De overval.
Nadat Raffles dien middag voor de tweede maal een bezoek had gebracht aan Eleonore Manoury, en nog een en ander met haar besproken had, begaf hij zich naar Charly en Henderson, die in het Hotel des Anglais op hen zouden wachten, en nu pas deelde hij den beiden mannen mede, waarvoor zijn beschermelinge vreesde.
Charly Brand had met gefronste wenkbrauwen toegeluisterd, en bromde nu half voor zich heen:
„Het is dus nog niet uit! Die schurken zullen de arme vrouw van het eene punt van den aardbol tot het andere achtervolgen!”
„Nu overdrijf je wel een weinig, waarde Charly!” hernam Raffles glimlachend. „Er zijn gelukkig nog heel wat plaatsen op onze schoone aarde, waar Eleonore Manoury veilig zal zijn. Als zij maar eenmaal goed en wel hier vandaan is!”
„Waarschuw toch eenvoudig de politie, opdat die zich in hinderlaag kan stellen en den kerel wie het dan zijn mag, bij de kladden neemt, om hem zoo spoedig mogelijk te laten ophangen!”
„Het laatste gedeelte van je programme heeft mijn volle sympathie, Charly—maar het eerste zou ik in dezer voege willen wijzigen dat wij zelf de rol van politieagenten vervullen! Bedenk dat Eleonore Manoury in Caïro—een stad dus waar de Engelsche wetten geldig zijn—aan hetzelfde gevaar bloot staat als te Londen, om dadelijk te worden verraden, wanneer een van die schurken haar inderdaad herkent. Mocht hij in handen van de politie vallen, dan zal hij geen seconde aarzelen, om den waren naam te noemen van de vrouw, die in het ziekenhuis verpleegd wordt—en dan zou al onze moeite vruchteloos zijn geweest!”
„Daarin schuilt veel waars, Edward!” moest Charly toegeven. „Het wordt dus vannacht weder een waakpartij?”
„Er schiet niets anders op over, mijn jongen! Mocht het werk je echter vermoeiend schijnen, dan zal niemand je beletten, den nacht in je hotelkamer door te brengen.”
Charly kreeg een kleur en stamelde:
„Zoo heb ik het natuurlijk niet bedoeld, Edward! Ik stel me natuurlijk geheel en al tot je beschikking—maar het wil mij voorkomen, dat mooie Eleonore ons binnen een tijdverloop van nog geen week reeds heel wat vermoeienissen en last heeft berokkend!”
„Daarover mogen wij ons niet beklagen, Charly—bedenk dat zij een vrouw is!” antwoordde Raffles eenvoudig.
De drie mannen nuttigden het middagmaal op het terras, want het was verrukkelijk weder, en te warm om binnen te zitten.
Zooals gewoonlijk wilde Henderson zich reeds weer bescheiden terugtrekken maar Raffles bracht hem aan het verstand, dat daar thans geen sprake van kon zijn, want hij was nu slechts een helper, die een ongelukkige vrouw moest helpen redden, en zeker niet de chauffeur van Lord William Aberdeen.
Zoolang het nog licht was, maakte men hiervan gebruik, om een wandeling te maken in de naaste omgeving der stad, die zelfs aan den kant, waar Caïro onmiddellijk aan de woestijn grenst, van een eigenaardige, plechtige schoonheid is, en vervolgens toen de duisternis ging vallen, slopen zij naar den tuin van het ziekenhuis, en wisten er ongemerkt binnen te dringen.
Raffles had zich van te voren goed op de hoogte gesteld van de ligging van het ziekenvertrek, waar zijn beschermelinge terneder lag, en het duurde niet lang of de drie mannen hadden zich in hinderlaag gelegd achter een dicht begroeid boschje van Tamarindestruiken, vanwaar zij niet alleen het bewuste [11]raam maar den geheelen zijgevel van het ziekenhuis konden overzien.
Het was omstreeks half elf in den avond, toen zij deze schuilplaats konden betrekken.
De maan was weliswaar verborgen, maar de lucht was toch zoo helder, dat de drie mannen de omgeving tamelijk goed konden overzien.
Langzaam verstreken de uren, zonder dat zich iets bijzonders voordeed, en reeds begon zich een gevoel van slaperigheid van Charly Brand meester te maken waaraan hij nauwelijks weerstand kon bieden, en dat misschien wel veroorzaakt werd door den zoo buitengewoon snellen overgang van het ruwe Engelsche klimaat naar dit tropische land, waar des daags een temperatuur heerschte, die niet ver van de vijf en tachtig graden verwijderd was, en waar ook nu nog een lauwe warmte tusschen de zwijgende, roerlooze boomen van den gasthuistuin hing, terwijl de bedwelmende geur van de Tamarindebloesems de lucht vervulde.
Maar juist toen hij meende dat zijn oogen zouden dichtvallen, voelde hij de hand van Raffles zachtjes op zijn arm.
Hij keek hem aan, en het was nog licht genoeg om te kunnen zien, dat Raffles zijn oogen strak gevestigd hield op iets dat zich geruischloos en langzaam scheen te bewegen aan den voet van den muur.
Charly tuurde in de richting, welke Raffles hem met den vinger aan wees, en nu begon hij een donkere gedaante te onderscheiden, die ergens mede bezig was, waarvan hij de beteekenis niet aanstonds begreep, maar welke hem spoedig genoeg duidelijk zou worden.
Raffles gaf zijn metgezellen een teeken, en geruischloos slopen zij langs de struiken tot zoo dicht mogelijk bij den zijgevel van het groote witte gebouw, totdat er ternauwernood een afstand van tien meter was tusschen de drie mannen en den man, en wel een inlander, dat was nu duidelijk genoeg te zien!
Raffles bracht zijn mond zoo dicht mogelijk bij het oor van Charly en fluisterde hem in:
„Het is een Fellah—kijk maar naar de wijze, waarop hij zijn lendendoek draagt, en waarop zijn tulband geknoopt is.”
Charly keek naar het donkerbruine lichaam, dat zich lenig als een slang bewoog, en nu duidelijk afstak tegen den helderwitten muur.
En nu zag hij ook, waarmede de Fellah bezig was.
Hij had een zeer lang bamboeriet meegebracht, zeker niet veel korter dan een meter of acht, en omstreeks een halve decimeter in doorsnede, zooals ze wel gebruikt worden door de Inlandsche kunstemakers, die er vaak halsbrekende toeren mede verrichten aldus, de een het riet op zijn schouder balanceert, terwijl de tweede er inklimt, en heel in den top, die van een lus van rotan is voorzien, zijn kunsten verricht.
Waarschijnlijk had de man reeds den vorigen nacht dezen klimpaal bij zich gehad, en hem in den tuin weten te bergen, met het doel om hem, wanneer de gelegenheid gunstig was, opnieuw te gebruiken.
Hij zette nu het lange bamboeriet behendig overeind, en plaatste het uiteinde in den hoek, dien de uitspringende vensterbank van het raam op de eerste verdieping, dat bij de ziekenkamer van Eleonore Manoury gelegen was, met den muur maakte, zoodat het stevig vast stond, en daarop maakte hij zich gereed vlug als een aap naar boven te klauteren.
Maar Raffles liet hem geen gelegenheid, hooger dan een meter van den grond te komen.
Een kort gefluisterd bevel—en de drie mannen stormden voorwaarts.
Raffles greep den Fellah bij de naakte, bruine beenen, en trok hem met een ruk weder naar beneden.
De man, glad als een aal, lenig als een riet, en blijkbaar met groote lichaamskracht begiftigd, was in een oogwenk weder overeind, en trok met een snelle beweging den krommen dolk met het breede, vlijmscherp geslepen lemmet, die in zijn gordel stak.
Maar voor hij van het wapen gebruik kon maken, had Raffles hem een kaakslag toegebracht, die den Inlander als een aangeschoten haas om en om deed buitelen en hem neervelde, waarbij hij met het gelaat tegen den grond gedrukt bleef liggen.
Henderson was met een paar stappen bij hem, en het kostte hem moeite het vreeselijke wapen los te wringen uit de krampachtig gesloten hand van den Fellah.
Juist was hij hierin geslaagd, toen de Inlander weder tot zich zelf kwam.
Maar zoodra hij zag, dat hij ontwapend was, en door drie mannen was omringd, die hunne revolvers op hem gericht hielden, scheen hij zich in zijn lot te schikken, ofschoon zijn zwarte oogen van woeste wraakzucht gloeiden. [12]
„Boeit hem stevig!” beval Raffles op gedempten toon. „Wij hebben met een zeer gevaarlijk sinjeur te doen. Een tijger ziet er, naar ik meen, nog zachtmoediger uit, vergeleken bij dit bruine heerschap!”
En terwijl Raffles den Fellah den loop van zijn geweer tusschen de ribben duwde, maakte Charly zijn handen stevig op zijn rug vast, en bevestigde toen een dik touw vlug en handig aan zijn enkels, zoodat hij wel kleine stappen zou kunnen nemen, maar dat het hem onmogelijk zou zijn de vlucht te nemen.
Hij wist hoe noodzakelijk deze voorzorgsmaatregel was, want het was hem bekend, dat Fellahs verbazend vlugge loopers met ongelooflijk uithoudingsvermogen zijn.
De Fellah liet zijn blinkende tanden zien, en hij geleek nu waarlijk wel iets op een tot woede geprikkeld luipaard—maar hij had tot dusver nog geen enkel woord gesproken.
Dit alles had nauwelijks eenige minuten geduurd, en in het ziekenhuis was men blijkbaar geheel onkundig gebleven van het voorval, dat zich in stilte had afgespeeld.
Raffles keek zijn man eens goed aan, voorzoover de duisternis dit toeliet, en vroeg toen:
„Spreek je Engelsch, man?”
De Fellah knikte.
„Hoe is je naam?”
„Ibrahim Dhâr!” antwoordde de Fellah kortaf met een diep keelgeluid sprekend.
„Wel mijnheer Ibrahim Dhâr, wilt gij mij zeggen, wat uw doel was, toen gij u gereed maakte, met behulp van dat bamboeriet naar gindsch raam te klauteren?”
De Fellah zweeg, en keek Raffles met een somberen blik aan.
„Gij wilt het niet zeggen?” herhaalde Raffles op dreigenden toon. „Dan zal ik het voor u doen! Gij wildet de ongelukkige vrouw vermoorden, die daar binnen ligt! En daartoe hebt gij stellig opdracht gekregen van — — — den Meester! Ik zie dat gij schrikt—en dat is geen wonder, want ik heb u doorzien nietwaar?”
De Fellah haalde de schouders op—maar hij bleef het stilzwijgen bewaren.
„Nu die schurk van een Stanley weet zijn mannen goed te kiezen!” hernam Raffles terwijl hij zich tot Charly Brand wendde. „Ik geloof dat men dien bruinen duivel eerder in stukken zal kunnen snijden, dan dat hij een woord zal loslaten.”
De Fellah liet een trotsch, heesch lachje hooren, en zijn zwarte oogen fonkelden triomfantelijk in zijn fanatiek, mager gezicht.
Raffles beschouwde hem nog eenigen tijd, en hernam toen:
„Wij zullen in ieder geval wel eens zien, of hij in die houding blijft volharden!”
Hij wendde zich weder tot den Inlander en vervolgde:
„Gij moet weten, dat wij den tijd hebben, en zeer geduldig zijn—geduldiger misschien dan gij thans wel denkt! Wij nemen u mede—en zoodra Eleonore Manoury in veiligheid is gebracht, zal ik zoo vrij zijn u aan de politie uit te leveren!”
En voor het eerst opende de Inlander den mond om te spreken.
„Als gij dat doet, Sahib, dan zal ik aan de politie zeggen, wie gij zijt!”
„Wie ik ben? Wilt gij mij wijsmaken, dat gij dat weet?”
„Gij kunt niemand anders zijn dan de doodsvijand van den Meester!” hernam Ibrahim Dhâr op woesten toon. „Gij moet John Raffles zijn!”
De Groote Onbekende haalde minachtend de schouders op.
„En gelooft gij soms, dat de politie ook maar een seconde zou willen gelooven, wat een Inlander als gij haar zal mededeelen?” hernam hij schamper. „Men zal u uitlachen, man! Misschien ware het anders, wanneer men Eleonore Manoury nog in mijn gezelschap vond, maar ik zal wel zorgen, dat zij in veiligheid wordt gebracht! Men zal u eenvoudig voor krankzinnig verklaren—of liever men zal de schouders over u ophalen, en meenen dat gij dronken zijt. Ibrahim Dhâr, ik ben geen seconde bevreesd!”
De Fellah klemde de lippen opéén en liet een schor geluid hooren, als van een getergden hond.
Klaarblijkelijk zag hij de waarheid in van hetgeen de vijand van zijn heer en meester zooeven had verklaard—de getuigenis van een Inlander, die bovendien nog heel nog wat met de politie te vereffenen had, zou natuurlijk niet opwegen tegen die van den rijken Engelschen vreemdeling, en hij zou er zijn zaak slechts door benadeelen. [13]
Daarentegen begreep de schrandere Fellah heel goed, dat hij, als Raffles hem inderdaad een paar dagen vasthield, bezwaarlijk door de rechtbank veroordeeld kon worden wegens den aanslag op Eleonore Manoury, want de rechters zouden wel eens aan Raffles de vraag kunnen stellen, waarom hij dan de zaak niet aanstonds had aangegeven, en gewacht had tot de vrouw, op wier leven het gemunt was, het ziekenhuis weder had verlaten.
Raffles scheen te begrijpen wat er in het gemoed van den Inlander omging, maar geen spier op zijn gelaat bewoog.
Vroeg of laat zou de Fellah de straf voor zijn misdaden wel ontvangen, en hij was er bijna zeker van, dat deze bruine bandiet, die lid bleek te zijn van het Genootschap van den Gouden Sleutel, in ieder geval wel zooveel op zijn kerfstok zou hebben, dat hij voor vele jaren de gevangenis zou ingaan.
Hij dacht even na over hetgeen hem nu te doen stond, en wendde zich toen tot Charly met de woorden:
„Het gemakkelijkste zou zijn, den kerel dadelijk in handen van de politie te stellen—maar het eerste wat hij zou doen, zou natuurlijk zijn te verraden wie de vrouw is, die hier verpleegd wordt. Om diezelfde reden kunnen wij hem ook niet overleveren aan den directeur van het ziekenhuis, want die zou het zeker zijn plicht achten, de politie te waarschuwen, en Eleonore te beletten de inrichting te verlaten, totdat het was uitgemaakt of de Inlander inderdaad de waarheid had gesproken.”
„Hetgeen ook ons in groote moeilijkheden zou brengen, Edward!” merkte Charly Brand op.
„Wij moeten dus iets anders verzinnen!” hernam Raffles peinzend. „Den kerel laten loopen—daaraan denk ik geen oogenblik! Dat zou te gevaarlijk zijn, en daarenboven—misschien bedenkt onze vriend Ibrahim zich nog wel eens, en bekent hij, van wien hij de opdracht had ontvangen Eleonore van het leven te berooven.”
„Nooit!” riep de Fellah op woesten toon. „Gij kent Ibrahim Dhâr niet, als gij denkt dat hij zal spreken!”
„Wij zullen zien!” antwoordde Raffles kortaf.
Hij wierp een blik op zijn horloge.
Het was bijna drie uur, over een paar uur zou het volkomen dag zijn.
Er moest dus snel gehandeld worden.
Raffles wendde zich weder tot Charly, maar thans gebruikte hij de geheime taal, welke alleen de drie mannen verstonden, en welke voor ieder volkomen onbegrijpelijk was, terwijl hij zeide:
„Huur aanstonds een snelle auto. Er zijn hier garages in overvloed. Breng het voertuig hier—en dan zullen wij dien bruinen schavuit buiten Caïro brengen, en hem bewaken in een van de dichte bosschen, die zich ten Noord-Oosten van de stad uitstrekken, totdat Eleonore in veiligheid zal zijn. Ik heb dan de handen vrij en wij kunnen dan wel verder zijn!”
„Ik breng natuurlijk geen chauffeur mee?”
„Dat spreekt van zelf!” riep Raffles eenigzins ongeduldig uit. „Wij kunnen geen derden bij onze zaak betrekken. Haast je wat!”
Charly vertrok om dadelijk de opdracht te gaan volbrengen.
En gedurende den tijd dat hij weg bleef, bewaakten Raffles en Henderson den Inlander—want zij vertrouwden hem niet, ofschoon hij goed geboeid was, en iedere paar minuten overtuigde Raffles zich, dat de man zich niet had weten te bevrijden van de touwen, die zijn handen op zijn rug gebonden hielden.
Maar reeds na verloop van een half uur keerde Charly weder terug, thans met een kleine maar snelle auto, welke hij liet stilstaan voor het groote hek, op de plek, waar hij Raffles en de anderen had achtergelaten.
Niet zoodra had Raffles de lichten van de auto gezien, en het bekende signaal met den hoorn vernomen, of hij gaf Henderson een kort bevel, en daarop grepen de beide mannen den Hindoe ieder bij een arm, en geleidden hem door het hek, waarvan Raffles zich een valschen sleutel had weten te verschaffen, naar buiten en naar de plek, waar de auto stond te wachten.
Het ging niet al te vlug, want de Hindoe kon slechts langzaam loopen wegens zijn kluisters, maar eindelijk zat hij dan toch in het voertuig, en Raffles nam aan het stuurwiel plaats, terwijl Charly hem als bewaker ging vervangen.
Raffles kende hier de wegen uitstekend, en zeker evengoed als die van Londen.
De kleine auto snelde over den goed onderhouden weg, het bosch tegemoet, en toen zij dit bereikten, steeg juist de zon boven de kim. [14]
Raffles liet de auto stilstaan, en zeide op zachten toon tot Charly:
„Breng hem in het dichtste gedeelte van het bosch—er komen daar maar heel zelden menschen, en je kunt hem gerust knevelen, zoodat hij niet kan schreeuwen. Ik ga aanstonds Eleonore Manoury uit het ziekenhuis bevrijden, en breng haar op een veilige plek, om aanstonds weder naar je terug te keeren—en dan zullen wij eens zien, of wij dezen Ibrahim Dhâr niet kunnen bewegen, om iets los te laten, en nog heel wat meer te doen wat ik verlang—met of tegen zijn zin!”