebracht door tooverzwaarden, of van giftige beten van vreeselijke draken, dan als den zetel van het keizerlijk bewind.

Wij hebben gezien hoe het grootsche onderwerp van Amadis de Galliër als een stralende zon over Spanje opging, en hoe het door het geknoei van prulschrijvers onderging in onbeduidendheid, tot ergernis van de meer ontwikkelden en tot spot van de groote menigte. Het is alsof het onvergelijkelijke Engelsche epos van Koning Arthur, het verheven heldendicht over de daden van hen, die

»Streden in Aspremont of Montalban,

Damascus, of Marocco, of Trebizonde,«

verkracht zou worden door minderwaardige schrijvers. Wij kunnen er den God der letterkunde niet dankbaar genoeg voor zijn, dat deze heerlijke Britsche verzen aan zulk een lot ontsnapt zijn, ofschoon wij erkennen moeten, dat dit slechts louter toeval is. De vervolgboeken van Amadis worden steeds minder in kwaliteit, totdat zij tenslotte niets meer zijn dan flauw gewauwel. Maar dit alles kan niets wegnemen van den glans, die van het oorspronkelijke werk afstraalt, evenmin als de avond de herinnering aan den lichten morgen kan verduisteren. Wel ontaardt de hoffelijke welbespraaktheid der hoofdpersonen van het oorspronkelijke werk in geschetter, de fijne en beminnelijke fantasie van Amadis in onuitsprekelijk laag bij de grondsche bedenksels, en wordt de teere schoonheid, die zoo bekoorlijk is in de eerste liefdes-idylle tot een grof maakwerk. Maar een kunstwerk mag niet beoordeeld worden naar zijne imitaties. Met uitzondering van het Vijfde Boek, zijn de Amadis-romances als oleographieën naast een heerlijk schilderij. Grof van uitvoering, schel van kleuren, slordig van lijn, en als geheel onaesthetisch, zijn zij geschikter voor keukenversiering dan voor een museum. Toch mogen wij deze uitingen niet voorbijgaan, wanneer wij de Spaansche romances behandelen, want zij leeren ons iets, waarmede wij ook in de twintigste eeuw nog ons voordeel kunnen doen: Wanneer een volk berust in zijn letterkundig verval, en geniet van waardeloozen en onechten geest, dan heeft het opgehouden een eerste plaats te bekleeden in de rij der volkeren. De literatuur is een uiting der volksziel, en wat moeten wij zeggen van een benepen ziel, die zich uit in kinderachtige verhaaltjes, de weerspiegeling van een bekrompen en ongezonden geest? Hebben wij geen Cervantes om dit onwaardige product te vernietigen met zijn uitbundig gelach? Moeten ook de andere volken niet hun voordeel doen met de les, die Amadis ons leert? Nooit was Spanje zoo groot als in den tijd, toen zijn eerste boeken de ridderlijkheid van het volk verhieven tot een nationale deugd; en nooit was het zoo klein als in het tijdperk, waarin de drukpersen van Burgos, Valladolid en Saragossa die steden bedolven onder de voortbrengselen van een groven geest, handelsartikelen, die slechts dienden tot het verrijken der uitgevers, en die met geestdrift werden ontvangen door een op sensatie belust publiek.