HOOFDSTUK XIII.
Alles wat Elias aan Paulus voorspeld had, werd bewaarheid. Den volgenden morgen om zeven uur werden de telegrammen naar alle plaatsen van Leliënland verzonden, en een uur daarna stond het groote raderwerk van de maatschappij stil. Het was, alsof het geheele land met één zwaai van een magischen staf betooverd was.
In de groote Leliënstad was alles rustig, alsof het Zondag was, maar nóg kalmer, nóg plechtiger. De booten lagen stil in de rivier, de locomotieven stonden roerloos in de remises, en geen trem of rijtuig reed in de straten. Overal op de muren waren groote biljetten geplakt, onderteekend door het uitvoerend comité, waarin de arbeiders werden aangemaand, om toch voorál rustig te zijn, en geen aanleiding te geven tot geweld. Alles was ordelijk, veilig, maar doodstil. De staking was ditmaal zóó compleet, dat zelfs de couranten niet konden verschijnen, omdat van de zetters niet één was opgekomen. Het arbeidende proletariaat had het [239]werk neêrgelegd, om tot het uiterste te strijden voor een menschwaardig bestaan, met den hongerdood als láátste wapen, indien de andere niet hielpen.
Paulus bracht de eerste, gewichtige dagen voortdurend in het bijzijn van Elias door. Hij was tegenwoordig bij al zijn veelvuldige bemoeiingen, bij besprekingen, bij vergaderingen met de leiders der beweging. Een nieuw, heilig gevoel begon in hem op te bloeien, reiner dan dat van zijn teêrste droomen in het Bosch. Daar wàs het dan eindelijk, vlak voor zijn oogen, dat ongeloofelijke, dat ontzaglijk verhevene, dat hij nooit had willen aannemen, het broederlijk samen één zijn van duizenden en duizenden menschen, schouder aan schouder, bewogen door ééne, over allen zwevende gedachte, zooals de boomen in het woud, bewogen door één zelfden wind, maar véél nobeler nog.
Elias legde hem in groote trekken het plan uit, waarop het wondere evenement was voorbereid. Hij vertelde hem, hoe honderden jaren van geduldige, onverdroten arbeid waren noodig geweest, om tot déze eendracht te komen, hoe vooral in de laatste jaren met waar mieren-geduld deze geweldige massa in beweging was gezet, hoe zij telkens en telkens weêr terug was gevallen, na werkstaking op werkstaking, die mislukt was door innerlijke zwakheid, totdat nu het zware, inerte gevaarte als één groote, onwankelbare [240]muur was opgetrokken, om het kapitalisme te stuiten.
De Regeering, die niets vermoed had,—zóó strikt was alles geheim gehouden, en zóó stil en rustig was alles voorbereid,—was in de eerste dagen overrompeld. De nieuwe lichtingen van de militie waren juist naar huis gezonden, en er waren geen troepen dadelijk beschikbaar, om grof geweld te gebruiken. Bovendien konden er per spoor geen soldaten in Leliënstad worden aangevoerd, omdat er geen treinen meer liepen.
Na de eerste drie dagen van werkeloosheid opende de Regeering reeds onderhandelingen met het uitvoerend comité van de stakers. Het eerste, wat zij trachtte te verkrijgen, was het weder in beweging brengen van het spoorwegverkeer, daar Leliënstad nu feitelijk van de beschaafde wereld was afgesloten. Heimelijk was het nu der Regeering te doen om tijd te winnen en voldoende troepen in Leliënstad te krijgen, om dáár, waar de ziel van de staking was, de beweging met geweld te onderdrukken. Het comité, dat den toeleg doorzag, weigerde pertinent iets toe te geven, alvorens ruime concessies waren gedaan en wetsontwerpen werden geregeld, om aan de dringendste eischen tegemoet te komen.
De Regeering weifelde en weifelde, en begon eindelijk te probeeren met geweld. De telegraafkantoren werden door militairen bezet, en men trachtte treinen te laten [241]loopen met zoogenaamd vaderlandslievende ingenieurs en op lintjes beluste studenten. De spoorwegstations werden kazernes van de scherp gewapende infanteristen. Sterke patrouilles cavallerie doorkruisten zonder éénige reden de straten, waar alles rustig was, en de orde geen oogenblik was verstoord. Reusachtige automobielen met revolver-kanonnen en artilleristen werden de stad uitgezonden om communicatie te verkrijgen met het land en het buitenland.
De eischen der arbeiders, die niets anders inhielden dan de wettelijke verzekering van een menschwaardig bestaan door degelijken, soliden arbeid tegen redelijk loon, en met wèlverdienden rusttijd, werden zóó absurd gevonden, dat de Regeering besloot tóch maar het uiterste te wagen, vóór toe te geven aan zóó iets ongehoords. Er waren in Leliënstad in elk geval nog tienduizend man troepen, die men met hun verfijnde, moderne moordwerktuigen geweld kon doen gebruiken tegen weêrlooze burgers.
De stakers, bezield door de ééne, groote gedachte, gedroegen zich ordelijk, zonder aanstoot te geven, onthielden zich voor ’t overgroote deel van sterken drank, en bepaalden zich tot het met posten bewaken van instellingen en fabrieken, waar men vreesde, dat gehuurde onderkruipers, door honger gedwongen, het werk zouden hervatten.
Met groot machtsvertoon werden die fabrieken [242]bezet door de militairen, die in last kregen, iedereen neêr te schieten, die in een verboden rayon kwam. Zonder eenige reden chargeerden hier en daar huzaren op postende groepen stakers, die niets deden dan toekijken en waken, in de meest gepaste orde.
Het comité vreesde, dat het de tactiek der Regeering was, geweld uit te lokken, om zoodoende de beweging in bloed te smoren, en de algemeene opinie vóór zich te krijgen.
En de éénige vrees van de leiders was nu, dat de stakers zich zouden laten verleiden tot wanordelijkheden, en geweld tegenover geweld zouden stellen. Gebeurde dit, dan was alles verloren. De hoofdmannen spraken zich de keel schor in telkens nieuwe en nieuwe meetings, om zich toch voorál kalm en rustig te houden, en alles te vermijden, wat op feitelijken opstand of wetsovertreding leek. De groote kracht van de beweging lag juist dáárin, dat zij op orde en veiligheid berustte, en het éénige maar onfeilbare wapen der staking bestond uit die ontzaglijke inertie, dat lijdelijke niets-doen, waardoor het kapitalistische bedrijf tot stilstand werd gebracht.
Nadat nog geen week voorbij was gegaan, begon de toestand te gelijken op de eerste ellende van een beleg. De levensmiddelen werden schaarsch, de prijzen stegen. Er was geen meel genoeg, geen vee, geen groente, en er kon maar heel weinig worden aangevoerd, [243]nu de treinen niet meer liepen. Het meest drukte dit de stakers zelven. Wèl waren er enorme bijdragen gezonden van de broeder-vereenigingen in het buitenland, en was er nòg meer steun toegezegd in de toekomst, maar tòch dreigde het spook van den honger al nader—en naderbij. En geruchten begonnen te loopen over interventie van buitenlandsche mogendheden, wier handel begon te lijden onder de stremming van het wereld-verkeer. De geest van broederschap en onwankelbare solidariteit begon hier en daar te verflauwen onder de bedreigingen van den kommer en het gebrek. Toen de Regeering niet dadelijk toegaf, waren er onder de stakers die begonnen te wankelen, en hier en daar stonden heethoofden op, die van revolutie begonnen te spreken. Anarchisten belegden meetings, waarin het volk werd opgeruid om nu met geweld te nemen, wat goedschiks niet gegeven werd. Dagelijks kwamen nu des avonds kleine schermutselingen voor in de door de staking slecht verlichte straten, waarbij dooden en gewonden vielen. En het grauw uit de beruchte achterbuurten werd rumoerig.
Het was de gróótste vrees van Elias en zijne medeleiders van het comité, dat het gepeupel alles zou bederven, wat zij met zooveel kalm en wijs beleid hadden georganiseerd. Niets kon nu meer welkom zijn voor de Regeering, dan een feitelijke opstand, [244]die door de soldaten onmiddellijk in bloed zou worden gesmoord, en de algemeene opinie ten haren gunste zou doen keeren. En voor niets was het comité zoo bang als voor het gevaar dat dreigde van het grauw, en dat voor ’t oogenblik geduchter was, dan de algemeene vijand, het kapitalisme. Als het gepeupel zich te buiten ging en geweld ging gebruiken, zou de kalme, ordelijke, georganiseerde sociaal-democratische partij er mede verward worden en de schuld krijgen van het bloedbad, dat onvermijdelijk zou volgen.
De kroonprinses Leliane was uit de stad, op een bezoek bij de koninklijke familie van een naburig Rijk, waar zij haar aanstaande schoonouders, den keizer en de keizerin van Moscovië, zou ontmoeten.
Toen de groote staking onverwacht was uitgebroken, was het te laat voor haar om terug te keeren, en de toekomstige koningin van Leliënland kon niet eens binnenkomen in haar eigen Rijk. Zij weigerde pertinent met een automobiel naar de hoofdstad terug te gaan, en eischte dat eerst de treinenloop in volkomen orde zou worden hersteld, vóór zij er in toestemde, terug te komen. Dit onderwerp had een gewichtig punt van verschil uitgemaakt tusschen het uitvoerend comité der staking en de Regeering. Het comité wilde eerst zekerheid omtrent herstel der grieven, [245]alvorens het de order gaf om het spoorwegbedrijf weer te doen hervatten, de Regeering eischte eerst hervatting, en dàn onderzoek en eventueel herstel, zoo dit noodig mocht blijken. Zóó werd over en weer gedelibereerd, zonder dat de treinenloop werd hervat.
De Regeering verklaarde, zich niet definitief tot iets te kunnen verbinden, zonder de tegenwoordigheid van de prinses, en geen wetsontwerpen te kunnen opmaken, alvorens zij persoonlijk met de prinses en hare raadgevers geconfereerd had. Wèl is waar was haar huwelijk nog niet voltrokken, en was zij dus, volgens de Leliënlandsche wetten, nog niet feitelijk koningin, maar toch wilde de Regeering zich tot niets verbinden, zoolang zij niet in haar midden was.
Eindelijk, toen de nood al nijpender en nijpender was geworden, en het grauw, verbitterd door de stijgende broodprijzen, elken dag een dreigender houding begon aan te nemen, vonden èn de Regeering èn het uitvoerend comité het geraden, elkander over en weer eenige concessies te doen. De Regeering beloofde onmiddellijk met de kroonprinses te beraadslagen over ingrijpende hervormingen op het gebied der arbeidswetgevingen, met regeling van billijke arbeidsduren en loonen en pensioenen, indien het comité, als eerste maatregel, de spoorwegstaking ophief, en zorgde dat de oude treinenloop werd hersteld. De [246]kroonprinses zou dan met de eerste gelegenheid in Leliënstad terugkeeren, en aan de dringendste eischen der stakers zou dadelijk daarop worden tegemoet gekomen.
Waar al de bevelen en de bedreigingen van de directie niets hadden gebaat, was nu één wenk van het uitvoerende comité voldoende, om het ontzaglijk gecombineerde, uit honderden onderdeelen bestaande organisme van het spoorwegverkeer weer in beweging te zetten.
Een dag na de definitieve bespreking van het comité met de Regeering stoomden in alle richtingen de treinen weer door het land. En één wenk van hetzelfde comité zou ieder oogenblik ook weer voldoende zijn, om al die vliegende gevaarten in hun loop te stuiten.
’s Avonds om zes uur zou de kroonprinses Leliane in Leliënstad aankomen, en den volgenden dag zou de Regeering met haar de beloofde wetsontwerpen bespreken, waarin werd tegemoet gekomen aan de grieven der stakende arbeiders. De geheele stad was vol van het groote nieuws. Er was veel geleden, veel verloren, en veel te niet gegaan in de laatste weken. De bedrijven hadden zoo goed als geheel stilgestaan. Een vage, onbestemde angst had de bourgeoisie in huis gehouden, die ieder oogenblik opstand en moord en doodslag had verwacht. De patrouilleerende troepen [247]en het voortdurend machtsvertoon hadden de spanning nog zenuwachtiger gemaakt. En toen de tijding bekend werd, dat de spoorwegstaking was opgeheven en de kroonprinses weêr in Leliënstad zou terugkomen, voelden de angstige, bevende bourgeois, die hun leven en hun goed bedreigd hadden gedacht, zich opgelucht als kinderen na een gevaarlijk onweêr. [248]