WeRead Powered by ReaderPub
Leliënstad cover

Leliënstad

Chapter 5: HOOFDSTUK V.
Open in WeRead

About This Book

Een jonge man observeert vanaf een brug een immense, mistige industriestad langs een rivier, waarin schepen, schoorstenen en kaden een onheilspellende, lawaaiige sfeer scheppen. De stad wordt beschreven als meedogenloos en vervreemdend, met menigten die zwoegen en duizenden die onder brugbogen beschutting zoeken tegen de winterkou. Hoog boven de grauwe bebouwing verschijnt een verlicht paleis en de aanwezigheid van een koninklijke prinses wekt bij hem een verlangen naar mededogen en sociale verlichting. De vertelling wisselt tussen persoonlijke waarneming, een gesprek met een kameraad en bredere reflecties over ongelijkheid, armoede en hoop op verlossing.

[Inhoud]

HOOFDSTUK V.

Paulus was den volgenden morgen al vroeg op. Hij had maar weinig geslapen. Den ganschen nacht had hij er over liggen denken, dat hij prinses Leliane zou zien. Hij was tusschenbeide even in slaap gevallen en had gedroomd van ééns, lang geleden, toen hij de wondere, witte maagd had gevonden, sluimerend onder de groene boomen. Het leek ongeloofelijk, dat zoo iets zaligs ooit weer terug kon komen, dat hij wérkelijk weer begenadigd zou worden door den ziele-zachten blik uit hare oogen, dat hij weer hooren zou de zoete muziek van haar stem. Hoe was zijn innigste wezen angstig verscholen gebleven voor de harde gelaten der menschen, hoe was het liefste in hem sidderend weggekropen voor het donderende lawaai van de straten der groote stad! Maar o! als maar éven het licht hem aanraakte, dat straalde van haar gebenedijde aangezicht, dan zou zijn ziel zich wel weer oprichten, en zich kuisch ontplooien, als de waterlelie, die zich keert naar de zon. [79]

Hij trachtte zich weer voor te stellen, hoe zij er uit had gezien, maar het was té schitterend, té grandioos van glorie, het heerlijke visioen, en de pracht verblindde hem. Hij zag alleen licht, véél licht, uit een groote blankheid rayonneerend.

Toen het dag was geworden, stond hij op, en deed het venster open. En wijd zag hij uit over de zee. De opgaande zon straalde een zacht-roze gloed uit over het water, dat langzaam lag te rillen van die liefde. Licht-roze lag ook over de wit-crême villa’s van de stad, vèr beneden, en als een roze tempel stond het roomen Casino nu in dien gloed van den, met vage tinten bevenden, morgen. De bergen in de verte, wèg-lijnend naar den horizon, waren omhangen van vluchtige, witte nevelen, waar óók teêr roze èven doorheen begon te glanzen, als liefde, die opdroomt door een blanke ziel. Hier en daar wuifden ze, wijde, witte gewaden, van de bergen op, en dreven langzaam, langzaam voort, de blauwe eindeloosheid in van de lucht, en het was, als zweefden daar blanke engelen, door eigen, innerlijken glans gedragen.

Paulus stond het zwijgend aan te zien, en voelde zich, of een groot, onuitsprekelijk geluk voor hem in aantocht was, en alles nu éindelijk goed zou worden.—

Straks zou hij prinses Leliane zien, Leliane, die schooner was dan de dageraad, van een licht, nóg zachter en nóg zaliger.… [80]

De roze tint begon nu te veranderen, met vage nuances van purper en violet. Het leek of al het licht begon te trillen en te beven, om zóó, verrillende en vervliedende, tot de diepste innigheid te komen, telkens droomende door een anderen staat van teederheid, en dàn fijner, en nóg weêr fijner, tot brekens toe. De oneindige zee onderging het alles rustig en gelaten, en haar klare spiegel kaatste al die gevoeligheid duidelijk terug op haar kalme, rimpellooze vlak.

Plechtig-stil spreidden de palmen beneden op den zee-boulevard hun breede waaier-kruinen uit, en de biddend-gebogen takken der olijven stonden teêr afgeteekend in de ijle lucht. Hier en daar, tegen de bergwanden op, stond, eenzaam, een cypres, apart en bijzonder, met zijn puntige spits óp naar den hemel. Paulus voelde een groote verwantschap met die fijne, kuische boomen, die een heilige treurenis in zich hadden, en toch zoo recht opgeheven stonden, als een ziel, die rijst in smarten. De lucht was vervuld van de geurige aromen der tallooze bloemen, die in de dalen groeiden, en hare harten openden in het jonge licht van den morgen. Monte-Regina was één paradijs van bloemen, waar de rozen en violen welig groeiden in het wild, en de geheele atmosfeer was doortrokken van haar innige essences.

In een dal in de verte zag Paulus een tuin vol [81]kleine amandelboomen in bloei staan. Die liefelijke boompjes stonden daar met hun lichtroze bloesems, onschuldig als jonge maagdekens in roze tooi.

Paulus staarde in verrukking in het rond, over het land vol bloesemende boomen en bloeiende bloemen, over de vlakke, zacht-spiegelende zee. In de verte zweefde langzaam een schitterend, blank zeil over het wijde water, rustig en wèlbewust, als een ziel, weg-varend in het eindelooze.

Zóó stond Paulus aandachtig te staren in den jongen, reinen morgen van het Zuiden. En het was hem, of hij een glimlach had gevoeld van Gods aangezicht.…

Den verderen dag ging hij door, als een vrome een cathedraal. Over alle dingen òm hem lag schoonheid en devotie.—De harde gezichten der menschen waren verteederd, en wonderlijk zacht gebaarden de boomen en de bloemen. Hij wandelde droomend langs de zee, en over bergen, en door dalen, uren lang, tot de tijd zou zijn voldragen, en hij óp mocht gaan tot de sfeer van Leliane.

Iets van zijn zoet geheim lag over de wereld verspreid. Het was, of de boomen het wisten, de kuische palmen, met hun plechtige waaier-bladen, onbewegelijk in het licht, de teêre mimosa’s met hun broze loovertjes, die beefden van innigheid, de [82]roerlooze cypressen, recht oprijzende, als een stille vlam. Alles wachtte, wachtte op het wonder. En het werd vredig in Paulus’ ziel als in een kalme kapel, als het mis-mirakel staat te gebeuren en dra wordt de heilige hostie geheven boven de hoofden der biddend-gebogen schare.

Zóó ging de tijd voorbij, het licht van den dag werd klaarder, tot het dóór was gestraald tot de innigheid van den middag. Paulus was nu teruggegaan naar het witte Regina-paleis, en werktuigelijk deed hij de dingen, die zijn lichaam moest doen, het baden, het kleeden in den deftigen rok, dingen van heel beneden, waar hij zelf onwetend van bleef in de sfeer van zijn droom. Hij voelde enkel, dat ieder oogenblik hem nu zachtkens voortstuwde naar het wonder. In die uiterste spanning van zijn ziel was hij ganschelijk vergeten, wat hij zeggen zou, als hij straks zou nederknielen in de heilige presentie van prinses Leliane, en herinnerde hij zich niet eens meer, dat hij hier was gekomen, om hare genade af te smeeken voor de verdrukten. Want dit alles was weggezonken in een lagere bewustheid van zijn wezen, waarvan het innigste door alle andere dingen heen, tot den hoogen staat van gedachtelooze adoratie was gestegen. Eindelijk, om twee uur ’s middags, kwam Marcelio hem roepen. Hij was in de groote tenue van zijn huzaren-uniform, schitterend van goud, de borst blinkend van ridderorden, [83]en als een lichte bode uit een sfeer van glans en glorie zag Paulus hem binnenkomen.

„Houdt je nu goed,” zeide Marcelio, „denk er om, het is een héél groote gunst van Haar Koninklijke Hoogheid, dat zij je ontvangen wil … waardig zijn, hoor, en kalm …”

Toen voelde Paulus zich geleid worden door marmeren gangen, op zachte, donzen tapijten, die zijne voetstappen dempten. Aan weerszijden, in lange rijen, stonden porseleinen potten met rozen, en de lucht was vervuld van zoete, geurige aromen. Deftige lakeien in blauw en goud, met witte zijden kousen, liepen voor de deuren heen en weder. In een anti-chambre, die hij voorbij kwam, zag hij menschen in magnifieke staatsie-gewaden, met gepluimde steken, den degen op zijde. Toen deed Marcelio een deur open, duwde hem zachtjes naar binnen, en hij stond alleen.

Verbaasd keek hij om zich heen. Wit was alles, wit, van een sneeuwen, leliën witheid. De muren waren met witte zijde behangen, waarin groote waterlelies waren geweven, en beneden waren de wanden met een lambrizeering van wit, ivoorachtig hout. Het zware tapijt was van witte, glanzende stof. De meubelen waren van zacht ivoor met zilver, de tafels waren ingelegd met wazig parelmoer. Hier en daar stonden groote, broze vazen van transparant blanc de Chine, waaruit vreemde, witte orchideeën neêrhingen. [84]Op den wit marmeren schoorsteen stonden blanke beelden, goden uit verre, Oostersche landen, stralend van wonderen glans, de handen predikend geheven, de wijze gezichten in rustigen, sereenen droom van vrome meditatie.

Paulus voelde zich huiveren van eerbied voor al dat witte, dat reine, dat vlekkeloos pure, dat de sfeer was van de koninklijke prinses uit het geslacht der lichte water-lelies.

Zijn ziel ging óp tot een zóó hoogen staat van wijding, dat hij al den jammer van voorheen was vergeten en niet meer wist, dan dat hij begenadigd was om in dit allerheiligste der heiligen te treden. Hij wachtte en wachtte, hij wist niet hoe lang, zalig in die uiterste spanning.

Daar ruischte zachtjes een portière; een vaag gordijn van witte zijde wuifde èven weg, en vóór hem, blank en teeder, van een heiligen glans omgeven, verscheen de prinses.

Paulus voelde een groot licht, dat over zijn ziel ging, die beefde van zaligheid, tot in haar fijnste weefselen van droom.—Tranen jubelden óp naar zijn oogen, zijne handen vouwden zich onbewust tot gebed, en hij knielde ootmoedig voor hare voeten neder, het hoofd diep gebogen tot den grond. Zóó lag hij voor haar, zalig-vernederd, in gansche, devote overgave, als een zondaar in duister voor de blanke [85]Heilige, die hem barmhartig zal opheffen tot de sfeer des Lichts.

Toen zong de zoete muziek van haar stem boven hem. Zijn gansche ziel trilde van een zóó hevig genot, dat het bíjna pijn deed van zaligheid.

„Sta op, Paulus, en zeg ons, wat gij ons wilde vragen.… Wij zijn u niet vergeten en zijn u altijd dankbaar gebleven.… Wat kunnen wij voor u doen?.…”

Hij begreep nog niet den zin van hare woorden, en hoorde alleen de wondere muziek, als een, die in de hoogste extase het zingen hoort van engelen uit hemelsche sferen.

Langzaam stond hij op, maar spreken kon hij nog niet. Heel klein, heel nederig bleef hij voor haar staan, de handen nog altijd gevouwen, haar aanziende met biddende oogen, zooals een deemoedig zieltje opziet naar God.

Een zachte glimlach lichtte om haar fijnen mond. Zij dacht weer even aan vroeger, toen hij óók zóó voor haar had gestaan.—Géén hoveling was zóó eerbiedig, als die vreemde, dwaze jongen, géén harer kamerjonkers had die edele, simpele gratie. Hij was dan toch nog altijd dezelfde gebleven, met de ziel van een ridder, of een troubadour uit de middeneeuwen.—Zijn deemoedige adoratie streelde de maagd, die zij was. Toch begreep zij, dat dit zóó [86]niet duren kon, dit stille aanbidden zonder woorden.

„—Hebt ge ons nu niets te zeggen?” vroeg zij, vriendelijk bemoedigend. „Waarvoor hebt ge ons deze audiëntie aangevraagd? Kunnen wij u ook helpen met iets? Nu moet ge spreken.…”

Wit was ze, in het fijne, kanten gewaad, dat luchtig om haar heen hing, als een blanke droom.—Zijne oogen deden pijn van het licht, dat van haar afstraalde.—Goud was haar glanzende haar, goud als de zon en zóó zuiver. Een aureool van goud beefde om haar lelie-blanke hoofd. Wit, zacht, zijden wit wuifde om haar teêre leden. En alles om haar heen was wit, in deze sfeer van blankheid, was puur, en smetteloos rein.

„—Maar spréék dan toch.…” zong weer de muziek van haar stem.

Het duizelde nog om hem van ontroering. Hij trachtte zich te herinneren.… alles was zoo vèr beneden, nu hij was geheven tot dien hoogen staat.… hij moest nu spreken, zeide zij.… van wat?.… van wat?.… wat was er nu nog te spreken?.… hier was het hóógste, wat nu ooit nog komen kon.… het witte, het pure, het vlekkeloos blanke, waar de ziel van bidt.… hier was enkel het stille, rustige droomen, de handen gevouwen, diep het hoofd gebogen, als in een kerk … wat kon er nu nog anders komen, dan de zalige zegening van het licht uit haar heilige oogen?… [87]

Met groote inspanning trachtte hij zich te bezinnen, wat hij nu zeggen moest.… zij gebóód het, dus móest het wel.… er wàs wel iets, maar dat was zoo héél lang geleden.… wel eeuwen leek het.… uit een ander leven, in een gansch andere sfeer.… toen was het duister, zwart, droef duister, en nú was alles zoo licht.…

Zij zag zijne uiterste ontroering, en haar hart zwol van trots. In al den uiterlijken eerbied, dien men haar dagelijks betoonde met ceremonieele vormen, was niet de heilige reverentie, die zij raadde in dien deemoedigen jongen aan haar voeten. Glimlachend trachtte zij hem op dreef te brengen.

„—Komaan.…” zong haar stem weer. „U is hier toch niet voor niets gekomen.… zeg ons nu alles, zonder schromen.… onze tijd is kostbaar.… en wij hebben nog maar weinige minuten voor u … Spréék nu, wij wíllen het, wij gebíeden.…”

Zij zeide dit laatste zóó imperatief, dat hij er wakker van schrikte uit de spanning van zijn droom. En plotseling flitste het in hem op, dat hij alles verzaakt had in de extase van zijn eigen ziel. De armen, de ellendigen.… het onrecht, de verdrukking. Hier was alles wit, en rijk en rein; maar vèr, ginds in de stad, zwoegde het volk in rook en roet, veilden de droeve vrouwen haar lichamen in zonde en schande.… En hij had ze vergeten, lafhartig verzaakt, [88]in de verblinding van zijn droom. Toen kwam hij tot bewustzijn, wat hij zeggen moest. Hij trachtte kalm te blijven, om goed te formuleeren wat hij te uiten had en alles duidelijk voor zich uit een te zetten, maar onder het spreken werd de emotie hem te sterk, en hevige snikken onderbraken zijn stem.

„O! Koninklijke Prinses.…” zeide hij, „Koninklijke Hoogheid, die leeft in licht en glans, zoo heerlijk gehuld in Uwe heilige sfeer van reinheid en vrede, gij weet, ik ben U gevolgd uit de kalme rust van mijn stille woud, om Uw stad te zien, de Leliënstad, de lichte.… Het allerhóógste bestaan zou wezen in die stad.… heeft U het zélve mij niet gezegd: eerst Leliënstad zien en dán sterven!.… op Uw gebod heb ik het liefste van mijn ziel verlaten, omdat ik wist, dat het licht en vredig zijn zou in de sfeer, waar Uw heilig leven woonde.… omdat ik dacht, dat mijn ziel zou moeten bloeien in de glorie van Uw rijk.… toen heb ik ook Uwe blanke woning mogen zien, zoo hoog boven de huizingen der menschen.… schitterend wit, en veilig, op de heuvelen, waar de lucht rein is.… maar o, prinses Leliane, beneden heb ik de groote stad gezien, waar het volk woont, Uwe onderdanen, Uwe kinderen, zich koesterend aan Uwen voet.… en benéden woont het onrecht en de leugen en de donkere zonde, en is alles geworteld in het kwaad.… Ik heb gezien de duizenden arbeiders, mijn [89]broeders, die zwoegen in vunze, heete holen, en diep in donkere mijnen.… ik heb hun vrouwen gezien, hun kinderen, sjouwend als arme lastdieren, voor luttel hongerloon.… ik heb gezien de ellende, het grondeloos slechte onrecht, en de verschrikkelijke zonde heb ik gezien, waar de armoede toe dwingt. Uwe zusteren, o, Koninklijke Prinses, Uwe droeve, geschandvlekte zusteren, zij zwerven langs boulevards en kaden om te veilen haar klagelijk lijf.… de vuile wellust, zij huurt de zusteren van Uwe Koninklijke Majesteit, als redeloos vee.… ik weet de honderdduizenden, die wegteren in misère, in grenzelooze misère van honger en gebrek.… en o, ik heb gezien het pratte poenendom, dat leeft het wreede parasietenleven van den langzamen moord, hun broederen aangedaan.… Zij zwelgen in festijnen, zij zwijmen weg in wellust en roes, en de werkers, de onontbeerlijke arbeiders, die alles voortbrengen, en zonder wie niets bestaan kan, zij sloven hun leven moeizaam door, om juist nog niet van honger om te komen.… en de bestbetaalden, in de gunstigste omstandigheden, ontberen tóch het licht van wetenschap en kunst, dat óns het leven enkel waard maakt.… Die groote, lichte Leliënstad, die de glorie heet van de wereld, zij is de stad van zonde, van wreed, gruwbaar onrecht, van leugen en bederf.… en áltijd troont prinses Leliane in haar witte paleis, zoo hoog boven al de [90]ellende, en zij ziet enkel glans en glorie, niet het onrecht, dat geschiedt in haren, koninklijken naam … En hier, in dit vloekwaardig Monte-Regina, waar al de parasieten rondkrioelen in feesten en banketten, met het bloed en zweet van hun broederen betaald, hier klinkt niet dóór de jammerkreet der verdrukten.… O, Koninklijke Prinses, waarom hebt Gij mij geboden U te volgen naar de verdoemde stad van wellust en van weedom? Nu heb ik de gruwbare leugen van de wereld gezien, en nooit kan mijn ziel nu weer rustig zijn, zoolang het onrecht er zoo brandend schrijnt.… O, Prinses Leliane, ik heb Uwe stad gezien tot in haar duisterste krochten, en de hel kan niet verschrikkelijker zijn.… Gij hebt mij beloofd, dat ik er het Licht zou vinden, en in het donkerste duister ben ik afgedaald.… ik heb gedacht, ik heb gedroomd, en ik heb gelezen.… in véél doorwaakte nachten heb ik gelezen, hoe het wee der wereld zou te stillen zijn.… maar nergens heb ik de uitkomst gevonden, en áltijd duurt het onrecht voort, dat dóórwoekert, door niets te stuiten.… De menschen gaan met harde gezichten en weenen niet … zij leven van het bloed hunner broederen, en zien niet om, als koude wreedaards onbewogen.… en God heeft toch de schoone wereld gelijkelijk aan alle menschen gegeven, niet aan enkelen, om te leven ten koste van de anderen, die lastdieren moeten [91]zijn.… maar in de menschen woont de Liefde niet.…

Luide snikken maakten zijn stem èven onverstaanbaar. Met moeite bracht hij de korte zinnetjes er uit, zenuwachtig, onsamenhangend, in zijn groote verwarring.

Toen werd de ontroering hem te machtig, zijn knieën knikten, en, in zijn uiterste wanhoop, viel hij als een slaaf aan hare voeten. Zijn hoofd bonsde op den grond, maar hij voelde het niet.

Fier en onbewogen stond de prinses vóór hem opgericht. Er was een harde trek gekomen om haar anders zoo zachten mond. Zij had niet begrepen wat hij bedoelde, maar er schemerde een vaag bewustzijn in haar op, dat zijn hartstochtelijke aanklacht vijandig was aan de onschendbaarheid van het koningschap bij de gratie Gods. Men had haar nu en dan, voorzichtig, in vage, bedekte termen, verteld van het groote gevaar, van de sociaal-democraten en de anarchisten, die God noch Koning eerden, die de geheele maatschappij wilden omverwerpen, en durfden zeggen, dat de bestaande orde der dingen niets dan leugen was en onrecht. Dat was de ontheiliging van háár koninklijke wezen, van de Kerk, van den Staat, dat was het oproer, de roode revolutie.… Had die jonge ridder van haar zich laten bederven door de vijanden van haar geslacht?.… Was hij zóó weinig dankbaar voor haar koninklijke gunsten?.… [92]

IJzig-koud zag zij op hem neêr. En tòch streelden haar zijn hartstochtelijke adoratie en de diepe deemoed, waarin hij, als een vernederde slaaf, op den grond voor haar nederlag. Zij vond hem mooi, met die biddende oogen in zijn fijn, bleek gezicht; zij zag hoe glanzend zijn zacht, zijden haar was, als van een edelknaap uit de riddertijden. Zij wist, dat niemand uit haar omgeving haar ooit zóó had bekoord, door haar koninklijkheid héén, tot in haar innigste, maagdelijke wezen.

Aan hare voeten, door zijn snikken heen, klaagde hij door.

„—Genade,” smeekte hij, „genade voor de armen en verdrukten.… de menschen, die U dienen, en het volk regeeren, kúnnen niet helpen, want zij kennen de Liefde niet, en zonder Liefde kan het onrecht nooit genezen.… daal áf van Uwe koninklijke hoogte, o, prinses, verlaat dat lichte, blinkende paleis, dat daar zoo wreed en koud in de hoogte staat, en verwaardig U, in de woningen der armen te treden, en hun grooten nood te zien … Zie de zwoegende, tobbende werkers in de gruwelijke fabrieken en diep in het donker der mijnen, en zie dan de feestende, hartlooze lediggangers, die zwelgen van hún zweet … zie de vrouwen, Uwe zusteren, die klagelijk haar lijf moeten veilen voor het dagelijksch brood, waar de pratte poenen hier zwijmelen in orgieën … [93]wees een troost der verdrukten, een reddende engel, een genius van genade … en stoot de leugen omver met Uwe koninklijke hand … als gíj voorgaat, moeten de anderen vanzelf wel volgen, die al het onrecht deden in Uwen naam … Uw woord zal allen bezielen, Uw hand zal afnemen van het onrechtmatig bezit en geven de goede gaven aan de behoeftigen en beroofden … Uwe geheele lichte Leliënstad is een poel van leugen en zonde, een duister oord van verschrikking, een hel.…”

„—Zwijg!” zeide een harde stem boven hem, snijdend, gebiedend.

Verschrikt keek hij op.

De prinses zag op hem neer, een kouden, verachtelijken blik. Met een superbe gebaar trok zij de plooien van haar wijd-uit vallende gewaad om zich heen, dat geen zoom zou besmet worden door zijn aanraking. Een wreede, minachtende trek kwam om haar mond.

„—Ga!” zeide zij, streng, en wees naar de deur, terwijl zij tikte op een schel. „Gij zijt een ondankbare, een oproerling, niet waard onzen drempel te betreden … onder slaven hoort gij, met uw onwaardige taal … ga heen, en kom tot inkeer … verbeter u, als gij ooit weer in onze genade wilt komen …”

Bevend stond hij op. Hij kromp ineen onder haar vernietigenden blik. Hij dacht een oogenblik, [94]dat hij slecht was, een ondankbare, een nieteling, die de sfeer ontheiligd had waarin zij ademde. Al het onrecht, waarvoor hij was opgekomen, leek hem nú een schijn, een verblinding, die zijn eerbied voor háár had geschonden. Het éénige reëele, waar al het andere bij in ’t niet verzonk, was de koninklijke waardigheid van haar vlekkelooze wezen, de majesteit, die straalde van haar af. Hij was niet waard, nog langer in háár heilige tegenwoordigheid te toeven, een ellendeling was hij, die haar met een enkelen blik al ontwijdde. Nog éénmaal zag hij haar staan, ongenaakbaar, hoog opgericht, in sneeuwen blankheid, het witte gewaad in wijde plooien om haar heen. Toen kroop hij weg, neigende, diep vernederd, of hij een zware misdaad had begaan.

Een lakei schoot op hem af, deed de deur voor hem open, neigende. En hij stond weer in de gang van waar hij gekomen was. Als wezenloos ging hij door. Uit de open anti-chambre kwam Marcelio aanloopen. Vriendelijk legde hij een hand op Paulus’ schouder.

„—Ik zie het al,” zeide hij. „Het is mis, hè?… Dat kon ook niet anders … mijn beste jongen, je hadt ook niet zoo lang in dat bosch moeten blijven … je bent véél te naïef, een miniatuur editie van don Quichotte … maar je hebt het zélf gewild … en door al die dingen moet jij nu eenmaal eerst heengaan, vóór je een practisch mensch kunt worden …” [95]

Paulus kon nog niets terugzeggen. De woorden stokten hem in de keel. Hij liet zich zwijgend medevoeren naar zijn eigen kamer op de bovenste verdieping. Dáár viel hij snikkend op zijn bed neer. Marcelio kwam naast hem zitten, op den rand van het bed, en zag medelijdend op hem neer, als op een kind. Het interessante „geval” deed hem, zijns ondanks, aan, met een zacht medegevoel.

„—Kom … vertel me nu eens …” vroeg hij, toen hij zag, dat het snikken wat bedaarde.

„—Ik heb het haar gezegd, Marcelio … van al de ellende … van het onrecht … van haar droeve zusteren, levend van haar lijf … en ze heeft me aangezien, o! met haar reine, blauwe oogen heeft ze me aangezien … mijn ziel kromp inéén … ze veracht me, nooit zal ik dien vrééselijken, vernietigenden blik vergeten, die brándt in mijn ziel … Nú weet ik pas, wat majesteit is, Marcelio … o! hoe zij daar stond, zoo hoog, zoo edel, zoo trots … als zij mij lang zóó had aangezien, zou ik gestorven zijn … maar zij wees mij weg, met een zóó fier gebaar, dat ik ben teruggekropen, bang als een slaaf …”

Marcelio lachte medelijdend.

„—En het onrecht dan, Paulus … de groote zaak van het volk, waar je voor kwam?… was die dan inééns verbleekt in je?… alléén door dien blik?… heb je toen alles inééns verzaakt?[96]

Paulus keek hem aan, en bloosde.

„—O! Marcelio … ik wéét het niet meer … ik weet niets meer, dan dat ze me aankeek … zóó … vanuit haar sneeuwen, leliën reinheid … zoo hoog was ze, zoo ongenaakbaar … en ík was zoo klein, zoo nietig, zoo verachtelijk … ik was niet waard, den zoom aan te raken van haar gewaad …”

Weêr lachte Marcelio, en schudde het hoofd, bedenkelijk. Toen, als iemand die een besluit neemt om eindelijk iets te zeggen, wat hij eerst had willen verzwijgen, vroeg hij, bruusk:

„—Kom, kom, Paulus.… weet je, wie dan wèl waard is, dien zoom van haar gewaad aan te raken?.… en niet alleen dien zoom, maar haar zelve, haar héélemaal.… weet je dan wel, dat de prinses.… gauw.… hm … moet gaan trouwen, vóór zij koningin wordt?…”

Paulus staarde hem aan, verbluft, nog niet begrijpend.

„—Hè?.… Wat?.…”

Hij begon weer te beven, vaag voorgevoelend iets verschrikkelijks, nóg ontzettender dan het eerst gebeurde.

Marcelio wachtte nog even, durfde niet goed, bang voor de pijn, die hij Paulus ging doen. Toen, inééns:

„Haar Koninklijke Hoogheid is verloofd met prins Sergius Alexandrowitsch van Moscovië.… morgen wordt het bekend gemaakt.…” [97]

Paulus werd doodsbleek. Hij stotterde:

„—Dat mag je niet zeggen, Marcelio.… met zúlke dingen mag je niet spotten.… wat héb je er aan, mij zoo voor den gek te houden?.…”

„—Maar het is wáár, kerel.… ik spot héusch niet.…”

„—Och.… dat kán toch niet.… de prinses kán toch niet houden van zoo’n bruut.…”

„—O! Wat een broekie ben je, Paulusje.… hóuden.… alsof een koningin zou behoeven te hóuden.… dat is goed voor het volk.… bij een koningin geldt alleen het zoogenaamde belang van het volk en van het vorstenhuis.… het is héusch, héusch waar, Paulus.… Maar wat schéélt je, kerel?.…”

Paulus, doodsbleek, wankelde, en zijn handen zochten steun op de tafel. Marcelio hoorde hem stamelen:

„Dus dan zou de prinses.… als al die vrouwen van de straat.… zónder liefde.… alléén voor eene belooning van glorie of belang.… een veile vrouw zijn, als de anderen.… Het is niet waar, hé, Marcelio.… het was maar een grap.… en je hebt gelogen, hè, gelogen …?”

Zijn stem stokte, en hij kon nog alleen maar enkele schorre geluiden uitbrengen. Een rilling vertrok zijn gezicht, en krampachtig sloeg hij de vuisten in de lucht.

Marcelio snelde op hem toe. [98]

En nog juist had hij den tijd, om Paulus op te vangen, die, doodelijk bleek, even wankelde en toen bewusteloos neêrviel, alsof hij een doodelijken slag had gekregen, waaronder hij wègkromp.…

Drie weken lag Paulus met zware hersenkoortsen in het hospitaal in Monte-Regina. Hij ijlde gansche lange nachten over een prinses, die hij verlossen moest van een monster, dat haar wilde overweldigen, en met moeite werd hij in bedwang gehouden, om niet uit zijn bed te stormen, en haar ter hulp te snellen. Hij smeekte den geneesheer en zijne verpleegsters, om hem toch in Godsnaam te laten gaan, want een doodsgevaar bedreigde de prinses. Het Beest naderde, het ruige, zwarte Beest, dat zijn groote klauwen uitstrekte naar haar blankheid, en niemand kon haar redden dan híj. O! Hij moést weg, hij moést, anders was zij verloren.… Het Monster kwam al nader en nader.…

En vier sterke mannen moesten hem in bedwang houden, dat hij niet in zijn nachtgewaad weg zou ijlen naar buiten, om het Monster te bevechten.

Toen hij eindelijk beter was, en weer op kon staan, was de dokter verbaasd over zijn kalmte. Hij sprak heelemaal niet meer over de nachtmerrie, die hem zoo benauwd had. Ook tegen Marcelio zeide hij niets meer over de prinses. Er scheen een groote leegte [99]in hem te zijn, waardoor hij het vergeten was. Het was, of de hevige koortsen het beeld van prinses Leliane hadden weggedrongen, ergens vèr achter, in onbewustheden van zijn ziel.

Hij wilde enkel maar wèg uit Monte-Regina, en terug naar Leliënstad, dat was het éénige, waar hij om vroeg.

Marcelio schrikte toen zijn vriendje afscheid bij hem kwam nemen. Wat was hij bleek geworden, en wat een oudachtige trek was er om zijn mond gekomen. Er was iets over Paulus, alsof hij nu niets meer hoopte of verwachtte, en zóó maar het leven verder inging, overwonnen, verslagen voor altijd. Hij had nog willen vragen, willen troosten, maar Paulus uitte geen enkele klacht, en hij durfde niet het eerst beginnen over wat de oorzaak van zijn ziekte was geweest. Toen redeneerde hij voor zichzelf, dat het wel over zou gaan. De tijd, die goede tijd, die alles op den duur toch wel geneest.… En hij begreep absoluut niet, wat het voor Paulus geweest was, toen hij hem de aetherische prinses uit zijn droomen had doen zien in de droeve realiteit van het leven, als een Vrouw, een jonge, rijpe vrouw, naar wie de Man zijn roode, ruige handen uitstrekt in bloedgierig begeer.… [100]