WeRead Powered by ReaderPub
Mårbacka cover

Mårbacka

Chapter 13: DE NIEUWE KOESTAL.
Open in WeRead

About This Book

The narrative offers episodic recollections of childhood spent at the family estate, portraying domestic routines, servants, and small household dramas. It sketches characters such as a stern, unsentimental childminder and a warm grandmother, details of the children's rooms and toys, and the everyday noises and mishaps that shaped their mornings and nights. Through vivid anecdote and attentive description of objects, rooms, and seasonal life, the voice evokes a rural household's texture, mixing affection, mild anxieties, and humor while arranging memories into short, interlinked portraits rather than a single linear plot.

[Inhoud]

DE NIEUWE KOESTAL.

Niet alleen wilde Luitenant Lagerlöf Mårbacka tot een vruchtbare en wel onderhouden hoeve maken. Hij wilde ook, dat het een mooie en deftige plaats zou worden met groote tuinen aan alle zijden van het woonhuis.

Maar nu lag de oude leelijke koestal met zijn ingezonken stroodak, zijn kleine vensters en zijn grauwe houten wanden aan de overzij van de plaats, vlak over de woning. Daar stond een rij van honderdjarige ahornen met gele, korte stammen en rijk loof buiten den stal en bedekte dien voor ’t oog, zoodat de hoeve er toch niet zoo leelijk van werd, maar de luitenant vond, dat hij Mårbacka nooit het aanzien van een heerenhoeve kon geven, als die koestal niet weg kwam.

’t Eerste jaar, dat hij op Mårbacka woonde, had hij intusschen de handen vol met den akkerbouw, en ’t was eerst na de reis naar Strömstad, en nadat de oude Mevrouw Lagerlöf overleden was, dat hij aan ’t bouwen van een nieuwen koestal begon, [102]want die moest er immers zijn vóór hij den oude kon afbreken.

Om nu den nieuwen koestal zoo min mogelijk in ’t gezicht te hebben van uit het groote gebouw, besloot hij, dat die op den vlakken akker zou komen vlak onder tegen den zandheuvel, waarop alle andere gebouwen van Mårbacka stonden. Alle vrouwen op de hoeve werden wanhopig, toen zij daarover hoorden spreken. Denk eens aan hoe ver dat zou zijn om naar de koeien in den stal te gaan zien, en wat een last ’t wezen zou voor de stalmeid en haar kameraad, om drie keer per dag de melk den steilen heuvel op naar de melkkamer te dragen! Maar daar wilde Luitenant Lagerlöf niets van hooren. Hij was van plan alle gebouwen, en de melkkamer ook, naar de vlakte te verzetten, en als alles daar bij elkaar stond zou ’t oneindig gemakkelijker zijn voor de menschen en ook voor de dieren.

Maar hoewel de koestal daar in een verborgen hoekje zou staan, zou hij toch mooier gebouwd worden dan eenige koestal in de heele streek. Hij zou in den vorm van een kruis worden opgetrokken, met tegels bemetseld worden tot aan den dakrand en er zou plaats zijn voor minstens vijftig koeien. Alleen een gewelfd dak ontbrak er aan om hem op een kerk te doen lijken. [103]

De luitenant sprak met zijn schoonvader over zijn bouwplannen, en patroon Wallroth had genoeg van den ouden stal gezien om te begrijpen, dat er een nieuwe komen moest. Hij gaf hem dus een aanzienlijke som geld om voor te bouwen, en toen begon de luitenant aan ’t voorbereidend werk. Een paar winters liet hij steenen houwen in de Åsberger steengroeve, die voor de fondamenten moesten dienen. Een paar zomers had hij een steenbakkershut bij den eendenvijver op Mårbacka, waar de steenen gebakken werden, die later in de zon lagen te drogen tot ze vast en hard waren; een paar jaar in den herfst zond hij menschen uit, die hout hakten in zijn eigen bosch, zoodat hij behoorlijke dakbalken en leggers kon laten maken.

Eindelijk was hij zoover gekomen, dat hij de plaats kon afbakenen en de fondamenten laten uitgraven. ’t Was een plechtig oogenblik voor hem, toen de grondwerkers de spa in den grond staken om de bovenste aardlaag weg te nemen.

Men begon met het uitgraven en leggen van de fondamenten aan de oostzij, die het dichtst bij de hoeve lag. Daar ging alles goed. De grond was vast en de steenen bleven liggen, waar ze gelegd werden.

Maar toen de fondamenten aan den langen kant [104]in ’t oosten en aan den westergevel klaar waren, begon men aan den langen kant in ’t westen, die op de akkers beneden uitzag. En nu kwam de groote teleurstelling. Zoodra de bovenste aardlaag was weggenomen, stootte men op losse en zachte blauwe klei. Daar bleven de steenen niet op liggen, maar ze zonken er in weg en verdwenen.

’t Was wel een groote fout, dat de luitenant ook niet op die plaats den grond had laten onderzoeken, vóór hij begon te bouwen; maar nu de fondamenten voor de eene zij al gelegd waren, vond hij dat hij voort moest bouwen op de eenmaal afgebakende plaats. Een oude grondwerker raadde hem ’t gebouw hooger op den heuvel te leggen, want de blauwe klei was niet gemakkelijk om meê te doen te hebben; maar daar wilde hij niet van hooren. ’t Zou toch wel lukken om ook in de blauwe klei fondamenten te leggen. Die moest toch ook wel een bodem hebben, en steenen om die meê op te vullen had men volop. Zij hadden den heelen Åsberg om steenen uit te halen.

Hij liet de eene lading steenen na de andere in de klei leggen, al gauw had hij een breeden steenen dam, die vast en stil lag en wel voldoende moest zijn om er de fondamenten op te leggen. Maar toen kwamen er een paar geweldige regenbuien, [105]en dadelijk vertoonden zich kloven in den steenen dam. Den volgenden morgen begon die te zinken en in een paar uur was hij heelemaal verdwenen.

Nu raadden de grondwerkers en andere menschen den luitenant om den koestal op een andere plaats te bouwen; maar hij wilde niet toegeven. Hij had zooveel werk op deze plaats laten doen, en dat moest allemaal worden overgedaan, als ’t gebouw verzet zou moeten worden. En behalve dat, wilde hij ook, dat de koestal daar zou liggen, waar hij het bepaald had. Hij kon zich geen andere plaats denken, waar hij beter verborgen en toch in de buurt zou liggen.

Maar nu moest hij ook den heelen zomer voortgaan met steenen in de blauwe klei te leggen, en toen de herfst kwam was men nog niet zeker, dat de fondamenten zouden houden, maar er werd besloten, dat het opmetselen zou worden uitgesteld, tot het volgend jaar, zoodat men zien kon, hoe de klei zich zou houden, als ’t voorjaar kwam en de vorst uit den grond was.

Zoodra de sneeuw van ’t veld begon te verdwijnen, ging Luitenant Lagerlöf naar de bouwplaats om naar zijn muur te zien. Nog stond die vast en zonder barsten; maar de echte lentedooi was ook nog niet begonnen. [106]

Elken dag, en dikwijls op één dag ging hij daarheen. Nog altijd stond de muur. Eindelijk scheen de groote dooi voorbij. De fondamenten stonden nog op dezelfde plaats, en hij waagde het een boodschap naar den metselaar en zijn knechts te zenden met het bericht, dat zij aan het werk konden gaan.

Zij kwamen en begonnen de muren aan den oostkant en den noordkant op te trekken, opdat de onzekere grond aan den westkant nog wat langer tijd zou hebben zich te zetten.

Tegen ’t midden van den zomer begonnen zij aan de gevaarlijke zij te metselen, en alles scheen goed te gaan. Zij kwamen tot aan den muurkrans in ’t midden van Juli; want metselaars zijn voortvarende menschen; maar toen merkten ze een paar barsten in den muur. En opeens begon alles te zakken. Ze moesten in groote haast verscheidene steenlagen van ’t metselwerk afbreken, vóór ’t zakken ophield.

Nu begon het er werkelijk leelijk uit te zien voor Luitenant Lagerlöf. Hij wist niet wat hij nu doen moest.

Om dien tijd toen het metselen gestaakt moest worden, was juist de som op, die hij van zijn schoonvader voor ’t bouwen van den koestal had [107]gekregen. Maar patroon Wallroth was een royaal èn een verstandig man. Had de luitenant hem voor een paar dagen geschreven en hem uitgelegd, waarom ’t gebouw duurder was geworden, dan hij berekend had, en had hij hulp gevraagd om het af te kunnen maken, dan zou hij die zeker gekregen hebben. Maar nu, na die nieuwe verzakking, aarzelde de luitenant te schrijven. Hij moest immers bekennen, dat hij nog niet aan ’t dak of den vloer—ja, niet eens aan de muren toe was, maar dat hij met nieuwe fondamenten moest beginnen.

Zijn schoonvader moest wel denken, dat hij zijn werk heel slecht had gedaan. Hij zou hem niet meer vertrouwen.

De luitenant had bijna ’t meeste lust ’t heele bouwplan op te geven. Maar dat stuitte hem ook tegen de borst. Al zijn plannen vielen in duigen. En de oude stal was bovendien heelemaal onbruikbaar.

Hij had immers ’t heele gebouw al lang op een andere plaats moeten brengen; maar om dat nu te doen, nu de muren half klaar waren.… ’t Was de vraag wat het meest zou kosten, op een nieuwe plek te beginnen of op de oude voort te gaan.

Er is in Ooster Ämtervik een kleine fabriek, [108]Gårdsjö, die maar een halve mijl van Mårbacka ligt. Daar woonde in dien tijd een broer van Mevrouw Lagerlöf, Karl Wallroth, een verstandig en voorzichtig man, waar de luitenant meer vertrouwen in stelde dan in iemand anders. Naar hem ging hij om zijn nood te klagen en om raad te vragen.

Karl Wallroth raadde hem ten sterkste aan ’t heele plan op te geven. „’t Is niet verstandig om Vader weer geld hiervoor te vragen,” zei hij. „Hij wil immers graag helpen, maar hij wil, dat het geld goed gebruikt zal worden. En geld op te nemen om je stal klaar te krijgen, zou ik je niet raden. Je weet immers niet hoe dikwijls je nog weer van voren of aan met metselen zult moeten beginnen. Zoo kun je wel doodarm worden.”

Na dit gesprek bleef de luitenant den heelen avond op Gårdsjö, bij zijn zwager en schoonzuster. Er was geen sprake van, dat hij naar huis mocht gaan vóór het avondeten. Hij probeerde te zijn als altijd en hen op te vroolijken met opgewekte gesprekken, maar hij voelde zich alsof zijn ziel verlamd was. Hij begreep, dat zijn zwager gelijk had, en hij was niet boos op hem, maar het was zulk een drukkende nederlaag voor zijn zelfrespect, dat hij een begonnen stal niet zou kunnen afmaken. [109]

Op weg naar huis kwamen sombere en zonderlinge gedachten bij hem op. Hij vroeg zich af of hij een van die menschen was, wien alles tegenliep bij wat ze ondernamen.

Er was wel een tijd, dat hij meende, dat hij een echte geluksvogel was. Dat was toen hij zijn vrouw had gewonnen en Mårbacka had overgenomen; maar sinds dien tijd had hij veel tegenspoed ondervonden.

Hij had zijn ontslag uit den dienst genomen, alleen omdat hij een reprimande van zijn chef had gekregen om een klein verzuim. Dat was overijld geweest, maar daar treurde hij niet om. Maar wat hem ergerde was, dat hij geen officier van administratie geworden was, toen zijn vader stierf. Dat werk was tusschen vier klerken verdeeld. Een van die betrekkingen had hij gekregen, maar dat was een onbeduidend werk en een onbeduidend honorarium.

Toen had hij de rivier willen uitdiepen. En dat was hem ook mislukt.

Halfweg tusschen Mårbacka en Gårdsjö lag de bron van Ås, een oude badplaats, die hij had ondernomen te moderniseeren, hij had er een nieuw badhuis gebouwd, badmannen en badvrouwen aangesteld en had gehoopt, dat de zieken in menigte [110]daarheen zouden stroomen, maar ook dàt was mislukt. Een en ander zieke stakker kwam wel; maar ’t was niet de moeite waard het badhuis open te houden.

En nu was die groote bouwerij ook weer mislukt. Er moest iets aan hem niet in orde zijn. Hij was zeker minder flink dan anderen. ’t Was maar ’t best, dat hij zich stil hield, zijn plannen opgaf, in zijn schommelstoel ging zitten, zijn courant las en alles liet gaan, zooals het ging.

Toen hij eindelijk thuiskwam, zat zijn vrouw op een van de treden van de trap van ’t balkon op hem te wachten.

Zij leek op haar broer op Gårdsjö. Ze had hetzelfde verstandige gezicht, ’tzelfde heldere hoofd, ’tzelfde eerlijke karakter, dezelfde liefde voor den arbeid, dezelfde onverschilligheid voor genoegens en denzelfden tegenzin tegen al wat onzeker en avontuurlijk was.

De luitenant hield van haar en had bovendien de grootste achting voor haar evenals voor zijn zwager. Maar dezen avond had hij liever gezien, dat zij hem niet had zitten opwachten. Zij werkte hem immers tegen in deze zaak en was het met haar broer eens.

„Wat zei Kalle?” vroeg Mevrouw Lagerlöf toen zij de slaapkamer binnengingen. [111]

„Hij vond, dat ik ’t werk op moest geven, net als jij en alle andere menschen,” antwoordde de luitenant.

Mevrouw Lagerlöf zweeg. Ze was op haar gewone plaats bij haar naaitafeltje gaan zitten en keek naar buiten in den lichten zomernacht, zonder er aan te denken zich uit te kleeden.

De luitenant had zijn jas al uitgegooid.

„Moet je niet naar bed?” vroeg hij. En aan zijn nerveusen toon kon ze hooren hoe gedrukt en geïrriteerd hij was.

„Ik vind,” zei zijn vrouw en zag voor zich uit in den nacht, terwijl ze zacht en eentonig sprak, „dat je hem af moet maken.”

„Wat zeg je?” vroeg de luitenant ongeduldig. Hij had wel gehoord wat ze zei, maar hij kon niet anders denken, dan dat hij ’t verkeerd had verstaan.

„Ik vind,” zei ze weer, „dat je hem af moet bouwen.”

„Spreek je van den koestal?” zei de luitenant, en kwam op haar toe. Haar woorden hadden wat hoop bij hem gewekt, maar hij wist niet of hij haar goed begreep.

Maar Mevrouw Lagerlöf had den heelen avond over deze vraag zitten denken. Ze had bij zich [112]zelf gezegd, dat het niet aanging, dat haar man weer in een onderneming te kort zou schieten. Dat zou niet goed voor hem zijn. ’t Was misschien verstandiger met dit werk op te houden, maar hij zou het zich al te veel aantrekken. Dat konden haar broer en haar vader niet begrijpen, maar zij, zijn vrouw, zij wist het.

Te zien wat er omging in de harten van hen, die ze liefhad was voor Mevrouw Lagerlöf even gemakkelijk als in een boek te lezen, maar haar gedachten uit te spreken in oogenblikken van ontroering, dat was haar even onmogelijk als hebreeuwsch te vertalen.

„Ik ben het niet met Kalle eens,” zei ze, en toen zweeg ze.

„Maar wat wil je dan? Waar praat je over?” zei de luitenant, en hij beefde bijna van ongeduld. Hij durfde nog niet te gelooven, dat zij van gedachten was veranderd en nu aan zijn zij stond.

Toen ze nu hoorde en zag hoe bewogen hij was, deed zij haar uiterste best om te maken, dat hij haar begrijpen zou.

„Ik ben ’t niet met Kalle eens,” zei ze. „Ik vind, dat je den koestal af moet bouwen en dat hij staan moet, waar jij hem wilt hebben. En ik vind, dat we een hypotheek op de hoeve moeten [113]nemen, en zooveel geld opnemen, zoodat we ons kunnen redden zonder Vader om meer geld te vragen.”

Nu eindelijk begreep de luitenant alles. En ’t werd licht in zijn hart. Zie, nu zijn vrouw ’t met hem eens was, waren er immers geen moeilijkheden meer. Nu lagen de fundamenten en de muren zouden verrijzen.

„God zegen je hiervoor, Louise,” zei hij.

Na dit besluit was het, alsof ze zich met nieuwe teerheid bij elkaar aansloten. En in alles, wat het bouwen van den stal betrof, werd sinds dien tijd zijn vrouw geraadpleegd. En toen de deuren eindelijk opengingen, toen de koeien plechtig één voor één werden binnengeleid en vastgebonden, toen de kippen en de ganzen, de kalkoenen en eenden naar hun hokken en de kalveren in hun stallen werden gebracht, toen het licht naar binnen scheen door hooge vensters, en zij zelf in schoone, mooie gangen konden loopen, toen voelden zij, dat er een goed werk was gedaan en zij verheugden er zich in, dat zij beiden er hun deel in hadden gehad. [114]