WeRead Powered by ReaderPub
Legenden en Romances van Spanje cover

Legenden en Romances van Spanje

Chapter 92: Calaynos.
Open in WeRead

About This Book

De tekst geeft een overzicht van de Spaanse romantische literatuur, waarbij bronnen en vormen worden behandeld, van cantares de gesta en het Poema del Cid tot ridderromans als Amadis de Gaula en de Palmerin-cycli. Hij analyseert regionale varianten, waaronder Catalaanse stukken, Moorse beïnvloede vertellingen en middeleeuwse balladen, en bevat vertalingen van representatieve romances en balladen. De auteur bespreekt oorsprongsvraagstukken, de wisselwerking tussen historische gebeurtenissen en folkloristische elementen en debatten over Moorse invloed op de romanceros. Latere hoofdstukken verzamelen verhalen over hekserij en toverij, magische motieven en humoristische volksromances, ondersteund door aantekeningen over taal, structuur en muzikaal-poëtische context.

Hoofdstuk VII: Roderick, de laatste der Gothen.

Nog gistren was ik Spanje’s Vorst—mijn rijk werd mij ontroofd.

Nog gistren in mijn heerlijk slot—waar leg ik nu mijn hoofd?

Waar gistren honderd pages nog zich bogen voor mij neer,

Daar dient vandaag d’onttroonden vorst geen enkle schildknaap meer.

Lockhart: Spaansche Balladen.

De tragische en rumoerige geschiedenis van de wijze, waarop Spanje overging in de handen der Mooren, is stellig een onderwerp, dat waard is behandeld te worden door een groot dichter; maar of het de nationale trots beleedigde, of dat het Castiliaansche temperament er zich niet door aangetrokken gevoelde, het is zeker, dat dit gedicht ongeschreven bleef. Weinig geschiedkundige gebeurtenissen leenen zich zóó tot de schildering der diepere menschelijke hartstochten als de episode, die eindigde met het verraad van een geheel land uit persoonlijke wraakzucht. Het betreft eenzelfde ramp als die, welke Aeschylus bewoog, zijn ontroerend en grootsch drama Elektra te schrijven. Toch vindt men deze geweldige gebeurtenis slechts beschreven in een dorre Spaansche kroniek en in het onbeteekenende gedicht van Southey, Roderick, de Laatste der Gothen, dat geïnspireerd is door een onware voorstelling van dit gedeelte der geschiedenis.1

Voordat wij het romantisch materiaal nader beschouwen, dat begraven ligt in De Kroniek van Roderick, met de Verwoesting van Spanje, moeten wij eerst de geschiedenis van den ondergang van het Gothische rijk in Spanje nagaan, met behulp van die gegevens, waarvan wij mogen veronderstellen, dat zij ons betrekkelijk juist inlichten over het geval. Deze gegevens vinden wij in de Algemeene Kroniek van Spanje en in het werk van de Moorsche geschiedschrijvers. Waarschijnlijk zijn de feiten, die betrekking hebben op deze treffende gebeurtenis, in het kort als volgt:

Van het tijdstip af van de vestiging der Mahomedaansche Arabieren in Mauretanië, had hun vloot herhaaldelijk de kusten bestookt van Andalusië, onder welken naam het geheele Spaansche Schiereiland bij hen bekend was. Er ontstond een vijandschap tusschen de Spaansche Gothen en de Moorsche Arabieren, die niet slechts werd aangewakkerd door het verschil van godsdienst, maar ook door de omstandigheid, dat de vesting Ceuta in Mauretanië nog in Gothische handen was gebleven. Deze buitenpost van het Gothische rijk werd behouden door het beleid en den moed van Graaf Julianus, een beproefd veldheer, die erin slaagde, de vesting te verdedigen tegen een geweldige overmacht. Destijds heerschte er over Spanje een zekere Don Roderick, die het recht op den troon blijkbaar niet door geboorte verkregen had. Zijn voorganger Witiza had Rodericks vader, den gouverneur van een of andere provincie, gedood, en hetzij om te voldoen aan zijn zucht naar wraak, hetzij zuiver uit persoonlijke eerzucht, slaagde Roderick erin, met voorbijgaan van de aanspraken der beide zonen van Witiza, zelf den troon te bemachtigen. Waar echter de Koning der Gothen in Spanje nog door de edelen van het land gekozen werd, is het zeer goed mogelijk, dat Roderick op rechtmatige wijze den troon bestegen heeft. Waarschijnlijk was Graaf Julianus een lid van de partij aan welker hoofd de koninklijke broeders stonden en zocht hij, inziende dat hij Roderick niet door wapengeweld van den troon zou kunnen stooten, de hulp van diens Moorsche vijanden, om hem ten val te brengen.

De geschiedenis weigert echter terecht of ten onrechte aan te nemen, dat slechts nuchtere politieke overwegingen Graaf Julianus tot deze onwaardige daad brachten, en zij geeft een veel romantischer verklaring van zijn verraderlijke handelwijze: Roderick zou dan een slecht en ontaard vorst zijn geweest. Hij ontbrandde in een hevige hartstocht voor Cava, de jonge en schoone dochter van Graaf Julianus, en verleidde en onteerde haar. Woedend en wanhopig over de wandaad van Roderick, besloot Julianus oogenblikkelijk tot een gruwelijke wraak; hij stelde zich niet tevreden met de overgave van de vesting, die hij zoo lang tegen een machtigen vijand verdedigd had, maar haalde Musa, den Moorschen Koning of Satraap over, een inval te doen in Spanje; en om zijn bondgenootschap met de heidenen nog te versterken, nam hij zelfs hun godsdienst en hunne levensgewoonten aan. Hij lichtte Musa in over de natuurlijke gesteldheid van zijn vaderland, legde den nadruk op den weerloozen toestand er van, de losbandigheid en ontaarding der soldaten, en het gebrek aan voldoende bewaking der steden. Musa begreep, dat hem hier een gunstige gelegenheid geboden werd het Arabische gebied uit te breiden, en hij vaardigde een gezantschap af naar Walid, den Kalif en zijn leenheer, om hem zijn oordeel te vragen over een dergelijke onderneming. Walid moedigde dit avontuur zeer aan. Maar Musa was niet alleen een dapper en ondernemend soldaat, maar ook een sluw en voorzichtig veldheer, en inplaats van een groote vloot af te sturen op een land van welks legersterkte hij slechts weinig afwist, stelde hij zich tevreden met in Juli van het jaar 710 een aanval te doen op de Spaansche kust, om als het ware eerst poolshoogte te nemen van de krijgskunst zijner tegenstanders. De expeditie bestond uit vijfhonderd man, die, nadat zij te Tarifa geland waren, ongeveer achttien mijlen door Spaansch gebied naar het kasteel en de stad van Julianus marcheerden. Daar voegden zich de trouwelooze volgelingen van dezen edelman bij hen, en zonder eenigen tegenstand te ondervinden keerden zij met buit beladen naar Afrika terug.

Aangemoedigd door het succes dezer eerste onderneming, brachten de Saracenen nu een leger van vijfduizend man bijeen en zij landden in het voorjaar van 711, onder het bevel van een zekeren Tarik, op Spaanschen boden, op een plaats, die nog steeds den naam van hun aanvoerder draagt, nl. Gibraltar; want Gebel al Tarik beteekent »De Berg van Tarik«. Zij versloegen zonder veel moeite een Spaansche legermacht onder Edeco. Maar Roderick, die nu ook begon in te zien, dat zijn troon wankelde, riep zijne vasallen te zamen, wier aantal bijna honderdduizend man moet hebben bedragen. Intusschen had Tarik zijn leger versterkt, maar hij kon niet meer dan twaalfduizend Moorsche soldaten aanmonsteren, bij welk leger zich een afdeeling Afrikanen en afvallige Gothen voegde. De legers ontmoetten elkanders bij Cadix, en de Gotische troepen werden aangevoerd door Roderick zelf, die schitterend uitgedost in zijn vorstelijke kleedij van zilver- en goudborduursel, achterover leunde in een kostbaren wagen, die door witte muilezels getrokken werd. De Gothen overwonnen louter door de overmacht van hun aantal, en bij het eerste samentreffen werden zestienduizend hunner vijanden verslagen. Maar Tarik spoorde zijne ontmoedigde troepen aan, door hen erop te wijzen, dat een terugtocht onmogelijk was: »Vóór u is de vijand«, zeide hij, »achter u ligt de zee. Waarheen zoudt gij vluchten? Volgt mij, broeders, ik zal dien Koning der Gothen verdelgen of zelf ondergaan.«

Roderick’s lot.

Er naderde echter uitkomst voor de Mooren, want de beide zonen van Witiza, die de voornaamste posten in het Spaansche leger bekleedden, scheidden zich plotseling van de troepen af. Dit veroorzaakte een geweldige paniek. Roderick sprong op zijn strijdros Orelia, en trachtte daarmede de Guadalquivir over te zwemmen, zijn diadeem en vorstelijke kleederen op den oever achterlatende; maar het gelukte hem niet den overkant te bereiken, en hij verdronk. Op aandringen van Graaf Julianus rukte Tarik op naar Toledo, dat zich echter drie volle maanden staande hield, en hij zond een leger uit om het koninkrijk Granada te heroveren. Deze onderneming gelukte en Toledo gaf zich over, nadat de Moorsche bevelhebber de inwoners verzekerd had, dat zij de stad mochten verlaten met behoud hunner bezittingen, een belofte, die trouw werd nagekomen. De Joden, die voornamelijk de heidensche aanvallers hadden bijgestaan, werden rijkelijk door hen beloond, en zij sloten een bondgenootschap met hen, dat bleef bestaan, totdat beiden na verloop van tijd uit het land werden verdreven. Van Toledo zette Tarik zijne veroveringstochten voort over Castilië en Leon en trok hij in Noordelijke richting verder tot aan de stad Gijon in Asturië, waar zijn voortgang werd gestuit door de Golf van Biskaje. In enkele maanden was geheel Spanje feitelijk een Mohamedaansche provincie geworden, en alleen in de valleien van Asturië hield een troepje Gothische soldaten nog stand tegen den overwinnenden Moor.

Nu mogen wij het pad der zuivere historie verlaten, om den meer schilderachtigen, zij het dan ook minder veiligen weg der romance te gaan bewandelen. De kronieken vermelden de gruwelijke verdorvenheid van Don Roderick, en zij verhalen hoe de door Julianus aangestookte inval der Mooren den karakterloozen Koning als een donderslag trof. De strijd met de Saracenen wordt beschreven, en de vlucht van Roderick wordt in de somberste kleuren afgeschilderd. Maar zooals de volksoverlevering weigerde te gelooven, dat Arthur op dien gedenkwaardigen dag bij Camelot sneuvelde, of dat Jacob IV van Schotland op het slagveld van Flodden, en Harold bij Hastings hun einde vonden, zoo weigerde zij ook den dood van Roderick aan te nemen. Het is den mensch aangeboren, zich te verzetten tegen het denkbeeld, dat een beroemd legeraanvoerder werkelijk is heengegaan; en zijn er, zelfs nog in onzen tijd, niet legenden in omloop geweest met betrekking tot den diep betreurden Lord Kitchener?

De overlevering vermeldt dan, hoe Roderick, toen hij op het punt stond zich in de golven der Guadalquivir te storten, plotseling beschenen werd door een hemelsch licht en hoe een innerlijke stem hem bezwoer te blijven leven, om boete te doen voor zijne zonde. Hij volgde den raad van deze stem op, ontdeed zich van de teekenen zijner koninklijke waardigheid, trok de eenvoudige kleederen van een gesneuvelden boer aan, en verliet heimelijk het slagveld. Gedurende den geheelen nacht liep hij door, gekweld door de vreeselijkste visioenen van goddelijke wraak. Waarheen hij den blik wendde, overal zag hij de gruwelijke gevolgen van zijn nederlaag. En verder strompelende over de slagvelden, werd hij diep getroffen door de tooneelen van verwoesting. Na zeven dagen kwam hij eindelijk bij het klooster Canlin aan, dat gelegen was aan de oevers van de rivier Ana, in de nabijheid van Minda. Het klooster was geheel verlaten, maar de rampzalige vluchteling wierp zich voor het altaar neder, om in gebed zijn noodlot af te wachten, want hij was er vast van overtuigd, dat de heidenen hem zouden opsporen en dooden. Hij voedde de lampen met olie, en verliet slechts zoo nu en dan het altaar, om te zien of de Saracenen naderden. Hij lag voor het crucifix geknield, en omvatte de voeten van het beeld des Verlossers, terwijl hij bloedige tranen van het diepste berouw schreide. Terwijl hij daar in het stof gebogen terneder lag, bemerkte hij, dat iemand de kapel was binnengetreden, en toen hij de oogen opsloeg, in de hoop, dat het kromme zwaard van een Moorsch soldaat hem den verlossenden dood zou brengen, zag hij tot zijn verbazing een monnik, die hem vriendelijk toesprak en hem zeide, dat hij naar het klooster, dat hem vijf en zestig jaren tot woonplaats had gediend, was teruggekeerd in het vertrouwen, dat hij zou mogen sterven door de hand van een heiden, en dat hij op deze wijze den martelaarskroon zou verwerven.

Roderick openbaarde den monnik wie hij was, en de vrome man, die diep getroffen was door den toon van innig berouw die uit zijne woorden sprak, knielde naast hem neder, en verleende den rampzaligen vorst gedurende den langen nacht geestelijken bijstand. Hij zeide hem, dat hij moest blijven leven, werkende aan het heil zijner ziel; en toen de morgen aanbrak verlieten de oude priester en hij, die gisteren nog een der machtigste koningen van het Christendom was geweest, de kapel, om hun moeilijken weg te gaan.

De vrome monnik bracht den onttroonden Koning naar een hut, waar hij hem verder geestelijken raad gaf en hij beval hem op deze plaats te blijven, zoo lang dit God zou behagen. »Wat mij betreft«, sprak hij, »over drie dagen zal ik uit deze wereld scheiden; dan moet gij mij begraven, mijne kleederen aantrekken en tenminste een jaar hier blijven om honger en koude en dorst te lijden uit liefde voor onzen Heer, opdat Hij zich over u ontferme.« Zooals de kluizenaar voorspeld had, gaf hij drie dagen later den geest. Roderick was diep bedroefd over zijn dood; hij maakte zich dadelijk gereed om zijn laatste wenschen uit te voeren, en groef met zijn bloote handen en met behulp van een boomtak een graf voor den vromen monnik. Toen hij hem aan de aarde wilde toevertrouwen, zag hij, dat de doode kluizenaar een papierrol in de hand had, die beschreven was met raadgevingen omtrent zijn toekomstige levenswijze in de kluizenaarshut. De onttroonde Koning las het geschrift met groote aandacht, en hij besloot de aanwijzingen nauwkeurig te volgen.

Maar Satan was niet van plan den Koning ongehinderd te laten arbeiden aan de redding zijner ziel, en hij verscheen hem dienzelfden nacht, terwijl hij bezig was den kluizenaar in het graf te leggen. Hij kwam in de gedaante van een priester, zijn gelaat was verborgen in de monnikskap, terwijl een lange witte baard hem een eerwaardig voorkomen gaf, en hij leunde op een stok, alsof hij kreupel was. Roderick dacht, dat hij een vriend van den dooden kluizenaar was en wilde hem de hand kussen, maar de Booze week achteruit en zeide: »Het zou niet gepast zijn, wanneer een Koning de hand zou kussen van een eenvoudig dienaar van God.« Toen de Koning bemerkte, dat zijn bezoeker bekend was met zijne omstandigheden, hield hij den Duivel voor een heilige, die zich op deze wijze aan hem openbaarde. »Helaas«, zeide hij, »ik ben geen Koning, maar een ellendige zondaar, van wien het beter zou zijn geweest indien hij nooit geboren ware, zooveel wee is over het land gekomen door mijn misdaad.«

»Gij zijt niet zoo schuldig als gij wel meent«, antwoordde Satan, »want de ramp, waarover gij spreekt, zou in ieder geval het land getroffen hebben, God heeft het zoo gewild, en het was niet uw schuld. Dit zijn niet mijn woorden, maar het is de geest van God, die door mijn mond spreekt.« De Booze zeide daarna, dat hij den langen weg van Rome te voet had afgelegd om Roderick in zijn strijd bij te staan, en toen de Koning dit hoorde, was hij zeer verheugd en luisterde met grooten eerbied naar de woorden, die Satan sprak en die ten doel hadden den invloed van den dooden kluizenaar door allerlei drogredenen te vernietigen. Maar toen de Koning den pseudo-heilige verzocht hem te helpen bij het begraven van het stoffelijk omhulsel van den kluizenaar, was hij zeer verbaasd, hem niettegenstaande zijn voorgewende kreupelheid de vlucht te zien nemen.

Den volgenden middag kwam de duivel terug met een mand vol van de heerlijkste spijzen en dranken. Maar de doode monnik had Roderick bevolen, niets anders te eten dan het grove brood, dat de herders hem éénmaal per week zouden brengen; en gedachtig aan dit bevel, weerstond hij den verleider. Het gesprek tusschen den Koning en Satan wordt dan verder met de gebruikelijke middeleeuwsche langdradigheid uitgewerkt, en is een getrouwe afspiegeling van de haarkloverij en het theologische geredekavel van dien tijd. Maar zelfs van een schrijver uit de middeleeuwen zou men hebben mogen verwachten, dat hij het onderhoud van den Koning met den Heiligen Geest zou hebben weggelaten, en wat dit betreft volsta ik dan ook met de vermelding, dat op een woord van den Heiligen Geest de Booze ontvluchtte in zijn ware gedaante van een vreeselijken duivel.

De krijgslist van Satan.

Maar de Booze gaf het nog niet op, want op zekeren avond, toen de zon onderging, zag de koninklijke kluizenaar iemand naderen, die met groot vertoon van pracht en praal aan het hoofd reed van een gewapenden troep. Toen de stoet dichterbij kwam, herkende Roderick tot zijn verbazing in den aanvoerder Graaf Julianus, die hem naderde met groot eerbetoon, hem de hand wilde kussen, en zich, zijn verraad volledig bekennende, aan den wraak en de rechtvaardigheid van den Koning overgaf. De pseudo-Julianus smeekte hem op te staan en weer de plaats in te nemen, die hem toekwam aan het hoofd der Spaansche troepen, opdat de heidenen uit Spanje verdreven zouden worden. Maar Roderick, die een nieuwe duivelsche list vermoedde, schudde het hoofd en verzocht Julianus zelf het opperbevel over het Gothische leger te aanvaarden, daar zijn gelofte hem niet toestond zich langer met wereldsche zaken bezig te houden. Julianus keerde tot zijne volgelingen terug, onder wie Roderick verscheiden ridders ontdekte, van wie hij dacht, dat zij gesneuveld waren, en dezen ondersteunden met warmte het verzoek van hun aanvoerder. Maar toen de helsche machten zagen dat zij hun pleit niet konden winnen, trokken zij zich terug naar de lager gelegen vlakte, waar zij zich opstelden in gevechtspositie, alsof zij een vijandelijken aanval afwachtten. En zie! daar rukte een menigte pseudo-heidenen voorwaarts, zoodat er een vreeselijk bloedbad volgde. Het scheen den Koning, die in angstige spanning het schouwspel gadesloeg, dat zij, die het Christelijk leger voorstelden, de heidenen op de vlucht dreven, en er kwamen ijlboden naar de kluizenaarshut met de mededeeling, dat zijne troepen een schitterende overwinning hadden behaald. Maar toen de haan kraaide, verdween het geheele schouwspel van den veldslag als rook in den wind, en toen wist de Koning, dat hij ten tweeden male de verlokkingen des Duivels had weerstaan.

Don Roderick in verzoeking gebracht door een Schijnbeeld van Cava.

Gedurende drie maanden liet Satan Don Roderick nu met rust; maar na verloop van dien tijd zond hij hem een beproeving, die zwaarder was dan alle verleidingen, die hij tot nu toe had weerstaan. Terwijl hij zijne gebeden opzegde op het uur van de vesper, zag hij een stoet ruiters in de richting van zijn hut komen, en toen zij daar stilhielden en afstegen, kwam een jonkvrouw op hem toe in de gedaante van dezelfde Cava, de dochter van Graaf Julianus, die hij zulk een gruwelijk onrecht had aangedaan. Bij haar aanblik stond het hart van den rampzaligen Koning bijna stil, maar voordat hij een woord kon uitbrengen, vertelde zij hem, dat haar vader het zwaard tegen de Mooren gekeerd had, en hen had overwonnen; dat Eliaca, de echtgenoote des Konings, gestorven was, dat een monnik haar bevolen had, Don Roderick op te sporen en hem zoo spoedig mogelijk te huwen, en dat hij haar voorspeld had, dat zij het leven zou schenken aan een zoon, Elbersan genaamd, die de geheele wereld onder den scepter van Spanje zou brengen. Toen Roderick deze woorden hoorde, begon hij vreeselijk te beven, want hij had Cava zeer liefgehad. Zij gaf hare dienaren bevel, een tent op te slaan in de nabijheid van de kluizenaarshut en de leden van haar gevolg richtten een overvloedig maal aan. Toen de Koning haar groote schoonheid aanschouwde, sidderde hij, alsof hij door een beroerte was getroffen, maar hij vouwde zijne handen in gebed en wendde zich tot God, smeekende, dat Hij deze verzoeking aan hem zou laten voorbijgaan. Toen hij het teeken des Kruises maakte, ontvluchtte de valsche Cava hem, luidkeels schreeuwende, en de helsche machten, die haar vergezelden, volgden haar in zulk een hevige verwarring en met zulk een geweld, dat het scheen alsof de wereld verging. Nogmaals waarschuwde de Heilige Geest Don Roderick, op zijn hoede te zijn voor de listen des Duivels, en tot laat in den nacht stortte de berouwvolle, maar zegevierende Koning zijn dankbaar hart uit in gebeden tot God, die hem in Zijne goedertierenheid verlost had van den Booze.

De dood van Roderick.

De tijd naderde, waarop de Koning de plaats zijner afzondering zou verlaten, waar hij zoo menige vreeselijke verzoeking had weerstaan. Hij volgde de richting van een wolk, die hem leiden zou, gordde zijne lendenen en begaf zich op reis. Voordat de avond van den eersten dag viel, kwam hij bij een andere kluizenaarswoning, waar hij bleef overnachten. Na een reis van twee dagen bereikte hij een klooster, waarvan de naam niet genoemd wordt in de kroniek, en dat bestemd was zijn laatste rustplaats te zijn. De Abt van het klooster beval hem, naar een bron te gaan, die zich in de nabijheid der hut bevond, die hem als woonplaats werd aangewezen, en waar hij een gladden steen zou vinden. Dezen moest hij optillen en hij zou daaronder drie kleine slangen vinden, van welke de één twee koppen had. Deze tweehoofdige slang moest hij in een flesch plaatsen en haar in het geheim voeden, zoodat niemand van haar bestaan afwist; zij zou verborgen moeten blijven, totdat zij groot genoeg zou zijn, om haar lichaam langs den wand der flesch in drie kronkels te leggen en dan den kop naar buiten te steken. Dan moest hij haar in een graf leggen en er zelf ontkleed naast gaan liggen, want dit zou volgens den wil van God zijn boete zijn; dit alles had een stem den Abt geopenbaard in de kapel van het klooster.

Roderick volgde nauwgezet de voorschriften van den Abt op; hij vond de slang en wachtte geduldig totdat het tweehoofdige dier in de flesch tot vollen wasdom gekomen was. Toen ontkleedde hij zich in tegenwoordigheid van den Abt, en zocht het graf op, waarin hij zich nederlegde. Daarna nam de Abt een hefboom en plaatste daarop een grooten steen. Nadat de Koning daar drie dagen gelegen had, terwijl de Abt onder gebed de wacht hield, hief de slang hare koppen in de hoogte, en begon met één kop zijn zondige natuur en met het andere zijn hart te verslinden. Roderick lag onder vreeselijke kwellingen ter neder, maar ten slotte doorboorde de slang het hart, waarop de Koning onmiddellijk zijn geest aan God gaf, die in zijn Heilige Barmhartigheid hem in Zijn Heerlijkheid opnam. En in zijn stervensuur begonnen alle klokken van het klooster te luiden als werden ze door menschenhanden bewogen.

Zoo eindigt in den eigenaardigen geest van middeleeuwsche mystiek het droevige verhaal van Don Roderick van Spanje. Wie zal de diepe beteekenis verklaren van het slot dezer legende, tenzij men, zooals Thomas Newton in zijn Notable History of the Saracens gelooft, »dat de slang met de twee koppen beteekent zijn zondig en schuldig geweten?« Requiescas in pace, Domine Roderice!


1 Tenzij wij een uitzondering maken voor de Anseis de Carthage—een romance, die den ondergang van Spanje toeschrijft aan een zoon van Karel den Groote, wiens daden overeenkomen met die van Roderick. De Anseis is een Fransch werk.

Hoofdstuk VIII: »Calaynos de Moor«, »Gayferos« en »Graaf Alarcos«.

Ik neem deze drie romances te zamen in dit hoofdstuk, niet alleen omdat zij blijkbaar bij het publiek van het Oude Spanje in zulk een hooge gunst hebben gestaan, maar ook, omdat zij een juister beeld geven van den smaak en de gezindheid der bevolking, dan andere romances van dezelfde soort; wanneer zij tenminste niet op zichzelf een afzonderlijke groep vormden, wat ik altijd verondersteld heb op grond van het feit, dat in alle Castiliaansche verhandelingen over de romance, deze drie gedichten te zamen worden vermeld. Hieruit meen ik te mogen opmaken, dat deze drie romances een eigen genre vertegenwoordigden. Zij ademen dien geest van ernst en strengheid, die zoo kenmerkend is voor de zuiver Spaansche letterkunde, en tenminste in één dezer drie gedichten vindt men zoo duidelijk de atmosfeer van groote droefheid en van wreedheid, die slechts wordt opgewekt door Latijnsche en Grieksche treurspelen. Want zelfs niet de grootste meesters van het Noorden, Marlowe noch Massinger, Goethe noch Shakespeare, zijn er in geslaagd, met zulke sombere kleuren hunne tooneelen af te schilderen, als de Spanjaarden Calderon of Lope dat hebben gedaan.

Calaynos.

Calaynos, een van de beroemdste Moorsche ridders, is de held van verscheidene berijmde romances. Maar de meest bekende daarvan is de Coplas de Calainos, waarvan Lockhart zulk een goed geslaagde vertaling heeft geleverd in zijn Spaansche Balladen.

De Moorsche ridder, zoo verhaalt de romance, was verliefd op een jonkvrouw van zijn eigen ras, en om haar gunst te winnen, bood hij haar uitgebreide landerijen en ontzaglijke rijkdommen aan. Maar in haar overmoed weigerde zij deze eenvoudige hulde, en zij eischte van hem de hoofden van drie der dapperste ridders der Christenheid: Rinaldo, Roland en Olivier! Calaynos kuste haar tot afscheid en begaf zich oogenblikkelijk op weg naar Parijs. Daar aangekomen ontplooide hij de Moorsche banier voor de St. Janskerk en blies luid op zijn hoorn, waarvan Karel de Groote en zijne twaalf ridders dadelijk den klank herkenden, terwijl zij op jacht waren in het woud, dat eenige mijlen van de stad verwijderd was. Korten tijd daarna ontmoette de koninklijke stoet een Moor, en de Keizer vroeg hem uit de hoogte, hoe hij het durfde wagen zijn groenen tulband binnen de grenzen van zijn rijk te vertoonen. De Moor antwoordde, dat hij in dienst was van Calaynos, die Karel den Groote en al zijne ridders uitdaagde, en die hun aanval in Parijs afwachtte. Toen zij terugreden om met den overmoedigen heiden te strijden, stelde Karel de Groote Roland voor, dat deze Calaynos zou tuchtigen; maar de trotsche ridder meende, dat dit de taak behoorde te zijn van een of anderen saletjonker, daar hij het beneden zijn waardigheid vond met één enkelen Moor te vechten. Heer Boudewijn, de neef van Roland, blufte, dat hij den groenen tulband van Calaynos in het stof zou laten rollen; hij reed in galop vooruit en bevond zich spoedig tegenover den strengen Moorschen Vorst, die hem minachtend een plaats als page aanbood, in dienst van zijn geliefde.

Boudewijn was woedend, toen hij deze woorden hoorde; hij slingerde Calaynos zijn uitdaging in het gezicht, en riep hem toe zich gereed te maken tot den strijd. De Moor wierp zich in het zadel, richtte zijn lans op de borst van zijn tegenstander, reed in vollen draf op Boudewijn toe, en wierp hem ter aarde, waarna hij hem dwong om genade te smeeken. Maar Roland, de oom van den jeugdigen ridder, was in de nabijheid; hij zwaaide zijn geweldig zwaard en riep Calaynos toe, dat hij zich moest wapenen voor een nieuwen strijd. »Wie zijt gij?« vroeg Calaynos. »Gij draagt een kroontje op Uw helm, maar ik ken U niet.«

»Zwijg, ellendige Moor!« antwoordde Roland. »Uw laatste uur is geslagen«; en dit zeggende, reed hij in vollen draf op zijn vijand toe. De trotsche heiden viel ter aarde, en Roland sprong van zijn paard, en boog zich met getrokken zwaard over hem heen.

»Hoe heet gij, heiden?« vroeg hij, »spreek of sterf.«

»Heer,« antwoordde Calaynos, »ik dien een trotsche Spaansche jonkvrouw, die geen ander geschenk van mij wilde ontvangen dan de hoofden van de drie edelste paladijnen van Karel den Groote.«

»Zoo,« lachte Roland, »dan zijt gij een groote gek; zij kan u onmogelijk hebben liefgehad, als zij u bevolen heeft ons te trotseeren. Gij zijt hierheen gekomen om te sterven«; en met deze woorden sloeg hij hem het hoofd af, en hij vertrapte den helm met de halve maan. »Deze maan zal nooit meer opgaan boven de Seinevlakte,« riep hij uit, terwijl hij zijn zwaard in de scheede stak.

Zoo werd Calaynos bedrogen door den overmoed van een jonkvrouw en door zijn eigen trots. Deze geschiedenis is natuurlijk zeer onwaarschijnlijk, want het is niet denkbaar, dat een Moorsch ridder ooit met zulk een opdracht naar Parijs is gekomen. Maar het verhaal draagt een zeer menschelijk karakter en is niet zonder zedelijke strekking.

Gayferos.

Gayferos is een geliefde figuur in de Spaansche romantiek; zijn geschiedenis hangt samen met den cyclus van Karel den Groote, en werd opgenomen in de pseudo-kroniek van Aartsbisschop Turpinus. Ofschoon hij een Fransch ridder was, schijnt hij bijzonder aantrekkelijk te zijn geweest voor den Castiliaanschen geest, hetgeen hij waarschijnlijk te danken had aan de omstandigheid, dat hij zeven jaren heeft gezocht naar zijn vrouw, die zich in Spaansche gevangenschap bevond. Gayferos van Bordeaux was een bloedverwant van Roland, den onoverwinnelijken held uit de Chansons de gestes, en hij was gehuwd met Melisenda, een dochter van Karel den Groote. Kort na haar huwelijk werd de dame geschaakt door de Saracenen, en in een versterkte toren te Saragossa opgesloten. Gayferos was vastbesloten haar uit de macht der heidenen te bevrijden, en dus begaf hij zich op weg om zijn vrouw te zoeken. Maar na zeven lange jaren was hij er nog niet in geslaagd de plaats te vinden, waar zij gevangen zat. Hij reisde van provincie naar provincie, van kasteel naar kasteel in het zonnige Spanje, totdat hij eindelijk, ontroostbaar en terneergeslagen, naar Parijs terugkeerde. In de hoop, de herinnering aan zijn verlies te dooden, stortte Gayferos zich in de vermaken van het Hof. Op zekeren dag zag Karel de Groote hem met den admiraal des Keizers dobbelen, en hij zeide tot hem: »Hoe nu, Gayferos, verspilt gij uw tijd met kinderachtige spelen, terwijl uw vrouw, mijn dochter, in gevangenschap zucht? Indien gij even bekwaam waart in het hanteeren der wapenen als in het dobbelen, zoudt gij u haastig op weg begeven, om uw vrouw te bevrijden.« Deze terechtwijzing van den Keizer was onverdiend, want hij had juist gehoord, waar Melisenda gevangen gehouden werd, terwijl Gayferos nog niet bekend was met haar verblijfplaats. Maar toen hij van Karel den Groote den naam van het kasteel gehoord had, begaf hij zich haastig naar zijn oom Roland, en vroeg hem wapenen en een paard.

Toen Roland de verslagenheid van zijn neef zag, gaf hij hem zijn eigen beroemde wapenen en zijn liefste paard; en zóó uitgerust, reisde Gayferos ten tweeden male naar Spanje. Eenigen tijd daarna kwam hij te Saragossa aan, en daar hij bij de poorten niet werd tegengehouden, reed hij regelrecht naar het kasteel, waar zijn vrouw gevangen werd gehouden. Zij ontdekte hem van uit haar venster, en smeekte hem, indien hij een Christelijk ridder was, eenig bericht van haar aan haar echtgenoot Gayferos te brengen:

»Zeven jaren in deez’ toren heb ik Gayferos gewacht,

Die in vreugd, bij dans en spelen heeft die jaren doorgebracht,

Die zijn gade Melisenda heeft vergeten tot haar smart;

Toch draag ik zijn beeld nog immer in mijn liefdevolle hart.«

Maar hij richt zich op in ’t zadel: »Eedle Vrouwe, klaag niet meer,

Hier beneden voor uw venster staat uw echtgenoot en heer.

Spring in ’t zadel uit den toren! in mijn armen, aan mijn borst,

Voer ’k u veilig uit de landen van den wreeden Moorschen vorst.«

Melisenda sprong uit het venster in de armen van haar trouwen ridder, die haar in het zadel hief en spoorslags met haar wegreed om de poorten der stad te bereiken. Maar een Moor, die getuige was geweest van de ontvoering, blies alarm, en de vluchtelingen werden spoedig achtervolgd door zeven colonnes ruiters.

De afstand tusschen de vluchtelingen en de Mooren werd steeds kleiner, maar op het kritieke oogenblik herkende Melisenda het paard waarop zij reden als dat van Roland, en zij herinnerde zich, dat wanneer men zijn buikriem losmaakte, zijn borstharnas opende en de sporen in zijne zijden drukte, men hem zonder eenig gevaar voor de berijders over elke hindernis kon laten heenspringen. Haastig deelde zij haar echtgenoot dit mede, en toen hij op haar aanwijzing gehandeld had, stuurde hij het ros naar de stadsmuur, waar het met het grootste gemak over heensprong. Toen de Mooren dit zagen, gaven zij natuurlijk de verdere vervolging op. Kort daarna keerden Gayferos en zijn vrouw te Parijs terug, en hun verder leven was even gelukkig als hun verleden droevig was geweest.

Graaf Alarcos.

Somber, tragisch en vol afwisseling is de geschiedenis van Graaf Alarcos, een romance van een onbekend schrijver. Zij werd in het Engelsch vertaald door Lockhart en door Bowring, en beide vertalingen hebben veel overeenkomst met elkaar, daar de bewerkers grooten eerbied toonden voor den geest van het origineel. De romance begint met den eenvoud, die de ware tragedie kenmerkt. De Infante Soliza, een dochter van den Koning van Spanje, was in het geheim gehuwd met Graaf Alarcos, maar hij had haar verlaten terwille van een andere vrouw, bij wie hij verscheidene kinderen had. In haar wanhoop en schaamte over haar verleiding, trok de ongelukkige prinses zich van de wereld terug, en bracht hare mooiste levensjaren in groote droefheid door. Haar koninklijke vader, die niets van dit geheime huwelijk wist, vroeg haar naar de oorzaak van haar leed, en zij antwoordde hem, dat zij treurde omdat zij niet gehuwd was zooals andere vrouwen van haar rang.

Graaf Alarcos ontmoet zijn vrouw en kinderen aan de poort van het kasteel.

»Dochter«, antwoordde de Koning, »dat is mijn schuld niet. Heeft de edele Prins van Hongarije U niet ten huwelijk gevraagd? Ik ken in Spanje geen edelman, die zoo hoog in rang is, dat hij u zou kunnen huwen, behalve Graaf Alarcos, en deze is reeds getrouwd.«

»Helaas«, zeide de Infante, »het is juist Graaf Alarcos die mijn hart gebroken heeft, want hij had gezworen, mij te huwen en hij beloofde mij zijn trouw, lang voordat hij met een ander in het huwelijk trad.«

Geruimen tijd zat de Koning in gedachten verzonken; eindelijk sprak hij: »Groot is uw schuld, mijn dochter, want nu is het koninklijk geslacht van Spanje in de oogen van iedereen geschandvlekt.«

Toen werd de ziel der Infante bevangen door moorddadige jalousie, en zij riep uit: »Maar de Gravin kan sterven! Moet er schande over mij komen, opdat zij gelukkig kan leven? Strooi het bericht uit, dat ziekte een eind aan haar leven gemaakt heeft, dan kan Graaf Alarcos nog met mij trouwen.«

Wanhopig over de schande zijner dochter, noodigde de Koning Alarcos op een feestmaal uit, en toen zij alleen waren, begon hij over zijn misdaad tegenover de Infante.

»Is het waar, Don Alarcos«, vroeg hij, »dat gij mijn dochter trouw beloofd hebt, en dat gij haar hebt bedrogen? Luister dan goed naar mij: Uw vrouw neemt de plaats in, die mijn dochter toekomt: zij moet dus sterven. Neen, ga niet weg! Verspreid het bericht, dat zij aan een ernstige ziekte gestorven is, en dan moet gij de Infante huwen. Gij hebt schande gebracht over uw Koning, en hij eischt van u het eerherstel, dat gij bij machte zijt te geven.«

»Ik kan niet ontkennen, dat ik de Infante bedrogen heb«, antwoordde Alarcos. »Maar ik smeek u, heb medelijden, en spaar mijn onschuldige vrouw. Straf mij zoo zwaar als gij wilt voor mijn misdaad, maar tref mijn vrouw niet.«

»Het is onmogelijk«, antwoordde de strenge oude Koning. »Ik zeg u, dat zij sterven moet, en dat nog dezen nacht. Wanneer het wapenschild van een Koning bevlekt is, doet het er niet toe, of het bloed, dat deze vlek moet uitwisschen, schuldig of onschuldig is. Ga heen, en volg mijn bevel op, of gij zult uw misdaad met uw leven betalen.«

Beangst door de gedachte aan een verradersdood, want zulk een einde was het vreeselijkste, wat een Castiliaansch edelman zich kon denken, stemde Alarcos erin toe, het bevel des Konings uit te voeren, en hij reed naar huis, wanhopig, en gekweld door het vreeselijkste berouw. De gedachte, dat hij de vrouw zou moeten dooden, die hij zoo innig lief had, de moeder zijner drie mooie kinderen, maakte hem waanzinnig van smart; en toen hij haar bij de poort van zijn kasteel ontmoette, vergezeld van hare kinderen, en zoo onverholen toonende, hoe verheugd zij was over zijn terugkeer, trok hij zich uit haar liefkoozing terug, en hij kon slechts stamelen, dat hij slecht nieuws had, dat hij haar in haar kamer zou mededeelen.

Zij nam haar jongste kind bij de hand, en bracht hem naar hare vertrekken, waar het avondmaal was neergezet. Maar Graaf Alarcos kon eten noch drinken, en hij legde het hoofd op de tafel en schreide, alsof zijn hart zou breken. Toen herinnerde hij zich zijn vreeselijk voornemen, hij grendelde de deuren, en plaatste zich met overelkaar geslagen armen voor zijn vrouw, om zijn zonde te bekennen.

»Lang geleden heb ik een jonkvrouw liefgehad,« zeide hij. »Ik beloofde haar trouw, en sloot een geheim huwelijk met haar. Zij is de dochter des Konings. Zij eischt mij voor zich op, en wil, dat ik mijn belofte aan haar nakom. De Koning, wee mij, dat ik het zeggen moet! heeft bevolen, dat gij sterven moet, en dat nog dezen avond.« »Wat,« riep de gravin verschrikt, »is dit de belooning voor mijn trouwe liefde voor u, Alarcos? Waarom moet ik sterven? O, zend mij terug naar mijn ouderlijk huis, waar ik in vrede en vergetelheid leven kan, en mijn kinderen kan opvoeden, zooals ik dat tegenover uwe kinderen verplicht ben.«

»Het is onmogelijk,« antwoordde de rampzalige Graaf; »ik heb mijn woord gegeven.«

»Ik heb geen vrienden in dit land,« riep de ongelukkige vrouw uit, »maar laat mij tenminste mijne kinderen kussen, voordat ik sterf.«

»Gij moogt het kleintje, dat aan uw borst rust, omhelzen,« kermde Alarcos; »de andere kinderen moogt gij niet meer zien. Maak u gereed om te sterven.«

De veroordeelde Gravin kuste haar kindje, prevelde een Ave, stond op en smeekte haar hardvochtigen echtgenoot, goed voor de kinderen te zijn. Zij schonk hem vergiffenis, maar legde op den Koning en zijn dochter de vreeselijke vloek, die in de middeleeuwen onder het volk bekend was als Het Gericht der Stervenden, waarvan zoo menigmaal werd gebruik gemaakt door hen, die onschuldig ter dood veroordeeld waren. Door middel van deze vervloeking riep het slachtoffer zijn moordenaars op, om binnen dertig dagen met hem voor Gods troon te verschijnen, om zich voor het aangezicht van hun Schepper te verantwoorden over hun misdaad.

De Graaf worgde zijn vrouw met een zijden zakdoek en toen de afschuwelijke daad volbracht was, en zij verstijfd terneder lag, riep hij zijne vasallen te zamen, en gaf hij zich over aan zijn groote droefheid.

Binnen twaalf dagen stierf de wraakgierige Infante onder vreeselijke pijnen; acht dagen later gaf de hardvochtige Koning den geest, en voordat de maand voorbij was, overleed ook Graaf Alarcos. Wreed en tragisch als een Grieksch treurspel is de geschiedenis van Alarcos. Maar bij het lezen ervan, en onder den indruk van de diepe ontroering, die zich daarbij van ons meester maakt, kunnen wij er moeilijk een legende in zien, en wij weten niet, voor wie wij den grootsten afschuw gevoelen: voor de wraakgierige Prinses, den wreeden Koning of den laffen echtgenoot, die zijn liefhebbende en trouwe gade opofferde aan het merkwaardige begrip van »eer«, dat onder de edellieden van dien tijd heerschte, en waarvoor bijna evenveel menschen in den dood zijn gegaan, als voor iederen anderen vorm van bijgeloof of fanatisme.

Hoofdstuk IX: De Romanceros of Balladen.

De Ilias zonder een Homerus.

Lope de Vega.

De naam romancero wordt in het moderne Spaansch eigenlijk uitsluitend toegepast op een bepaalden versvorm, een verhalend gedicht, dat geschreven is in zestienlettergrepige regels, die alle in eenzelfden assonant eindigen. Oorspronkelijk werd het woord gebruikt voor die dialecten of talen, die aan het Romaansch of Latijn verwant waren, de spreektaal dus van het oude Rome in hare moderne vormen. Later duidde men er slechts de geschreven vormen dezer talen mede aan, en ten slotte alleen maar den poëtischen lyrisch-verhalenden vorm, zooals wij reeds eerder opmerkten. De romancero verschilt dus van de romance hierin, dat zij in verzen geschreven is; en het blijkt uit hetgeen hierboven gezegd is, dat de naam »romance« ontstaan is in het overgangstijdperk, toen het woord werd gebruikt voor hetgeen geschreven werd in modern Latijnsch-Castiliaansch, Portugeesch, Fransch en Provençaalsch, onafhankelijk van de omstandigheid, of het proza of poëzie was. Wij hebben gezien, dat feitelijk alle echte romances—zooals Amadis, Palmerin en Partenopex—in proza geschreven waren, maar de romancero was vóór alles een verhaal in verzen. Zoo behooren de drie verhalen, die wij in het vorige hoofdstuk behandelden, tot de groep der romanceros—een versvorm, die, zooals wij zullen zien, even geliefd was bij de lagere volksklassen van het Schiereiland als de echte romance dat was bij den hidalgo en den caballero. De romancero was dus de volksballade van Spanje.

In een vorig hoofdstuk heb ik getracht de verschillende typen van de Spaansche ballade of romancero als volgt te schetsen:

1. Die, welke in vroeger tijd uit het volk zijn voortgekomen.

2. Die, welke gebaseerd zijn op gedeelten van de kronieken of cantares de gesta.

3. Volksballaden van betrekkelijk laten datum.

4. De latere balladen, die het uitvloeisel waren van een bewuste kunst.

Wij kunnen de Spaansche balladen verdeelen in twee groote groepen:

1. Die, welke uit het volk zijn voortgekomen.

2. Letterkundige producten.

Wat de eerste soort der romanceros betreft, ik heb er evenmin als Sancho Panza een oordeel over, hoe oud zij zijn. Over deze vraag zijn de tegenstrijdigste beweringen geuit, maar zooals ik reeds gezegd heb, het zou al heel verwonderlijk zijn, wanneer geen overblijfselen van het oude Castiliaansche volkslied in een veranderden vorm tot ons gekomen waren. Ik meen, dat het volkslied een even groote kans heeft, bewaard te blijven, als een oude gewoonte of een legende, en wij weten hoe deze in bepaalde streken onveranderd bewaard zijn gebleven. Ik zie dus niet in, waarom niet een zeker aantal oorspronkelijke Spaansche balladen tot ons gekomen zouden zijn in een veranderden vorm, zoodat degeen, die ze dichtte ze niet herkennen zou als zijn schepping; want ook de dichter van Tom de Rijmer, de oude Schotsche ballade, zou zijn werk niet meer herkennen, wanneer hij het in den lateren vorm weer onder de oogen zou hebben gekregen.

Welke geleerde argumenten, hetzij oudheidkundige, of taalkundige, men hiertegen ook zou aanvoeren, niemand zal mij deze overtuiging kunnen ontnemen. Voor sommige menschen is de oudheid een warm en levend iets, een wereld, waarvan zij de paden en gewoonten beter kennen dan van de wereld, waarin zij nu leven. Voor anderen is de oudheid—een museum. Ik heb niets tegen de beheerders van dat museum, en ik lees met genoegen hunne boeken, die een land beschrijven, dat door weinigen van hen bezocht is. Maar wanneer zij er op staan, een bewijs te weerleggen, dat geleverd is door een instinct, dat zij missen, dan worden zij vervelend. De oudheidkunde heeft, evenals de kunst, hare ingevingen, haar hoogere visie, en het is betreurenswaardig, dat zij, die deze intuitie missen, de juistheid hunner opvatting willen bewijzen door doode logica.

Daarom zal ik niets meer zeggen over den ouderdom der balladen van het Oude Spanje, maar wil ik slechts met Sancho Panza opmerken, »dat zij te oud zijn om te liegen.« Ik heb duidelijk aangetoond, dat voor een aantal balladen de stof werd geput uit de kronieken en cantares, een omstandigheid, die op zichzelf al pleit voor hun betrekkelijk hoogen ouderdom. Wij zullen ons hier niet bezighouden met de latere kunstmatige imitaties van Góngora en Lope de Vega en met andere producten van eenzelfde soort. Wij kunnen ten slotte slechts de Spaansche balladen nemen, zooals wij ze in de cancioneros vinden. Evenals de balladen van Schotland en Denemarken zijn de Spaansche balladen eeuwen geleden verzameld en uitgegeven, en in de bladzijden der cancioneros is oud en nieuw, volkslied en letterkundig product, zonder eenig oordeel des onderscheids bijeen gevoegd. Laat ons dus de geschiedenis dezer cancioneros eens nader beschouwen, deze schatkamer der dichtkunst van een volk, en laat ons hun ontwikkelingsgang volgen, om te komen tot de Spaansche ballade in het algemeen. Wanneer wij dit hebben gedaan, kunnen wij hun oorsprong behandelen met kritisch oordeel en met juist begrip.

De »Cancionero General«.

Met uitzondering van de fragmentarische verzameling van Juan Fernandez de Constantina, werd de Cancionero General of het »Algemeen Liederenboek«, zooals men het zou kunnen noemen, verzameld en uitgegeven in het begin der zestiende eeuw door een zekeren Fernando del Castillo. De balladen, die er in voorkomen zijn, noch naar tijdsorde, noch naar inhoud, stelselmatig gerangschikt, ofschoon de voortbrengselen der verschillende schrijvers gescheiden zijn gehouden. Er volgden verscheiden nieuwe uitgaven van dit werk, en telkens wanneer de verzameling werd uitgebreid, werd het nieuwe gedeelte achter het oude gevoegd. De verzameling bestaat voor het grootste gedeelte uit de balladen van schrijvers uit de vijftiende en het begin der zestiende eeuw, zooals Tallante, Nicolas Núñez, Juan de Mena, Porticarrero en den nog ouderen Markies de Santillana.

Het eerste gedeelte van het werk wordt ingenomen door geestelijke liederen (obras de devoción). Deze zijn eentonig en zeer fanatiek. De daarop volgende »zedelijke liederen« zijn al evenmin aantrekkelijk; zij geven zinnebeeldige voorstellingen van deugden en ondeugden volgens de opvattingen van een schoolsche filosofie. De liefdesgedichten uit de verzameling zijn meer eenvoudig dan poëtisch; er ontbreekt diep gevoel aan en er is iets kouds en kunstmatigs in het eeuwig herhalen van uitdrukkingen van vurige hartstocht en uitbundig leed over ongestild liefdesverlangen, vermengd met een pseudo filosofisch beroep op het verstand. Toch ontbreken ook de vroolijke, sierlijke liefdesliedjes niet in dezen bundel, zooals bv. »Muy más clara que de luna« van Juan de Meux, of »Pensamienti, pues mostrays«, van Diego Lopez de Haro. Maar ook deze ontaarden in een wijsgeerige verhandeling, en het teedere gevoel, waaruit zij geboren zijn, en waarvan hun aanvang getuigde, loopt uit in vervelende en onbeteekenende redeneeringen.

Boeiender zijn de canciones of lyrische gedichten, die al iets moderner zijn, en reeds een eigen karakter en metrischen vorm vertoonen. Zij bestaan gewoonlijk uit twaalf regels, en zijn in twee gedeelten gescheiden. De eerste vier regels bevatten de gedachte waarop het gedicht is gebaseerd, en die in de acht volgende regels wordt uitgewerkt of toegelicht. De Cancionero General bevat honderdzesenvijftig van deze gedichtjes, en sommige daarvan behooren tot het beste uit den geheelen bundel. Waarschijnlijk is hun beknoptheid wel de voornaamste oorzaak van hun poëtische waarde. Een daaraan verwante vorm is de villancico, een versje van gewoonlijk drie of vier regels, een invallende gedachte, een gedichtje, waarin een vluchtige ontroering is vastgelegd.

De »Romancero General«.

De titel Romancero General werd gegeven aan verscheiden verzamelingen van Spaansche liederen en verhalende berijmde romances, die in de zeventiende eeuw en later zijn uitgegeven. Alleen de oudere hiervan komen in aanmerking voor een nadere beschouwing. De eerste bundel der verzameling van Miquel de Madrigal verscheen in 1604; een ander werk, dat meer dan duizend romances bevat, en dat denzelfden naam draagt, werd in hetzelfde jaar uitgegeven. Zeer belangrijk is ook de verzameling van Pedro de Flores (1614). Dit is een bloemlezing, die blijkbaar is samengesteld door een boekhandelaar, maar dat doet niets af aan de waarde van het geheel; onjuist is echter de bewering van den uitgever, dat deze verzameling alle Spaansche romanceros bevat, want wij vinden er geen enkel gedicht uit de Cancionero General in. Al deze bundels bevatten een groot aantal liefdesliederen van de soort waarvan de Cancionero General er zoovele geeft; maar deze zijn voor ons niet van groote beteekenis, en onze belangstelling gaat meer uit naar de echte romanceros. Deze stammen voor het grootste gedeelte uit de vijftiende eeuw, en zij handelen voornamelijk over de burgeroorlogen van Granada, het laatste Moorsche Vorstendom in Spanje, en over de heldhaftige en ridderlijke avonturen van Moorsche ridders. Het is in dit werk, dat wij voor het eerst een Moorsch element in de Spaansche letterkunde waarnemen, waarover wij reeds in een vorig hoofdstuk spraken; maar daarmede willen wij volstrekt niet zeggen, dat deze gedichten een navolging waren van Moorsche poëzie. Maar er zijn ook vele Castiliaansche onderwerpen en verhalen in te vinden, zooals alles wat betrekking heeft op Roderick, Bernaldo de Carpio, Fernán González, de Infantes van Lara en de Cid. De meeste dezer verhalen zijn geschreven door menschen uit het volk, de laatste vertegenwoordigers van het geslacht der jùglares, die de cantares de gesta1 hadden gedicht of voorgedragen.

Van alle moderne critici is James Fitzmaurice Kelly zeker wel degeen, die het best op de hoogte is, waar het de romancero betreft. In zijn knap werk over Spaansche letterkunde voert hij ons door de belangrijkste provincies van het rijk der Spaansche dichtkunst, en wijdt hij aan de romancero ongeveer veertig bladzijden, die, zoowel om het kritisch oordeel als om de conclusies, waartoe hij komt, interessant zijn. Hij put zijn stof uit Lockhart’s Spaansche Balladen, en levert een geestige kritiek op de verzameling van den Schotschen vertaler. Een betere handleiding voor den Engelschsprekenden lezer zou moeilijk gevonden kunnen worden, want het boek van Lockhart is algemeen bekend, en werd in den tijd van Koningin Victoria in de woning van bijna elk ontwikkeld Engelschman aangetroffen. Wij zullen dus het voorbeeld van Kelly volgen, en uit de vertalingen van Lockhart de balladen, die ons het belangrijkst voorkomen, wat het onderwerp en de bewerking betreft, aan een nadere beschouwing onderwerpen. In navolging van Depping verdeelt Lockhart zijn hoofdstuk over de balladen in drie paragraphen: een Historisch, een Moorsch en een Romantisch gedeelte. Met de eerste twee groepen, of juister gezegd, met de onderwerpen daarvan, nl. Koning Roderick en Bernaldo de Carpio, hebben wij in een vorig hoofdstuk reeds kennis gemaakt.

De Cijns der Maagden.

Deze ballade heeft tot onderwerp den eisch van den Moorschen Vorst Abderahman, dat hem jaarlijks honderd Christenmaagden zouden worden gebracht. Koning Ramiro weigerde aan dezen schandelijken eisch te voldoen en trok ten strijde tegen den Moor. Twee dagen lang werd er gevochten bij Alveida en aan het einde van den eersten dag had het er allen schijn van, dat de Saracenen tengevolge van de strenge discipline die in hun leger heerschte, de overwinning zouden behalen over de Castilianen. Maar in den nacht verscheen de schutspatroon van Spanje, St. Jago, den Koning in den droom, en hij beloofde hem voor den volgenden dag zijn bijstand op het slagveld. Des morgens werd de strijd hervat, en de Heilige voerde, zooals hij beloofd had, het Spaansche leger aan, zoodat de Saracenen verslagen werden. Daarna werd de cijns der maagden nooit meer betaald.

De vertaling van Lockhart blijft ver beneden het oorspronkelijke gedicht, en Kelly wijdt er dan ook slechts weinig woorden aan.

Graaf Fernán González.

»De ontvluchting van Graaf Fernán González«, waarvoor de stof is geput uit de oude Estoria del noble caballero Fernán González, een populaire bewerking van de Cronica General (1344), is van lateren datum dan twee andere balladen, die volgens Kelly en anderen verloren zijn gegaan. Aan den naam van dezen ridder is een schat van legenden verbonden, en een reeks van romanceros werden door hem geïnspireerd. Maar moeten wij daarom aannemen, dat in elk geval, waarin een beroemde persoonlijkheid het onderwerp van balladen is, deze onveranderlijk zijn voortgekomen uit één groot heldendicht, dat zich heeft opgelost in kleinere volksliederen? Is er één zeker bewijs voor de veronderstelling, dat zulk een proces ooit heeft plaats gehad? En geeft het ontbreken van zulk een bewijs eenige zekerheid, dat het tegendeel het geval was? Praktische dichters (Voor zoover een dichter ooit praktisch zijn kan) staan eenigszins afwerend tegenover deze stelling: zij erkennen een principieel verschil tusschen den geest van het heldendicht en dien van het volkslied, en zij zijn van oordeel, dat in het geval, waarin beide hetzelfde onderwerp bezingen, de keus een toevallige was, en niet het noodzakelijk gevolg van een natuurlijk ontwikkelingsproces.

Fernán González had zijn romantische reputatie voornamelijk te danken aan zijn vrouw, die hem bij tenminste twee gelegenheden uit de gevangenis verloste. In de ballade, die deze gebeurtenissen beschrijft, wordt zij voorgesteld als een trouwe, liefhebbende gade, en een ware heldin. González was door zijne vijanden gevangen genomen en naar een vesting in Navarra gebracht. Een Moorsch ridder, die door dat land reisde, verzocht den gouverneur van het kasteel om een onderhoud met den gevangene, en daar hij hem een groote som aanbood, liet de hooge beambte zich gemakkelijk omkoopen. Toen het onderhoud geëindigd was, vertrok de ridder weer, en hij begaf zich naar het paleis van Koning Garcia van Navarra, die González had laten gevangen zetten. Een van de beschuldigingen tegen den gevangene schijnt te zijn geweest, dat hij Garcia om de hand zijner dochter had gevraagd, en het was tot deze prinses, die den gevangene heimelijk liefhad, dat de ridder de volgende woorden sprak:

De Mooren mogen juichen, maar groot is Spanje’s leed:

Zijn ridder is gevangen, die voor Castilië streed.

De Mooren overstroomen als een rivier het land,

Vervloekt de Christenkoning, die bindt González hand.

In het holst van den nacht stond de Infante op en zij begaf zich geheel alleen naar het kasteel, waar González gevangen zat; daar bood zij den gouverneur zulk een groote som aan, dat hij voor de verzoeking bezweek en het zijn gevangene mogelijk maakte te vluchten. Maar de handen van den held waren nog steeds geboeid, en toen het paar werd aangehouden door een jager-priester, die dreigde hun verblijfplaats aan de houtvesters van den Koning te verraden, indien de Infante zich niet aan hem gaf, was González niet in staat, hem te straffen zooals hij dat verdiende. Maar toen de ellendeling de prinses omhelsde, greep zij hem bij de keel, en González raapte de speer op, die hij had laten vallen, en doodde hem daarmede. Eenigen tijd daarna ontmoetten zij een afdeeling van zijne eigen manschappen, en hiermede eindigt de nacht, die zoo rijk was aan gebeurtenissen.

De Infantes van Lara.

Er zijn weinig Spaansche romanceros, die een treffender en tragischer onderwerp behandelen dan den moord van de ongelukkige Infantes of Prinsen van Lara, door hun verraderlijken oom, Ruy of Roderigo Velásquez. Fitzmaurice Kelly veronderstelt, dat één dezer romanceros is ontstaan uit een verloren heldengedicht, dat tusschen 1268 en 1344 werd geschreven, »of misschien wel uit een verloren imitatie van dit verloren heldengedicht.« Het lijkt mij vreemd toe, dat al deze gedichten verloren zouden zijn gegaan. Verder beweert hij, dat Lockhart van »krachtiger« balladen gebruik had moeten maken om een juisten indruk te geven van deze legende, maar ik vind, dat hij met deze bewering onrecht doet aan de mooie en levendige vertaling van »De Wraak van Mudara.«

O, vergeefs heb ’k gedood de Infantes van Lara,

Want een erfgenaam leeft nog, de bastaard Mudara,

’t Is het jong van de afvallige, ’t heidensche broed:

O, moge mijn speer eens vergieten zijn bloed!

Wanneer ik deze regels lees, komt de herinnering tot mij, aan een groote, rustige kamer, waarvan de kleine vensters uitzien op een wildernis van tuinheesters, die gebaad zijn in die onwezenlijke gele kleur, die slechts de avondschemering geven kan. Op de tafel van wormstekig rozenhout ligt een deel van de Spaansche Balladen, in een beschadigden leeren prachtband uit de dagen, waarin zulke boeken nog ten geschenke werden gegeven, en slechts voor pronk dienden. Als kind van tien jaar was ik deze kamer binnen geslopen, dit hemelsch verblijf van rozenbladeren en snuisterijen; en toen ik zonder een bepaald doel het boek opende, viel mijn oog op bovenstaande dichtregels. Voor het eerst in mijn leven werd ik getroffen door de schoonheid van het rhytme, van muziek in woorden. De verzen hechtten zich vast in mijn brein. En terwijl ik het boek doorbladerde totdat de duisternis viel, scheen het mij toe, dat er niets mooiers denkbaar was, dat er geen verzen konden bestaan, waarin zulk een heerlijke gang zat. Maar ik had eenmaal uit dezen beker gedronken, en mijne dagen en nachten werden een hunkeren naar woorden, die tegelijk muziek zouden zijn. Het duurde geruimen tijd voordat ik iets ontmoette, dat het heerlijke rhytme van »De Wraak van Mudara« overtrof of zelfs evenaarde. De jaren hebben mij in aanraking gebracht met veel schoons, waarnaast mijn eerste ontdekking verbleekte, boeken van een fijneren geest, die mij een diepe ontroering gaven; maar geen enkel dichtwerk was mij ooit zulk een openbaring als deze bladzijde van dit onvergetelijke boek in die onvergetelijke kamer.

De eerste der balladen, waarin Lockhart het onderwerp van de Infantes van Lara behandelt, (want het gedicht, waarvan zooeven sprake was, volgt op deze ballade) is getiteld: »De zeven Hoofden«, en beschrijft den moord van de ongelukkige prinsen. Uit de Historia de España van Juan de Marinia (1537–1624) leeren wij, dat in het jaar 986 Ruy Velásquez, Heer van Villaren, te Burgos in het huwelijk trad met Donna Lombra, een jonkvrouw van hooge geboorte. Deze gebeurtenis werd met schitterende feesten gevierd, en onder de gasten bevonden zich Gustio González, Heer van Salas en van Lara, en zijne zeven zonen. Deze jongelingen uit het geslacht der Graven van Castilië, waren bekend om hun grooten moed en ridderlijkheid, en allen waren zij op denzelfden dag tot ridder geslagen.

Nu wilde het ongeluk, dat er een twist ontstond tusschen González, den jongsten der zeven broeders, en een zekeren Alvarez Sanchez, een familielid der bruid. Donna Lombra achtte zich beleedigd, en toen de jonge ridders haar te paard naar het kasteel van haar gemaal geleidden, gaf zij, om zich te wreken, één harer slaven het bevel, González een wilde komkommer, gedoopt in bloed, naar het hoofd te werpen, een zware beleediging en een hevige smaad, volgens de toenmaals in Spanje heerschende gewoonten en opvattingen. De verborgen beteekenis van deze beleediging doet hier niets ter zake. Maar wat ook de bedoeling ervan moge geweest zijn, de jonkvrouw, wier oogen gesloten waren voor de ruwheid van de eeuw, waarvan zij een sieraad was, vernederde zichzelf door deze daad van groote onbeschaafdheid meer, dan dat zij het haar vijand deed. Nadat de slaaf haar bevel had opgevolgd, zocht hij bescherming tegen de woede der jonge ridders aan de zijde zijner meesteres. Maar het hielp hem niets, want de beleedigde Infantes doodden hem »in de plooien van het feestgewaad der bruid.«

Ruy Velásquez, die in vreeselijke woede ontstak over hetgeen hij als een beleediging zijn bruid en dus ook hemzelf aangedaan, beschouwde, besloot tot een vreeselijke wraakneming. Maar hij verborg zijn plan op listige wijze voor de jonge edellieden en gedroeg zich tegenover hen, alsof er niets ernstigs gebeurd was. Eenigen tijd daarna belastte hij Gustio González, den vader van de zeven jonge ridders, met een zending naar Cordova. Het doel dezer reis was schijnbaar geld voor hem in ontvangst te nemen van den schatplichtigen Moorschen Koning dezer stad; maar Velásquez gaf Gustio een brief mede, die in het Arabisch geschreven was, een taal, die hij niet lezen kon, en waarin den Saraceenschen bevelhebber verzocht werd, den boodschapper te dooden. Maar de Moor was blijkbaar menschlievender dan de Christen, en inplaats van te voldoen aan het verzoek, zette hij den niets kwaads vermoedenden afgezant in de gevangenis.

Om zijn verdere plannen ten uitvoer te brengen, deed Velásquez een schijninval in het Moorsche rijk, waarbij hij zich liet vergezellen door de Infantes van Lara en tweehonderd hunner volgelingen. Met waarlijk duivelsche slimheid slaagde hij erin, hen in een hinderlaag te lokken. Aan alle kanten omringd door Saraceensche troepen, besloten zij hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen. Zij stonden rug aan rug, en richtten een gruwelijk bloedblad onder de Mooren aan; en één voor één vielen zij, verslagen maar niet overwonnen. Hunne hoofden werden door den Moorschen Koning aan Velásquez gezonden als een pand van vriendschap, en zij werden in het openbaar vertoond voor de oogen van hem en den rampzaligen vader, die was vrijgelaten, opdat Velásquez zich zou kunnen verheugen in den aanblik van zijn smart. Toen hij op deze wijze voldaan had aan zijn wraaklust, gaf hij den wanhopigen vader toestemming naar zijn eenzame haard terug te keeren.

Maar Ruy Velásquez zou zijn gerechte straf niet ontgaan. Terwijl Gustio González zich in Moorsche gevangenschap bevond, had hij liefdesbetrekkingen aangeknoopt met de zuster van den Koning van Cordova, en uit deze verbintenis was een zoon, Mudara, geboren. Toen de knaap den leeftijd van veertien jaren bereikt had, ging hij, op aandringen van zijn moeder, op zoek naar zijn vader; en toen hij hem, die nu reeds een man op hoogen leeftijd was, gevonden had, hoorde hij, door welk een verraderlijken daad zijne zeven broeders om het leven waren gekomen. Vastbesloten tot wraak, wachtte hij rustig zijn tijd af, en toen hij ter gelegenheid van een jachtpartij Ruy Velásquez ontmoette, doodde hij hem met eigen hand. Daarna verzamelde hij een troep dappere mannen om zich heen, en omsingelde met hen het kasteel Villaren; hij nam een vreeselijke wraak op Donna Lombra, die hij liet steenigen en op den brandstapel ter dood brengen. Na verloop van tijd werd hij door de echtgenoote zijns vaders, Donna Sancha, als haar zoon aangenomen, en zij erkende hem als erfgenaam van zijn vaders bezittingen.

Wij hebben reeds gewezen op de boeiende manier, waarop de »Wraak van Mudara« werd beschreven. De ballade uit Lockhart’s verzameling, waarin de rampzalige vader de zeven hoofden zijner vermoorde zonen aanschouwt, staat lang niet op dezelfde hoogte, wat betreft de kracht van uitdrukking.

»Mijn lieve, dappre jongens,« sprak Lara diep bedroefd.

»Hoe vreeslijk wordt uw vader op dezen dag beproefd;

De zeven liefste knapen, die Spanje ooit bracht voort

Zijn door die laffe handen verraderlijk vermoord.«

— — — — — — — — — — —

Zacht streelde hij de hoofden, ze kussend keer op keer,

En op de blonde lokken vielen zijn tranen neer;

Hij sloot hun doode oogen met sidderende hand,

Kuste de bleeke lippen, door droefheid overmand.

»Waart gij naast mij gevallen in glorierijken strijd,

Uw vader had geen tranen van zwakheid dan geschreid.

O, waart gij toch gestorven den schoonen heldendood,

De speer omhoog geheven, van Moorenbloed nog rood!«

Het Huwelijk van Jonkvrouw Theresa.

»Het Huwelijk van Jonkvrouw Theresa« is een half-historische ballade, waarin de gedwongen verbintenis behandeld wordt van een Christelijke jonkvrouw met een Moorsch vorst. Alfonso, Koning van Leon, wenschte zijn bondgenootschap met de heidenen duurzaam te maken, en hij besloot daarom zijn zuster, Donna Theresa, op te offeren aan zijne politieke doeleinden. Hij baande den weg tot dit verraad door haar de verzekering te geven, dat Abdalla, de Koning der Mooren, tot den Christelijken godsdienst was overgegaan, en door haar te wijzen op de groote voordeelen, die voor haar verbonden waren aan een huwelijk met den Saraceenschen vorst. Misleid door deze valsche voorstelling van de situatie, stemde de jonkvrouw in dit huwelijk toe, en zij vertrok naar Toledo, waar deze echt met groote praal voltrokken werd. Maar op den trouwdag kwam Theresa tot de ontdekking, dat haar broeder haar schandelijk bedrogen had, en toen zij met den Moorschen vorst alleen was, wees zij hem af, en verklaarde, dat zij weigerde anders dan in naam zijn vrouw te zijn, zoolang hij en zijne onderhoorigen niet tot het Christendom zouden zijn overgegaan. Maar Abdalla lachte haar uit en maakte misbruik van haar hulpeloozen toestand. Zooals zij voorspeld had, werd hij voor deze schanddaad gestraft met een vreeselijke ziekte. Doodelijk verschrikt zond hij Theresa, overladen met geschenken, naar haar broeder terug, en zij trok zich terug in het klooster St. Pelagius in Leon, waar zij hare verdere levensdagen in gebed en vrome werken doorbracht.

Verslagen hoorde zij ’t bericht van de overeenkomst aan,

Het wreede vonnis, dat haar dwong tot ’t vreemde volk te gaan,

En hoe zij, hooggeboren maagd, haar Christengodsdienst trouw,

Moest trekken naar het heidensch land als Moorsche Koningsvrouw.

Maar ach, geen smeeken baatte hier, noch bittre tranenvloed,

Toen ging zij, zielsbedroefd en bleek, haar meester tegemoet.

Deze ballade dateert uit de zestiende eeuw en schijnt op de historie te berusten. Maar Kelly wijst er op, dat de schrijver aan den éénen kant Almanzor verwart met Abdalla, den gouverneur van Toledo, en aan den anderen kant Alfonso V van Leon met zijn vader, Bermudo II, waardoor hij eenige chronologische moeilijkheden schept.

Wij zullen de balladen van den Cid overslaan, daar wij aan dezen held reeds genoeg aandacht geschonken hebben en dus komen wij nu aan

Garcia Pérez de Vargas.

Van deze ballade maakt Kelly zich met enkele woorden af, ofschoon het mij toeschijnt, dat zij onze aandacht wel waard is. De Vargas onderscheidde zich door groote dapperheid bij het beleg van Sevilla in 1248. Toen hij op zekeren dag langs de oevers van de rivier reed, door slechts één metgezel begeleid, werd hij aangevallen door zeven Moorsche ruiters. Zijn metgezel vluchtte, doch Pérez sloot zijn visier en wachtte de Saraceensche krijgslieden af. Toen deze bemerkten wien zij tegenover zich hadden, maakten zij haastig rechtsomkeert. Terwijl hij terug reed naar zijn kamp, ontdekte Pérez, dat hij zijn ceintuur, het onderpand zijner geliefde, verloren had, en hij keerde oogenblikkelijk om, om haar te zoeken. Maar ofschoon hij zich ver in de gevaarlijke zone waagde voordat hij zijn eigendom gevonden had, ontweken de Mooren hem voortdurend, en hij bereikte veilig het Spaansche kamp. In de ballade ontrukt Pérez de ceintuur aan de Mooren, die haar gevonden en »op een speer gestoken« hadden.

»Halt, roovers! halt, gij dieventuig! geeft mij mijn gordel weer!«

Riep hij, en woedend velde hij de Moorenbende neer.

— — — — — — — — — — —

Toen hij in ’t Spaansche kamp verscheen als overwinnend vorst,

Bedekte de herwonnen schat zijn trotsche heldenborst.

Bloot was zijn hoofd, rood was zijn zwaard, en als een krijgstrophee

Bracht hij het afgeslagen hoofd van zeven Mooren mee.

Pedro de Wreede.

Wij zijn nu gekomen bij de balladen, die de boeiende maar bloedige geschiedenis van Pedro den Wreede verhalen. Men heeft menigmaal getracht te bewijzen, dat Pedro volstrekt niet zulk een onmensch was, als de balladeschrijvers hem ons hebben voorgesteld; maar het is waarschijnlijk, dat de zangers het in dezen bij het rechte eind hebben, en niet de moderne geschiedschrijvers, die alles gedaan hebben om den verafschuwden naam van Pedro te zuiveren. Zijn eerste daad van wreedheid was die, welke in »De Meester van St. Jago« beschreven is, en die betrekking heeft op zijn natuurlijken broeder. Bij den dood van dien edelman vluchtte zijn vader, die het wraakzuchtige karakter van Pedro kende, naar de stad Coimbra in Portugal. Maar daar hij vertrouwde op de plechtige verzekering van Pedro, dat hij hem geen geweld zou aandoen, nam hij diens uitnoodiging aan, om naar het Hof van Sevilla te komen, waar grootsche tournooien zouden worden gehouden. Zoodra hij echter was aangekomen, werd hij heimelijk ter dood gebracht, naar men gelooft, op aandringen van Pedro’s minnares, Maria de Padilla.

De ballade verhaalt, hoe Pedro later de valsche Maria de Padilla gevangen liet zetten, maar er is geen enkel zeker bewijs, dat zij de aanstichtster was van de misdaad, of dat zij ervoor gestraft werd. Fitzmaurice Kelly is van oordeel, dat de romance ontegenzeggelijk dramatische kwaliteiten bezit; indien hij gesproken had van melodramatische kwaliteiten, zouden wij ons beter met zijn oordeel kunnen vereenigen.

»Het staat vast, dat Pedro schuldig was aan den gewelddadigen dood van de jonge en onschuldige Prinses Blanche de Bourbon, die hij gehuwd en dadelijk na het huwelijk verlaten had,« zegt Lockhart. Maar of hij wèl of niet zijn koningin vermoordde, zijn bijzit, Maria de Padilla, was in geen geval medeplichtig aan deze misdaad, waarvan de ballade haar beschuldigt; en het is duidelijk, dat de verzen, die op haar betrekking hebben, geschreven zijn met oneerlijke politieke bedoelingen. Mariana, die betrouwbaar geacht mag worden, verhaalt, dat Pedro’s gedrag tegenover zijn koningin de verontwaardiging opwekte van velen zijner edelen, die een geschreven protest bij hem indienden. Pedro met zijn heftig en bloeddorstig karakter, ontstak in woede over hetgeen hij beschouwde als een ongepaste inmenging in zijne persoonlijke aangelegenheden, en hij gaf oogenblikkelijk bevel, zijne ongelukkige echtgenoote in de gevangenis door vergif om het leven te brengen. De ballade beschrijft echter, hoe Pedro en zijn minnares te zamen den moord op de ongelukkige Koningin beramen.

In »De Dood van Pedro« krijgen wij de bloedige beschrijving van den vreeselijken strijd tusschen de koninklijke broeders. Pedro, die door Henrico van Trastamara, zijn natuurlijken broeder, is gevangen genomen, wordt op laffe wijze door dezen beleedigd, en vliegt hem, in een uitbarsting van dierlijken moed en koninklijke woede, naar de keel. Met stomheid geslagen bij den aanblik van het gevecht op leven en dood tusschen vorst en overweldiger, kijken Henrico’s mannen, onder wie de beroemde Du Guesclin, toe. Pedro houdt den Heer van Trastamara tegen den grond, en hij heft zijn dolk op om toe te stooten. Maar Du Guesclin wendt zich tot den page van Henrico: »Laat gij uw meester zóó sterven, gij, die zijn brood eet!« roept hij schamper uit. De schildknaap werpt zich op Pedro, omklemt zijne armen en trekt hem van Henrico weg, zoodat deze zich kan opheffen, en een opening kan zoeken in het pantser van den Koning. Dan stoot hij zijn dolk diep in het wreede hart. De moordenaar, de vriend van Joden en Saracenen, is gedood. Zijn hoofd wordt afgeslagen, en zijn trotsch lichaam door paardenhoeven vertrapt.

Zóó dreigend staren Pedro’s doode oogen nog zijn broeder aan,

Zóó onheilspellend, of hij tot de wrake op zal staan!

Daar staat de broeder met het Cainsteeken, bloedig rood;

Ach Pedro waar’ zijn Cain, had’ hij hem niet eerst gedood.

zegt de ballade. »Zijn deze wreede oogen werkelijk dood? Zie ik er geen dreiging in? Mijn handen zijn rood van het bloed mijns broeders, maar het is slechts toeval, dat de zijne niet bevlekt zijn met mijn bloed.« Dit gedeelte van het gedicht is treffend om de atmosfeer van doodelijke kilte, die volgt op het oogenblik van den moord—beangstigend, beklemmend. Ook de diepe droefheid der minnares van den Koning is goed geteekend:

Wanhopig blikt zij dan omlaag, haar wangen brandend heet,

Eerst ziet zij naar Henrico’s kroon, en naar zijn vorstlijk kleed;

Dan staart zij op ’t verscheurd gewaad, dat nauwelijks bedekt

Het lijk van Pedro, marmerkoud, vertrapt, met bloed bevlekt.

De Moor Reduan.

Wij slaan »De Heer van Brutayo« en »De Koning van Arragon« over, en komen dan aan de ballade, die tot titel heeft: »De Moor Reduan«, een gedicht, dat betrekking heeft op het beleg van Granada, de laatste vesting der Mooren. Het is de eerste van een groep balladen, die romanceros fronterizos of »grensromances« genoemd worden, en die, zooals wij reeds opmerkten, sterk onder Moorschen invloed staan. Het is zelfs zeer goed mogelijk, dat zij in meerdere of mindere mate een nabootsing waren van de Moorsche dichtkunst, of dat zij zelfs de gegevens eruit putten. In zijn verhandeling over de romancero zegt Kelly: »Men kan er Lockhart natuurlijk geen verwijt van maken, dat hij de ballade getrouw uit het oorspronkelijke vertaalde; van ieder schrijver, die op het oogenblik een nieuwe vertaling ervan zou willen geven, zou hetzelfde verlangd mogen worden. Maar hij zou het zeker noodig oordeelen, in een noot het resultaat neer te leggen van de onderzoekingen, die in den tijd van Lockhart nauwelijks begonnen waren. Het is nu wel zeker, dat Pérez de Hita twee romanceros door elkander werkte, en dat de verzen van het vierde gedeelte van Lockhart’s vertaling:

»Zij trokken met ontplooide vaandels door Elvira’s poort«,

thuis hooren in een ballade, die betrekking heeft op de veldtocht van Boabdil tegen Lucena in 1483. Lockhart wist zeer goed, dat het gedicht niet homogeen was; want hij zegt: »Het volgende is een vertaling van bepaalde gedeelten van twee balladen, maar hij schijnt niet te hebben geweten, dat één dezer gedeelten handelde over de tocht van Boabdil. En juist dit gedeelte behoort tot het allerbeste uit het gedicht.

Tulbanden groen en sierlijk, en kaftans hel getint,

De pluimen en de veeren, ze wapp’ren in den wind;

De kromme zwaarden schitt’ren, ’t is glans, waarheen men ziet.

De dapp’re harten zingen een heerlijk strijderslied.


1 Behalve de verzameling romances, waarover wij hier spraken, en waarin de voornaamste typen van dichtkunst vertegenwoordigd zijn, waren er in het midden der zestiende eeuw nog bloemlezingen uitgegeven te Antwerpen en Saragossa, respectievelijk door Martin Nucio en Esteban de Nájera. De lezer kan ook de Primavera y Flor de Romance door Wolf en Hofman raadplegen, waarvan een nieuwe uitgave verscheen bij Señor Menéndez y Pelayo, de verzameling van Depping (2 dln. Leipzig 1844) en de Engelsche vertalingen van Lockhart en Bowring.