WeRead Powered by ReaderPub
Mårbacka cover

Mårbacka

Chapter 18: DE OUDE SOLDAAT.
Open in WeRead

About This Book

The narrative offers episodic recollections of childhood spent at the family estate, portraying domestic routines, servants, and small household dramas. It sketches characters such as a stern, unsentimental childminder and a warm grandmother, details of the children's rooms and toys, and the everyday noises and mishaps that shaped their mornings and nights. Through vivid anecdote and attentive description of objects, rooms, and seasonal life, the voice evokes a rural household's texture, mixing affection, mild anxieties, and humor while arranging memories into short, interlinked portraits rather than a single linear plot.

[Inhoud]

DE OUDE SOLDAAT.

’t Was een mooie herfstavond, toen Back-Kajsa, die niet meer als kindermeisje op Mårbacka was, maar haar brood met weven verdiende, door het bosch aankwam.

Ze moest naar het hutje boven op de boschvlakte, waar ze geboren was, om er een boodschap voor Luitenant Lagerlöf te doen, en omdat ze nog steeds bijzonder goede vrienden met de kleine Selma Lagerlöf was, had ze haar op dien tocht meêgenomen.

Ze hadden geen haast. Ze aten boschbessen, die langs den weg groeiden, ze bekeken met verwondering de mooie paddenstoelen, en ze plukten hun boezelaars vol met mooi mos, dat ze mee naar huis wilden nemen om er een echte goede tochtlat voor ’t binnenvenster van de kinderkamer van te maken. Back-Kajsa was blij, omdat ze weer in ’t bosch was, waar ze ieder graszoodje en iederen steen kende.

Toen ze eindelijk bij het hek gekomen waren, [152]dat om de plaats liep, waar het hutje stond, en over het brugje zouden loopen, zei Back-Kajsa:

„Denk er om, Selma, dat het niet aangaat over oorlog te praten, zoodat Vader het hoort.”

’t Kleine meisje was daar héél verbaasd over. Ze wist, dat de vader van Back-Kajsa soldaat was geweest, en dat hij bij Leipzig tegen Napoleon had gevochten; maar dat je daar niet met hem over praten kon, had ze zich nooit kunnen voorstellen.

„Waarom mag ik niet met hem over oorlog praten?” vroeg ze.

„Dat moet je nooit doen met iemand, die in een echten oorlog geweest is,” antwoordde Back-Kajsa op onderwijzenden toon.

’t Kleine meisje werd steeds meer verbaasd. Ze dacht aan Fritjof, aan Hjalmar en Hector en alle oude goden en helden, waarover ze in haar sagenboeken had gelezen, en ’t begon in haar hoofd te warrelen.

Intusschen kwamen ze in de hut, en daar zat de vader van Back-Kajsa bij ’t vuur en warmde zijn rug aan den gloed. Hij was een man uit den ouden tijd; dat kon je aan zijn broek zien, die maar tot de knieën reikte; en hij droeg geen laarzen, maar schoenen, hij was lang en mager, en had een grof, gerimpeld gezicht en droeg een [153]buitengewoon vuilen schapenpels; maar eigenlijk zag hij er niet veel belangwekkender uit dan andere oude boeren.

Maar zoolang ze in de hut waren, staarde het kleine meisje onafgebroken den ouden man aan, die niet over oorlog wou hooren spreken. Zelf wist ze niets wat zoo prettig was om over te hooren of te lezen dan verhalen over oorlog. Wat jammer, dat je hem niet mocht vragen naar alles wat hij had beleefd!

Ze durfde niet te praten of te antwoorden, terwijl ze daar zat; ze wist, dat als ze haar mond opendeed, ze zich zou verspreken en iets over oorlog zeggen, en dan zou de oude soldaat haar misschien doodslaan.

En toen ze hem daar een poos had zitten aanstaren, begon ze te vinden, dat hij er zoo griezelig uitzag. Het was zoo onbegrijpelijk, dat men niet met hem over oorlog mocht praten. Daar moest iets akeligs achter steken, wat ze niet begreep. Ze voelde, dat die oude daar een gevaarlijk mensch was. Ze wou maar dat ze van hem weg was. Ze had ’t liefst de deur uit willen loopen.

Ze werd àl banger, en toen Back-Kajsa eindelijk klaar was en ze afscheid namen, was het kleine meisje buiten zich zelf van angst voor dien ouden man. [154]

Maar als hij was geweest als andere oude soldaten en gezegd had, dat oorlog het allervoornaamste was in de wereld, en er op had gepocht, dat hij honderden menschen had doodgeslagen en dorpen en steden verbrand, zou ’t kleine meisje heelemaal niet bang voor hem zijn geweest. [155]