WeRead Powered by ReaderPub
Leliënstad cover

Leliënstad

Chapter 1: HOOFDSTUK I.
Open in WeRead

About This Book

Een jonge man observeert vanaf een brug een immense, mistige industriestad langs een rivier, waarin schepen, schoorstenen en kaden een onheilspellende, lawaaiige sfeer scheppen. De stad wordt beschreven als meedogenloos en vervreemdend, met menigten die zwoegen en duizenden die onder brugbogen beschutting zoeken tegen de winterkou. Hoog boven de grauwe bebouwing verschijnt een verlicht paleis en de aanwezigheid van een koninklijke prinses wekt bij hem een verlangen naar mededogen en sociale verlichting. De vertelling wisselt tussen persoonlijke waarneming, een gesprek met een kameraad en bredere reflecties over ongelijkheid, armoede en hoop op verlossing.

[Inhoud]

HOOFDSTUK I.

Koud en zwaar hing de winter-mist over de groote, groote metropool.

Van de breede Koninginne-brug zag Paulus huiverend over de wijde, grijze rivier, die Leliënstad scheidt in twee helften, de oude stad en de nieuwe.—Wild voortgezweept door den snijdenden wind stroomde het water met schuimende golven onder hem door, waar hij peinzend gebogen stond over den natten, steenen wand.—Vóór hem zag hij het verre rivierverschiet, met hooge bruggen, en nóg eens bruggen, en bruggen.… en als hij éven omzag, waren het weêr bruggen, op groote afstanden, zonder eind.

Overal lagen kolossale, zwarte stoombooten, en zware zeilschepen, en donkere, lange nachtschuiten, vòlbeladen. Sommige dreven stil op het water met sombere drommen van loonslaven, zwoegend onder ruggen-krommende lasten; zij waren als monsters, die, onverzadiglijk, werden gevoederd. Andere stoomden hijgend en rook-wolkend de rivier op, met roode [2]lichten als vurige oogen, dreigend en onmeêdoogend. Een onheilspellend gegalm van geluiden hing boven het water, gestamp van machines, menschengevloek en gezang, gegil van hooge fluiten, en ratelend gerammel van kettingen. Het was als een donkere, veege vaart uit een heidensche hel, met zuchten, en steenen, en wanhoopsgeschreeuw. En woest-wreed viel de kille mist al zwaarder en zwaarder over dit duistere gebeuren.

De kaden aan weerszijden wemelden van wriemelende menigten, waar zwarte karren grommelden af en aan, en droef gegons ophing te trillen van zware stemmen.

De hooge stadsgebouwen stonden spookachtig in den nevel, met vage, reusachtige vormen, donker en dreigend, en als heel moede, uitgeweende oogen pinkten duizenden lichtjes, triestig en flauw.

Dicht op elkaar, zich verdringend, het een boven het ander, en weêr hooger en hooger, blokten zij op, de zware gevaarten, zwart en zwijgend, eindeloos in het rond …

Een sinister ruischen, vol verwarde, rustelooze geruchten, beefde óp van de groote stad, en het was als het zware, moeilijke ademhalen van een rochelend monster, dat daar lag, log en massaal, met zijn tallooze vurige bloed-oogen, onder den grijzen, duisteren hemel.

Paulus stond te rillen van angst. [3]

Het was alles zoo groot, en zoo zwart, en zoo genadeloos. Het leek onherroepelijk, zonder één glanzing van hoop, eeuwig en onverbiddelijk. Als een helsche creatie van ’t absolute kwaad lag de sombere metropool om hem heen, waar de donkere slaven zwoegden en zuchtten, voor altoos verdoemd, onder den strakken, hoogen hemel, waar geen erbarming woonde. En hij dacht met ontzetting, of dít nu misschien niet de Hel was, waar weening was en knarsing van tanden, dit ontzaglijke, wreede gevaarte van duistere huizingen, in bange benauwing op elkaar gekropen, waar de menschen woonden in weedom en zonde. —

Als dreigende armen staken heinde en ver de lange schoorsteenen van honderden fabrieken omhoog; hun dikke, zwarte rookwolken drongen door de grijze mist. En hij wist, daaronder sloofden duizenden van zijn broeders, hijgend en zwoegend, in onnoembaar, menschonteerend werk, afgebeuld als waardeloos vee, om niet van honger te sterven. —

Hij voelde een benauwing, alsof hij straks zou stikken. Overal stond het ontzaglijke monster om hem heen, van rechts en van links, van achteren en van voren; het leek hem te omvatten, en straks zou dat alles op hem af komen, en hem verpletteren. Daar was nu geen ontkomen meer aan, het was té groot en té almachtig, en het was onmógelijk, hier [4]ooit iets aan te veranderen, dat het nog eindelijk ten goede werd.

Een huiverige angst scheen over alles te broeien. Die schelle wanhoopsgeluiden, dat droef gegons van stemmen, dat akelig gegil van stoomfluiten, dat hol getoeter van horens, het leek wel een dolle jacht van den dood. Alle menschen op de brug liepen haastig, bang in de kragen van hun jassen gedoken, als durfden zij niet te zien; omnibussen vol zwarte wezens holden vooruit, als vluchtten zij voor een verschrikking, en alles haastte en repte zich zenuwachtig door elkaar. Zou dan eìndelijk straks de verdoemenis komen, en het àl verteerd worden in vlammen en vuur?.… Want zóó kon dit toch niet blijven, zoo duister en des doods, zoo vol slechtheid en wilden weedom, met dien zwaren vloek, die over alles heen hing wat bestond.…

Nergens, nergens was een uitkomst in die dreiging, die broeide over de stad. De mist wolkte al dichter en dichter op, en het was, of alles nu ging verstikken.

Opeens, dáár, in de hoogte, schitterden honderden felle, witte ballonnen op. De lichten in het koninklijke kasteel werden ontstoken, en als een mirakel, goddelijk en klaar, blonk óp een wit paleis, ver boven de duistere huizingen, waar de mist niet meer reikte. De intense, schitterende lichtbundels straalden maagdelijk [5]door het ruim, en in die reine glorie, op den hoogen berg, in een aparte atmosfeer, woonde de prinses Leliane, ongenaakbaar als een ster.

Toen voelde de jonge Paulus een gebed opstijgen uit zijn ziel, en aandachtig vouwde hij de handen, waar hij de oogen ophief naar het witte paleis daar boven.

„Leliane!” fluisterde hij. „Leliane!”

O! Dáár was het Licht, dáár woonde het Recht, dáár wachtte de Genade!.…

Zou zij nu eìndelijk komen, zou zij nu eìndelijk afdalen, dragend het zachte erbarmen in haar blanke handen, met het koninklijke medelijden in de kuische plooien van haar witte gewaad?.…

Het schitterende paleis leek wel de hemel-woning van een God den Vader boven de donkere, sombere stad van weedom en van zonde.…

En héél zijn ziel riep haar, om nu te komen, eìndelijk te komen, om genade en verlossing te brengen in de ellende van haar groote, groote stad.…

Toen voelde hij opeens een hand op zijn schouder, en een wèlbekende stem riep zijn naam.

„Paulus?… Maar, jongen, wat sta je hier te peinzen, op die brug?.…”

Maar Paulus durfde niets te zeggen van prinses Leliane aan zijn vriend. Dit was té heilig voor een [6]ander, dit leefde té voorzichtig, in een veiligen hoek van zijn ziel. Enkel dat andere kon hij zeggen.

—„Wat een ontzettend gezicht,” zeide hij, „hier op deze brug. Hoe verschrikkelijk toch, die rivier vol donkere booten, en aan weerszijden die hooge huizen van de stad, en dan die mist, die zoo dreigend opstijgt, en die ontzettende geluiden overal. Het werd me ineens zoo bang, Elias! En wat wordt het koud; ik ril er van!”

„Ja, mijn jongen,” antwoordde Elias, „nu breekt er een heel kwade tijd aan. We zijn nu al in ’t begin van den winter, en dan komen we in ’t hartje van de misère. Je weet nog niet, wat het zeggen wil, winter, mijn brave!.… Zie je hier wel goed al die bruggen?.… vooral de brug, waar we hier op staan?.… zie je die breede bogen en die zuilen van onderen, en dáár, die welvingen, aan den wal.… dat wordt nu het nachtleger van de ellendige proletariërs dezen winter.… daar slapen ze, om niet te bevriezen van de koû.… want nu is het uit met de bankjes in de plantsoenen, en de vrije velden buiten.… daar zouden ze bevriezen.… hier onder die bruggen, mijn brave, dicht op elkaar gekropen, als vee, waar ze ten minste beschut zijn tegen sneeuw en ijzigen wind, slapen ’s winters geen hónderden, maar duizenden menschen, onze broeders, onze zusters, en moeders met kinderen, zóó maar op den [7]harden grond.… o, als die bruggen er niet waren, die goede, wèldoende bruggen.… en vooràl deze, de Koninginnebrug.… hier slapen de proletariërs zóó maar voor niets, in de schaduw van háár koninklijken naam.… en zij zelve woont dan veilig in de warmte, in de zon.…”

Vragend keek Paulus hem aan.

—„In de zon?.… hoe bedoel je dat?”.…

—„Wel, in deze koude wintermaanden gaat de koninklijke prinses naar den eeuwigen zomer in Monte-Regina.… je weet toch wel, die groote badplaats aan de Middellandsche zee, waar die beroemde speelbank is?.… Haar Koninklijke Hoogheid kan toch niet haar teedere leden blootstellen aan de ijzige winden en de felle vorst van het Noorden, waar haar millioenen Leliënstadsche onderdanen goed voor zijn … zij brengt iederen winter een tijd in een of andere badplaats door in het Zuiden—en dit jaar zal het Monte-Regina zijn, dat stond vanavond in de courant … iedereen die het maar éénigszins doen kan van de wèlgestelden in de maatschappij gaat natuurlijk ’s winters naar het Zuiden, dat weet je toch wel.… de aristocratie, en de kapitalisten.… die kunnen toch niet met wintervoeten loopen, mijn beste jongen.… dat moet je toch vòelen.… dat is goed voor den proletariër en den kleinen man.…”

—„Gaan die naar ’t Zuiden.… naar de warme [8]zon?.…” vroeg Paulus, naïef.… „terwijl hier duizenden op den harden grond, onder de bruggen slapen, om niet te bevriezen?”.…

—„Ja, zéker, kereltje.… wat heeft dat met elkaar te maken.… daar hebben zij niets mee uit te staan, en het is hún schuld niet, zeggen ze.…”

„-Monte-Regina … ja, daar heb ik van gehoord en gelezen … moet daar niet enorm worden gespeeld? en is het er zóó mooi?.…”

„Het is er een paradijs, Paulus. Ik ben er ééns geweest, toen ik nog héél jong was, en het onrecht nog niet wist … het is daar alles eeuwige lente en eeuwige jeugd … de zachte lucht is doordroomd van zoete bloemen-geuren, en de zee is er van het wondere-azuur, dat een weerschijn is van de allerheiligste hemelen.… en in die prachtige natuur, terwijl híer duizenden en duizenden wegteren van koude en gebrek, loopen dáár de pratte poenen van het parasitisme, en spelen er roekeloos met millioenen, die aan het proletariaat zijn onttrokken.… De bank alléén, Paulus, maakt er een netto winst elk jaar van zes en twintig millioen … denk eens, beste kerel, wat een schat dat is.… wat de arme bliksems, die hier ’s nachts onder de bruggen slapen, om niet te bevriezen, daaraan zouden hebben!”.…

Paulus zweeg. Hij zag over de grijze rivier, waar de zware, zwarte booten zuchtten en steenden, uitstootend [9]hun donkere wolken van rook.—Hij zag ook de hooge, dreigende schoorsteenen in ’t rond, en hoorde het dreunen van de zwoegende, slovende stad. Een benauwing kwam over hem, en hij greep Elias’ arm.

„O! Al die booten … al die schoorsteenen …” zeide hij toen.… „hoe vrééselijk lijkt me dat allemaal ineens.…”

„—Maar, jongen, die booten,” antwoordde Elias ironisch.… „dat is de hándel.… en die fabrieken ook … dat heet de wèlvaart van een land.… de industrie, de nijverheid.… daar wordt een land gróót van.… dat wil zeggen: daar wordt een kleine minderheid kapitalisten rijk van, en de groote meerderheid, die ’t eigenlijke werk doet, blijft er juíst nog door in leven, en verhongert niet.… Al die duizenden, die daar zwoegen in die booten en op die fabrieken, doen dat eigenlijk alléén om een paar honderd kapitalisten rijk te maken … Als één zoo’n rijke meneer in Monte-Regina zijn Havanah van vijf francs rookt na zijn diner van vijftig, moeten daar naar verhouding minstens een twintigtal andere menschen een heelen dag voor sjouwen, om het financiëele evenwicht te bewaren … en dat noemen ze dan de handel, de wèlvaart.… zóó zit dat in elkaar … al dat getob en gesloof hier om je heen is ten bate van énkelen, niet van allen … Kijk, daar gáát weer zoo’n boot … mooi hè?… volbeladen met goederen [10]die worden verkocht … zie je al die sjouwers daar aan de kaai, met hun zakken en hun kisten?… daar kan er weer een voor naar ’t Zuiden … Maar laten we hier nu niet blijven staan, loop mee een eindje op, ik moet naar een vergadering van de partij, bréng me zoo ver …”

Zwijgend liep Paulus naast hem mede.—De brug was vol voetgangers en rijtuigen. Alles holde heen en weer, zenuwachtig, gehaast.—Het werk van den avond begon.—Bleeke couranten-jongens renden vooruit met de nieuwe editie van den avond, om het eerst op de Boulevards te zijn, schreeuwend den naam van hun blad, met een eentonig-droef geluid.—Een paar prostituées uit de oude stad, zich reppend naar de nieuwe, waar de meeste vreemdelingen kwamen, gingen hem rakelings voorbij. Ééne, met een flets misère-gezicht, lonkte tegen hem, rillend onder haar versleten boa. En hij had haar kunnen zoenen, een heel zachte wanhoopskus van innig medelijden.

„—Ik moet naar die vergadering om te spreken over de aanstaande verkiezingen,” zeide Elias. „We moéten weer een paar zetels winnen dit jaar, en ik ben vol moed.”

Maar Paulus begreep niets van de hoop, die in Elias’ oogen blonk. Op vijfhonderd zetels in het Parlement had Elias’ partij van de sociaal-democraten [11]er nu nog geen honderd. En bóven dat Parlement stond het Hooge Huis, bijna geheel uit den voornaamsten adel en groote kapitalisten samengesteld, dat met één veto alle door dat Parlement aangenomen wetten kon vernietigen.

En ondertusschen bleef het onrecht, bleef de groote leugen van de christelijke maatschappij voortbestaan, ongestoord.

—„Heb je nu al véél in de boeken gelezen, die ik je gaf?” vroeg Elias weer.

„O ja!” zeide Paulus, „héél veel.… en ik dánk je er wèl voor.… ik ga nu al véél meer weten.… ik begrijp nu meér.…”

Maar de toon, waarop hij het zeide, was moedeloos. Ja, hij had veel gelezen; het was wáár. Maar de boeken hadden hem niet voldaan. Hij had gelezen de groote werken van sociaal-economen, véél over de economie, en de staathuishoudkunde, en vooral over de natuurlijke, sociale evolutie, waar Elias’ partij nu alle heil van verwachtte. Volgens die schrijvers was de sociale verbetering in den loop der tijden een absolute, logische noodzakelijkheid, die in de natuurlijke, onvermijdelijke orde der dingen lag, en met wiskunstige zekerheid was aan te geven, als het gevolg, dat uit een oorzaak moest voortkomen. Het was alles nog maar een kwestie van den tijd, die een onvermijdelijke overgang behoefde.— [12]

Maar uit géén dier boeken had gesproken het groote erbarmen, de goddelijke chariteit, die Paulus bij intuïtie het éénige geneesmiddel wist voor de universeele ellende. O! Dat placide geloof in de tijden, in de toekomst, waar de misère van nú dan toch reddeloos verloren voor bleef!.… En hij was altijd blijven droomen van een plotselinge revelatie, een wonder van ontzaglijke goedheid, een goddelijke genade, die opééns zegenend de handen uitbreidde over het wereld-leed.

Toen Elias hem, vóór de deur van het vergaderlokaal, de hand ten afscheid had gedrukt, keek Paulus hem mistroostig na.

Daar zou nu het gedelibereer weer beginnen, het organiseeren en propagandeeren, en wàt al niet meer, om eindelijk dan weer een paar sociaal-democraten in het Parlement te krijgen. Maar ondertusschen duurde de misère voort, en werden de ongelukkigen van nú er niet door geholpen. Al die duizenden, in het vuil en de modder van „De sloppen der verlorenen”, al die zwoegende slaven in de bedompte mijnen en fabrieken, al de jammerlijke vrouwen, veilende haar klagelijk lijf, zij zouden allen in het onrecht reeds lang ellendig zijn gestorven, vóór dat de meerderheid in het Parlement het goede zou willen. Wat hadden zij er aan, dat de sociale evolutie geleidelijk zou vooruitgaan, als zíj dan toch in déze tijden reddeloos waren verloren? [13]

En hij voelde het intuïtief, een stelsel, dat de Liefde niet erkende, en enkel op een koude noodzakelijkheid was gebaseerd, hoéveel heil het in een verre toekomst ook zou kunnen brengen, zou nooit het wonder kunnen doen, dat hij verwachtte.

Want een wonder verwachtte hij. Het kón zoo niet blijven, als het nú was. Niet honderden jaren later, maar nú moest het Recht al komen. Een groot licht zou over de wereld gaan, en een oneindige liefde, een goddelijke genade zou de eindelijke transformatie doen gebeuren. De reine, christelijke deernis, waarvan Jezus Christus had gesproken, zou dan de harten der menschen beroeren, en, door dit heilige gevoel geleid, zou alles van zélf geopenbaard zijn, en alle menschen zouden broeders worden, en als broeders alles deelen. En dit zou alles zóó simpel en natuurlijk zijn, zoo zonder éénige verwarring of complicatie, dat kinderen het begrijpen zouden, en ieder verbaasd zou staan, dat alles vroeger zóó duister had kunnen schijnen.

Langzaam was in de laatste tijden het denkbeeld in hem gerijpt, dat het wonder alléén maar van de prinses Leliane kon komen, de hoogste, de reinste, de heiligste uit het gansche land. Uit de verwarring van de vele geleerde lectuur, die hij doorworsteld had, was één simpele gedachte in hem opgekomen, die hem de éénige uitweg scheen uit dat droeve [14]doolhof van theorieën en systemen. Het was zoo heel eenvoudig, vond hij, in zijn groote naïeveteit. De prinses woonde daar zoo ver, zoo hoog verheven boven het weedom der wereld, in haar ongenaakbare, witte paleis, en de smartkreten der verdrukten, zij drongen niet tot haar door. Welnu, hij zou trachten toegang tot haar te krijgen, en haar te spreken. Marcelio had zooveel invloed, en zou hem zeker helpen. En als hij dan was toegelaten tot haar heilige presentie, dan zou hij eerbiedig op de knieën zinken, en haar vertellen van het leed, dat hij gezien had, en haar koninklijke ontferming afsmeeken over de verdrukten. Haar wezen was reinheid, en haar onschuldig aangezicht was liefde, en het zoete medelijden woonde in de plooien van haar witte gewaad. Haar heilig hart zou wijd opengaan, en het groote wonder zou uit haar gebeuren.—Over de dorre wetten en de constituties, en alles heen, zou haar groote liefde uitstralen en het volk bereiken, dat smachtend wachtte.

Als van háár koninklijke wezen de beweging uitging, zouden allen wel moeten volgen, en de rijken zouden liefderijk tot de armen komen, met bloemen in hun handen. Het was zoo heel eenvoudig, als je er over dacht. De liefde zou het wonder doen, door háár blanke ziel begonnen, en wie zou ééne bete broods nog kunnen genieten, als hij wist, dat een [15]ander van honger lag te sterven, en wie zou niet gaarne de helft van zijnen dronk willen missen, als hij zag, dat naast hem iemand versmachtte, en als de heilige prinses Leliane de moeder van al haar kinderen van het volk wilde zijn, wie zou dan niet zijns broeders hoeder willen wezen?.… [16]