WeRead Powered by ReaderPub
Mårbacka cover

Mårbacka

Chapter 17: JONGENS EN MEISJES.
Open in WeRead

About This Book

The narrative offers episodic recollections of childhood spent at the family estate, portraying domestic routines, servants, and small household dramas. It sketches characters such as a stern, unsentimental childminder and a warm grandmother, details of the children's rooms and toys, and the everyday noises and mishaps that shaped their mornings and nights. Through vivid anecdote and attentive description of objects, rooms, and seasonal life, the voice evokes a rural household's texture, mixing affection, mild anxieties, and humor while arranging memories into short, interlinked portraits rather than a single linear plot.

[Inhoud]

JONGENS EN MEISJES.

In den zomer van 1866 was een ongewoon groote schare kinderen bijeen op Mårbacka.

Daar waren ten eerste Daniël en Johan Lagerlöf, zonen des huizes en dan waren er Theodoor en Otto en Hugo Hammargren, hun neven van vaderszijde, die de zomervacantie met hun ouders op Mårbacka doorbrachten. Verder waren er Ernst en Klaas Schenson, neven van moederszijde, die ook den heelen zomer op Mårbacka waren. Maar dat was nog niet genoeg; want men kon ook nog Herman en Bernhard en Edvin Milén, die op de hoeve daar naast woonden, bij ’t gezelschap rekenen, en ook Adolf Noreen, die op Herrestad bij de kerk woonde, maar een paar keer per week naar Mårbacka wandelde om met andere jongens te spelen en pleizier te maken.

Bovendien waren er ook nog Anna en Selma en Gerda Lagerlöf. Maar Gerda was niet ouder dan drie jaar, dus die telde niet meê; en Anna en Selma—die hadden ook niet veel te beteekenen, [143]nu er zoo’n groote troep jongens bij elkaar was.

In dien zomer hadden de jongens een prettiger en beter tijdverdrijf uitgevonden dan ooit te voren. De eerste weken hadden ze geleefd als altijd. Ze hadden bessen geplukt en op den schommel gezeten, in ’t groene gras geslapen, met pijl en boog geschoten, raket gespeeld en springspelen gedaan. Maar op een schoonen dag begon hen dat alles te vervelen. Ze vonden zeker, dat ze te veel leegen tijd en verstrooiing hadden, en ze begonnen er over te spreken, dat ze eens aan moesten pakken en een ernstig werk doen, waar je wat aan hadt.

Hun oog viel op een veldje in ’t bosch, dat dicht bij de groote laan lag, en aan de eene zij door den weg en de sloot, en aan de andere door den loodrecht opstijgenden Åsberg was begrensd. Langs het noorden liep een hek en langs ’t zuiden een diepe kloof vol grint, zoodat het heele gebied, dat ongeveer een zestiende ton land groot was, goed afgebakend en eenzaam daar lag.

Toen de jongens het nader onderzochten, vonden ze, dat het rijkelijk voorzien was van groote steenblokken, en dat de plantengroei voornamelijk bestond uit eenbesstruiken, jonge dennen en varens. [144]In ’t noorden liep een beek door het veldje, die wel midden in den zomer droog werd, maar waarvan de oevers met enkele prachtige elzestruiken waren versierd. In de spleten van den Åsberg groeide wilde boekweit, waar de jongens zeer op waren gesteld; ver in ’t zuiden stonden vier volwassen dennen en midden op het veld prijkte een groote spar met veel takken; ’t heele stuk grond was nog onbebouwd en had geen andere bewoners dan eekhorens, boomspechten en mieren.

De jongens vonden nu, dat deze wildernis de zegeningen der beschaving moest genieten en besloten daarheen te trekken als landontginners. Hun eerste maatregel was nu woonplaatsen te kiezen. Theodoor Hammargren, die zestien jaar oud was en de eigenlijke leider der onderneming, legde beslag op een hoog rotsblok, dat als een toren opschoot en een heerlijk uitzicht gaf over de heele kolonie. Daniël Lagerlöf, die vijftien jaar was en de tweede in ouderdom en aanzien, eigende zich de vier denneboomen toe en een mooien rotswand daarachter. Johan Lagerlöf en Otto Hammargren, die buitengewoon goede vrienden en schoolkameraden waren, waren compagnons geworden, en besloten het noordelijk gebied met de uitgedroogde beek en de elzestruiken te kiezen. Ernst Schenson, [145]die maar twaalf jaar was, vergenoegde zich met een knobbelig rotsblok; niemand begreep wat hij daaraan hebben zou. Zijn broer Klaas, die nog maar een kleine jongen was, koos ook een steenblok, maar men hield het er voor, dat hij een beter keus had gedaan dan zijn broer, omdat hij een eenbesstruik, die schaduw gaf, in de buurt had. Hugo Hammargren begeerde voor zich den eenen grooten spar en niemand benijdde hem dien. Herman Milén, die tien jaar was, zocht een grooten, omgevallen den uit, die met zijn wortels omhoog lag en den stam vol kleine takken had. Zijn broertjes Bernhard en Edvin, die tweelingen waren en pas acht jaar oud, hadden bijna niets gekregen, maar ten slotte werd aan ieder een dennestronk toebedeeld.

Adolf Noreen was dien dag niet op Mårbacka geweest, toen de verdeeling plaats had, en er ontstond een groote opschudding, toen hij kwam en zijn aandeel aan den buit begeerde, want nu waren immers alle goede plaatsen bezet. Gelukkig bedacht Theodoor Hammargren hem een terrasje op den bergwand toe te wijzen en daardoor kwamen de gemoederen weer tot rust.

Maar als Anna en Selma gehoopt hadden ook een woonplaats op de ontginning te krijgen, dan [146]werden ze wreed bedrogen. Ze waren immers maar meisjes, en er was zeker niet één van de jongens, die er ook maar even aan dacht, dat ze meê hadden willen doen.

De jongens hadden zoo oneindig veel pleizier op hun ontginning. Theodoor Hammargren verzamelde mos op zijn toren, zoodat hij een gemakkelijke zitplaats kreeg en bouwde een steenen trap, zoodat hij gemakkelijk naar boven en naar beneden kon komen. Daniël Lagerlöf groef den grond af tusschen de dennen en den bergwand, en maakte een kleine salon met steenen banken, die hij met mos bekleedde aan drie zijden, en dat werd de gezelligste inrichting van alle. Johan en Otto bouwden in hun elzenboschje een half-ronde sofa van plaggen. Dat werd ook geprezen als een heel goed geslaagde woning. Ernst Schenson maakte een breede mosbank met een steenblok als rugstuk; maar zijn broer Klaas was een kleine luibuis en ging op den grond onder zijn eenbesstruik liggen, zonder de moeite te nemen steenen en mos bij elkaar te sleepen voor een bank. Hugo Hammargren had een paar planken van de timmerlieden van Luitenant Lagerlöf afgebedeld en spijkerde die bovenaan in den denneboom vast, zoodat hij een uitnemende zitplaats kreeg. Adolf Noreen maakte [147]een bed van mos boven op zijn rotsterrasje en had het daar best, als hij maar eenmaal naar boven was geklauterd. Herman Milén had een grot onder de wortels van den boom uitgegraven, en zelfs de kleine tweelingen hadden wat mos op hun boomstronkjes gelegd.

Maar Anna en Selma,—die hadden immers niets te bouwen en in orde te brengen. Ze liepen beneden in den tuin, heelemaal alleen en verlaten en wisten niet wat ze zouden bedenken om zich meê te vermaken.

De jongens hadden ’t hoe langer hoe prettiger, hoe meer hun samenleving zich ontwikkelde. Ze begonnen al gauw behoefte te voelen aan een geordend bestuur en wetgeving, en zij kozen Theodoor Hammargren als hoogste bestuurder en rechter. Daniël de Lange werd hoofd van het muntwezen en schreef papieren muntjes. Johan werd commissaris van politie en Otto Hammargren burgemeester. En toen ze geld hadden voor hun ondernemingen, begonnen zij steenen en kiezels, mos en steenblokken en grond te koopen en te verkoopen. En enkelen van hen maakten goede zaken en werden rijk, maar Hugo Hammargren en Herman Milén waren echte verspillers en maakten zich buitendien schuldig aan ’t zich toeëigenen van [148]boekweit op andermans grond, zoodat de commissaris van politie hen in arrest moest zetten in de oude smidse, die zoo geschikt bij de hand lag aan den kant van den weg.

Anna en Selma liepen heelemaal alleen beneden in den tuin. En Anna Lagerlöf zei, dat als de jongens haar weer vroegen een bal voor hen te maken, dan zou ze „neen” zeggen, en ze zou hen ook niet meer helpen bij het knakbroodpap koken. En Selma Lagerlöf, die nog maar zeven jaar was, wist niet wat ze zou bedenken om de jongens te ergeren; maar zij zou hun ten minste niet meer toestaan kiezel te rijden in haar wagentje.

’t Leven boven in die kolonie werd zoo spannend, dat alle jongens verzekerden, dat ze nog nooit zooveel pleizier hadden gehad. B.v. ze kwamen gewoonlijk bijeen voor een vergadering om over de aangelegenheden van den staat te overleggen. En ze namen besluiten over het aanleggen van wegen en het bouwen van een groote steenen brug over de sloot, die de kolonie van de buitenwereld scheidde. En ’t werk zou zoo worden uitgevoerd, dat alle jongens boven de twaalf jaar steenhouwers en ontginners zouden worden, maar alle kleintjes moesten kiezel aandragen. Maar later bleek het, dat Herman Milén en Hugo Hammargren [149]niet bij het werk wilden helpen, en daardoor ontstonden ernstige verwikkelingen. Hugo en Herman werden als de onbruikbaren in de maatschappij beschouwd, die zich aan geen wetten of bepalingen stoorden. Ze waren niet eens bang voor de smidse, zoodat men niet wist welke maatregelen men tegen hen nemen moest.

Maar Anna en Selma liepen beneden in den tuin en probeerden zich te vermaken met het schieten met de door de jongens achtergelaten boog en pijlen, en het spelen met hun raketten. En zij zeiden, dat ze ’t precies even prettig vonden als ’t winter was, en alle jongens naar school gingen. En Anna beloofde, dat nooit meer een jongen haar groote pop zou mogen zien, die ze van haar tante had gekregen, en die een el lang was, die kousen en schoenen, een corset en een crinoline droeg, en een eigen bed had met kussens en lakens en een eigen kleerkast met alles wat je maar bedenken kon.

Maar daarboven in de kolonie ontwikkelde zich de samenleving steeds rijker. En op een schoonen dag werd er in de vergadering voorgesteld een restauratie te openen.

’t Voorstel werd aangenomen en het hoofd van het muntwezen, Daniël Lagerlöf, werd als restaurateur aangesteld, omdat hij de ruimste woning had. [150]

Maar de nieuwe restaurateur moet het moeilijk gevonden hebben om aan de eischen van zijn klanten te voldoen, die zelfgebrouwde suikerdranken, boschbessen, onrijpe appels en boekweit verlangden. Op eens herinnerde hij zich, dat hij een paar zusters had.

Hij ging dadelijk naar den tuin en vond ze bij den vijver, waar ze zich vermaakten met spelen met de schuitjes van de jongens, en er over praatten, dat ze nooit meer met één van de jongens zouden spelen, neen, ze zouden zelfs nooit meer naar hen kijken!

„Meisjes, jelui moogt boven komen om kellnerinnen in mijn restauratie te worden,” zei hun broer.

En Anna en Selma lieten de schuitjes zeilen waarheen ze wilden. Ze zeiden er geen woord van, dat ze tot nu toe waren vergeten en aan zich zelf overgelaten. Ze gingen maar gauw mee naar de kolonie van de jongens en waren gelukkig en verrukt. [151]