WeRead Powered by ReaderPub
Mårbacka cover

Mårbacka

Chapter 11: DE BRUIDSKROON.
Open in WeRead

About This Book

The narrative offers episodic recollections of childhood spent at the family estate, portraying domestic routines, servants, and small household dramas. It sketches characters such as a stern, unsentimental childminder and a warm grandmother, details of the children's rooms and toys, and the everyday noises and mishaps that shaped their mornings and nights. Through vivid anecdote and attentive description of objects, rooms, and seasonal life, the voice evokes a rural household's texture, mixing affection, mild anxieties, and humor while arranging memories into short, interlinked portraits rather than a single linear plot.

[Inhoud]

DE BRUIDSKROON.

Juffrouw Lovisa Lagerlöf was gewoon bruiden te kleeden. Maar ’t was niet zoo, dat allen in de gemeente, die gingen trouwen, bij haar kwamen om getooid te worden, maar alleen de dochters uit de allervoornaamste boerenfamilies. Soms waren het twee of drie in ’t jaar en soms geen enkele.

Vroeger, toen de predikant op Mårbacka woonde, had het waarschijnlijk tot de plichten van de vrouwen in de pastorie gehoord om de bruiden te tooien,—vooral haar, die in de kerk zouden trouwen. Moeder en Grootmoeder en Grootmoeder’s Moeder en Grootmoeder’s Grootmoeder hadden zeker vóór haar tijd hetzelfde werk gedaan. ’t Was maar een oud gebruik, dat zij had geërfd.

Ze had ook alle bruidstooi geërfd, die zich in den loop der tijden op Mårbacka had opgehoopt. Ze had een groote oude kast, waar ze in een van de laden lange halskettingen van glas, kralen of barnsteen bewaarde. Ze had een verzameling oude schildpadden kammen, die een kwart-el boven [75]’t hoofd uitstaken; ook van kleine, stijve halfronde kartonnen vormen, die met bloemen waren beschilderd, of met witte zij overtrokken, en gebruikt werden in den tijd, toen men kornetten en mutsen droeg. Ze had ook een hooge kartonnen bruidskroon, waarvan de punten gedeeltelijk met goudpapier, en gedeeltelijk met groen en lichtgekleurd taf waren overtrokken.

Ze had kransen van gemaakte rozen en veel ellen groen zijden lint met bloemen, van lichte zij geborduurd. In dezelfde la lagen ook „Jenny Lind’s krullen”, die over ’t voorhoofd moesten hangen, haarnaalden met bengelende klokjes, oorbellen van lange, valsche parels, allerlei brochen, armbanden en schoengespen van koper, bezet met valsche robijnen, ametisten en saffier.

In den tijd, toen deze dingen gebruikt werden, was het een verantwoordelijk en langdurig werk een bruid te kleeden. Dan moest het bruidsmeisje vaak verscheiden dagen vóór de bruiloft bonte zijden linten om de mouwen en den rok van de bruidsjapon zitten naaien. Soms moest er nieuw goudpapier om de bruidskroon worden geplakt of nieuwe papieren bloemen gemaakt of alle koperen zaken moesten glanzend gepoetst, zoodat ze schitterden als goud. [76]

En hoewel bijna alle tooi onecht was, kan men wel begrijpen, dat een boerenbruid, met een groote hooge kroon en een breeden bloemenkrans om het hoofd, met veel bontgekleurde kralensnoeren om den hals, met bonte zijden sjerp en linten om den rok, met versierde polsen en gespen op de schoenen tot het mooiste behoorde wat men kon zien.

’t Was ook zeker een geschikt costuum voor een flink uitgegroeid boerenmeisje met heldere oogen en roode wangen, die door strengen arbeid haar lichaam had ontwikkeld en haar tint gebruind door veel beweging in de frissche lucht. Onder die pracht bewoog zij zich waardig en fier, alsof zij zich boven haar gelijken verheven voelde. Voor den bruidegom scheen zij op den bruiloftsdag een koningin, een godin van rijkdom. Zij was de mooiste van alle rozen op het veld en ze straalde voor zijn oogen met een gulden glans.

Maar als Juffrouw Lovisa bruiden kleedde, mocht zij den ouden bruidstooi niet meer gebruiken. Nu moest het een klein, fijn kroontje van myrthe en een klein, dun kransje, ook van myrthe en een groote witte sluier zijn. En dat was bijna alles. Nu en dan kon zij een rood zijden lint om ’t midden strikken van de rechte zwarte wollen japon; en een gouden broche, een gouden ketting, een [77]gouden armband en een goud horloge leende ze gewoonlijk haar bruiden om dien eenvoud wat op te vroolijken.

Zeker verlangde zij den ouden tijd terug. Zij zag in, dat er iets verkeerds was in ’t zóó spaarzaam zijn met kleuren en sieraden en ’t verbergen van de krachtige en misschien wat grove trekken onder een fijnen witten tullen sluier. Dat was een gebruik, dat voor bleeke stadsmeisjes paste, die voor den bruidegom iets droomachtigs en ongerepts willen hebben; maar de boerenbruiden hadden er zeker mooier uitgezien met den ouden tooi.

En hoe moeilijk was ’t ook om myrthe voor den krans en de kroon te krijgen hier heel in ’t dorp! Ze kweekte zelf kleine myrtheboompjes; maar die wilden juist nooit groeien, en de bruiden zelf hadden meestal niets om er bij te doen.

Eens ging het Juffrouw Lovisa slecht. Een meisje van middelbaren leeftijd, Kajsa Nilsdochter, kwam haar vragen om haar als bruid te kleeden. Zij was niet van zulk een voorname boerenfamilie, maar zij zou trouwen met een onderwijzer, en zij vond, dat ze zulk een goede partij deed, dat niemand minder dan Juffrouw Lovisa haar als bruid mocht tooien.

Ja, Juffrouw Lovisa wilde het wel doen. Zij stelde [78]alleen de voorwaarde, dat de bruid haar zou helpen om myrthetakken te krijgen. „Mijn myrthe is bijna dood,” zei ze, „en ik weet niet waar ik andere takken vandaan kan krijgen.”

Toen beloofde de bruid, dat ze myrthe zou bezorgen voor de kroon èn den krans, maar ze hield haar belofte heel slecht. Den dag vóór de bruiloft zond ze een paar takjes naar Mårbacka, met zulke zwarte en beschadigde bladen, dat men ze bijna niet voor een bruidskroon kon gebruiken.

Dat gaf een zorg! Juffrouw Lovisa plunderde haar eigen myrthe van alle groene takken, die er nog aan zaten, maar daar kwam zij niet ver meê. De meisjes liepen naar de hoeven in de buurt om daar hulp te vinden, maar kwamen met enkele leelijke takjes terug. Alle myrthen schenen wel ziek, dat jaar. De bladen waren zwart en vielen af, zoodra men ze aanraakte.

Maar ander groen in de bruidskroon te zetten, ging ook niet aan. Fijn, pas uitgekomen boschbessentakken lijken immers veel op myrthe; maar een bruidskroon van boschbessengroen te dragen zou een groote schande zijn. De bruid zou kunnen vinden, dat ze niet behoorlijk getrouwd was.

Juffrouw Lovisa legde de leelijke takken in water en werkte toen tot laat in den nacht aan de kroon [79]en den krans. ’t Leek hopeloos, maar ze deed haar best.

Den volgenden morgen liep ze stil en ongemerkt de laan af en ’t bosch in. Ze had niets in de hand toen ze heenging, en niets toen ze terugkwam.

Toen ze door de keuken naar haar kamer ging, klaagde zij er over, dat ze het nooit zóó moeilijk had gevonden om een mooie bruidskroon te maken als dezen keer. De meisjes hadden medelijden met haar en boden aan gauw naar nog andere hoeven te gaan om myrthetakken te vragen. „Neen, dankje,” zei ze. „Nu is het te laat. Het bruidspaar kan ieder oogenblik hier zijn.”

Ze ging naar haar kamer en stak nog een paar takken in de kroon en den krans, waar ze ’t meeste kaal waren. Toen vertoonde ze haar werk aan de huishoudster en aan de meisjes.

„Maar hoe in de wereld hebt u dat klaar gekregen?” zeiden ze. „Deze kroon en krans zijn immers even mooi als die u gewoonlijk maakt. En u hadt bijna enkel kale takken en zwarte bladen!”

Juffrouw Lovisa verklaarde, dat de myrthetakken bijgekomen waren, toen ze in ’t water hadden gestaan. Ze waren meest zwart door stof en rook, zei ze.

Dadelijk daarop kwam het bruidspaar, en de [80]bruid werd gekleed in Juffrouw Lovisa’s kamer. Wel was ze niet jong meer, maar ze zag er goed en innemend uit. Toen ze klaar was, werd ze in de voorkamer gebracht, om zich daar in den grooten spiegel te bekijken, en ze was heel blij. „Nooit heb ik kunnen denken, dat ik er zóó uit zou zien,” zei ze.

Ze haalde een eau de colognefleschje en een mooi doosje te voorschijn, een geschenk van haar verloofde. ’t Doosje was vol bonbons, suikergoed, rozijnen en lekkernijen en nu ging ze rond en presenteerde eerst Juffrouw Lagerlöf en toen alle anderen. Men moest wat reukwater nemen en iets uit het doosje kiezen. Zij zag er meer vergenoegd en blij uit dan de jonge bruiden gewoonlijk deden, en allen zeiden haar, dat ze mooi en goed gekleed was.

Kort daarna gingen bruid en bruidegom naar de pastorie om getrouwd te worden en van daar naar ’t huis van de bruid om bruiloft te vieren.

Den eersten tijd van haar huwelijk was Kajsa Nilsdochter volkomen gelukkig. De man was veel ouder dan zij, maar ze had zulk een achting voor zijn kennis, dat ze er al haar eer in stelde hem te verzorgen en hem een gezellig tehuis te geven.

Maar toen kwam er een gerucht aansluipen. ’t Moest wel van den een of ander op Mårbacka [81]zijn uitgegaan, maar niemand kon zeggen wie het ’t eerst in omloop had gebracht. Het ging door de heele gemeente en eindelijk was ’t zeker een goede vriendin, die ’t Kajsa Nilsdochter in de ooren fluisterde.

„Juffrouw Lovisa heeft je bruidskroon van boschbessengroen gemaakt.”

Toen ze ’t gerucht voor ’t eerst hoorde, wilde ze ’t niet gelooven. Dat was immers heelemaal onmogelijk. Later begon ze er over na te denken. Haar bruidskroon was immers even mooi geweest als die van alle anderen. Die had zoo groen op haar hoofd gelegen. Ze herinnerde zich nog hoe trotsch ze er op was geweest, dat een dame uit een groot huis haar die op ’t hoofd had gezet.

Maar was die krans niet àl te groen geweest? Dat voorjaar, toen zij trouwde, waren alle myrthen ziek geweest. Dat wist ze zelf. Ze had zooveel moeite gedaan om mooie groene myrthen te krijgen, maar het was haar niet gelukt.

Misschien had Juffrouw Lovisa gevonden, dat het er voor haar niet zoo precies op aan kwam, omdat ze uit een arme familie kwam. Nooit zou ze ’t gewaagd hebben een kroon van boschbessengroen aan de dochter van een gezeten boer aan te bieden. [82]

Ze liep er over te tobben en zij sprak er met haar man over. Zij dacht er over of zij wel echt getrouwd waren, als het nu waar was, dat haar bruidskroon van boschbessentakken gemaakt was.

De man wist niet wat hij met haar moest beginnen. Zij schreide en was ongelukkig. Ze voelde zich onteerd en vernederd. Juffrouw Lovisa had gevonden, dat ze niet deftig genoeg was om door haar als bruid te worden gekleed. Daarom had ze haar kroon van boschbessentakken gemaakt. En nu lachte zij en de heele gemeente haar uit.

De man raadde haar aan naar Mårbacka te gaan, en Juffrouw Lovisa te vragen wat er van dit alles waar was; en zij volgde werkelijk zijn raad.

Zij kwam op Mårbacka zoo ongelegen mogelijk. Daar was dien dag groot feest, en toen zij in de keuken kwam, had men bijna geen tijd om haar goeden dag te zeggen. Zij vroeg naar Juffrouw Lovisa, maar die was binnen bij de gasten en men wilde haar niet roepen. Ze moest dat niet kwalijk nemen, maar er was zoo’n heel groot feest. Misschien wou ze naar binnen in ’t keukenkamertje gaan zitten, de kamer van Juffrouw Lovisa, en daar op haar wachten.

Zij ging de kamer binnen. Daar had men de kroon van boschbessengroen op haar hoofd gezet. [83]Zij herinnerde zich hoe blij ze dien dag was geweest. Maar ook vond ze, nu ze daar stond, dat het moeilijk was aan bedrog te gelooven.

Na een poos kwamen twee meisjes uit de keuken. Ze droegen elk een blad met gevulde wijnglazen en gingen er de kamer meê binnen. De deur bleef open staan, zoodat ze in de zaal en de voorkamer kon zien, die vol menschen waren. Ja, dat was een echt groot feest. ’t Waren niet alleen de notabelen van Ämtervik, die daar stonden. Ze herkende den Proost en den dokter van Sunne met hun familie en den leeraar Hammargren uit Karlstad, die met de zuster van Juffrouw Lovisa was getrouwd.

Ze werd verlegen en ging heen om de deur dicht te trekken, maar juist op dat oogenblik hoorde ze een paar woorden, die haar deden stilstaan en luisteren. Luitenant Lagerlöf stond midden in de kamer met een glas wijn in de hand en maakte met enkele woorden de verloving bekend van zijn zuster Lovisa met den hulpprediker in Ämtervik, dominee Milén.

Toen feliciteerden allen en werden er toasten uitgebracht. Allen zagen er blij en vergenoegd uit, en dat was ook geen wonder. Juffrouw Lovisa was al veertig jaar en de familie had zeker niet gedacht, dat ze nog zou trouwen. Dominee Milén was [84]weduwnaar met vier kleine kinderen, die verzorging en toezicht noodig hadden. Alles was dus in orde.

Kajsa Nilsdochter had hooren zeggen, dat Juffrouw Lovisa, toen ze jong was, niet had willen trouwen, omdat zij ’t hart niet had gehad haar ouders te verlaten; maar nu die beide dood waren, was ze wel blij, dat ze nu een eigen thuis zou krijgen.

Ze had ook hooren vertellen dat Juffrouw Lovisa Mårbacka niet wou verlaten. Dat paste ook goed; de pastorie was er maar vijf minuten vandaan.

Het sneed Kajsa Nilsdochter door de ziel dat zij, die voor haar een bruidskroon van boschbessengroen gemaakt had, het nu zoo goed zou hebben, en zij trad snel van de deur terug.

Toen zag zij, dat de oude huishoudster achter haar stond. Zij had wel geweten wat er gaande was, en was gekomen om de verloving te hooren bekendmaken.

„Ik ben hier gekomen om te hooren of Juffrouw Lovisa mijn bruidskroon van boschbessentakken gemaakt heeft,” zei ze, „maar het schikt zeker niet, dat ik haar dat op een dag als deze vraag.”

De huishoudster was wat verbaasd, maar ze was niet iemand, die licht van haar stuk raakte.

„Hoe kun je nu zooiets onzinnigs zeggen, Kajsa?” [85]antwoordde ze. „Dat weten we toch allemaal hier in huis, wat een moeite Juffrouw Lovisa met je bruidskrans heeft gehad. We liepen op alle hoeven rond om naar myrthen te vragen.”

De ander zag haar doordringend aan. Zij zou haar tot in de ziel willen kijken om de waarheid te weten te komen.

„Ze zeggen ’t toch allemaal hier in de gemeente.”

De oude huishoudster dacht er alleen maar over hoe ze haar gerust zou stellen, zoodat ze Juffrouw Lovisa op haar dag van vreugde niet zou storen.

„Nu, dan zeg ik je, Kajsa,” zei ze, „dat even zeker als Juffrouw Lovisa’s eigen bruidskroon van myrthen zal worden gemaakt, even zeker is het, dat de jouwe van myrthen is gemaakt en van niets anders.”

„Ik zal aan je woorden denken,” antwoordde de vrouw van den onderwijzer. „Als ik zie, waar de bruidskroon van Juffrouw Lovisa van gemaakt wordt, weet ik hoe de mijne geweest is.”

„Ja, dat kun je gerust doen,” zei de huishoudster.

Zij gingen nu naar de keuken. Daar gaf Kajsa Nilsdochter de huishoudster de hand.

„Dan is ’t nu beter, dat ik heenga,” zei ze, en zag er nu heel kalm uit. „Ik kan nu Juffrouw Lovisa toch niet spreken.” [86]

Met die woorden ging ze heen. De huishoudster keerde naar haar fornuis en haar kokerij terug. Onder ’t feest vergat zij dit bezoek heelemaal. Eerst een paar dagen later vertelde zij Juffrouw Lovisa wat Kajsa Nilsdochter had gevraagd en wat zij haar had geantwoord.

Juffrouw Lovisa werd heel bleek. „Ach, Maja, hoe kon je dat zeggen. ’t Was toch beter geweest te bekennen, dat ik twee of drie boschbessentakken in de kroon stak. Meer was het niet.”

„Ik moest haar toch geruststellen, zoodat ze heenging,” zei de huishoudster verontschuldigend.

„En toen zei je, dat mijn kroon van myrthen zou gemaakt worden, zoo zeker als de hare?—Nu zul je zien, Maja, dat ik geen bruidskroon krijg.”

„Ach, u trouwt wel, Juffrouw Lovisa. Dominee Milén zal u niet in den steek laten.”

„Er kan wat anders komen, Maja, er kan wat anders komen.”

Ze liep zich hier een paar dagen bezorgd over te maken, en toen vergat ze het zeker weer. Ze kreeg andere dingen om over te denken. Zij zouden over een halfjaar trouwen, en ze begon vlijtig aan haar uitzet te werken. Ze bracht garen mee naar huis en zette weefsels op; ze naaide en merkte. Eindelijk ging ze naar Karlstad om [87]inkoopen te doen. Toen ze terug kwam had ze stof voor een bruidsjapon en een kroontje van ijzerdraad, waar de myrthetakjes op moesten worden vastgemaakt. Zij wilde een eigen bruidskroon hebben. Ze wilde niet de gewone zaken gebruiken, die al zooveel bruiden hadden gedragen.

Maar nauwelijks had ze dat gekocht of er kwam werkelijk iets. Dominee Milén werd ziek en lag lang te bed. Toen hij wat beter werd en kon opstaan, was hij heelemaal veranderd. Men merkte, dat hij vermeed met zijn verloofde te spreken en hij ging nooit den korten weg naar Mårbacka, om haar te ontmoeten.

Zoodra de zomer kwam, ging hij naar een badplaats. Men hoopte, dat hij zou herstellen en weer de oude worden, en dat gebeurde ook misschien wel; maar hij zond in heel zijn verblijf daar Juffrouw Lovisa geen enkelen brief.

Ze maakte een vreeslijken tijd door vol angst en onrust; maar zij meende natuurlijk te begrijpen, dat hij hun verloving wilde verbreken, en zond hem zijn ring terug.

Den dag, dat ze dat deed, zei ze tegen de oude huishoudster: „Zie je wel, Maja, dat mijn bruidskroon ook niet van myrthen gemaakt wordt?”

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

[88]

Veel jaren later vroeg een van Luitenant Lagerlöf’s jonge dochters haar tante of ze wat bruidstooi van haar mocht leenen om zich te verkleeden, en Tante Lovisa gaf haar den sleutel van de kast, waar de oude schatten in werden bewaard. De kast stond niet op haar kamer, maar op een vlieringkamertje. ’t Jonge meisje ging er heen, stak den sleutel in het slot en trok een la open.

Ze keek heel verwonderd: voor haar lag niet de gewone bonte bruidstooi. In de heele la lag niet anders dan een pakje tulle, een stukje gekleurde zij en een klein bruidskroontje van ijzerdraad.

Ze begreep dadelijk, dat ze aan de verkeerde la was. De bruidstooi lag immers in de la aan den linkerkant, daarnaast. Maar ze bleef toch een oogenblik staan en keek in die lade. Het sneed haar door de ziel, dat haar arme tante de dingen, die daar lagen, niet had mogen gebruiken. Ze wist, dat zij jaren lang getreurd had, zonder zich te willen laten troosten. Men was bang geweest, dat ze krankzinnig zou worden.

Een oude herinnering kwam bij haar op. In den tijd, dat haar tante ’t meest bedroefd en ongelukkig was geweest, was zij op een dag in haar kamer gekomen. Daar had Tante gezeten met een [89]berg boschbessentakken voor zich en was bezig er een kroon van te maken.

Op dat oogenblik was Mevrouw Lagerlöf binnengekomen.

„Maar Lovisa, wat doe je daar?” had ze gevraagd en ze had er heel verschrikt uitgezien.

„Ik dacht …” zei Juffrouw Lovisa, „als ik tevreden was met een kroon van boschbessengroen … Ja—dat is immers dom …” Ze stond heftig op en schoof de kroon en de boschbessentakken weg.

„Ik weet immers wel, dat het voorbij is”, zei ze, begon de kamer op en neer te loopen, en wrong de handen. „Er is niets meer aan te doen.”

„Lieve Lovisa,” zei Mevrouw Lagerlöf, „het kwam immers door de ziekte.”

Maar Juffrouw Lovisa bleef in groote angst en onrust heen en weer loopen.

„Als ik maar geen boschbessentakken in de bruidskroon van Kajsa Nilsdochter had gestoken,” zei ze.

„Neen, dat mag je niet denken, Lovisa,” begon Mevrouw Lagerlöf. Maar op ’t zelfde oogenblik zag ze het kind, dat daar met wijd opengesperde oogen stond.

„Ga naar de groote kamer, Selma,” zei ze, „Tante Lovisa heeft verdriet, en dan mogen jelui, kinders, niet hier komen en haar storen.” [90]