WeRead Powered by ReaderPub
Leliënstad cover

Leliënstad

Chapter 2: HOOFDSTUK II.
Open in WeRead

About This Book

Een jonge man observeert vanaf een brug een immense, mistige industriestad langs een rivier, waarin schepen, schoorstenen en kaden een onheilspellende, lawaaiige sfeer scheppen. De stad wordt beschreven als meedogenloos en vervreemdend, met menigten die zwoegen en duizenden die onder brugbogen beschutting zoeken tegen de winterkou. Hoog boven de grauwe bebouwing verschijnt een verlicht paleis en de aanwezigheid van een koninklijke prinses wekt bij hem een verlangen naar mededogen en sociale verlichting. De vertelling wisselt tussen persoonlijke waarneming, een gesprek met een kameraad en bredere reflecties over ongelijkheid, armoede en hoop op verlossing.

[Inhoud]

HOOFDSTUK II.

Den volgenden morgen klopte hij aan bij Marcelio, vast besloten om zijn hulp te vragen voor het verkrijgen eener audiëntie bij de prinses.

De jonge huzaren-officier zat lui en gemakkelijk, in een zachten fauteuil, in een zijden kamerjasje, de voeten in goudleeren muilen, zijn chocolade te slurpen.

„—Zóó, waarde vriend!” zeide hij vroolijk tot Paulus, „kom je eíndelijk weer eens aanloopen?… Kan ik je met iets dienen?… wat chocolade?… een cigaret?… o neen: je rookt niet hè?… nog altijd even sober?… geen vleesch, geen alcohol, geen tabak … en tóch zie je er niet zoo heel florissant uit … je ziet bleek, kerel … nog altijd aan het tobben en het filosofeeren?… weer te veel bij je vriend Elias geweest, den sociaal-democraat?… dat zal ééns wel weer overgaan, dat hoofdbreken van je, als je hebt ingezien, dat er tóch niets aan te doen is …”

Paulus was te diep onder den indruk van zijn groote [17]plan, om op den lichten toon van die scherts te antwoorden.

„—Toe, Marcelio, spot nu eens niet … ik kom je iets heel ernstigs en gewichtigs vragen, iets, waar voor mij alles van afhangt … ik weet, dat je mijn vriend bent en mij graag helpen wilt, al spot je altijd met mijn liefste gevoelens … je moet mij niet vragen waaròm, en er niet op door willen gaan, maar enkel voor me doen, wat ik je hier kom afsmeeken, als een groote, groote gunst..”

„—Nu.… kom er gerust mee voor den dag, hoor … als het maar niet iets voor de sociaal-democraten is …”

„—Neen, Marcelio, iets voor míj alleen … ik wou … ik wou … nu, ik wou Haar Koninklijke Hoogheid spreken, en heel alleen, zonder anderen er bij … zou dat kunnen?…”

Marcelio zag hem verbaasd aan.

„—Het is nog al niets, wat je me daar vraagt … Haar Koninklijke Hoogheid spreken … een particuliere audiëntie dus … en maar eventjes heel alleen, zonder anderen … En wat wou jij daar bij Haar Koninklijke Hoogheid doen?… wat kan jij haar te vertellen hebben?…”

„—Dat moet je niet vragen, Marcelio … dat is mijn zaak … ik sméék je alleen, wil je me helpen?—zou het kúnnen?…” [18]

„—Kúnnen wèl … Haar Koninklijke Hoogheid heeft eenigszins verplichting aan je, er is, om zoo te zeggen, een geheimpje tusschen haar en jou … je bent een protégétje van haar, en ze vraagt dikwijls naar je … het zal niet zoo gemakkelijk gaan, maar het zóu toch wel te doen zijn met een beetje moeite … maar wat heb je haar in Godsnaam te zeggen?… toch geen dolle dingen, hoop ik?… toch niets over dat zoogenaamde onrecht, wat je tegenwoordig overal ziet, en al die dingen, die je vriend Elias je inblaast?…”

Zijn lichtelijk spottende toon irriteerde Paulus, in de spanning van het groote gevoel, dat in hem was. „Dat ónrecht is niet maar een zóógenaamd!” riep hij hartstochtelijk uit, „o, Marcelio, het brandt zoo in me, het is een verterend vuur in mijn borst, ik kán zoo niet langer leven.… en jíj zít daar maar, zoo kalm en behagelijkjes, en rookt je cigaret, en drinkt je fijne chocolade.… alles is hier zoo mooi en rijk en weelderig om je heen, maar buíten is de honger, en de zonde, en de schande.… nu, já, ik durf het wel te zeggen.… áls ik nu de prinses eens wou vertellen van de ellende, die ik gezien heb?… áls ik haar nu eens te voet wou vallen en haar biddend af wou smeeken, om genadig te zijn en haar koninklijke macht aan te wenden, voor het recht en de waarheid?… wat dan nóg?… zou je me dan niet willen helpen?… [19]Het kán toch zoo niet blijven alles, het onrecht schréeuwt om herstel, Marcelio …”

Een oogenblik was Marcelio getroffen door de warme uitdrukking van verontwaardiging op Paulus’ fraai, baardeloos knapengezicht. Wat een jong kereltje toch nog, hij leek wel een page, van honderden jaren geleden, uit de middeneeuwen! Die wou zoo maar inééns het onrecht in de wereld vernietigen, zooals ze vroeger een draak versloegen!

Hij keek hem aan met een medelijdenden blik. „Wat bèn je toch nog een broekie!” zei hij, glimlachend.

„—Waarom dan?” vroeg Paulus verwonderd.

„—Omdat je nog zoo hartstochtelijk praat van recht en waarheid en eerlijkheid, en al die dingen meer, mannetje. Dat zijn allemaal ideeën van je, die ficties zijn, en niet bestaan. En nu wou je aan Haar Koninklijke Hoogheid gaan vragen, om ze je te bezorgen. Maar het is absurd, en ’t zou zijn om te huilen, als ’t niet zoo om te lachen was!”

„—Ik begrijp je niet, Marcelio!”

„—Maar, kereltje, je hebt nu toch het laatste jaar zóóveel gelezen. Je hebt bleek gezien van ’t studeeren, ik weet, dat je nachten aan nachten niet geslapen hebt, om toch maar alles te kunnen lezen over de toestanden in de wereld. En wéét je dan nóg niet, dat we maar een akelig klein beetje vooruit [20]zijn gegaan, dat alles eigenlijk nog precies eender is, als vroeger in de oudheid? De uiterlijke vormen van de dingen en de menschen zijn veranderd, maar van binnen zijn ze toch vrij wel gelijk gebleven. De menschen zijn nog even dom en even wreed. Er zijn nú geen circussen meer, waar ellendige slaven en verdrukten door leeuwen en tijgers worden verscheurd, maar nú worden de misdeelden aan honger en misère overgeleverd. Dit is eigenlijk nóg verfijnder en wreeder. Ik weet wel, dat je gelijk hebt, kereltje, dat er zooveel onrecht bestaat, en dat de kleine minderheid leeft ten koste van het bloed en het zweet van de groote meerderheid. Dacht je dan, dat ik óók niet gelezen had en mijn gezond verstand niet bezat, om zooiets te begrijpen? Je behoeft maar een béétje de toestanden te kennen en eens behoorlijk om je heen te kijken, om dat te weten. Maar ik geloof niet, dat er wat aan te doen is, al spijt het me allemachtig. Als je nu eens bedenkt, Paulus, wat er al zoo is geschreven, van af de vroegste eeuwen, door de oude Brahmanen, door de Chineezen, als je die immense figuren voor je ziet van Shakyamuni, van Lao-Tsz’, van Plato, van Jezus, de schat van liefdevolle wijsheid, die over de menschen is uitgestort, rijk en overvloedig als reine regen, als je eens nagaat de ontzaglijke kunstwerken, die er alzoo geschapen zijn, de prachtige beelden, de schilderijen, de gebouwen, [21]zoo’n sublieme cathedraal bijvoorbeeld als in Leliënstad, de muziek, die bíjna het goddelijke Wezen zelf is, de stroom van poëzie, die de groote dichters door de eeuwen hebben doen vloeien, hoe er áltijd maar door met die kunst de reinste revelaties van dat goddelijke aan de menschen gedaan zijn … en als je dán eens kijkt, hoe beroerd en miserabel het er na ál die wonderen van schoonheid, waar toch al het edelste en beste en rechtvaardigste in werd geopenbaard, nog in de wereld uitziet, heusch kerel, dan ga je wanhopen, dan zie je, dat het tóch niet helpt en dat er niets meer aan te doen is, dan wasch je je handen in onschuld, en steek je er kalm een cigaret bij op.—Wáár je ook rondkijkt, overal zie je het grofste egoïsme er dik bovenop liggen, en al de mooie namen, waarmede ze het bedekken, naastenliefde, humaniteit, beschaving, wàt al niet meer, ze beletten toch niet, dat je het er onder uit ziet loeren, dat eigenbelang, waaraan ten slotte alles wordt opgeofferd.—Als dat egoïsme er niet was, kerel, wat zou de wereld gauw veranderd zijn. Als er maar enkel menschenliefde was, heel gewone huis-of-tuin menschenliefde, zooals Jezus die predikte, dan was alles inééns klaar. Dan waren er geen dikke boeken van sociologen en economen meer noodig, dan behoefden er geen congressen meer te worden gehouden, dan waren er geen liberalen en geen conservatieven [22]en geen sociaal-democraten en geen anarchisten meer, en dan ging alles van zelf. Dan bloeide ineens die mooie bloem van het Recht op, waar jij van droomt, Paulus, omdat het de Liefde was, die gezaaid had. Al die sociaal-economische wetenschap is alleen ontstaan, omdat de Liefde ontbreekt. En zonder die Liefde wordt het nooít wat.

Ik heb er óók van gedroomd, Paulus, toen ik véél jonger was. Je zoudt het misschien niet zoo aan me zeggen, maar ik heb óók gehuild, net als jij, en ik ken óók de slapelooze nachten, en het pijnigen der droevige gedachten, en het tobben, het armzalige, zielige tobben, dat je kop er bijna van berst. Dat is gelukkig al héél lang geleden. Maar ik heb het ópgegeven. Het helpt tóch niet, Paulus, je maakt er je zelf maar beroerd mee, en de wereld komt er geen stáp verder door, weet dát wel.—En o, als je zoo die groote, eindelooze massa ziet, die zoo dom is en zoo bot, en die zoo alles met zich laat doen, in zijn bête, stupide logheid, dan denk je heusch óók wel eens, ze verdienen niet beter. Dat idiote, misselijke volk, dat zich door goud en wat geschitter laat verblinden, dat als een troep kalveren staat te gapen, als er een vorst of een vorstin voorbijkomt, dat nog uren staat te schreeuwen van hol enthousiasme, als er even een potentaat op een balcon heeft gestaan, dat zich door wat vlaggen en wat vuurwerk en wat [23]militair vertoon laat bedriegen, om van uit zijn misère nog „leve de koning!” of „leve de koningin!” te brullen; als je het op feestdagen zóó, half-dronken en als brute beesten, joelende en hossende over de straten ziet krioelen, heusch, dan ga je denken: dat tuig verdient niet beter. Dan denk je aan Napoleon. Dié wist dat het vee was, en hij gebruikte dat vee voor zijn eigen egoïsme, dat tenminste nog grandioos was, het egoïsme van een reus, of van een god. Zeg nu niet, dat zulk vee niet beter kan weten. Dat was misschien vroeger zoo, nú niet meer. Daar zorgen de sociaal-democraten wel voor met hun propaganda. Tegenwoordig kan bijna iedereen het weten, en als het egoïsme er niet was, het bange, grove eigenbelang, en de laffe vrees voor eigen have en goedje, dan lag de heele boel al lang overhoop, ondanks alle kanonnen en bajonetten. Ik zeg je nog eens, Paulus, het helpt geen stéék. Ik heb het opgegeven, ik ben blij, dat ik dan tenminste veilig aan den lekkeren schaduwkant van het brandende onrecht zit, dat ik het goed kan hebben, dat ik zuiver, fijn eten krijg, en schoon linnengoed heb om aan te doen, en goeie kleeren voor mijn lijf heb, zoodat ik niet in het vuil behoef te zitten. Dáár, nu wéét je het!.…”

Paulus stond verbaasd, zijn vriend zóó te hooren spreken. Hij trachtte nog iets te zeggen, dat hij van Elias had gehoord. [24]

„Maar de wetenschap dan?” vroeg hij. „Die is toch niet egoïstisch. Zou de wetenschap in de verre toekomst geen eindelijke redding brengen?”

„De wetenschap is práchtig” antwoordde Marcelio. „„o! De wereld is vèr vooruitgegaan” denken sommigen, als je maar eens bedenkt, wat de wetenschap al niet heeft tot stand gebracht. De stoom, de electriciteit, de telegrafen, de spoorwegen, en wàt al niet meer. En óók de medische wetenschap vooral! Wat al uitvindingen zijn er niet gedaan! En wat al rustelooze, heldhaftige studie! Als je dát beschouwt, zou je meenen, dat de wereld haar volmaking nadert. Maar het ééne, het vóór alles noodige, blijft toch ontbreken, zonder welk het toch nooit goed kan worden in de wereld: de liefde, de héél gewone menschenliefde. Aan den éénen kant doet de wetenschap alles, om het leven der menschen aangenaam te maken, in de gunstigste condities, aan den anderen kant doet het grove egoïsme van het kapitalisme alles om voor dat aangename leven van enkelen de groote meerderheid tot ellende te brengen. Wat hèb je aan de vorderingen der wetenschap, die de ziekten bestrijdt, als duizenden en duizenden ziek worden gemaakt door ellende en gebrek?—De ongelukkige misdeelden, die een ellendig bestaan voortzwoegen in de allerongunstigste condities van atmosfeer, en voeding, en woning, wat hebben ze aan de wetenschap [25]der hygiène, die enkel de bevoorrechten baat? Al die geleerden, die hun heldhaftig leven wijden aan de bestrijding van besmettelijke ziekten, zij werken tòch maar enkel voor de kapitalisten, want de misdeelden, die al die ziekten oploopen door slechte voeding en slechte lucht en slechte woning, zíj worden er niet door gebaat. Als er in plaats van al die wetenschap eens, al was het nog maar een heel klein beetje gewone menschenliefde kwam, dan zou er veel meer tot stand komen, dan door honderd groote uitvindingen en ontdekkingen, en er zouden ware wonderen gebeuren.

„Als een rijke zijn weelde eens niet meer genieten kon doordat de Liefde hem beving, en hij dacht om die anderen, die in ellende voor hèm werken, om hèm zijn genot te bezorgen, dan was opééns de groote sociale hervorming vervuld. Het heel gewone christendom, zooals Jezus dat predikte, de grootste sociaal-democraat die ooit bestaan heeft, dát zou de wereld redden. Maar juist, omdat die gewone, christelijke Liefde ontbreekt, is al die wetenschap van sociaal-economie, van staathuishoudkunde, en weet ik wàt al niet meer, er als surrogaat voor gekomen. De zaak zou héél eenvoudig blijken te zijn, als alle menschen ware christenen waren, als ze aan iedere bete voedsel, aan ieder stuk kleeren, aan ieder genoegen, dat zij zich kochten, het zweet en het bloed zagen kleven [26]van hun medemenschen in gebrek. Maar er is bijna niemand, die iéts zou willen veranderd zien aan de tegenwoordige maatschappij, als hij het er zelf wat minder door zou moeten hebben. Ze zijn allemaal voor verbetering, en geven toe, dàt er onrecht is, en roepen er wee en schande over, maar zoodrá er iets van hun eigen weelde af zou moeten, en ze hun eigen lekker leventje er door zouden verminderd zien, zijn ze doof geworden, of beroepen zich op het gezag en de wettigheid van de bestaande orde der dingen, en halen er God en Koning en Vaderland bij, in laatste instantie. Met dat gezag, en dien God, en dat Vaderland bedoelen ze dan eigenlijk niets dan de handhaving van hún parasietenleven ten koste der anderen. Er is voor die menschen geen God, en ook geen Koning, en evenmin een Vaderland, alleen hun eigen beurs en hun brandkast. Ik zeg dit niet met al te groote verachting voor de anderen, hoor! en wil er mij zelf niet mee verheffen. Want ik ben au fond misschien net eender. Ik ben eigenlijk geen haar beter, dan die anderen.—Maar daarom weet ik juist, wat ze waard zijn en heb ik geen aasje idee in de toekomst. Ze zullen altijd net zoo blijven als ze zijn, de menschen, met al hun idealen, en hun filosofie, en hun God. Zij zouden dien God, en al het andere smadelijk verloochenen, als zij er hun leven ook maar íets om moesten [27]verminderen.—De geheele maatschappij, zooals zij nu is, berust op het laagste eigenbelang, dat zich onder het masker christendom en liefde voor Koning en Vaderland verschuilt, om zijn afschuwelijk aanschijn te bedekken.”

Paulus keek hem in stomme verbazing aan.

Was dát Marcelio?.… Was dat de verfijnde, exquise aristocraat, de gedistingeerde huzaren-officier, die adjudant was van de koninklijke prinses? Zóó had hij hem nooit vermoed.

„Dus jij erkent, dat het onrecht bestaat?” riep hij uit, „jij wéét dat allemaal, net zoo goed als ik?”

„Wel natuurlijk, mijn beste mannetje. Ik ben toch geen idioot. Ik heb toch oogen om te kijken.…”

„—En je bent er kalm onder, en maakt er je niet dik meer over, dat er overal misère om je heen is?”

„—Neen, Paulus. Het hélpt toch niets.… er is al zóóveel gedaan, en ’t is allemaal ’t zelfde gebleven. Zoolang de menschen zulke pieterige, misselijke, krenterige kruipertjes blijven, zóólang is er niets aan te doen. Het kruipen zit er nu eenmaal in. Kijk me maar eens al die goede bourgeois aan, die je blij kunt maken met een lintje en een ordetje. Kijk ze eens náár leven, onbeschoft, en trappend naar beneden, serviel en honigsmerend naar boven! En als de groote massa, de arme stumperds en proletariërs [28]het een béétje beter krijgen, dan worden ze net eender, dan willen ze óók zulke bourgeois zijn, en zijn ze óók blij met een knikje van een baron, of een graaf, en zijn ze voor alles te krijg, voor een lintje, of een titel. Ik zie er geen gat meer in, Paulus, heusch niet, en ik bemoei me er ook niet meer mee, ik heb er genoeg van. Ik ben blij, dat ik met al dat vuil niet te maken heb, en dat ik door het toeval in een milieu ben geplaatst, waar de menschen óók wel niet zoo bizonder nobel zijn aangelegd, maar waar ze tenminste manieren hebben, en frissche kleeren aan hun lijf, die niet stinken, en waar ze gewoon zijn, zich behoorlijk te wasschen. Wat een broekie ben je toch nog, Paulus.… er iets aan te willen veranderen, aan dat logge, brute, door en door verrotte samenstel van menschen en dingen, dat de Maatschappij heet!”

„—Maar de prinses dan!” zeide Paulus, met een laatste hoop, „maar Haar Koninklijke Hoogheid! Die heeft toch invloed overal! Die zou toch zoo héél, héél veel kunnen doen, als zij wilde! Maar ze wéét het misschien niet! Ze leeft zoo hoog boven alles uit, in licht en glans, en kan de ellende beneden niet weten. Haar witte paleis praalt hoog boven de schamele hutten der armen, dicht bij de sterren. O! Als iemand haar eens alles vertelde! Als iemand haar eens heelemaal kon zeggen al de ellende en het onrecht, [29]die teisteren het volk, dat haar liefheeft. Zou dat haar groote hart dan niet ontroeren? Zij is zoo koninklijk en zoo rechtvaardig en zoo rein, en in de plooien van haar witte gewaad woont het medelijden, dat almachtig is, en wonderen kan doen!”

Marcelio had hem met een fijn glimlachje aangehoord, zooals men het wat onnoozel gepraat zou doen van een lief, naïef kind. Hij schudde bedenkelijk het hoofd.

„Nu, wat denk je?” vroeg Paulus, geagiteerd.

„Beste jongen,” zeide Marcelio, „je weet toch wel, dat de kroonprinses is gebonden door de constitutie, en dat ze zelf niet zoo heel veel kan doen. Maar, al kón ze.…”

„—Nu?”.…

„—Hm!.… ja.… zie je, Paulus.… het past me niet, een oordeel te vellen over Haar Koninklijke Hoogheid.… over wat ze doen zou, of niet doen zou.… maar ik geloof niet, dat de zaak haar nu zoo heel erg ter harte zou gaan.…”

„—Hè??”.…

„—Ze is nog erg jong, Paulus, en ze is in heel oude ideeën opgevoed.… zooiets van dat Onze Lieve Heertje den staat van zaken zoo gewild heeft, en dat zij vorstin is bij de gratie Gods, en het gezag moet hoog houden.… het gezag nu, dat is juist de handhaving van den tegenwoordigen staat van wreedheid en [30]onrecht.… de zoogenaamde maatschappelijke „orde”, dat is het parasietenleven van de minderheid op de misère der overgroote massa.… en zij, de kroonprinses Leliane, is de draagster van dat gezag, de handhaafster van die maatschappelijke orde.… daar heeft ze ook haar leger voor.…”

„Waartoe jíj ook behoort!”

„—Ja, waartoe ík ook behoor. En als het noodig was, zou ík er voor moeten vechten óók, voor de handhaving van die orde.…”

„Die onrecht en wanorde is!”

„—Mon Dieu, ja, dat weet ik wel … maar wat wil je er aan doen?.… ik zei ’t je toch al: ik ben geen haar beter.… ik zit nu eenmaal in ’t schuitje en heb het er altijd goed in gehad.…”

„—En ik gelóóf je niet, Marcelio … Je kènt de kroonprinses Leliane niet, als je zóó spreekt. Heb je wel eens goed haar goddelijke gezicht gezien? Dat is ál goedheid en gerechtigheid en genade. Als zij nadert fluisteren er zachte gebeden op in mijn ziel. Haar handen hebben het gebaar van zachte zegening en heeling van wonden. Haar stem is zoeter dan muziek. Omdat zij zoo hoog woont boven de huizen, en altijd in haar eigen sfeer van glans is, weet zij de ellende niet van beneden. Maar, als ze het weet! O! als ze het weet!… dan zal ze, als een zachte Samaritane, naar de smarten gaan en groote [31]wonderen doen.… Je moet mij helpen, Marcelio, om haar te spreken, alléén, met niemand er bij.… dan zal ik haar álles zeggen, wat ik gezien heb van misère en verschrikking, van het volk in verdierlijking en vervuiling, en van haar zusteren, die ’s avonds door de straten gaan, om uit honger haar schande te veilen!.… want het zijn toch háár zusteren, niet waar, Marcelio? Jezus zou ze toch óók háár zusteren hebben genoemd …”

Marcelio legde zijn hand medelijdend op Paulus’ schouder.

„Wat zal jíj nog een verdriet in je leven krijgen,” zeide hij waarschuwend. „Met zulke geëxalteerde ideeën kóm je er heúsch niet, kereltje.… ik voorzie niets dan beroerdigheid voor je.… en onmógelijk maken zal je je óók bij Haar Koninklijke Hoogheid.… dat kan niet uitblijven.…”

Paulus zag zijn aristocratischen vriend in verbazing aan, en kon maar niet begrijpen, hoe zijn fijne, gedistingeerde gezicht er zoo kalm en correct bij bleef. Alles, wat hij zelf in bangen twijfel en met tranen had bedacht, scheen Marcelio nu toch óók te weten. Dat ééne, dat vóór alle wetenschap, vóór alle bespiegelingen over sociale toestanden noodig was, het eenvoudige, christelijke erbarmen van den éénen mensch vóór den anderen, de deemoedige deernis, de goddelijke chariteit, zonder welke alle sociale [32]systemen leeg en dood zouden blijven, óók dát wist Marcelio, en hij had het zelf gevonden, en nergens in boeken gelezen, evenals Paulus het had moeten vinden. En tóch zat hij daar nu rustig, met wélbehagen aan zijn cigaret te trekken, alsof hij over doodgewone dingen sprak.

„Dus je wilt me niet helpen?” vroeg Paulus, met opkroppende verontwaardiging.

„Maar wel zéker, beste kerel.… zéker wil ik je helpen.… ik vind het idee véél te interessant—jíj daar met je dolle, jonge enthousiasme, tegenover Haar Koninklijke Hoogheid.… het geval is eenvoudig éénig.… en je weet, ik houd van alles wat interessant is en me aangename afleiding geeft in die vervelende komedie, die het leven heet.… maar ik woû je alleen waarschuwen, dat je je niet te hoog gespannen illusies moet maken. Er gebéuren geen wonderen meer in dezen tijd.… daar is hij misschien te beroerd voor.… Dus jij wilt à tout prix een audiëntie hebben bij Haar Koninklijke Hoogheid.… dan zullen we er ons best voor doen, al zal het niet zoo heel gemakkelijk gaan—ben je nu tevreden?.… als mijne tante, de hertogin Marcelia, mij helpen wil, zal het wel gaan.… Het treft, dat ik de volgende week dienst heb in Monte-Regina.… dan moet je maar met me meê, als een vriend van me, en dan vind ik nog wel ergens een kamer voor je in het Regina-Palace-Hôtel, [33]waar Haar Koninklijke Hoogheid apartementen heeft.… Ik waarschuw je vooruit, dat je je daar in álles te schikken hebt, en vooral geen revolutionair mag lijken, anders komt er niets van je audiëntie terecht.… je moet overal met mij meegaan, en je netjes houden in de omstandigheden, die je het meeste zullen ergeren.… het is daar het toppunt van weelde, in Monte-Regina, waar je zelfs hier, in Leliënstad, geen idee van kunt hebben.… het brandpunt van het kapitalisme, waar het geld geen waarde meer heeft.… je moet bij de hand zijn, omdat Haar Koninklijke Hoogheid nog al eens van idee verandert, en je dadelijk gebruik moet kunnen maken van haar goede gezindheid en ’t goede oogenblik niet voorbij moogt laten gaan.… Je moet me dus voorúit beloven, daar in Monte-Regina géén aanstoot te geven, en je voor te doen als een der onzen.… ze moeten je daar houden voor een aristocratischen auteur, mondain, en in de schaduw van het vorstenhuis.… Belóóf je me dat?.…”

Paulus voelde, dat het een harde strijd voor hem zou worden, zich kalm te houden in eene omgeving, die hem weer hevige pijn zou doen en wonden in ’t diepst van zijn ziel. Maar ’t einddoel zou wezen, dat hij haar zien zou van aangezicht tot aangezicht, de koninklijke prinses, die de genade zou brengen en het Recht … [34]

Eindelijk dan, eíndelijk naderde het wonder, dat zijn ziel had voorgevoeld …

„O! Marcelio! ik dánk je! ik dánk je!” riep hij enthousiast, „je wéét niet, hóe gelukkig je mij maakt!”

Marcelio keek hem medelijdend aan, en schudde onmerkbaar het hoofd, als over een kind, dat hij zijn zin maar had gegeven, om het stil te houden. [35]