WeRead Powered by ReaderPub
Leliënstad cover

Leliënstad

Chapter 8: HOOFDSTUK VIII.
Open in WeRead

About This Book

Een jonge man observeert vanaf een brug een immense, mistige industriestad langs een rivier, waarin schepen, schoorstenen en kaden een onheilspellende, lawaaiige sfeer scheppen. De stad wordt beschreven als meedogenloos en vervreemdend, met menigten die zwoegen en duizenden die onder brugbogen beschutting zoeken tegen de winterkou. Hoog boven de grauwe bebouwing verschijnt een verlicht paleis en de aanwezigheid van een koninklijke prinses wekt bij hem een verlangen naar mededogen en sociale verlichting. De vertelling wisselt tussen persoonlijke waarneming, een gesprek met een kameraad en bredere reflecties over ongelijkheid, armoede en hoop op verlossing.

[Inhoud]

HOOFDSTUK VIII.

Gedurende de eerste maanden, die voorbijgingen, kreeg Paulus telkens nieuwe verrassingen over zijn boek, couranten-artikelen, stukken in tijdschriften, particuliere brieven.—

Op een avond kwam Marcelio hem een invitatie brengen van den hoofdredacteur Duval, van „Het Morgenrood”, om deel te nemen aan een der beroemde maandelijksche diners van de redactie. Dit was een groote onderscheiding, zeide Marcelio, want die redactie van „Het Morgenrood”, het eerste en oudste literaire tijdschrift van Leliënstad, was zeer exclusief, en het was een bijzondere eer, in haar kring te mogen aanzitten.

Paulus wilde eerst voor de uitnoodiging bedanken, maar Marcelio zeide hem, dat zijn geheele positie van schrijver er mede gemoeid was. Het zou gelijk staan met zich voor goed onmogelijk te maken, als hij zulk eene invitatie afsloeg. Paulus wilde toch immers van zijn werk leven, en van niemand afhangen? [140]Dan moest hij ook zorgen, dat hij bestaan kon, en de machthebbers niet noodeloos tegen zich maken.—

Er was niets aan te doen, hij móest gaan, als hij niet alles weer wilde bederven. Met een gevoel van zelfverwijt in het hart, alsof hij iets prijs ging geven, schreef Paulus, dat hij vereerd was, van Duval’s vriendelijke uitnoodiging gebruik te maken.

Den volgenden avond kwam hij, deftig gerokt, het haar gefriseerd door een bekwamen kapper, in het groote Restaurant des Princes, in de Koninginnestraat, waar het redactie-diner van „Het Morgenrood” zou plaats hebben. Hij werd door een buigenden kellner in het gereserveerde zaaltje gelaten, waar hij opeens tusschen een achttal serieuse oude heeren stond. Zij imponeerden hem met grijze haren en baarden, met gouden brillen, en het air van geposeerde gewichtigheid, dat hen omgaf.

„Aha! Daar hebben we onzen jongen prins der droomen,” riep Jacob Duval vroolijk uit, en nam Paulus beschermend bij de hand. „Heeren, mag ik u voorstellen.… Paulus.… den schrijver van het charmante sprookje „De Prins en de Fee”, die ons het genoegen zal doen heden avond met ons aan te zitten.”

Paulus boog.

Hij hoorde een paar bekende namen op het gebied van kunst en wetenschap, met doctors- en professorentitels [141]er voor. Die mannen waren allen grooter van gestalte dan hij, waardoor ze op hem neerzagen, beschermend, vriendelijk, vooral zíj die hem aankeken van achter hun gouden brillen.—En weêr voelde hij zich klein, en minderwaardig, bij zooveel officiëel gewichtigs.

Héél achter zijne verwarring bleef nog een flauw bewustzijn: „Dit zijn de mannen, die Wederich en Lavelane hebben bespot, die gehoond en geschimpt hebben het mooiste en zuiverste,” maar, als om die gedachte onwerkelijk te maken, hoorde hij opeens Duval zeggen: „Nu wachten we nog alléén maar op Wederich, onzen nieuwen mede-redacteur.”—

En juist kwam een bleeke, magere man binnen, onhandig en verlegen, besluiteloos staanblijvend, of hij eigenlijk niet goed verder durfde.

Paulus voelde de tranen in zijn oogen komen van teleurstelling en medelijden. Dit was dan de ideale held van zijn jonge droomen in het Bosch, dien hij had vereerd als een heilige, en nù was hij hier gekomen, om de handen te drukken van de vijanden van het mooiste en innigste uit zijn ziel. Het violette lintje van de orde van de Diamanten Ster was in zijn knoopsgat.

Wederich liep nu schoorvoetend, schuchter als een schooljongen, op al de heeren toe, onderdanig buigend, met iets van een lakei in zijne bewegingen. [142]Toen hij aan Paulus werd voorgesteld, kwam hij meer op zijn gemak, alsof hij voelde, dat hij voor het fijne en teêre in hèm niet bang behoefde te zijn. En hij keek hem vriendelijk, ietwat beschermend aan. Paulus dacht opeens aan al het wondere mooi, dat die man ééns aan zijn ziel had gegeven, en de herinnering aan dat zuivere genot deed hem al het latere vergeten. Eerbiedig boog hij voor de ziel, die altijd nog in dien man moest zijn, en stamelde ontroerd een paar warme woorden van vereering en dank.

Toen gingen de heeren aan een prachtige, van zilver en kristal schitterende tafel zitten, waar achter lakeien in blauw en goud statig wachtten. Paulus werd een plaats aangewezen tusschen Wederich en Duval. Hij voelde zich nog altijd klein en nietig, tusschen al die geleerde, beroemde heeren, maar met een sluimerend bewustzijn, dat er tóch iets in hem was, beter misschien, dan zij allen te samen. Hun stemmen klonken luid en gezaghebbend, en als vuurwerk schitterden hun gesprekken vol geest en gloed. Er werd gesproken over oude wijsheid, die hij niet kende, over boeken, waar hij nooit de titels van had gehoord, over uitvindingen van groote geleerden, die hij niet begreep. Hij was daar maar heel onbeduidend en onwetend bij. Het was allemaal zoo verschrikkelijk deftig en officiëel. Die menschen hadden zulke wijze, [143]overtuigde gezichten, en wisten zoo onnoemelijk veel. En onder al die ontzaglijke dingen van wetenschap en kunst zaten zij als deskundigen met groote kennis van zaken de fijne gerechten te proeven, en ledigden zij gretig de kristallen kelken met fonkelenden wijn. De atmosfeer was zwaar van de geuren van vleesch en wildbraad, en het werd drukkend warm in het zaaltje. De vorken tikkelden voortdurend met een irriteerend geluid op de borden. Rood werden de gezichten der etende geleerden.

Toen dacht Paulus ineens: „Wat heeft dit met mijn ziel te maken?… Wat kan er ooit voor moois uit deze menschen komen, dat mijn ziel kan aandoen?…”

En opeens vond hij het onbegrijpelijk dwaas, dat hij daar zat, hij, met zijn jonge, warme hart, die de grandiose schoonheid had aanschouwd van het Bosch, dáár, tusschen die deftige, gewichtige meneeren, die zoo genoeglijk hun eten zaten te kauwen, pratende over allerlei hooge, edele dingen, die onbestaanbaar leken in dit warme, bedompte zaaltje vol etensgeuren en heete gaslucht. Waar was hij dan toch in Godsnaam toe gekomen?

Er werd weinig acht op hem geslagen. Nu en dan zeide een van de heeren even iets tegen hem, minzaam, uit beleefdheid. Het was al een heele eer, dat hij mede mocht aanzitten. Wàt zij zeiden, waren banaliteiten [144]over het eten en het weer, buiten de sfeer van zijn ziel.

Eindelijk zeide ook Wederich iets, die zwijgend naast hem had gezeten.

„—Ik heb dat sprookje van u zoo mooi gevonden, meneer Paulus.… het heeft me tot een sonnet gebracht.… u heeft dat zeker gelezen …?”

„—Ik dánk u er voor,” antwoordde Paulus zonder warmte, want hij had het vers niet mooi gevonden. Maar inééns dacht hij ook weer aan al het mooie van vroeger, en hartstochtelijk zeide hij, hem ontroerd aanziende:

„Maar nog véél meer dank ik u voor uw eersten bundel „Gedichten” van vroeger.… U wéét niet wat uwe verzen in mijn leven geweest zijn.… hoe ik er over gehuild heb, en hoe ik uw boek altijd bij mij droeg en het ’s nachts zorgvuldig bewaarde onder mijn kussen.… o! en al het mooie toen, in uw tijdschrift „De Lotus”, samen met Lavelane …!”

„Sstt! Sstt!” zeide Wederich. „Dien naam moogt u híer vooral niet uitspreken.… Dat is zijn eigen schuld, hij wil niet met zijn tijd meegaan, Lavelane, en staat nu moederziel alleen, in zijn belachelijk isolement.… Zóó, vondt u mijn eersten bundel „Gedichten” zoo mooi?.… zóó, zóó.… wat wild en wat naïef toch nog.… mijn „Jugendsünden” noem ik ze nu.… iedereen heeft nu eenmaal zoo’n zwarten tijd doorgemaakt.…” [145]

Paulus keek hem aan, sprakeloos van verbazing. Hij kon niets meer antwoorden. „Jugendsünden”… „zwarten tijd”.… het gaafste en zuiverste, dat ooit uit die dichterziel was opgeklonken!.… Er was iets hoekigs en straks in Wederich’s gezicht. Het leek Paulus, of er iets in hem dood was. Zijn bleek, tragisch-leelijk hoofd kwam bijna ridicuul uit den hoogen boord op, en zijn magere lichaam deed potsierlijk in den rok.… Het was om te lachen en tegelijk om heel erg te huilen, het vruchtelooze pogen van den eenvoudigen, gewonen man uit het volk om een verfijnde meneer te schijnen.

Naarmate het diner vorderde, werd de stemming onder de heeren vroolijker. Een deftige professor zeide een woordspeling over geslachtelijke dingen, die luid werd toegejuicht. Een ander vertelde iets over de liefde van twee beruchte actrices, die onafscheidelijk waren, en niets van mannen wilden weten. De gesprekken kleurden zich lichtelijk obsceen.

Toen begon Jacob Duval over een nieuw op te richten Academie, waarin enkel poëten zitting zouden hebben, en geen prozaschrijvers of historici. Dit zou iets eenigs zijn in de geheele wereld, een academie van enkel zuivere dichters, uit tien leden hóógstens bestaande. Een luidruchtig debat ontstond over de vraag, wie de tien uitverkorenen zouden zijn. Géén der geleerde mannen was het met een ander [146]eens, wie het eerst van allen in aanmerking zou komen.

Eindelijk zeide Jacob Duval, een ingeving krijgend:

„En u, meneer Paulus, wat denkt ú er van?… U staat nog zoo heelemaal buiten de partijen … en uw oordeel is nog door niets geïnfluenceerd … wie vindt ú nu wel, dat allereerst in aanmerking zou komen van de echte, zuivere dichters?…”

Paulus dacht aan zijn heerlijke avonden in het Bosch, toen hij lag te droomen over de verzen van zijn liefste dichters. En naïef, zonder erg, zeide hij:

„Lavelane!”

Wederich trapte hem waarschuwend op den voet, maar het was te laat. Al de deftige heeren keken, als waren zij beleedigd, vóór zich. Het was of iets onheiligs was opgeklonken tusschen hun heilige eet-ceremonie.

„Bah!… Lavelane,” zei een lange, magere professor verachtelijk.

Jacob Duval trachtte het nog zoo goed mogelijk te maken, en zeide schertsend:

„Maar meneer Paulus … wat is u nog naïef!… weet u wel, dat u een „enfant terrible” bent!…”

Paulus begreep het nog niet goed, en antwoordde zonder erg:

„Lavelane is toch een groot dichter!”

Toen zeide een oude professor, lang-gebaard, met een grimmige uitdrukking op zijn gezicht: [147]

„Lavelane moge een dichter zijn, hij is een man zonder principes, zonder piëteit, die geen eerbied heeft voor wat zijn voorgangers gedaan hebben, en zonder égards, voor wien of wat ook, alles neerhaalt wat officiëel erkend is tot de literatuur te behooren. Er is voor dien man niets heilig.”

„—En bovendien,” zeide Jacob Duval, als om het láátste, dóóddoende argument te geven, „Lavelane is geen heer, geen gentleman, en is niet iemand met wien je bijvoorbeeld aan tafel zoudt kunnen zitten, en dien je in gezelschap zoudt kunnen presenteeren.”

Paulus zweeg, verbaasd, tè overweldigd door zooveel onrechtvaardigheid, om nog iets te kunnen zeggen. Geen heer, geen gentleman voor dat gezelschap van oude, wijze geleerden, die zich amuseerden met schuine, obsceen getinte anecdotes over geslachtelijke dingen!

En Wederich, ééns Lavelane’s beste vriend, hij bleef zitten of er niets gebeurd was, en uitte géén enkel ridderlijk woord om hem te verdedigen! Hij zat daar, „heer” geworden jongen uit het volk, potsierlijk in zijn veel te wijden rok, het lintje glimmend in zijn knoopsgat, heulend met zijn vroegere vijanden, waar zijn groote, beste vriend werd beschimpt.

En hier, in déze bende zou híj nu óók moeten treden; met déze menschen zou hij óók moeten [148]omgaan, nederig en onderdanig, om óók te mogen behooren tot de officiëele letterkunde van beschaafde, erkende schrijvers, en er geld mede verdienen, om te kunnen bestaan? Hij vergat alles, wat Elias hem gezegd had, en voelde een onweêrstaanbaren drang in zich opkomen, om zijne verontwaardiging te uiten. Het kropte nog te veel in hem op, en het duurde geruimen tijd eer hij iets zeggen kon.

Totdat een van de professoren opstond, en met hoog-geheven champagnekelk een toast uitsprak op Wederich, den nieuwbenoemden redacteur van „Het Morgenrood.” Hij wees er op, hoe Wederich in den loop der tijden zijn vroegere onrecht had leeren inzien, en zich thans ridderlijk verzoend had met wie vroeger zijn vijanden waren, zóó oprecht zelfs, dat hij nu het redacteurschap had aanvaard van hetzelfde tijdschrift, dat hij vroeger zoo fel had bestreden. Thans, nu hij zich bevrijd had van den verderfelijken invloed, dien de literaire anarchist op hem had uitgeoefend, die zich Lavelane noemde.…

Hier kon Paulus zich niet langer bedwingen. Bevend van verontwaardiging stond hij op, en riep met luide stem over de tafel:

„—Zeg liever, thans, nu hij zijn besten vriend en zijn heiligste gevoelens heeft verraden, professor!.… Lavelane is de grootste dichter dien wij bezitten, en hij staat dáárom alléén, omdat hij niet mede wil [149]knoeien met de groote, officiëele bende.… Wat heeft dit eet- en drinkgelag met de literatuur te maken, dit vráág ik u …? ik scháám mij hier aan te zitten met mannen, die het heiligste, wat de literatuur bezit, durven beschimpen!.…”

Hij gooide het glas, dat vóór hem stond, aan stukken, en liep ziedend van drift de zaal uit, terwijl de deftige geleerden van de officiëele literatuur, als door den bliksem getroffen, bleven zitten, en elkaar wezenloos aanstaarden van opperste verbazing over zóó iets fabelachtigs en ongehoords.…

Buiten gekomen, haalde Paulus diep adem. Dat deed goed, die frissche, koude avondlucht na de bedompte eet-atmosfeer van de zaal. Hij voelde zich van een grooten druk bevrijd, nu hij het eindelijk gezegd had, en hij schaamde zich diep, dat hij werkelijk een tijd had kunnen buigen voor de onwaardige bende, uit klein, benepen eigenbelang. Hij had geld verdiend met zijn boek, en hij zou nóg meer geld verdienen, naarmate het meer verkocht werd. Hij was nu ook beroemd, en ieder kende zijn naam. Maar gebógen had hij; en al had hij positief niets slechts gedaan, negatief had hij gehuicheld, door onderdanig te wezen tegenover de machthebbers en het poenendom.

Maar nú was hij dan vrij, eíndelijk, eíndelijk vrij! [150]Nu zouden ze hem beschimpen, en bekladden en uitstooten, maar vríj wás hij. Zijn werk zou nu wel worden afgebroken, het debiet van zijn boeken zou dalen, en dan zou hij misschien wel ééns moeten hongerlijden, .… maar o! vríj zou hij toch zijn en blijven! Was het dan niet beter en heerlijker, om ellendig te zijn mèt de verdrukten, mèt de verworpenen, en de afgetobde hoeren van de straat, dan rijk en beroemd te wezen met de onwaardige usurpateurs van de literatuur, die het heiligste goed verzaken voor wat glorie en wat geld?

Op zijn kamer teruggekomen zocht hij al de critieken en besprekingen over zijn boek bij elkaar, verscheurde ze alle, maakte er een grooten hoop papier van, en wierp het pak in den haard. Met een innig genoegen zag hij de mooie vlammen er uit opslaan. Daar gingen de lof en het opgehemel en het gevlei van de verdorven, vijandige bende, die hem bíjna vergiftigd had door haar zoet gefluit. Wát kon het waard zijn geweest, het kunstige sonnet van Wederich „Aan de Reinheid,” het lange, geleerde artikel van Jacob Duval, die hem met Dante had vergeleken, en al die andere prullen van de officiëele machthebbers méér, als niet één van hen in staat was, het valsche van het echte te onderscheiden? Wederich, de verrader, de kunstige rijmelaar van nú, gevierd en geëerd, en Lavelane, de éénige die [151]zijn ziel had rein gehouden, beschimpt en gehoond! En hoe had hij, Paulus, dan den lof van die schennende bende kunnen aanvaarden? Hij rilde van schaamte over dit denkbeeld.

Toen voelde hij een onweêrstaanbaren aandrang, om eíndelijk toch eens Lavelane te zien, en hem op te zoeken in de misère, waarin hij moest leven.—Elias, die op alle officiëele grootheden neerzag, maar eene groote bewondering voor Lavelane had, omdat hij zuiver was gebleven en liever eerlijke armoede leed, dan een rijkdom te zoeken als die van Wederich, had hem veel van den uitgestooten dichter verteld.—Lavelane was voor velen een soort legendarische figuur geworden, die beurtelings het leven leidde van een heilige en van een ontaarden wellusteling. Hij was te vinden in de duistere krochten van Leliënstad, omringd door een troepje décadenten, die zich hadden meester gemaakt van het, na Wederich’s vertrek uiteengespatte, tijdschrift „De Lotus”.—Hij leefde met een afzichtelijke negerin, die een demonisch-sensueelen invloed op hem uitoefende, en aan wie hij de prachtigste sonnetten wijdde, waarin hij haar vergeleek met den nacht, die zijn ziel verborgen hield voor het gemeen. In een roes van bijna altijddurende dronkenschap zwijnde hij het leven door in orgieën van het laagste allooi, waarin geen champagne, maar enkel absinth en jenever vloeiden. In plotselinge opflikkeringen van [152]luciditeit schreef hij dan onverwacht, op een hoekje van een vuile tafel, een vers, dat zijn vrienden gauw moesten wegnemen, omdat hij het anders tóch weer zou verscheuren, en dat later klassiek zou worden. Dán was hij weer in eens verdwenen, zonder dat iemand wist waar hij was, en later bleek, dat hij ergens vèr op de heide had gezeten, in een hut, waar hij een bundel sonnetten had geschreven: „Van Eenzaamheid”, in stil verkeer met zijn onsterfelijke ziel.—En daarna dook hij weer onverwacht op in de stad, altijd weer ergens anders, om zijn schuldeischers te ontloopen, zonder vaste woning, zonder adres, overal gevolgd door de afzichtelijke, zwarte vrouw, die als een dreigende schaduw achter hem was.—In den laatsten tijd werd hij veel gezien in de Martelaarssteeg, een zijstraat van een buiten-boulevard, in het „Café Dufour”, een rendez-vous van schooiers en mislukte artiesten.—

Het was al laat, tien uur, maar Paulus kon zijne opwelling niet bedwingen, om nú, vanavond nog, Lavelane te zien. Hij trok zijn rok uit, deed een halfgekleed avondcostuum aan, en nam de electrische tram naar den buiten-boulevard, waar hij naar de Martelaarssteeg ging zoeken. Na veel vragen aan voorbijgangers kwam hij eindelijk terecht. Het was een donkere, armoedige buurt, louche en verdacht, waar de vierde rangs prostitutie rondwoekerde, [153]voor verloopen studenten, en râtés, en verongelukte artiesten. Bijna ieder huis was een hol van ontucht, of een kroeg. Verdacht uitziende kerels liepen voor de deuren heen en weer, kwartjesvinders, of gidsen naar infame gelegenheden, of souteneurs. Agenten liepen hier en daar rond, om vreemde voorbijgangers te waarschuwen. Meiden met poneyhaar, in havelooze kleeren, slenterden lonkend heen en weer.

Paulus vroeg een agent naar het „Café Dufour” en trad, half-bang, schoorvoetend het kroegje binnen, waar hij den dichter zou zien, die zijn onsterfelijke ziel had uitgezongen in onsterfelijke liederen. Een dikke walm van tabaksrook kwam hem tegemoet, en in het eerst kon hij menschen en dingen moeilijk onderscheiden door dat vunzige, blauwe waas.

Aan eenvoudige, wit-geschuurde tafeltjes zaten groepjes mannen en vrouwen bijeen, luidruchtig pratende en zingende. De meeste mannen hadden het haar lang, op de schouders hangende, het hoofd bedekt door een breeden, slappen flambard.

Zijn binnenkomen van net, jong heertje in fijne kleeren, wekte al dadelijk opschudding. Spottende gezichten keken naar hem, grijnzend, een paar meiden knipoogden, en een kerel, die bij de deur zat, nam grinnikend zijn hoed af, en boog tot op den grond.

Een gemeen uitziende kellnerin, met vette, geplakte [154]haren en half-open borst kwam op hem af en vroeg, schijnbaar onderdanig: „wat zal meneer de graaf gebruiken?… Champagne hebben we hier niet!”

Een ruw gelach ging op na deze woorden, en aller blikken waren op hem gericht.

„Geef me een glas bier,” antwoordde hij beleefd, en ging kalm in een hoekje zitten, waar een leege stoel stond. Hij begon nu te begrijpen, dat het verkeerd van hem was geweest, hier in dit costuum van heer te komen, in plaats van zich als een verloopen artiest voor te doen. Hij voelde zich weer klein en nietig in al dat grove, bruyante om hem heen. Al die mannen hier hadden zware stemmen en breede gebaren. Zij hadden groote snorren en baarden, en wilde, roode gezichten. Een hard, scherp gelach klonk uit hen op, en zij zetten hun glazen neer met een woesten slag op de tafel. Hij voelde, dat het enkele feit van zijn hier binnen komen, als wèlgekleed, beschaafd heertje, hun vijandig moest zijn.

Het leken allen zoowat mislukte artiesten, zooals hij er wel eens in illustraties had gezien, en op spotprenten bij Marcelio.

Hij keek aandachtig rond, of hij ergens iemand zien zou, die Lavelane kon zijn, maar geen der gezichten, die hij een voor een bekeek, leek hem toe, dat van den grooten dichter te kunnen zijn.

„O hé, meneer de graaf!” riep er een, spottend, [155]„waar kijk je toch zoo naar, mooie meneer?.… zoek je hier wat?… je bent zeker verkeerd … wat kom je hier eigenlijk doen, monsieur le capitaliste?…”

Maar Paulus liet zich niet overweldigen door de harde stem, die hem dat toeschreeuwde.

„—Dat wil ik u wel zeggen, wat ik hier kom doen,” antwoordde hij kalm. „Ik kom hier enkel, omdat ze mij verteld hebben, dat ik hier Lavelane kon zien, den grootsten dichter van Leliënstad, en ik zou gelukkig zijn, als ik hem de hand mocht drukken.”

Een stomme verbazing kwam over de grove gezichten van de mannen, die aan het tafeltje zaten, vanwaar de spottende stem was gekomen. Een jonge, bleek uitziende kerel, mager, eenigszins beschonken, stond op, en kwam op hem toe. Zijn gezicht was vol harde trekken, woest van hartstocht en wellust, maar met een prachtigen mond, als van een Griekschen god, en een nobel, hoog voorhoofd.

„—En wie bén jij dan wel?” vroeg hij uitdagend, „dat jij het wagen durft, zoo’n groote gunst te komen vragen? Het zijn gewoonlijk niet de mooie meneeren met fijne manieren en elegante mode-pakjes aan, die ooit de eer hebben, de hand te drukken van onzen godbegenadigden dichter.”

„—Dat doet er weinig toe, wie ik ben,” antwoordde Paulus, zijn best doende om rustig te blijven. „Ik [156]heb Lavelane’s verzen gelezen, en ik houd van hem en vereer hem. Dat moet genoeg zijn.”

Juist wilde het bleeke jongemensch nog wat zeggen, toen de deur openging, en van het tafeltje, van waar hij gekomen was, de kreet opging: „De Meester!… de Meester!”

En Paulus zag een groote, zware gestalte, ietwat waggelend, gebogen van zwakte, met een rood, dreigend titanen-hoofd, wild-zinnelijk, waaruit twee zachte, licht-blauwe heiligen-oogen vreemd voor zich uitstaarden, als in vage verten. Het was een sensatie, die hij zijn geheele leven niet meer zou vergeten, die angelieke oogen, vreemd en bijzonder, in dat roode, sensueele gezicht. En hij voelde het dadelijk, bij intuïtie: dit moest Lavelane zijn.

Een groote, zware, woest uitziende meid stoof uit een hoek op hem af, en vloog hem om den hals, hem ruw zoenend, dat het klapte, en een gejuich steeg op van het tafeltje. Zóó werd de groote dichter ontvangen door het troepje râtés en bohémiens, die hem huldigden als hun Meester, waar de officiëele machthebbers van de literatuur hem hadden uitgestooten als een paria. En Paulus dacht ineens aan Wederich, vroeger Lavelane’s vriend in de misère, nú deftig, gedecoreerd, tusschen het officiëele poenendom in rok en witte das.

Dadelijk werd een groot glas absinth voor den [157]dichter aangebracht, dat hij met gretige teugen ledigde en onmiddellijk daarop werd hem een nieuw, boordevol glas toegereikt. Het bleeke jongemensch was van Paulus weggeloopen en had Lavelane’s jas en hoed aangenomen. Een stoel was vrijgehouden en een pijp met een zak tabak lag op de plaats van den meester gereed. Zonder te spreken was Lavelane gaan zitten, had nog even van zijn tweede glas gedronken, en was toen zijn pijp gaan stoppen, zwijgend voor zich uitstarend. Dikke rimpels plooiden onheilspellend zijn voorhoofd en gaven het een woeste, grimmige uitdrukking. De limpide, blauwe oogen, teêr als een lentelucht in April, schenen verwonderd, en staarden met een kinderlijke onschuld in het rond, alsof zij van niets wisten, en ook niets van de omgeving zagen, maar enkel hun eigen droom.

Zijn al grijzende haren leken ongekamd en verwilderd, en hingen slordig over zijn schouders, armoedig, verwaarloosd. Hij had een oud, zwart jasje aan, vol vlekken, en een verfrommeld, liggend boordje, zonder das, waaronder een stukje vuil overhemd uitkwam. Zijn broek was afgetrapt en uitgerafeld, zijn modderige schoenen waren kapot. Zijn geheele voorkomen was tot het uiterste shabby en verloopen, van iemand aan lager wal, die geen liefderijke zorg kent van vrouwenhand, en niet eens meer poogt, er ooit weer bovenop te komen. [158]

Paulus voelde een groot medelijden in zich opschreien, maar tegelijkertijd bedacht hij met vreugde, dat die ongelukkige dichter in die misère toch beter af was, dan Wederich, die het heiligste had verloochend, om wat rijkdom en wat roem en wat eer. En die schooierachtige kerels om hem heen, décadenten en râtés als zij waren, leken hem, juist om hun armoede, toch in elk geval sympathieker, dan de deftige, officiëele professoren en doctoren van de letterkunde en de wetenschap, die het mooie en edele beoefenden als een vak, en zoo koud-geleerd, zonder emotie, konden spreken over kunst. Zij gáven zich tenminste zooals zij waren, en hun vloeken en gemeene woorden kwetsten hem niet zoo zeer, als de verfijnde, quasi-geestige obsceniteiten, die hij had gehoord van de deftige oude heeren in rok en witte das.

Het was een ruw taaltje dat zij spraken, dat hoorde hij wel. Om het andere woord klonk een vloek, of een grof brok jargon. Maar hun gebaren, wild als zij waren, leken hem eerlijk, en hun gezichten stonden oprecht, zonder achterhouding en veinzerij.

In ’t eerst sloeg het troepje geen acht meer op Paulus, en kon hij, vanuit zijn hoekje, Lavelane rustig gadeslaan. Maar later kreeg het bleeke jongemensch, met het prachtige voorhoofd, hem weer in het oog, en Paulus zag dat hij Lavelane op hem opmerkzaam maakte. De dichter scheen er zich niets van aan te [159]trekken, dat er iemand hier was gekomen alléén om hèm te zien. Hij haalde verachtelijk de schouders op, toen het jongemensch was uitgepraat, en gaf zich niet eens de moeite om even naar hem te kijken.

Toen kwam de bleeke jongeling weer naar Paulus toe en zeide ruw: „je kunt gerust weer uitsnijen, mannetje, je hebt géén kans, hoor! Maar wie bèn je toch, hoe héét je? Of wil je dat niet zeggen?”

„—Ik heet Paulus.”

„Wat?” riep de ander verrast. „Toch niet Paulus, van dat sprookje: „De Prins en de Fee?”

„—Dezelfde. En wat zoú dat?”

„—Neen maar, díe is goed,” barstte de bleeke uit, en greep hem bij den arm. „Paulus! Een arriviste! Het protégétje van „Het Morgenrood”, en zelfs van de kroonprinses, zeggen ze. En die híer in ons midden, om Lavelane te zien. Maar dat is een unicum. Ik moet je vertóónen, kerel!”

En vóór Paulus er op verdacht was, had hij hem van zijn stoel gesleurd en medegetrokken naar het tafeltje, waar zijn vrienden zaten.

„Mijne heeren!” schreeuwde hij. „Mag ik jelui voorstellen: de heer Paulus,… de dichter van het beroemde sprookje: „De Prins en de Fee”.… de protégé van „Het Morgenrood”.… hoera!.… en van Haar Koninklijke Hoogheid, enzoovoorts!.… [160]verzeild geraakt bij óns, décadenten, bij ons, proleten en paria’s.… Lavelane!.… Meester!… wat zullen we met hem doen?.…”

Maar tot hun uiterste verbazing stond Lavelane opeens van zijn stoel op en gaf Paulus vriendelijk de hand.

„—Ben jíj Paulus?” vroeg hij.… „zoo, zoo.… ik heb toevallig je sprookje gelezen.… ik léés anders niet veel.… dat was goed, beste jongen, dat was goed.… kom gerust hier bij me zitten, vent.… zóó, hier naast me maar.…”

Al de anderen zwegen nu eerbiedig, en de spot was op aller gelaat verdwenen. Van het oogenblik af, dat Lavelane hem de hand had gedrukt, was Paulus een vriend voor hen geworden. Een handdruk van Lavelane was iets dat met geen goud was te koopen, en gaf grooter eer dan de hoogste ridderorde.

„—Zóó, beste jongen,” zei Lavelane nog, „kom je mij hier eens opzoeken?.… dat is aardig van je, heel aardig, hoor!.… maar weet je wel, wat je doet?… je bent toch immers een protégé van „Het Morgenrood”?.… als die luitjes het te weten komen, heb je het bij hen verbruid!”

Paulus zag hem vol liefde aan. O! dat grimmige, woeste, áfgeleden gezicht! Wat een smartelijke, diepe trekken! Wat moest daar een ellende overheen zijn gegaan!.… Maar de oogen, teeder blauw, als van [161]een onschuldig maagdelijn Gods, weerspiegelden zijn reine, vlekkelooze ziel. Het was hem, of hij in de lichte hemelen zag.

„O! zeg dat niet!” riep hij, hartstochtelijk. „Wat kunnen mij die mannen schelen van „Het Morgenrood,” en heel de officiëele bende, nu ik in úwe oogen heb mogen zien?.… denk toch niet klein van mij.… ik ben nu vrij, héélemaal vrij!.… ze hadden mij gevraagd, die menschen, doctoren, en professoren … om een groote, rijke tafel zaten zij, in rok en witte das, als beursmannen en bankiers.… en naast mij zat Wederich, die zijn ziel heeft verkocht, met een lorrig lintje in zijn knoopsgat.… o! ik zat daar maar heel klein en heel nietig, tusschen al die groote heeren.… totdat ze het waagden, úwen naam te noemen, Lavelane, en ze durfden spotten en hoonen mijn liefsten, grootsten dichter van het land, en toen …”

„—En toen?.…” riepen allen om het tafeltje, in groote spanning.…

„—En toen.… toen ben ik opgestaan.… ik kón niet meer.… ik zou krankzinnig zijn geworden.… toen heb ik het hun gezegd, wat ze waard waren, de hééle bende.… en dat ik me scháámde met hen aan te zitten.… en ik ben weggegaan, om mij niet langer te besmetten.…”

Een luid gejubel barstte los. [162]

De bleeke, jonge man omhelsde hem geestdriftig, als een broeder.

„Heb je dát gedaan, kerel, heb je dát gedaan?” juichte hij, „dan ben je mijn vriend, hoor! mijn vriend!”

„—Én de mijne,” riepen de anderen, en hij voelde handen, die warm de zijne drukten, en hoorde het zoete woord „vriend” uit veler monden. Hij schrikte van de geestdrift, die hij had opgewekt, en zijn hand deed pijn van de forsche drukken.

Lavelane scheen verder niet eens meer alles te hebben gehoord. Na éven te zijn opgewaakt uit zijn gepeins, was hij weer in zijn soezerigen roes verzonken, en zat zwijgend aan zijn pijp te trekken. De blauwe oogen staarden vaag in de verte.…

Paulus zat nu met de anderen aan, één met hen door zijne vereering voor Lavelane, maar vèr van hen af door wat zij spraken en deden. Zij dronken glas na glas met bier, of grog, of absinth, zij rookten cigaretten en sigaren, en maakten grove scherts met de kellnerinnen, die hen bedienden. Zij praatten in een ietwat ploertig jargon, vol vloeken en gemeene woorden. Hun stemmen waren ruw en heesch van ’t drinken en ’t rooken. Zij hadden het over allerlei dingen van literatuur en kunst, waar hij nooit van gelezen had, noemden namen van zoogenaamd onsterfelijke dichters en schilders, die hij zich niet herinnerde ooit te hebben [163]gehoord, en reciteerden nu en dan een vers, door allen toegejuicht, waar hij absoluut niets van begreep. Hij raadde in hen het opgeschroefde, het verwrongene, het wanhopige pogen, om toch maar iets te wezen dat vóór alles niet gewoon was en den eenvoudigen bourgeois kon verbazen. Één ding alleen leek hem echt in hen: hun liefde voor Lavelane. Hij voelde het afschuwelijke er van, dat een zoo groot dichter als hij tot éénige vereerders moest hebben dit luidruchtige, artistiekerige troepje décadenten, en dat hij dit bohémien-leven moest leiden van kroegloopen, zonder home en zonder liefde. Maar als hij dan even in die wondere, blauwe oogen zag, zoo teeder en zoo klaar, voelde hij zich weer gerust, en wist hij dat de ziel, die zich daarin weerspiegelde, tóch altijd behouden zou blijven, veilig in eigen, vlekkelooze sfeer. Hij zag het grimmige titanen-gezicht al rooder en rooder worden onder het vele drinken, en de magere handen beefden zenuwachtig, als zij het glas opnamen. Maar de hemel-blauwe oogen waakten rustig, als stille sterren.…

Toen dacht Paulus aan de sublieme verzen van liefde, die de ziel van dezen mensch gezongen had, en van de ontzaglijke smart, toen de Liefste hem verlaten had, en hij eenzaam was achtergebleven met al de schoonheid, die hij háár had willen wijden. Na dat wreede verraad aan zijn ziel door zijn Lief, [164]was Lavelane, te zwak om dat leed mooi te dragen, voor goed verloren geraakt in een leven van drank en ontucht, waarin hij vergetelheid had gezocht.

Paulus hoorde een vers in zich opklinken uit Lavelane’s eersten tijd, en toen hij dat roode gelaat zag, dacht hij: „is er dít nu van hem geworden?” Maar toch voelde hij, dat die dronken, verloopen dichter beter af was dan Wederich, die het heiligste had verzaakt. En in dat afgetobde, uitgesjouwde lichaam leefde de ziel onaangetast, en uitte zich nog somtijds met haar diepste innigheid in een zwaar-geëmotioneerd vers.

Naarmate het later werd, begon het gezelschap meer opgewonden te worden. De glazen jenever-grog werden boordevol geschonken en met groote teugen geledigd. Lavelane dronk enkel absinth, zonder water. De gezichten werden rooder, de gesprekken werden onsamenhangend, vol vloeken en vuile woorden. Paulus wist nog Lavelane’s adres te krijgen, en voelde dat het nu tijd was om heen te gaan. Hij trachtte beleefd afscheid te nemen.

Het bleeke jongemensch, dat een aankomend schilder bleek te zijn, wilde hem tegenhouden.

„Blijf nu toch, kerel, straks … hik … gaan we naar de meiden …” stotterde hij.

Maar Paulus wist te ontkomen, en probeerde alleen nog even Lavelane de hand te drukken. Maar de [165]dichter was al te veel onder den indruk van de absinth.

„Wie … ben … jij?…” vroeg hij, hard.

De tranen welden in Paulus op. Maar toen hij in de klare, lichtblauwe oogen van Lavelane zag, voelde hij zich weer gerust. Het was hem, of díe hem nog wel kenden. Veilig en ongerept zag hij er de reine, groote ziel in weerspiegeld, die met dat klagelijke lichaam moest leven …

En rustig, zonder bezorgdheid, liep hij het armzalige cafétje uit. [166]