HOOFDSTUK XI.
Nu begon Paulus’ leven weer sober en eenvoudig, als vroeger.—
Willebrordus had hem stil laten uitweenen, niets gevraagd en gedaan, alsof zijn kleinkind maar even was teruggekomen na een verren tocht. En Paulus voelde zich te moê van al het geledene, om nu, eindelijk tot rust gekomen, al de verschrikking van vroeger weer te uiten en ná te voelen schrijnen. Het was hem ook of, zonder dat hij iets zeide, Willebrordus tóch alles reeds wist in essentie, al de groote emoties, die hij in Leliënstad had doorgemaakt.—Dat voelde hij in het zachte gebaar, waarmede de oude hand somtijds op zijn hoofd werd gelegd, in den vriendelijken, ietwat weêmoedigen blik, waarmede de grijsaard hem wel eens aanzag, peinzend, zonder iets te zeggen.—Ééns had Willebrordus iets laten dóórschemeren, toen hij hem zeide, in den loop van een gesprek: „Als je nu weer eens weg bent, Paulus.…” Toen was Paulus verschrikt opgesprongen, en had uitgeroepen: [217]„Maar, grootvader, ik gá niet meer weg, nooít meer, nooit meer.…” En Willebrordus had geantwoord, zacht, maar zéér beslist: „Dat zal je wèl, Paulus.… heusch.… daar ben je véél te vroeg voor teruggekomen.… later misschien, véél, véél later, als ík er niet meer ben.…”
En Paulus was uitgebarsten in hartstochtelijk snikken, omdat een vaag voorgevoel hem zeide, dat grootvader tóch wel gelijk had.
Want alles was niet meer geworden als het vroeger was, hoé overweldigend zalig de emotie ook was geweest van het eerste terugkomen in het Bosch. Het onbewuste genieten, het vage droomen van zijn kinderjaren was niet meer teruggekomen. Hij wíst nu, wat daar lag achter de verre horizonnen, toen hij ééns weder geklommen was in een hooge boomenkruin, en hij wist ook, van wie hij droomde, als hij stil was neêrgelegen aan den vijver van de witte water-lelies. Het weten van de wereld buiten het Bosch was altijddoor in zijn ziel bewust. En het groote leed der menschen klaagde er aldoor in rond, klaagde en klaagde, als de boomen hun goeden-morgen ruischten in het eerste zonlicht van den dag, als de vogelen hun plechtig lied zongen in de schemering van den avond.
Hij vond wèl terug het oude geluk in zijn werk van vroeger, in het spitten en zaaien in den moestuin, [218]in zijn omgang met die trouwe, simpele vrienden, de koeien en het paard, in het vertrouwelijke verkeer met zijn duiven en de reeën, die zich, na een korten tijd van weifeling, weer lieten streelen den zachten rug. En als hij in haar trouwe, bruine oogen zag, die zoo oprecht konden kijken en zoo wáár, dan dacht hij: „waarom kunnen menschen-oogen niet zóó zijn?”
Hij baadde véél, en maakte lange wandeltochten, als vroeger, en wist al gauw den tijd weer te lezen uit den stand der zon en der sterren, zonder het horloge te behoeven van de menschen uit de stad.—Ook las hij veel in oude, wijze boeken, die Willebrordus hem gaf, en avond aan avond zat hij gebogen over de Bhagavad-Gītā en de Upanishads, die hoogste openbaringen van het goddelijke aan den mensch.—Het Bosch werd nóg mooier en heiliger voor hem, toen hij zich meer bewust was van de Al-Ziel, die onsterfelijk leefde in de sterfelijke natuur. Het werd hem buiten te moede, als in een eindelooze cathedraal van God, gebouwd van boomen en bergen en rivieren, van zonnen, en sterren, en planeten. Alles wat bestond was in essentie eeuwig en heilig en eindeloos.…
Hij leefde nu in niets dan wijsheid en schoonheid, die zijn ziel verreinden, en iedere daad van leven daar in de groote natuur van het Bosch was vredig en sterkend, als een gebed. [219]
Zóó ging Paulus’ leven rustig door, de eerste maanden. Hij kreeg zijne krachten van vroeger terug, en de gezonde, roode blos kwam weer op zijn wangen. Hij werkte veel met Willebrordus in den moestuin, kapte hout, en maakte verre wandelingen in den omtrek, zóó, dat hij ’s avonds, te moê om te denken, dadelijk insliep, natuurlijk, als de planten en de dieren.
Maar langzamerhand, toen hij de zaligheid van zijn natuur-leven al dieper en dieper ging beseffen, begon een vage twijfel in hem op te wellen, of het wel recht en goed was, wat hij thans deed. Híj was nu veilig geborgen, leefde een rustig leven, te midden van zulke goede, ernstige vrienden, als de boomen en de bloemen. Maar daar ginds, ver van het bosch, over de bergen, wist hij het droeve volk van de steden, in zijn grooten nood. En ééns, toen hij, zonder werk zijnde, voor het open venster van zijn kamertje uit zat te staren in den vallenden avond, en hij zag al de pracht van het Bosch om zich heen, voelde hij opeens met schrik een overeenkomst van zijn eigen leven met dat van den luien, rijken nietsdoener in weelde, die, onbewogen voor het leed der menschen, zijn bestaan doorgaat in louter luxe. Toen dacht hij opeens: „Leef ík dan niet in weelde? Is er grooter luxe denkbaar, dan dit grandiose, statige Bosch, en al de rijkdom van de Natuur om mij heen?”
Was hij nu eigenlijk niet even lafhartig weggekropen [220]voor de ellende, als de ijdele désoeuvrés, die hij zoo verachtte in de pracht van Monte-Regina?
Van dien avond af aan genoot hij niet meer zoo zuiver van al het mooie om hem heen. Hij kon zijn onbewust geluk van vroeger niet meer terugvinden, want de gedachte aan het lijden van zijne medemenschen verbitterde het innigste genot. Een scherp zelfverwijt begon in hem op te schrijnen, als hij dacht aan al de ellende, die nu in Leliënstad dóór moest gaan, terwijl híj veilig in de overdadige luxe van de natuur liep te genieten. Terwijl híj den heerlijken geur opsnoof van het eikenloof, zwoegden duizenden en duizenden van zijne broeders in door giftwalmen verpeste fabrieken; terwijl híj, in zacht gemijmer den loop der sterren volgde door de fijne openingen in het gebladerte, zwierven honderden van zijne hongerige zusteren door de straten van de stad, om haar schande te verhuren voor wat brood. En géén verfijnde, sensueele rijkaard kon toch ooit zóó van zijn weelde genieten, als hij van de luxueuse pracht om zich heen, van het droomende Bosch in maanlicht, waar de nachtegalen van zaligheid zongen.
Die gedachten begonnen hem dag aan dag feller te kwellen. Was het goed, zélf eenvoudig en sober te leven, in de rijke eenzaamheid van de natuur, zoolang millioenen van zijn medemenschen verkwijnden in kommer en gebrek? Maar, aan den anderen kant, [221]wat hielp het, of hij, zwakke, droomerige jongen, weer terugkeerde naar het lijden der menschen, dat hij tóch niet kon genezen? Groote geesten, dichters en denkers, bij wie vergeleken híj maar een waardeloos nietelingetje was, hadden hun leven uitgesloofd om met hun ideeën en beelden de menschheid vooruit te stuwen, maar wàt was er van hun werk terecht gekomen? En als het tóch niet hielp, had híj dan niet het recht, zijn leven zoo mooi en eenvoudig te maken als het meest áánpaste aan de altijd zuivere en juiste natuur?
Met Willebrordus durfde hij er niet over spreken. Die leek hem te ver over alles heen, in waarheden te hoog en te subtiel, om hem te vermoeien met vragen, die zeker op een zoo oneindig veel lager plan moesten staan, dan zíjn sfeer van weten en voelen. De staat, waar Paulus’ ziel nu doorging, moest voor Willebrordus in een sfeer zijn gelegen van véél te lang geleden, om er zich in terug te begeven, nu hij eenmaal zóó ver was. Zijn oud, gerimpeld gelaat had een zoo reine uitdrukking van klare wijsheid, dat het Paulus heiligschennis leek, hem vragen te doen van zeker zooveel lager orde dan zijn verheven weten. En ook voelde hij, dat hij van zelf, door eigen kracht, door dezen ziele-staat zou moeten komen, waar geen hulp van buiten op den duur voor baten zou.
Somtijds, in zeldzaam spannende momenten, voelde [222]hij ook opeens een onweerstaanbaar verlangen, om meer in de sfeer van prinses Leliane te zijn. O! Even de lichten te zien schitteren van haar paleis, èven te zien wuiven, in de verte, het wonder van haar witte gewaad!.…
Nu hij zoo ver van haar af was, en niets hem meer aan de verschrikking herinnerde, waarvoor hij was gevlucht, was de donkere schaduw, die dreigde boven haar lichte beeld, weer geheel verdwenen. Het Beest was van haar weg, geen Monster besmette meer haar reine sfeer, en haar beeld glansde weer licht en liefelijk als een ster, apart en bijzonder aan heilige, verre transen.
Somtijds meende hij, met een wondere ontroering van verrukking en schrik, haar kleed te hooren ruischen in het ritselen der blâren, of wel hij meende te hooren het zoet geluid van haar stem in het zacht geneurie van den avondwind door de takken, en somtijds meende hij haar lach te zien lichten in het stille tinkelen van een verre ster.—In zijn rustige kamertje, waar zij ééns had getoefd, zweefde nog iets van háár heilige presentie, als een essence, die er in was blijven droomen. In de lichte geheimenissen van zijn ziel, waar haar beeld hoog boven straalde, was nooit een donkere schaduw haar genaderd, en zij schitterde daar even luisterrijk onbevlekt en ongenaakbaar als de gouden Morgenster boven lichte ochtend landouwen. [223]En het was Paulus wel eens of er twee Leliane’s waren, de eene een schijn-beeld in de weifelende werkelijkheid, bedreigd door het ruige, roode Beest, dat het verstikken zou, de ándere onsterfelijk, in de lichte sfeer van den droom zijner ziel, smetteloos, in eeuwig reinen staat van leliën blankheid.—
Ook droomde hij wel eens van de stad, zóó klaar duidelijk, dat hij zich, wakker wordend, afvroeg, of het wel schijnbeelden waren geweest die hij gezien had, dan wel, of zijn ziel werkelijk in Leliënstad had getoefd, terwijl zijn lichaam sliep.
Ééns was hij op het groote Domplein geweest in zijn droom. Hij zag het leelijke, kolossale gevaarte monsterachtig oprijzen tegen een droevige, grijze avondlucht, en zijn ziel schrikte en trilde pijnlijk toen hij de blinkende, gouden letters las boven den ingang:
Ziet, ik ben bij u
Alle dagen
Tot aan der Wereld Einde.
De regen striemde neer op den grond, de wind huilde en huilde. En klagelijk liepen de jammerlijke vrouwen der schande over het plein, loerend, loenschend naar haar prooi, als roofdieren in honger.…
Toen hij wakker werd, zag hij door het open venster het zonlicht op de wuivende bladeren bewegen, en hij hoorde het liefelijke lied der vogels, uitzingend [224]hun geluk om het leven. Alles was blijheid en warmte en schittering daarbuiten; alles bloeide, en jubelde, en lachte.
Toen voelde hij in dat geluk opeens de ellende uit zijn droom, als een onrecht, nog bitterder, dan hij het ooit gevoeld had in de treurenis van de stad. En weêr moest hij onverbiddelijk denken aan den rijken luiaard, levende in Monte-Regina’s luxe, en aan zich zelf, veilig verscholen voor ’s werelds misère in de ontzaglijke pracht van het Bosch.
Den geheelen dag voelde hij zich ellendig door die gedachten, tot er ’s middags opeens een houthakker aankwam, die een brief bracht, een ongewone gebeurtenis, die Paulus zich niet herinnerde, ooit beleefd te hebben in de hut.—Bevend van ontroering brak hij hem open. Hij was van Elias.—
„Beste Paulus!
Ik weet niet, of deze je bereiken zal, maar ik zal mijn best doen, dat je hem krijgt.
Je bent waarschijnlijk nog altijd goed en wel in de pracht van je bosch. Daar zit je best, en wèl veilig! Maar hier staan groote dingen te gebeuren. Ik kan je niet schrijven wàt. Alléén dit: „alles, waar jij steeds aan gewanhoopt hebt, zal nu worden verwezenlijkt. Het Recht gaat zegevieren, en de dageraad van het Licht breekt aan. Alles zal nu eindelijk goed worden. Méér kan ik je niet zeggen. Maar als je deze groote gebeurtenis wilt [225]meêmaken, moet je onmiddellijk komen. Één dag te laat, en je zoudt niet meer hier kunnen zijn; je moet, zoodra je dezen krijgt, dadelijk op weg gaan. Kóm nu, en je zult de overwinning zien van het Recht, waar je altijd zoo naar hebt gesmacht. Ga direct naar mijn kamers, als je in de stad bent. Je vriend
Elias.”
Nog dienzelfden middag ging Paulus met den boodschapper mede terug. Hij had Willebrordus den brief laten lezen, die zacht-weemoedig het hoofd had geschud, en gezegd had: „Dat hebben ze al méér gedacht, vóór Elias … Als het eens waar was, zou het tóch zoo mooi zijn … maar ik vréés er voor … Toch moet je gaan, Paulus, je moét zoo iets door hebben gemaakt, vóór je wijs kon worden …”
En Paulus had niet meer geweifeld, maar zich dadelijk gereedgemaakt. Hij voelde, dat het niet anders kón. Er was tóch niets aan te doen. Vroeg of laat zou hij tóch teruggegaan zijn naar de stad. Rustig en kalm nam hij afscheid van Willebrordus, die hem de wijding meêgaf van zijn tot zegening gespreide handen. De grijsaard beloofde hem, dat zijn kamer altijd gereed zou zijn, als hij weer eens terug wilde komen. En Paulus ging, nadat hij voor den ouden wijze was nedergeknield in diepe verootmoediging. [226]
Zonder tranen, wèlbewust van zijn daad, verliet hij het oude, vertrouwde Bosch, om terug te gaan naar de duistere stad der menschen, waar het onrecht woonde, en de leugen, en de schande. [227]