HOOFDSTUK VII.
Eíndelijk was zijn sprookje dan klaar. Toen hij de eindstreep er onder zette, en wist, dat het nu onherroepelijk was, wat hij zou gaan doen, schrikte hij, en voelde hij pijn aan zijn hart. Want nu was het, of er iets uit hem weg was gegaan, wat hem vroeger rijk en verheerlijkt maakte, en of het nu daar binnen leeger zou worden. Dat mooie, warme gevoel, dat in hèm alléén was geconcentreerd, was nu uit hem gevloeid, en zou zich over de groote massa verspreiden. Tóch was hierin ook iets vertroostends: hij had nu toch iets, al was het nog zoo weinig, aan zijn medemenschen gegeven, al konden de misdeelden onder hen er nog niets aan hebben. Al moest hij voor zijn werk geld aannemen, om te kunnen leven, tóch was er iets als offering in, het liefste en teêrste in je, weg te geven, opdat het ook anderen kon beroeren, onbevreesd voor spot en hoon en verguizing.
En héél achter in zijn peinzen, te bang nog, om [115]bewust tot een gedachte te worden, fluisterde iets, dat ééns misschien prinses Leliane zijn boek zou lezen, en iets van zijn ziel háár ziel zou kunnen beroeren. Immers het teêre droomen van den bloemenprins over de fee der sterren, het stil-biddend verlangen, waar de reien elfen en nimfen van zongen, wat was het eigenlijk anders, dan het kuische gebeuren in zijn eigen ziel, toen hij, simpele, onwetende jongen nog, was neêrgelegen aan den roerloozen vijver, waar de witte waterlelies woonden, en het vage voorgevoel van de verre prinses Leliane hem beroerde?
Nu de zware en toch zalige taak van het schrijven af was, moest hij voor de uitgave gaan zorgen. Hij wist nog zoo goed als niets van zulke dingen, en vond het beter, eerst Marcelio er over te raadplegen, en te vragen, om hem met het uitgeven te helpen.
Marcelio was bereidvaardig, als altijd.
„Ik wil je wel helpen, om je boekje uit te geven,” zeide hij.… „Ik heb nog al veel connecties. Je moest het eerst in een tijdschrift zien te publiceeren, en dàn apart bij een uitgever. Het is nu maar de kwestie wáár. En tot welke partij je zult behooren. Je moet natuurlijk kleur bekennen!”
Dat begreep Paulus niet al te best.
„Kleur bekennen?” vroeg hij. „Hoe bedoél je dat?” [116]
„—Wèl, bekennen tot welke groep van schrijvers je wilt behooren, en welke richting je bent toegedaan.”
„—Maar ik behoor nérgens toe, Marcelio, ik bén geen richting toegedaan. Ik probeer alleen het allermooiste in me uit te zeggen, zoo wáár en zoo eenvoudig mogelijk!”
„Nu ja, alles heel wel, maar toch moet je eindigen, je ergens bij aan te sluiten. Anders maak je je onmogelijk en vallen ze allemaal tegelijk op je aan. Alléén staan is de grootste misdaad, die je tegenwoordig in de literatuur begaan kunt. Dàt vergeven ze je nooit. Als je alléén wilt staan, houd dan al je moois voor je zelven, en lees het desnoods zoo tusschenbeide eens voor aan een paar vrienden. Maar zoodra je iets uitgeeft, moét je je bij een of andere groep aansluiten. Laat m’s kijken. Waar zou je je stuk nu naar toe sturen?.… Het beste is nog naar Duval, den hoofdredacteur van het oudste tijdschrift, „Het Morgenrood”.…”
„—Duval, Jacob Duval, die altijd al wat nieuw en jong was? heeft tegengewerkt?.… die de dichters van „De Lotus” heeft belachelijk gemaakt … die Wederich’s beste, onsterfelijke sonnet „De Nachtegaal” indertijd heeft geweigerd?.…”
„—Dezelfde. Maar je moet niet vergeten, baasje, dat de Lotus-dichters, op een enkele na, hem weer [117]vergeven hebben, en dat hij zelf behendig is bijgedraaid … dat Wederich nu zelf een tamelijk loftuitende studie heeft geschreven over Duval’s prullenwerk … en dat, après tout, het „Morgenrood” het meest gelezen tijdschrift is gebleven. Kijk eens, àls je eenmaal uitgeeft, wil je ook gelezen worden, nietwaar?… anders gééf je eenvoudig niet uit. Je dweepte vroeger met de schrijvers van den Lotuskrans.… maar nú, nu ze bijna allen water in hun wijn hebben gedaan, en zoo langzamerhand bij hun vroegere vijanden in ’t gevlei komen, zal daar de aardigheid toch wel voor je af zijn.… Bovendien wil je nu, wat men noemt, van je pen gaan leven.… het is er dus vooral om te doen, dat je werk zooveel mogelijk verspreid wordt en door zooveel mogelijk menschen wordt gelezen … en om dat doel te bereiken, moet je een beetje inschikkelijk zijn, baasje, anders kóm je er niet.…”
Paulus begreep het nog niet goed.
„—Hoe bedoél je dat?” vroeg hij.
„—Wel, ik bedoel, dat je onder alles kalm blijft en voorál je mond weet dicht te houden. Je zult nu waarschijnlijk in wat je noemt literaire kringen verzeild raken, kennismaken met artiesten, enz., enz. Die zullen je uitvragen, je meeningen willen weten, en al die dingen meer. Je leeft nu in een tijd, dat de jongere, eerst revolutionnaire literatuur zich met de oude verzoent en aan ’t schipperen is gegaan. De [118]heeren zijn den ernst van het leven gaan inzien en moeten er nu zien te komen, nu ze huisgezinnen hebben en weten, wat dat kost. Wees dus in Godsnaam voorzichtig, houd je meeningen vóór je, en zorg, dat je niet in ’t gedrang komt. Denk aan wat je me ééns vertelde van Wederich met zijn mooie ridderorde, die op dat groote diner tusschen zijn vroegere doodsvijanden zat. Díe heeft den ernst van het leven óók begrepen, en is er wèl bij gevaren, al heeft hij zijn vriend Lavelane er om verloochend. Die Lavelane is tegenwoordig de zondebok, omdat hij niet transigeeren wil. Maar dat zal óók wel komen, als je maar geduld hebt. De tijd doet véél.… Je moet zien, dat je vooruitkomt en je pousseert, in de literatuur even goed als in de gewone maatschappij.… Het beste is, dat je werk het eerst in het meest gelezen tijdschrift uitkomt, en dat is nu ongetwijfeld „het Morgenrood.” Heb je eenmaal naam gemaakt en word je gelezen, dan heb je zoo’n tijdschrift niet meer noodig.… stap dus over dat idee heen, dat Duval altijd een reactionnair was, en stuur hem je werk. Gelóóf me, het is een verstandige raad, dien ik je geef.… ik ken Duval persoonlijk, en ik zal een goed woordje voor je doen.… als de jongere auteurs naar hém toekomen, en een goed voorspraakje hebben, is hij heel schikkelijk.… dan vindt hij zich zoo de welwillende protector van de nieuwere literatuur, die de jongelui wel een handje [119]zal helpen.… als ze hèm maar erkennen, en niets buiten hem om doen.… en je bent daar in het „Morgenrood” in elk geval in goed gezelschap van menschen met fatsoen, die wèl de mooie, rythmische woorden niet weten, maar toch óók geen gemeene gebruiken.… heusch, „het Morgenrood” is nog het beste.… pak jij je manuscriptje nu maar netjes in, en stuur het aan Duval.… ik zal hem dan vanavond te spreken zien te krijgen in de societeit en je aanbevelen.…”
Dien avond pakte Paulus zijn sprookje zorgvuldig in blank, schoon papier, en bond er een touwtje om, dat hij dichtlakte met een zegel.
Een oogenblik twijfelde hij.
Dáár lag nu het liefste en intiemste uit zijn ziel, dat hij gekweekt had in de reine eenzaamheid van het Bosch. En nu zou dit gaan onder de menschen met hun harde gezichten en hun hoonenden blik, in die duistere stad, vol zonde en misère, zou het overal ten toon gesteld liggen, en ieder zou voor wat geld zijn fijne ziele-dingen kunnen koopen. Grove handen zouden zijn boekje omvatten, roode tronies zouden er dom en wreed boven lachen. Was het niet als een witte duif, die hij uitzond in een woestenij vol roofvogels en gevaren? En waarom deed hij het eigenlijk? Om met zijn eigen schoonheid zijn [120]medemenschen te verblijden? Of ook—in een duister hoekje van zijn ziel—om groot en mooi te worden gevonden door het grauwe gemeen? Een rilling van walging doorbeefde hem bij die gedachte.—Zóu het leven in de groote stad hem dan tóch al hebben besmet?.… Als hij het pakje nu tóch wegstuurde, was het met een kwalijk verholen gevoel, dat hij een slechte daad ging doen, die hij eigenlijk niet kon verantwoorden.
Een paar dagen nadat Paulus zijn sprookje had verzonden, kwam er al een brief van Jacob Duval.
Onwillekeurig schrikte hij van blijdschap op bij het lezen. „De Prins en de Fee” werd een „juweeltje” gevonden, en Duval twijfelde niet, of zijne mede-redactieleden zouden ook die meening zijn toegedaan. Ofschoon „Het Morgenrood” overladen was met copie, en vele bijdragen al maanden op plaatsing wachtten, zou er voor hèm eene uitzondering worden gemaakt, en in het eerstvolgend nummer zou zijn sprookje verschijnen.
Zonder erg voelde Paulus de vreugde in hem opstijgen. Er was dus nog wel degelijk erkenning. Zóó bar waren ze dan toch niet, die heeren van „Het Morgenrood,” die de sublieme verzen in de eerste afleveringen van „De Lotus” hadden bespot. Dadelijk liep hij naar Marcelio, om hem het heugelijke nieuws te vertellen. [121]
„—Ja ja,” zeide zijn vriend, glimlachend. „Ik dácht het wel.… als je die heeren maar op de juiste manier weet aan te pakken, zijn ze heel schappelijk.… ik ken Duval al zoo lang.… en ik heb hem verteld, dat je een protégétje bent van Haar Koninklijke Hoogheid.… van die scène in Monte-Regina behoeft hij natuurlijk niets te weten.… zoo héél in vertrouwen zei ik hem dat.… nu, en dát was genoeg.… voor Haar Koninklijke Hoogheid doet Duval álles.… en het was je beste voorspraak, béter nog dan je boek zélf.…”
„—Maar dat heeft toch niets met de literatuur te maken,” merkte Paulus op, naïef.
„—Niet?” zeide Marcelio, fijntjes lachend. „Méér dan je denkt.… o! wat ben jij nog een broekie.… Maar weet je, wat je nu doen moest?.… nu moest je eens naar Jacob Duval gaan.… hij woont in de Marmerstraat, 64.… en hem bedanken.… dat zal hij erg appreciëeren.…”
Toen is dat vreemde met Paulus gebeurd, waar hij later met ongeloof aan zou terugdenken, als kón hij zóóiets nooit hebben gedaan, dat hij, klein en nederig, naar een groot, weelderig huis is gegaan, waar woonde Jacob Duval, de groote, officiëele machthebber van de literatuur. Het was een huis als van een beursman, met marmeren gangen, en dikke tapijten, en hij werd in een kamer gelaten, die hem [122]imponeerde door pracht en luxe. Toen kwam een klein, mager mannetje, met een droog, strak gezicht en lange, grijze bakkebaarden, een gouden bril op den neus.
Het mannetje was erg vriendelijk tegen hem, en klopte hem op den schouder en zei „mijn beste jongen.” Zijn sprookje was werkelijk „charmant,” zeide het mannetje, „het was een trouvaille … zoo weer eens iets héél nieuws … en de redactie was er erg blij mede geweest … hij hoopte nu op Paulus te kunnen rekenen als vàst medewerker … het was uitstekend, dat hij zich tot hèm had gewend … er was zooveel slecht gezelschap in de literatuur voor jongelui … maar nu had hij geen tijd meer … een redactievergadering … je begrijpt, er komt heel wat kijken aan zoo’n tijdschrift … Paulus moest nog maar eens terugkomen …”
En toen Paulus weer op straat stond, vroeg hij zich verbaasd af, welk contact er ooit kon wezen tusschen zijn ziel en dit gewichtig doende, uitgedroogde, oude heertje. Hoe was het mogelijk, dat hij zijn sprookje had gezonden aan dát menschje!
Hij schrikte van zichzelf, toen hij er over dacht. Wat was hij gaan beginnen? Waar was hij nú in verzeild geraakt? Intuïtief voelde hij, dat er nooit voeling had kunnen zijn tusschen het innigste uit zijn sprookje en dat mannetje van zooeven. Dat kón [123]niet. Dan had Duval héél anders gesproken, en niet dien quasi-welwillenden, beschermenden toon aangenomen. Hij dacht, aan wat Elias gezegd had. Hij voelde een opwelling, om zijn sprookje terug te vragen, en er mee te vluchten, vèr weg, terug naar de eenzaamheid van vroeger, om het enkel zélf te kunnen lezen, heel alleen onder de stille boomen van het woud. Maar nu was het te laat. Er was niets meer aan te doen. Hij moest nu maar afwachten, wat er van komen zou.
Toen vier weken daarna zijn sprookje in „Het Morgenrood” verscheen, kende Paulus voor het eerst de sensatie van zijn eigen ziele-mooi te hooren naar hem toe klinken, van buiten naar binnen. Hij las nu zijn sprookje, vaag-verbaasd, bijna alsof het van een ander was, terwijl het toch ééns vanuit zijn binnenste naar buiten was geuit. Zoo vreemd, dat alles, wat je vroeger alleen vanbinnen voélde, nu van buiten op je aan te hooren komen, opstijgend uit de harde, zwarte letters. Somtijds was het èven, of dat mooi werkelijk uit hem wèg was gegaan, en het nu, als ’t ware apart van hem, een eigen leven had gekregen, zóó, dat hij er zelf armer door was geworden.
Een paar dagen daarna, in de maandelijksche overzichten van de tijdschriften in couranten, werd zijn sprookje gesignaleerd. Er verschenen al korte entrefilets met aanprijzingen. Een bekend uitgever [124]vroeg belet, om hem te komen spreken over eene aparte uitgave in boekvorm. In de literaire wereld begon men te vragen, wie dat toch zijn kon, die Paulus, die dat vreemde, dichterlijke sprookje had geschreven in „Het Morgenrood.” Niemand kende hem, nog niemand had persoonlijke grieven tegen hem, en daar bovendien zijn werk in „Het Morgenrood” was verschenen, voelde de critiek zich verantwoord, het mooi te vinden en den auteur te roemen. Eenige recensenten van de oude school gebruikten het sprookje, om aan te toonen, hoe het idealisme weer boven kwam als reactie tegen de realistische vuiligheden van de decadente schrijvers in „De Lotus.” Zoo werd „De Prins en de Fee” al dadelijk bij de verschijning in „Het Morgenrood” een soort évenement in de literatuur.
Nu volgden de besprekingen met den uitgever. Paulus, onhandig, en onbekend met het industriëele gedeelte van het literator-zijn, verkocht zijn auteursrecht voor den eersten druk voor een som, die hij buitengewoon groot vond, en waar hij wel een jaar van kon leven, zooals hij deed. Later vertelde Elias hem, dat hij het dubbele had moeten vragen, maar hij vond zich nú al bijzonder fortuinlijk er mede.
Op een goeden morgen, toen hij aan de ontbijttafel kwam, vond hij een groot pak aan zijn adres, met [125]den naam van zijn uitgever er op, in dikke letters. Haastig sneed hij het open, en daar lagen de twintig present-exemplaren van zijn boek, keurig gebonden, in een band, door een superieur teekenaar ontworpen, met een stillen, kalmen vijver, waar donkere boomen om stonden te droomen. Wat was alles mooi uitgevoerd! Het zachte papier, de pagina’s met breede marge, de heldere, zwarte letters!
Hij nam voorzichtig een exemplaar op, en bladerde er in, voelde de blanke vellen papier, als van fijne zijde, door zijne vingers glijden. Dit was nu iets van hèm, apart, uit zijn eigen ziel gekomen!
Maar èven voelde hij iets van pijn binnen in zich, toen hij bedacht, dat dit boekje een ding van luxe was, voor in weelderige boudoirs van dames, en in dure boekenkasten van eikenhout met glas; iets, waar de meerderheid van de menschen, die slaafden en sloofden, tòch niets aan hebben zou. De duistere ellendigen in de „Sloppen der Verlorenen”, de afgejakkerde arbeiders in mijnen en fabrieken, met hun vrouwen en kinderen, de jammerlijke zonde-schepselen, die te huur liepen in de straten, wat hadden zíj aan zijn teêr gedroom? Dit boekje was tòch enkel voor de bevoorrechten,—die het voor vijf francs konden koopen, en den tijd hadden het op hun gemak te lezen, veilig in een fauteuil, in een omgeving van comfort en overdaad. [126]
Tóch was het een streelend gevoel voor hem, dat het boek er zoo voornaam uitzag. Zijn naam stond er op, in sierlijke letters: „Paulus,” zooals hij vroeger op de titelbladen andere had gezien, „Wederich,” en „Lavelane.” O! Zouden er nu menschen zijn, die evenveel van hèm gingen houden als híj van zijn twee lievelingsschrijvers in de eenzaamheid van het Bosch? Zouden er zijn, die zóó, even aandachtig over zíjn boekje zouden gebogen zitten, en zouden er misschien zulke innige tranen op vallen, als hij over hén had geschreid? Dan zou hij vrienden krijgen, die om hem dachten, al kende hij hen niet, en zijn ziel zou voeling hebben met andere zielen door dat boekje, waarin hij het liefste en mooiste had neêrgelegd.
O! Het was tòch wel mooi, als je er eens over nadacht, het uitgeven van een boek. Want dan ging je ziel toch rond onder de zielen van zóóveel van je medemenschen, die je anders nooit zoudt bereiken; en alléén het beste en innigste van je kregen ze, want het andere, mindere, van je lijf, zooals je alledag was met je kleinheden en gewoonheidjes, bleef er buiten.
’s Middags liep hij de Boulevards op, om te zien, of zijn boek nog niet in de vitrines was uitgestald bij de groote boekhandelaars, maar er lag nog niets. De uitgever had hèm dus zeker het eerste van allen bedacht, nog vóór hij aan de expeditie [127]begon. Hij keek nu aandachtig naar al de boeken, die er lagen. Wat was er véél minderwaardigs bij, als je eens goed rondzag! Al die boeken over grove, harde dingen, met zulke ruwe, sensueele titels! Hij had er veel van gelezen, om op de hoogte te zijn, maar de meeste hadden hem met walging vervuld. Hoe klein, al die listige, pieterige intrigetjes, van mannen en vrouwen, die elkaar bedrogen, om hun lage lustjes en grove instincten te kunnen botvieren. Kijk, daar lag het laatste werk van Wartenau, die vroeger in den Lotuskrans gedebuteerd had met zulke innige, droeve verzen van liefde, en die nú succes had met scabreuse tooneelstukken. Het was een komedie, waarin de zoon gaat trouwen met de vroegere maîtresse van zijn vader, door toedoen van zijn eigen ouders, die er alles van wisten, en dit de beste uitkomst vonden. Men sprak er van, dat Wartenau door dit stuk, dat zoo bijzonder geestig was, een opengevallen zetel in de groote Leliënstadsche Academie voor Schoone Kunsten zou krijgen.—Bij dat denkbeeld voelde Paulus, dat het hem pijn zou doen, als zíjn boek eens naast dat van Wartenau zou komen te liggen. Maar kijk! Daar lagen toch óók de werken van Lavelane, en dáárnaast de mooie, in rood marokijn gebonden deeltjes van dien Duitschen dichter, Heinrich Heine, dien hij als een heilige vereerde om zijn „Buch der Lieder.” [128]
En daar, op een standaard met een gouden kroon, stond een groot portret van prinses Leliane, in een wit gewaad vol bloemen, als een wondere verschijning van fee.…
Hoe was het mogelijk! Dat heilige beeld, daar tusschen zóóveel profane boeken! Hij had het willen plaatsen tusschen het allermooiste van de allerbeste dichters en schrijvers, en hij zou er vazen bij gezet hebben met bloemen, lichte leliën, als bij het Madonnabeeld op oude schilderijen.…
Twee dagen daarna, toen hij weêr op de Boulevards wandelde, zag hij opééns vlak voor zijn oogen, vóór in de uitstalling, zijn boek liggen:
„De Prins en de Fee”
Een sprookje
door
Paulus.
Er was een groot etiket bij, met „Pas Verschenen” er op.
Dáár lag het nu! Tusschen al die andere boeken. Alle menschen konden het nu zien. Al die voorbijgangers, die daar nu op straat liepen met hun harde gezichten en hun breed gebaar.… En zij konden staren met hun koude oogen naar dat fijne teekeningetje op den band, dien vijver, waarin de witte waterlelies dreven, met de droomende boomen in het rond.
Hij keek angstig naar de menschen, die voor de [129]vitrine stonden te kijken. Zoo groot leken die allemaal, zoo sterk en bestand tegen ’t leven. Twee jonge luitenants, met lange snorren, die zij brutaal met de gehandschoende vingers opstreken, grinnikten over een fotografie met een naakte vrouwenfiguur. Een paar oude heeren stonden gewichtig te kijken naar den titel van een groot werk over crimineele anthropologie. Anderen gluurden van hier naar daar, zoekend. Naast hem stond een jong meisje met een oude dame. Er was een gratie over haar van jeugd en onschuld. Hij zag, dat ze naar zíjn boek keken. Toen hoorde hij het meisje zeggen:
„O, kijk, mama! Daar ligt dat mooie sprookje, dat in „Het Morgenrood” heeft gestaan. Wat heerlijk, dat het nu apart uit is. Toe, mama, laten we het dadelijk gaan koopen!”
Haar stem was liefelijk en streelend, en er was een zacht licht in haar oogen. Toen voelde hij zich gelukkig, dat dit lieve wezen omgang zou hebben met zijn ziel, en de harde gezichten der andere menschen boezemden hem geen vrees meer in. Hij liep onbezorgd door, en zag zijn boek nu in nog meer winkels uitgestald, als een ding van luxe, dat iedereen kon koopen die het geld er voor had. En hij voelde weer vaag, hoe er toch iets bij bleef dat niet in den haak was; dat liefste uit zijn ziel, voor zóóveel francs te koop, maar ontoegankelijk [130]voor wie die som niet kon betalen.…
Den eersten tijd, na het verschijnen van zijn sprookje, hield hij zich schuil en ontweek hij zijn kennissen. Zelfs bij Marcelio en zijn vriend Elias vertoonde hij zich niet. Hij vond het pijnlijk, als zij over zijn boek zouden beginnen, en tegenover Elias was het eigenlijk een zekere schaamte, die hem terughield. Maar op een goeden dag kwam hij Marcelio op straat tegen, die hem bij een arm nam en hem meêtroonde naar zijn eigen appartementen in de Koninginnestraat.
„Kerel, waar heb je toch gezeten?” vroeg hij verwonderd. „Er zijn allerlei brieven en couranten voor je gekomen aan je oude adres bij mij, over je boek, en ik dacht, dat je toch wel eens áán zoudt komen. Weet je wel, dat je een succès fou hebt met je sprookje? Als je nog een béétje geduld hebt, ben je een beroemd man! Dat boek van je heeft ingeslagen, hoor! Mon Dieu, wat word jij in de hoogte gestoken, en dát in onzen materialistischen tijd! Hoe is ’t mógelijk!”
En Paulus moest mede, of hij wilde of niet, naar de luxe-woning van Marcelio, waar hij al de papieren en stukken door moest lezen, die voor hem gekomen waren. Het waren meest alle brieven en recensies over zijn boek, die zijn uitgever voor hem had verzameld. In de uiterste verbazing zette hij zich aan ’t lezen, en een blos kwam over zijn gezicht, naarmate hij er mede vorderde. [131]
Bijna alle recensies waren eenstemmig in haar lof, en al het schrijven kwam neer op dezelfde verklaring, dat er een fenomeen was verschenen in de hedendaagsche literatuur. Verbeeld je, in déze tijden, in de zóóveelste eeuw, de eeuw van het realisme en het materialisme, nu de geheele letterkunde zoowat liep over echtbreuk en overspel, en grof sensualisme, nu had iemand het gewaagd nog eens aan een sprookje te beginnen van prinsen en bloemen, en sterren en feeën. Stel je vóór, een prins uit een sprookje, die sprak de taal van Romeo, die van een Danteske vereering gloeide, en zoowaar van liefde stierf, als in de vroegste tijden. Die jonge, nog onbekende schrijver, Paulus, van wien nooit iemand gehoord had, die durfde, naïef als een kind, te gaan verhalen van een liefde zonder verlangen, een liefde, die enkel maar kon droomen en nóg eens droomen, van heel verre af, en zachte gebeden fluisteren naar een fee, eindeloos weg, die woonde op een onbereikbare ster. Het zou ridicuul zijn, zeide de critiek, als het niet zoo subliem was. Het onmógelijke was dan toch gebeurd, en de wonderen waren de wereld niet uit, want te midden van de hurry en het lawaai van een groote stad, in deze eeuw van koopmansgeest en uiterst realisme, was daar een droomer opgestaan, die vertelde van de lichte visioenen der oude voorvaderen, toen de ridders nog ronddoolden [132]om draken te verslaan, en de blonde troubadours zingend stierven voor één lach van hun Lief. Men kende den jongen schrijver niet, maar men riep hem een hartelijk welkom toe, en verzekerde hem, dat hij zich met zijn boek een eereplaats had veroverd in de hedendaagsche literatuur. Als er ooit een school door hem gesticht zou worden, zou dat wezen de hernieuwde school van het romantische idealisme. Apart en bijzonder stond Paulus’ boek in deze tijden, en men wist niet, waaronder men hem moest rangschikken, zóó gehéél verschillend was hij van alle andere schrijvers, die thans leefden. Zelfs van Wederich was er eene korte bespreking, waarin hij zijne bewondering uitte, en die hij liet volgen door een sonnet „aan Paulus” gewijd, en getiteld „Reinheid.”
Bij den stapel recensies lagen ook een paar brieven. Zij kwamen alle van jonge meisjes, die hem bedankten voor het mooie, dat hij in haar ziel had gewekt, en hem vertelden van de tranen, die zij hadden geschreid over zijn boek. Er was er één bij van een vrouw, die haar naam niet noemde en die hem vertelde, hoe zij getrouwd was, en ongelukkig was geworden omdat zij had gedacht dat de teêre dingen van droom tóch niet bestonden, en ze alle maar vage schijnbeelden waren geweest van haar fantasie. In haar jeugd had zij óók zoo verlangd, als de prins, [133]naar het verre en onbereikbare, dat glansde aan den horizon van haar ziel, maar het harde leven had haar mooie droomen vernield, als een wilde wind een zeepbel, en toen had zij gedaan, wat alle andere meisjes deden, en haar lichaam gegeven aan een man met geld en positie. Maar toen zij Paulus’ boek had gelezen, was zij, voor de éérste maal na lange, lange jaren, in zeer hevig snikken uitgebarsten, en had dat o! zoo droeve, maar uiterst zalige berouw gekend, dat de oude kerkvaders „compunctio” noemen. En nu dankte zij hem voor de vrome daad, dat hij haar door zijn boek haar ziel weer èven had doen zien.
In een anderen brief vond hij niets dan een witte, zachte bloem Edelweiss, met een groet, „van de ziel van een zuster,” „aan Paulus.”
Toen hij die lieve, simpele brieven had gelezen, stonden de tranen in zijn oogen, en een blos van geluk kwam over zijn gezicht.
Marcelio begreep niet, wat er in hem omging, en zeide medelijdend:
„Zóó … heeft het succes je zóó van streek gebracht, Paulus?…”
Toen antwoordde Paulus niet, maar hij pakte de papieren zorgvuldig bijeen en ging heen, zonder iets te zeggen, naar zijn eigen, stille kamer.
Dáár bleef hij een langen tijd zitten peinzen over [134]dat onverwachte en zoo bijna onmogelijk vreemde, hoe het boek, dat de teêre droomen bevatte van zijn ziel, zoo geloofd en geprezen werd door het volk van de duistere stad vol onrecht en zonde.
Hij las ze nog eens goed, aandachtig over, die vleiende beoordeelingen van zijn sprookje, door de literaire mannen van het vak, dat zij letterkunde noemen, en met de hem eigen intuïtie raadde hij, dat het grootste deel van dien lof niet uit een zuivere emotie was gekomen, en onwezenlijk was bij de diepgevoelde uitingen in de simpele brieven, die persoonlijk aan hem waren gericht, in een spontane opwelling van dankbaarheid en liefde. Die hoog verheffende aanprijzingen van zíjn kunst, had hij ze óók niet gelezen over boeken, die antipathiek waren aan het innigste van zijn ziel, over het infame tooneelstuk van Wartenau, over al de scabreuse, grof sensueele komedies, die voor een ontaard publiek werden vertoond op de Boulevards? Was het eigenlijk niet een degradatie nu óók een „artiest”, nogwel „in de voorste rij der literatoren”, te worden genoemd, tegelijk met de gedegenereerde decadenten, die hun heiligste goed hadden verloochend voor den groven smaak van het publiek? En wat was hem het kunstige, brillante sonnet van Wederich eigenlijk waard; van hem, die met de Fariseeërs had aangezeten, op zijn borst het schandelijke, blinkende schitter-ding, [135]dat óók nietswaardige en laffe kruipers sierde?
Maar met een afgrijzen, als zag hij diep in zich onrein gedierte rondkruipen, voelde hij tegelijkertijd, dat ondanks die duidelijke gedachten daarover, toch oók een zachte, laffe genoegdoening over het succes hem heimelijk had gestreeld bij de eerste lezing. En nú nog, al vocht hij er tegen, voelde hij dat gevlei weekelijk in hem bewegen. Het was iets verwant aan de charme van Rosita, die hij verwerpelijk wist, en die tóch somtijds weer over hem kwam, zóó sterk, dat hij wel eens bang was te bezwijken en duizelend naar de weeë bekoring te loopen van haar geurige, warme lichaam. Zonder zich bewust te zijn waarom, ontweek hij in den laatsten tijd Elias, eigenlijk omdat hij zich schaamde over den roem en de glorie, die om hem heen waren gekomen. Maar op een goeden dag, midden op een boulevard, kwam hij hem tegen, zoodat hij hem niet meer ontloopen kon.
„—Wel, Paulus,” riep Elias, „heb ik je daar eindelijk weer eens?.… Waarom ben je niet weer eens aangekomen?.… Maar dat is waar, je bent nu de beroemde schrijver, hè.… je bent nu in de vóórste rij der literatoren, enzoovoorts, enzoovoorts.… en nu ben je je oude vrienden maar zoo’n beetje aan ’t vergeten.…”
„Neen, dat weet je wel beter,” zeide Paulus, tóch bewust van schuld. „Maar ik had zooveel [136]te doen.… en ik ben aan iets nieuws bezig.…”
„—Je hebt een kolossale veine gehad, kerel,” ging Elias door,—„maar kom, loop een eindje meê op.… als je je nu maar goed houdt, dan bèn je er.… een beetje politiek zijn, natuurlijk.…”
„—Goed houden.… politiek zijn?.…” vroeg Paulus.
„—Nu ja.… je wéét wel.… dat zal je vriend Marcelio je toch óók al wel gezegd hebben—bij de heeren in een goed blaadje blijven.… geen aanstoot geven.… in ’t kort, een fatsoenlijk mensch zijn.… meehuilen met de wolven, en meelachen met de babytjes … Nú, tegenwoordig gáát dat nogal, want er is toch bijna geen strijd meer, en de partijen hebben zich toch zoowat verzoend.… nu maar héél netjes, en dociel, en in den vorm blijven.… dan kòm je er wel.… voorál geen heilige huisjes aantasten, maar je hoed afnemen, als je er voorbijgaat.… op geen verboden plaatsen komen, hoor!.… en liefst de héérschende meeningen zijn toegedaan over dingen van kunst.…”
Nú begon Paulus de ironie te voelen in Elias’ stem, en spijtig, bijna boos antwoordde hij:
„—Maar Elias.… hoe kán je zoo spotten?.…. je wéét toch wel, dat ik altijd mijzelf zal blijven, dat ik nooit, voor wien of wàt ook, zal buigen, en altijd eerlijk hardop zeggen, of in ’t openbaar schrijven, [137]wat ik meen?.… Waarom spreek je zoo.… Heb je mijn sprookje gelezen?.… Vind je er iets valsch of onecht in?.…”
„Neen, Paulus, dát niet.… ja, ik héb je boek gelezen, bij uitzondering, omdat het van jóu was … ik geloof, dat het heel zuiver is en echt.… zóó uit je ziel.… en ik voel het wel mooi óók, als literatuur.… al vind ik het in déze tijden nutteloos, omdat de groote gemeenschap tóch niets heeft aan zulk gedroom.… Maar ik denk niet, dat je ’t altijd zóó zuiver zult kunnen bewaren, tenminste zéker niet als die glorie en die roem óm je blijven.… Die bederven op ’t laatst den beste.… Kijk eens naar Wederich, naar Wartenau, die toch óók ééns zuiver zijn geweest … als je in den smaak wílt blijven, móet je eindigen met water in je wijn te doen.…”
„—En als ík het nu eens niet doe.… als ik bij een of andere gelegenheid eens tegen den stroom zou ingaan?.…”
„—Wél kereltje, dan zouden diezelfde menschen, die je nú huldigen en je lof zingen, zich niet schamen om, tegen al hun vroeger schrijven in, je voor het grootste prul uit te maken, dat ooit heeft bestaan.… Gebéurde het maar eens, dat zou wel goed voor je zijn.… Dan zou je metéén eens zien, wat een vuile, vooze dingen roem en glorie zijn, en je zoudt je schamen, dat ze ééns je hart hebben gestreeld.… [138]Nú, kijk nu maar niet zoo, gestrééld hebben ze je, dat móet, al is het ook nóg zoo’n beetje geweest.… íets werkt het verraderlijke gif altijd wel uit … Denk nu eens aan Lavelane.… maakt híj zuivere, mooie gedichten.… ja, hé?.… duizendmaal mooier dan ál wat Wederich en Wartenau nu prutselen.… en heeft díe roem of glorie?.… Het ééne tijdschrift scheldt al harder op hem, dan het andere … er is pas weer een artikel tegen hem uitgekomen, in het Zondagsnummer van „De Zon” van gisteren.… het is van professor Lucianus.… den vriend van Duval, een van de redacteuren van „Het Morgenrood,” waar jíj nu eigenlijk óók toe behoort.… een meer perfide en stupide stuk over verzen heb ik zelden gelezen.… Nu, beste vrind, als jij iets doet wat den heeren niet bevalt, gaat het met joú denzelfden kant op.… ze zouden je wel krijgen, al hebben ze je nú ook nog zoo opgehemeld, en ze zouden er wel een draai aan geven, om hun vroeger oordeel van mooi vinden te loochenen of te herroepen.” [139]