WeRead Powered by ReaderPub
Leliënstad cover

Leliënstad

Chapter 6: HOOFDSTUK VI.
Open in WeRead

About This Book

Een jonge man observeert vanaf een brug een immense, mistige industriestad langs een rivier, waarin schepen, schoorstenen en kaden een onheilspellende, lawaaiige sfeer scheppen. De stad wordt beschreven als meedogenloos en vervreemdend, met menigten die zwoegen en duizenden die onder brugbogen beschutting zoeken tegen de winterkou. Hoog boven de grauwe bebouwing verschijnt een verlicht paleis en de aanwezigheid van een koninklijke prinses wekt bij hem een verlangen naar mededogen en sociale verlichting. De vertelling wisselt tussen persoonlijke waarneming, een gesprek met een kameraad en bredere reflecties over ongelijkheid, armoede en hoop op verlossing.

[Inhoud]

HOOFDSTUK VI.

Nu waren maanden en maanden daarna verloopen.…

Toen Paulus eenmaal terug was in Leliënstad begreep hij, dat er nu een groote verandering in zijn bestaan moest komen. Hij kon zóó niet meer blijven doorleven, als vroeger, op kosten van de prinses.… In ’t begin, nauwelijks beseffende wat geld eigenlijk was, had hij er nooit over gedacht, wat het beteekende, het van een ander aan te nemen, en alles, wat van de prinses kwam, had hij voor bijna heilig gehouden. Maar nu, na zijne bittere teleurstelling, voelde hij, dat hij niets meer van haar zou kunnen aannemen, en schaamde hij zich, ooit van háár aalmoes te hebben geleefd. Hij begreep, dat hij probeeren moest, van de opbrengst van eigen arbeid te leven. Maar wàt kon hij doen, dat loon waard was?

Toen herinnerde hij zich, dat Marcelio hem altijd gevraagd had, waarom hij niet schreef, of zijn verzen van vroeger, uit het Bosch, niet wilde uitgeven. [101]Hoe dikwijls had hij al niet den drang in zich gevoeld, te gaan schrijven van zijn heerlijke eenzaamheid, vroeger, in het Bosch, van zijn jonge, mooie droomen, als hij, hoog in den top van een boom naar de sterren staarde, of van de sprookjes van toen hij klein was, die Willebrordus en de oude Mareta hem hadden verteld! Maar nooit was hij er toe gekomen. Het leek hem zoo onbestaanbaar dat alles, in het lawaaiende leven van de stad. Het was iets, om heel zorgvuldig te bewaren, veilig achter in je ziel, er nooit iemand iets van te zeggen, een licht geheim, dat je stilletjes met je omdraagt van binnen, door de duistere menschen heen. En bijna alles, wat de Leliënstadsche literatuur van tegenwoordig uitmaakte, voelde hij er vijandig aan.—

Als hij het nu tóch eens doen ging, en het uitgaf, in een boek? Dan zou hij misschien genoeg verdienen, om eenvoudig te leven, en was hij onafhankelijk van de prinses. Hij zou dan een andere kamer huren, zoo goedkoop, als maar te vinden was, en zoo sober mogelijk zijn in zijne uitgaven voor voeding en kleeding. Het leven zóó, onder de hoede van Marcelio, was hem tóch al lang gaan tegenstaan door de weelderigheid die om hem heen bleef, al was híj altijd matig geweest in eten en drinken.

Den volgenden morgen vertelde hij aan Elias zijn plan, om zich aan de literatuur te wijden, en [102]voortaan, zooals men dat noemde, van zijn pen te leven. Hij zou dan geen geld meer behoeven aan te nemen, dat van prinses Leliane kwam, en eerlijk zijn eigen brood kunnen verdienen.

Maar Elias was er lang niet zoo enthousiast over, als hij wel verwacht had.

„Zóó zóó,” zeide hij, „wou jij in de literatuur gaan, baasje? Dan kom je in een maatschappijtje apart, maar heusch niet mooier en beter dan de gewone maatschappij hoor! Dat moet je vooral niet denken. Die heeren artiesten, die heeten te leven in de sfeer van de verhevenste en goddelijkste dingen der wereld, zijn heusch niet zooveel beter dan de gewone bourgeois, en au fond komt al hun gedoe op hetzelfde neer. Mooie schilderijen maken, mooie boeken schrijven,—o jee!—met het beste uit hun ziel er in, als het kan. Prachtig! Maar die dan toch zoo duur mogelijk verkoopen, zooals handelslui hun artikelen, om dan later óók een weelderig huis te kunnen hebben, met véél luxe, en lekker te kunnen eten, en geëerd en beroemd te zijn, en een lintje te krijgen in hun knoopsgat. Denk eens aan den schilder van de armoede, Larivois, en de dichteres Dolorosa! Hun eigen ik-je is dan het artikel, waarin zij doen in plaats van koffie, of thee, of tabak, sóms ook wel het zoogenaamde medelijden met de verdrukten; en de concurrentie bestrijden zij met even veel unfaire middelen [103]als de anderen, hoor! Er is nijd, er is jaloezie, er is laster, even fel, als in de bourgeois-maatschappij, misschien nóg wel een tikje venijniger. Zoo, beste Paulus, wou jij in je eigen Ik-heidje gaan doen? En dacht je, dat je dat op den duur kon volhouden, zonder het artikel te vervalschen? Ik vréés er voor.…”

„—Maar, Elias, wat bèn je weer scherp. Je weet toch wel, dat ik altijd zuiver zou blijven.—Ik vind het juist heel mooi, het innigste van je ziel uit te zeggen, en dat den menschen te geven.…”

„—Te géven, Paulus?.… ja, dat zou ik óók wel mooi vinden.… als het werkelijk te geven wás.… Maar dat ís niet zoo. Het is te verkoopen, en wel aan een klein deel van de menschheid alleen, dat het geld er voor betalen kan.…”

„—Maar het is toch véél beter, dan geld aan te nemen, waar ik niets voor doe, zooals nú … het geld van de prinses, dat mij nu verder zou bránden in mijn handen …”

„—Dát is het, Paulus … maar vergeet dan niet, dat je van twee kwaden het minst erge kiest, wat dan nog lang niet het goede is … al is het een groote vooruitgang voor je, als je heelemaal los bent van de weldaden van het hof, en voor je eigen onderhoud kunt zorgen … met wat je verdient; áls je wat verdient, kan je blijven bestaan en verder studeeren in wat je studeeren wilt … en als je de [104]kerel wordt, die ik hoop, dat je zúlt worden, dan eindig je tóch met je nuttig te maken voor onze partij … daar ontkóm je op den langen duur toch niet aan … maar dan moet je heelemaal áfleeren dat droomen, en véél studeeren, altijd door studeeren, om te komen tot de nuchtere werkelijkheid der dingen, die wíj durven aanzien … Dan zal je ook zien, hoe weinig je eigen, misschien heel mooie, maar toch onreëele droomen beteekenen bij het universeele leed van de menschheid, bij den ontzaglijk hoogen ernst van deze tijden, en de geweldige wereld-dingen, die te gebeuren staan … je wordt pas een ménsch, Paulus, als je je eigen Ik-je heelemaal daarbij kunt wegcijferen …”

Maar Paulus begreep zijn vriend nog niet goed. Hij was alleen blij, dat Elias hem voorloopig gelijk gaf, en het óók beter vond, met schrijven zijn geld te verdienen, dan het als een gift te blijven aannemen van de prinses.

Een paar dagen weifelde hij nog. Zou hij het wel kúnnen doen? Het heiligste, wat hij nog gaaf over had, na zijn verschrikkelijke teleurstelling over de prinses, en dat hij als een lief geheim binnen in zich bewaarde, de heerlijke herinneringen aan zijn leven in het Bosch, nu vóór te zetten aan de duistere menschen van de stad, en het te verkoopen, voor wat geld, om te kunnen leven! [105]

Hij kón er in ’t eerst maar niet toe komen … Maar waar zou hij dan van moeten leven later? Altijd maar dat koninklijke geld van de prinses aannemen, als een aalmoes? Toen voelde hij, dat hij het doen moést, en zette hij zich aan den arbeid.

Het was een teêr en heel pijnlijk werk, al dat lieve uit zijn ziel voorzichtig naar buiten te brengen, en te bewaren in zachte, broze woorden. Het was zóó fijn alles, en uit zoo’n ijle sfeer gekomen, dat hij ieder oogenblik bang was, het te breken, als het rythme te brusk leek, of de klank te hard. Hij schreef het in de stilte neêr, of hij het aan zichzelf vertelde, en niemand behoefde het te hooren, dan hij, in de heilige stemming, die over hem kwam, als hij zich terugdacht in het Bosch. De vrije vogels zongen in zijn boek, de bladeren ruischten, de hooge kruinen stonden zachtjes te wuiven tegen den hemel vol sterren. En de witte waterlelies lagen roerloos op den vlakken vijver, door geen rimpeling verstoord.

Als hij dan, moe van ’t schrijven, buiten kwam, om zich door een wandeling wat beweging te geven, schrikte hij van wat hij doen ging. Dan zag hij de harde gezichten van de menschen, hun breed gebaar, en den hoon in hunne oogen. Het brute, bruyante stads-lawaai kwam brutaal over de stille stemming van zijn ziel. Al het teedere leek hier weg, in die drukke straten, en de mooie, zachte dingen, [106]die hij in zijn boek gezegd had, leken onbestaanbaar in dit grof gedoe. Als het eenmaal onder die donkere, onbehouwen menschen kwam, zouden ze het begichelen en bekwijlen en vermorselen van louter kwaadaardigheid. Hij zag een troepje menschen voor een grooten boekwinkel staan. Er lagen allerlei boeken, en fotografieën, en gravures van naakte vrouwen in wellustige houdingen. Hij keek naar de gezichten van al die menschen, die er naar zagen. Hard, en onverschillig, koud, of brutaal waren ze. Zóó zouden ze kijken, als zíjn boek daar in de vitrine lag, met het liefste en teederste uit zijn ziel er in. En iedereen zou het kunnen koopen voor wat geld, en er over lachen met hoonenden, schennenden lach.

Dan kreeg hij wel eens eene opwelling, om gauw naar zijn kamer terug te loopen en alles te verscheuren, dat niemand het ooit ontwijden kon.

Maar als hij dan later thuis weer voor zijn tafel zat, en de zinnen vanzelf op het papier stonden, zóó dat hij van den klank en het rythme genoot, vond hij weer een groot geluk in zijn schrijven. Totnutoe had hij al het mooie onbewust ondergaan, nú werd het hem bewust, hoé en waarom iets mooi was, en hoe hij het uiten kon, zóó, dat de emotie er zuiver door bewaard bleef. Buiten hoorde hij soms èven vaag het groote stads-leven nog druischen, maar in zijn ziel werd het plechtig stil, en zijne [107]woorden rezen er van zélf uit op, als bloemen uit den grond.

En hij schreef een sprookje, dat de oude Mareta hem eens verteld had, van een bloemen-prins en een sterren-fee, die elkaar liefhadden, en elkaar nooit konden krijgen, tot ze van liefde stierven, omdat zij niet langer konden leven zonder elkaar. Om die teêre idylle heen was de omgeving van het bosch met zijn boomen en bloemen, en den eindeloozen hemel met de tallooze sterren en de maan. En al die bloemen en al die sterren wisten van de ongelukkige liefde der twee en konden spreken en klaagden er over, in weenende klanken van melodieuse reien, die het noodlot der gelieven bezongen.

Als Paulus dan wel eens de nieuwe boeken las, die uitkwamen, meestal over echtbreuken, en huwelijksbedrog, en sensueele schande-dingen, in de keurige, precieuse woordkunst-taal, die toen in de mode was, dan voelde hij wel eens angst, dat hij niet schrijven kon, en zijn werk, vergeleken dáármede, maar kinderachtig was. Die kunstige woord-combinaties, die onverwachte wendingen, die handige manier om lang-ademende zinnen van gehééle bladzijden aaneen te smeden! En híj met zijn heel eenvoudige, onversierde taal, die juist zóó was, als zijn gevoel noodig had, om zich naar buiten te uiten!

Zijn sprookje leek hem dan onder al die keurig [108]geschreven boeken met hun verdorven inhoud als een heel eenvoudig, arm landmeisje onder een troep wèlgekleede, gedegenereerde menschen. Hoe zouden zij lachen om dat simpele, naïeve kind, en het voor den gek houden, en er zich vroolijk over maken! Het wist niets van decadentie en degeneratie, niets van echtbreuk en vuiligheid en trouweloosheid, en het kende zelfs niet eens hartstocht, dan bij vaag voorgevoel. Het wist alleen maar van de zachte, vrome adoratie, en het smachtend, kuisch verlangen van een bloemen-prins naar een verre sterren-fee, van droomende boomen aan stille vijvers, waar de witte water-lelies haar blanke bladen ontvouwden, in groote eerwaardigheid. En er kwamen niet eens groote, verstandige menschen in zijn sprookje voor, alleen maar elfen, en kabouters, en dwaallichtjes, en geesten van bloemen en sterren. Als hij aan ’t schrijven was, eenzaam in zijn kamertje, aandachtig over zijn manuscript gebogen, was al het andere leven van buiten als een booze droom, en voelde hij zich somtijds zóó reëel terug in het Bosch, dat hij de sensatie kreeg, of hij jong eikenloof rook, en den zoeten geur der linde, en de bedwelming van meidoorn en seringen. En het was hem, of hij weer in de toppen zat der hooge beuken, en hijzelf de prins was, die daar, hoog in ’t groen, zat te verlangen, o! zoo innig met zacht bidden van [109]zijne gansche ziel, naar de vage, verre sterrenfee, die hem zegende met haar wondere, goudenen stralen. Dan voelde hij: „dít is mijn eigen, innigste leven, dít ben ik, en niemand anders, en alles wat nog meer gebeurt, buiten deze teêre sfeer, waarin ik nu leef, is leege schijn en waan, en kan mijn binnenste niet raken.”

En omdat hij in zijn jeugd zoo jaren en jaren lang heel alleen met zijn ziel geleefd had, en haar taal van absoluten eenvoud grondiglijk had leeren verstaan, was het schrijven eigenlijk niets anders voor hem dan een getrouwelijk neerzetten van alles, wat die innerlijke stem hem vóórfluisterde. Hij behoefde niet te zoeken naar zijne woorden, niet te wikken en te wegen over kunstige wendingen, of effectvolle accenten, want alles vloeide heel van zelf uit hem, bijna zonder dat hij iets anders te doen had, dan op te schrijven, wat hij binnen in zich hoorde ópklinken.

Maar als hij buiten was, op straat, tusschen de woelende, luidruchtige menschen, en het scherpe ratelen van wagens, het triestige getoet van automobiel-horens, en het schelle geschreeuw van venters, kwam dikwijls een wreede twijfel in hem op, of al het fijne en teêre in hem wel bestaanbaar was in al dat ruwe en harde, en of het misschien niet ziekelijk en decadent was, wat hij had neergeschreven. Als [110]hij de koude, onverschillige gezichten der menschen zag, hun schennende lachen, hun breed, grof gebaar, en als hij voelde al die brute kracht van enkel physiek, machtig leven om hem heen, dan leek zijn droomerige sprookjes-prins zoo klein en zwak en minderwaardig daar tusschen, en wíst hij, dat ze hem genadeloos vertrappen zouden, als hij ooit onder hen kwam. In een groote koffiehuis-zaal, waar hij at, of de couranten las, voelde hij zich klein en verwerpelijk onder al die groote, zware mannen, die niet voelden en niet droomden, maar diepe, geweldige stemmen hadden, waarmede zij harde, grove dingen zeiden, en dan kwam het hem onmogelijk voor, dat hij ooit het liefste en fijnste uit zijn ziel aan die menschen zou kunnen prijs geven. Dan dacht hij om Marcelio’s medelijdend gezegde: „Wat ben je toch nog een broekie, Paulus”, en schaamde hij zich bijna over al de lieve, teedere woorden in zijn boek, vergeleken met het zware, harde basgeluid dier logge, breed-geschouderde kerels, waarmede ze hun gevoellooze, dreunende grofheden uitten.

Hij las opzettelijk weinig, terwijl hij aan zijn boek bezig was, bang, dat er onwillekeurig iets van het vreemde van anderen in zijn werk zou komen. De éénigen, die hij in contact met zijn ziel durfde laten, waren Wederich en Lavelane, de oprichters van den Lotuskrans. Wèl bedierf bij het lezen van Wederich’s [111]subliemen eersten bundel „Gedichten” het denken aan zijn ridderorde en het ignobele diner, dat hij eens had bijgewoond, altijd nog iets van den indruk, maar toch kwam telkens de oude bekoring, die hij in het Bosch voor hem gevoeld had, weer terug. Aan Lavelane voelde hij zich nog het meest verwant, om den bundel „Eenzaamheid,” waarin hij van zijn stille peinzen vertelde op de eenzame heide, waarin hij eens een jaar alleen, in een klein huisje, had gewoond. Dan was het hem een groote troost te denken: „die twee, Wederich en Lavelane, zullen in elk geval mijn boek toch begrijpen. En een stille hoop, waarin ook trots was, kwam dan in hem op, dat hij door zijn werk, misschien later, hun vriendschap zou kunnen winnen, en dat hij dan misschien invloed op Wederich zou kunnen aanwenden, om hem weer zuiver te doen worden als vroeger. Ook hún teêre, gevoelige kunst was toch wel onder de menschen gekomen, en al de hardheid der wereld had haar niet kunnen verpletteren. Zij was opgebloeid, sterk en rustig, eerst door véél spot en verguizing heen, en stond nu toch rotsvast, onvernietigbaar in de literatuur. Dus mocht hij niet al te zeer vreezen, maar vol goeden moed zijn werk voltooien, en het dan vreezeloos, zonder beven, onder de menschen brengen, wetende, dat zijn schijnbaar zwakke teederheid tóch op den duur veel sterker zijn zou, dan de [112]hardheid van het publiek. Want het zachte is sterker dan het harde, en het fijne overwint het grove, zooals de ijle geest machtiger is dan de harde materie.

Zóó leefde hij drie maanden in de innigheid van zijn droom over den smachtenden bloemen-prins en de verre fee der sterren. Een zachte trots, een gevoel van voldaanheid welde in hem op, als hij zijn werk overlas, dat met den dag groeide. Als hij er maar weer alleen mede was, voelde hij zich sterk en rustig, en wíst hij, dat al de grofheid van het leven buiten, zijn innerlijke ziel niet had gedeerd.—Het harde wás dus toch zoo sterk niet, als het buiten wel leek, als het om je heen lawaaide, en toeterde, en hoonde, en lachte. Want het mooie was toch altijd èven veilig in je bewaard van binnen en bleef er altijd verre van, ongenaakbaar in eigen, heilige sfeer. Dan voelde hij zich ook gelukkig, dat hij in al dat harde iets zachts kwam brengen, dat hij in de literatuur van grove realiteit en scherp sensualisme iets aparts en bijzonders ging geven van sprookje en droom, en hij bedacht met groote vreugde, dat zijn ziel nu wellicht ging aanraken de zielen van anderen, verwánten, die er toch óók moesten zijn onder al die duizenden, verwanten die hij nú nog niet kende, en die dan toch omgang zouden hebben met het liefste uit zijn ziel. Dan zou hij toch óók iets, al was het nog maar héél weinig, goeds gedaan hebben in de wereld; [113]misschien kon hij iets van den weedom er door verzachten, wat troost brengen aan weifelende harten, en zacht licht doen schijnen, waar droef duister was.

Maar dan kwam ook de droeve gedachte in hem op, dat hij de groote ellende van de honderdduizenden verdrukten er niet mede zou baten. De zwoegende slaven in de mijnen en fabrieken, de verdierlijkte proletariërs in de „Sloppen der Verlorenen”, en zijn jammerlijke zusteren, die van de schande harer lichamen moesten leven, wat hadden zij aan zíjn subtiel, teêr gedroom van bloemen en van sterren? Was het nú wel een tijd, om over sprookjes en schoone droomen te schrijven en zich te verschuilen in stil, eenzaam verkeer met eigen ziel? En hij dacht er aan, hoe hij eens in een sociaal-democratisch tijdschrift had gelezen, bij de beoordeeling van een nieuw boek van den dichter Wartenau:

„Het ís nu geen tijd voor de literatuur van de zoogenaamde mooie Ik-heid en de eigen mooie ziel, zoolang het meerendeel der menschen nog in onrecht en ellende leeft. Wat beteekenen eigen vreugde en eigen leed bij het eindelooze wee der onbewuste massa’s?”

Dan was het hem, of hij eigenlijk een verfijnd, egoïstisch werk deed door zich zoo weg te droomen in eigen, teêre ziele-sferen, terwijl buiten zijn broederen en zusteren bleven zwoegen in het zweet huns aanschijns, om de kleine minderheid te dienen. [114]