WeRead Powered by ReaderPub
Leliënstad cover

Leliënstad

Chapter 10: HOOFDSTUK X.
Open in WeRead

About This Book

Een jonge man observeert vanaf een brug een immense, mistige industriestad langs een rivier, waarin schepen, schoorstenen en kaden een onheilspellende, lawaaiige sfeer scheppen. De stad wordt beschreven als meedogenloos en vervreemdend, met menigten die zwoegen en duizenden die onder brugbogen beschutting zoeken tegen de winterkou. Hoog boven de grauwe bebouwing verschijnt een verlicht paleis en de aanwezigheid van een koninklijke prinses wekt bij hem een verlangen naar mededogen en sociale verlichting. De vertelling wisselt tussen persoonlijke waarneming, een gesprek met een kameraad en bredere reflecties over ongelijkheid, armoede en hoop op verlossing.

[Inhoud]

HOOFDSTUK X.

Een groote, wijde vlakte lag vóór hem.

Dàn een flikkerende streep licht, een rivier, en daarachter was het een wuiven en wuiven van maagdelijk, licht groen.

Overal, zoo vèr hij zien kon, was het groen, wuivende en wuivende, alsof duizenden handen hem wenkten. O! Hij voelde het in verrukking, het Bosch kende hem nog, het Bosch riep hem!

Haastig nam hij afscheid van zijn geleiders, en holde, zoo hard hij kon, vooruit, de vlakte over. Dáár ver, stonden de boomen, zijn oude, trouwe vrienden, die hij nu niet meer zou verlaten. Tranen van vreugde sprongen in zijn oogen, en hij voelde dat hij beefde van zenuwachtigheid over al zijn leden.

Achter hem lagen de vunze, benauwende steden, waar de menschen dooreenkrioelden in onrecht en leugen, als zwijnen in modder, en waar zijn ziel bang was weggekrompen, als onder een droeven droom. Iedere stap, dien zijn vlugge voeten verder renden, [199]bracht hem dichter bij het veilige, vertrouwde Bosch, dat hem op zou nemen en verbergen onder zijn liefderijk lommer. Zóó, als iemand een Liefste terugziet, na lange scheiding, en zijn ziel ademt hóóg op van geluk, zóó zag hij het Bosch terug. O! Eindelijk, eíndelijk dan had hij het gedaan, en nu zou alles ook weer goed worden, als vroeger …

Nu stond hij voor de rivier. Aan de overzijde bogen zich hooge boomen plechtig voorover, rustig zich spiegelend in het vlakke water. Dáár begon het Bosch, en overal, wijd en zijd, zag hij de breede stammen oprijzen, en de goede boomen stonden eendrachtiglijk naast elkaar, als een wèlgezinde gemeenschap, sterk van onderling vertrouwen. Hun prachtige kruinen streelden elkaar nu en dan vriendelijk onder ’t wuiven, wilden allen éénen zelfden kant op, door éénen drang bezield. En Paulus zag het Bosch, als ééne, machtige maatschappij van goede broeders, schouder aan schouder staande in heilige harmonie.—

Hoe eerlijk stonden zij daar alle naast elkaar, in volle pracht zich gevend, zóó als zij waren, zonder éénigen valschen schijn!

En met afschuw dacht hij opeens aan de valsche menschen-gezichten, alle met een masker voor van leugen en bedrog, bedekkend het eigenlijke wezen dat er achter woonde.

Hij vond het Bosch nu even statig als een plechtige [200]tempel Gods, even heilig als de Cathedraal. De stammen der boomen waren als rechte pilaren, de takken vormden biddende bogen, en al de fijne loovertjes waren teêr, als het broze cantillewerk der gothiek.

Was hij nog wel waard, dien tempel te betreden?

Hij voelde, alsof het leven in de stad hem besmet had, alsof hij er niet rein genoeg meer voor was.

O! Kon hij die smet toch weer van zich afwasschen, dat hij weer blank werd als vroeger! En een onweerstaanbare lust kwam in hem op, om zich te zuiveren, vóór hij het waagde het Bosch weer te betreden. Fluks deed hij zijn kleeren uit, legde ze aan den oever op een steen, en sprong met een machtigen élan het heldere water in. Hij voelde het koude, frissche vocht over zijn warm lichaam komen, en het was hem, als een doop tot het reine, eenvoudige leven.

O! Dat alles zuiverende, schoonwasschende water, wat deed het hem goed! Al het vuil van de stad zou het wel weer van hem afnemen, alles wat nog aan hem kleefde uit de verpeste sfeer van onrecht en ontucht, waar hij bijna in was versmacht. Hij voelde een groote kracht in zich komen, en nieuw leven stroomde in zijn aderen uit het koele, heerlijke water. Verscheidene malen dook hij onder. Zijn haren dropen. Niets, geen stofje van de atmosfeer in de [201]stad mocht op hem blijven. De doop moest hem ganschelijk verreinen.

Na een half uur te hebben gezwommen, bracht hij zijn kleeren naar de overzijde en kleedde zich daar aan. En zooals een vrome geloovige in een tempel treedt liep hij langzaam het Bosch in.

De Lente was juist over de boomen gegaan, en in het maagdelijke, nog wat licht-getinte groen bloeiden roze en blanke kleuren van bloesems. De bladeren waren nog uiterst fijn en teêr, en hadden zich zóó ontplooid, voorzichtig, of ze eigenlijk nog niet goed durfden. Hij trad in een groote, universeele innigheid van jong, gezond leven, en voelde er een rilling van door zijn lichaam gaan. Diep haalde hij adem, en voelde de verreining van de zuivere, onbedorven boschlucht, geurig van bloeme-aromen, na de bedompte atmosfeer van de stad.—Zooals het water zijn huid verfrischt had, reinigde nu de pure lucht zijn borst en longen. Een groote kracht zwelde in hem op, hij strekte de armen uit, als om te omhelzen, en begon onbewust te zingen, een lied van vroeger, door den drang naar uiting van zijn geluk, zooals ook wel een vogel doet, blij om het leven en het licht.

Bij een paar houthakkers in een hut vroeg hij naar den weg, en vertelde hij van Willebrordus, die daar ergens, diep in het Bosch, moest wonen. Zij herinnerden [202]zich er vaag iets van, en hadden er wèl van gehoord, en wezen hem naar het Westen. Op groote afstanden vond hij weer anderen, die hem voorthielpen, en zóó, na veel lange uren, kwam hij eindelijk op bekend terrein. Zóó als menschen, die lang in vreemde landen waren, in een stadsgedeelte huizen en straten herkennen, en nu ook verder weten den weg, zóó vond hij opééns boomen-groepen en paden, die hij méér gezien had, op zijn vroegere zwerftochten, en hij voelde, dat hij nu onder vrienden was gekomen. De hooge kruinen, de takken, de bladeren, zij waren nu vertrouwd, als de gezichten, de armen, de handen van menschen, en van ieder kende hij het oude gebaar. Zijn ernst werd nu nog dieper, en een heilige eerbied vervulde zijn ziel.

Hij had nu zes lange uren geloopen, en, niet meer gewend aan zooveel lichaamsbeweging, voelde hij aan de zwaarte en de pijn in zijn beenen, dat hij heel moê was, en gauw niet meer verder zou kunnen. Maar hij wist dat het nu niet ver meer zijn kon, waar hij de heerlijkste, heiligste plek van het Bosch zou vinden.

Dáár zou hij zich dan eindelijk neêrvleien en rusten, tot hij weer gesterkt was.

Hij wist het, nu nog maar een korte wijle, en hij zou bij den lelie-vijver komen …

Hij voelde of hij eigenlijk nog niet goed durfde, [203]en er niet rein genoeg meer voor was. Het was als ééns, toen hij de Cathedraal van de heilige Leliane zou binnentreden, en op den drempel weifelend stil bleef staan, huiverend van eerbied.

Voorzichtig liep hij verder, met zachte schreden.

Tot opeens, als een, die na lang, zwaar leven, eindelijk neerziet in zijn ziel, hij den klaren vijver voor zich zag liggen, van vrede overtogen.

De hooge, statige boomen in ’t rond negen zich zachtkens over dien kalmen spiegel, en bleven zóó, roerloos, voor hun eigen, schoone beeld in ’t heldere water. Vogels kwinkeleerden in de takken en reiden een krans van jubelend gezang in ’t rond.

Als de kalme ziel van het ernstige Bosch lag daar de blanke vijver, door geen rimpeling verstoord. Paulus liet zich voorzichtig nederzinken in het gras, en voelde, dat hij de handen vouwde, als tot gebed.

En dáár zag hij ze weder, na de lange, droeve scheiding, de witte waterlelies, drijvend tusschen de breede bladeren, die zich ontvouwden als heilige harten zoo stil.

Uit donkere diepten waren zij ontstegen, rijzende tot het Licht. Sommige waren nog kuischelijk dichtgevouwen in den knop, voorzichtiglijk uitstekend boven het water, wachtend op de volheid der tijden, tot het mysterie zou zijn volbracht; andere hadden de blanke bladen eerwaardiglijk ontplooid, en hielden [204]de gouden harten ganschelijk open, om te ontvangen de zegening van het licht.

De breede kronen der boomen welfden zich boven dit wonder in vrome, biddende bogen, en hun statige stammen waren als de zuilen van een cathedraal.

Somtijds ging een zachte windwuiving over hen heen. Dan beroerden de hooge kruinen elkaar in groote vriendschap, met heilige huivering van kuisch genot, terwijl een zachte muziek door de bladeren ruischte.

De spiegel van den vijver bleef onberoerd, zooals een ziel, die de diepe, allerláátste wijsheid heeft gevonden. Somtijds versprong alleen een vischje, met fonkeling van zilveren droppelen in ’t licht. Dán werd de rust nóg stiller …

Sprakeloos stond hij het aan te staren, de handen gevouwen, de oogen omfloerst van tranen, eenzaam, vroom geloovige, in die Cathedraal van God, die schooner en volheerlijker was, dan de fijnste bouw van menschenhanden. Hij zag de sterke, statige boomen als groote wonderen van machtige liefde, als zacht gefluisterde gebeden ruischte het door hunne hooge kruinen, en daar, in dien blanken, klaren vijver vóór hem, gebeurde het heilig mysterie van het leven, de rustige rijzenis van het vlekkeloos reine, aan het duister ontstegen, tot het Licht. [205]

En hij begreep niet meer, dat hij ooit zoo ongelukkig had kunnen zijn, daar, vèr in die stad, dat hij ooit wild was uitgestuipt in hartstochtelijk snikken, dat zoo woest de droeve opstand was geweest in hem, van binnen. Want het was hem nu, of hij daar neêrzag in zijn eigen ziel, die vlak was en onberoerd, en géén storm van buiten had dien kalmen spiegel kunnen deren.—O! Als hij maar altijd klaar had geweten, dat áltijd ergens ìn hem die stille vijver was geweest, en dat het allerinnigste van zijn ziel tóch rust was gebleven, tè diep om ooit door al het wilde te worden beroerd. En zóó, als hij eerst lang, lang geloopen had, zóó had hij ook moeten gaan door zijn ziel, waar hij wel ééns die klare rust zou hebben gevonden.

Die zekerheid was nu gansch duidelijk en helder over hem, en hij voelde eene rust over zich nederdalen, zooals hij nog nooit had gekend. Dáár, vlak vóór hem, lag de stille vijver met de blanke bloemen, als de simpele, rustige oplossing van al het bange, ontzettende leven, waar hij dóór was gegaan. Hij bleef áldoor maar staren en staren, en in die uiterste spanning wist hij op ’t laatst niet meer, of het de vijver was, waarin hij neêrzag, dan wel zijn eigen ziel, die hem eíndelijk was geopenbaard.

Totdat hij, afgemat van vermoeienis, achterover zonk in het mos, en een rustige slaap zijn [206]van vrome tranen blinkende oogen zachtkens sloot.

De avond begon nu langzaam te vallen. Vage schaduwen gleden over den stillen vijver, en de boomen voelden rillend van eerbied de plechtige wijding komen van den naderenden nacht. Zóó, als licht nog èven, voor ’t laatst, de ziel op van den stervenden mensch, die het mysterie van den dood voelt komen, zóó kwamen alle dingen nog éénmaal duidelijk uit, vóór het duister hen zou bedekken, en toonden nog éven hun ziel in dat teêre moment van de schemering, waarin niets wat ijl en fijn is zal breken. Toen breidde de groote Nacht zijn donzen vleugelen wijd uit over de moede wereld, en alles verzonk in zijn donkeren droom.

En in die teêre innigheid van rust en vrede lag Paulus, kalm als een kind, in ’t zachte mos aan den oever van den stillen vijver, eíndelijk dan teruggekomen van al het droeve zwerven, bij zijne goede broeders, de boomen, die zegenend hunne takken uitspreidden boven zijn hoofd.…

Zóó sliep hij, rustig, uur na uur, totdat een manestraal, die door de takken in zijn oogen scheen, hem wakker maakte, en een hemelsche muziek zijn sluimerende ziel vervulde.

De maan was opgekomen boven het Bosch, en had haar stille, weemoedige licht als een zachte, berustende [207]liefde verspreid over de wereld.—Doodstil waren de boomen in dat zilveren licht, roerloos stond het donkere Bosch er in te droomen. En, hoog in de takken, boven Paulus’ hoofd, zat een nachtegaal van zaligheid te zingen.

Hij wist niet of hij waakte, of nog droomde, onder dat wondere gezang.

Het was een bevend trillen, een donker orgelen, een helder fluiten, en dàn weer hoog uitjubileeren, als van een ziel die in de uiterste extase in muziek zal vergaan. In de stilte van den nacht spoot het op, als een fontein van klanken, sprinkelend, fonkelend, en dan opeens, met een rechten straal hóóg in de lucht. De hevige emotie kropte óp in die zangerige keel, die hijgend het groote gevoel uitzong, omdat er nóg meer kwam, en nóg meer, en áltijd weer meer en hij het niet kon inhouden.—De zaligheid jubelde trillerend in dat juichende lied, dat opsteeg, hooger en hooger, door de stilte van het woud.—Dán zweeg hij weer even, de wondere vogel, als moê van zijn eigen geluk, om drá weer uit te breken in lage, lang uitgehaalde tonen, nú niet meer wild-uitgestuipt, maar orgelend, als donker-sonoor choraal. Eenzaam zat dat kleine vogeltje zijn ziel uit te zingen, in den nacht, tegen den hoogen hemel vol sterren. De boomen stonden ernstig en stil, en luisterden.

Paulus keek op, nog loom van droom, en zag de [208]sterren door de takken der boomen schijnen, en het maanlicht, dat vol weemoed glansde in het woud. Maar het vogeltje zag hij niet, dat ergens, heel klein en deemoedig, verscholen zat in het groen.

Hij hoorde enkel zijn wondere zingen, dat nú eens klonk als een statig hooglied, en dàn als een vlammende minnezang, en dan weer als een vroom gebed. En de groote Liefde, die lang in hem gewoond had, maar nooit zóó bewust was geworden, werd in hem wakker.

Nú wist hij het eigenlijk eerst, onder dat jubileeren en orgelen en luid uit-klagen van den nachtegaal, dat híj ook liefhad, ondanks wreedheid, ondanks onrecht, ondanks álles, tegen verstand en rede in, met een liefde, wortelend in onsterfelijkheid en eeuwigheid en dood, in de diepste oneindigheden van zijn ziel, bóven hartstochten en menschen en dingen.

„Leliane!.…” fluisterde hij … „Leliane!.…” en het was hem, of hij wèg zou sterven in gebed.

Boven zijn hoofd was het gejubel weêr begonnen, en het kleine, eenzame vogeltje zong úit zijn groote ziel van liefde, dat zij ganschelijk vergaan zou in muziek, wegzwijmelend in pure, klinkende klanken.

Hoog boven de boomen stonden de stille sterren, sereen en helder, en luisterden in plechtige aandacht.… [209]

Eindelijk had de nachtegaal opgehouden met zijn gepassioneerden zang, en Paulus, moê van het vele loopen, dat hij was ontwend, was weder in slaap gevallen.

Toen hij weer wakker werd, scheen de zon al door de takken der boomen. De breede kruinen ruischten een zacht goeden-morgen in de luchtige waaiing van den ochtendwind. Alles stond vroolijk bereid voor den dag, in jonge, lichte kleuren. De harten der vlugge vogelen waren van blijdschap vervuld, waarvan ze kwinkeleerend zongen in kwetterend lied. En Paulus hoorde aandachtig naar de jubelende zielsmuziek van de teêre wezens van de lucht, die niet kunnen spreken, maar enkel zingen van verrukking en van liefde. Die leefden daar maar vrij en blij tusschen het glanzende, schaduwende groen, met hun lief en met hun lied.

„—Roekeroekoe,” zeide een duif, boven zijn hoofd.

„—Roekeroe,” zeide een ander.

Opeens een gerucht van luchtig gefladder in de blaren, een zacht ruischend gewuif van wieken, en twee sneeuwwitte duiven streken neer voor zijne voeten in het mos. Haar roode oogjes schitterden als vonken. De doffer schreed buigend om het duifje heen, galant als een riddertje, dat zijn hof maakt, stak de borst op, om op zijn mooist te wezen, en koerde een zacht-verliefde klacht. Het duifje, slank en blank, wiegde wat wachtend op en neer. [210]

En toen begon een zoete vrijage, van die twee witte wezentjes, trippelend in het groen. Totdat zij, van innigheid overkomen, elkander toe-koerend en lachend, de glanzige snaveltjes gaven in langen, hartstochtelijken kus. Het was bevallig, en het was liefelijk, en het was groot van eenvoud.

Paulus durfde zich niet verroeren, bang om ze op te schrikken uit hun lief gespelemei in den blijden morgen. Maar toen de doffer te onstuimig werd, vloog de duif opeens weer op, door de boomen.

De vijver lag glanzend in het zonlicht, rustig zonder rimpeling. In de verte kwamen twee witte zwanen aandrijven, statig, vlekkeloos blank, als gedachten van liefde, droomende over een ziel. Zij hielden de slanke halzen trots omhoog geheven, wèlbewust van hun reinheid en hun zuivere statuur.

De heilige lelies begonnen haar bladen al langzaam te ontplooien, en hare gouden harten voelden het licht, dat diep in haar drong. Als de innigheid van den middag kwam, zouden zij ganschelijk open liggen voor de zegening van de zon …

Alles om Paulus heen was glanzing, en blijheid, en zegening en geluk. Hij voelde een groote, universeele liefde in de statige stijging der stammen, in het simpele bloeien van een bloem, in het rustige spiegelen van het water, in de zachte waaiing van den wind, in het jubelende lied van de vogelen. O! [211]De wereld was een wonder van liefde, en een genade, oneindig, was het Leven, in de reine, ontzaglijk rijke Natuur! Hij voelde de koele boschlucht in zijn longen komen, en een groote kracht zijn uitgeruste lichaam sterken. Hij had mede willen zingen met de vogels, uitjubelen zijn genot, iets vast aandrukken aan zijn hart, om zijn innigheid te geven.

Toen dacht hij, opeens, aan de verre nachtmerrie van de stad, die nu leek uit een boozen, voozen droom. Hoe was het mogelijk, waar het buiten zóó rijk was en zóó goed, dat daar, ver, ergens menschen leefden in duffe, steenen gebouwen, tusschen koude, zwijgende muren, dat er duizenden verdorden en verkwijnden in dampige, vunze fabrieksholen, en diep in ’t donker van de onderste aarde, waar bóven ontloken de wonderen van ’t groen! Kijk! daar groeiden aardbeien en bessen! Hij plukte er van, en snoof haar zoeten geur op, en voelde ze smelten op zijn verfrischte tong. O! Heerlijk, heerlijk, die vruchten, als je ze zóó kon plukken van de goede aarde, dat niets van hun innigheid was vergaan! En hoor! Was dat niet een merel, die daar floot met sonore orgeltonen boven zijn hoofd?

In de takken boven zich zag hij den slanken, zwarten vogel, en hij kon zijn diep-ademend keeltje zien bewegen. Dit glanzende vogeltje was bevangen door de jonge morgenlucht en het jonge licht, en in [212]helder geörgel, met klare, sonore klanken, zong hij zijn lied.

Paulus had in langen tijd de merel niet hooren fluiten, en het ontroerde hem diep, als de nachtegaal, dien hij dien nacht gehoord had, niet zóó hartstochtelijk-innig, als een vlammenbrand van geluid, maar rustiger, sereener, als een devoot gebed. Hoor! Hoe vol die tonen aanzwelden, hoe gansch volmaakt ze orgelden, rijp van innigheid!

Een eind van hem af begon een andere een tegen-keer te zingen. En hoor! daartusschen het zangerig getink van een vink! En daar een, en daar weêr een, en de heldere slag van de grauwe lijster! Heel het woud was vervuld van muziek, die de zaligheid van te leven, in ’t licht en in de lucht, uit honderden vogelenkelen drong. En o! wat hoorde hij daar ginds, nu hij aandachtig stond te luisteren, een hand aan ’t oor?… Daar klaterde het vertrouwelijk gepraat van een beekje langs de steenen, het oude, klare beekje, dat áltijd maar aan ’t vertellen was, en van geen zwijgen wilde weten. Hij hoorde het water kletteren over den rotsigen grond daar, en dán wègmurmelen, zachter en zachter, als een man die neuriënd in de verte verdwijnt. Zóó had dat rustelooze beekje altijd door geklaterd, toen hij weg was geweest, en nú riep het hem weer, met zijn oude, wèlbekende stem. Het was hem, of hij een vriend [213]had teruggevonden, wiens roepen hij weder hoorde.

Met een groote vreugde bevond hij, dat dit alles nog even intiem was voor zijn ziel, en dat hem niets bevreemdde wat nu om hem was, maar alles heel natuurlijk aanvoelde, alsof het altijd zoo was gebleven, en er nooit iets om hem veranderd was. Dus was àl het droeve en duistere toch maar als een donkere wolk dreigend om hem heen geweest, zonder het allerinnigste in hem van binnen te kunnen bereiken, dat roerloos was gebleven, en onaangetast, als de stille vijver, door géén rimpeling verstoord!

„Roekeroekoe,” begon de duif weer, in een boom dichtbij. En het was Paulus of het beestje hem kende en hem groette, zóó intiem voelde hij zich met alles.

Nu vèrder, een korten weg nog maar, naar zijn oude huis. Hij liep er haastig heen, en, al de oude, wèl-vertrouwde boomen herkennende, waar hij langs kwam, was het hem, of hij eigenlijk nooit weg was geweest, en hij-alleen maar thuiskwam, als vroeger, van een wandeling. Al het andere was, maar even, een booze droom geweest.—

Hij zág onder het loopen zijn kamertje al, met het rieten rustbed, en de platen aan den wand, en de tafel voor het venster, waar altijd een vaas met bloemen op stond. En hij wist precies, hoe de boomen stonden daar vóór, en hoe ze hun takken hielden. [214]

Eindelijk, daar wás hij er … Niemand was in het tuintje … Willebrordus niet, Mareta niet. Zeker uitgegaan, in den moestuin achter. De deur stond open, als altijd. Hier, links, was zijn kamertje.

Hij uitte een kreet van vreugde. Alles was nog precies eender als vroeger. Zijn rustbed was gespreid. Er was water in de aarden kan. Op zijn tafel stond de vaas vol versche bloemen. Het was zijn oude, vertrouwde kamer van vroeger, waar hij ieder oogenblik werd verwacht. Er was niets bijzonders in, dat anders zou zijn dan eens. Zijn boeken stonden, netjes gerangschikt, op het houten rek langs den muur. Buiten voor het venster stonden de boomen zachtjes te wuiven, en groetten hem goeden-dag.

De tranen kwamen hem in de oogen, en diep-geroerd ging hij op een stoel zitten, en keek zijn kamertje lang en aandachtig aan, dat hem óók aanzag, met dezelfde rustige vertrouwelijkheid van vroeger.

Dáár hoorde hij zachte, gelijkmatige voetstappen langzaam aankomen, met een oud, wèlbekend gerucht.

Hij stond op, eerbiedig, maar bevend van aandoening.

„Dag, mijn jongen!” zeide Willebrordus kalm, heel niet verwonderd, eenvoudig, zooals hij het zou gezegd hebben, als zijn kleinkind maar even weg was geweest voor een wandeling.

Paulus sloeg de betraande oogen op, en zag dat [215]rustige, sereene menschen-gezicht, zacht als de maan, dat door het levens-lijden was verlicht tot een stille straling van vriendelijke, wèl-bewuste wijsheid. Hij voelde de dierbare handen zegenend op zijn hoofd.

En in een wondere uitweening van dat allerreinste berouw en die vrome ziele-beving, die het mystieke compunctio is, knielde hij snikkend voor Willebrordus’ voeten neder.… [216]