DE 17DE AUGUSTUS.
I.
’t Is niet zoo gemakkelijk te verklaren hoe het kwam, dat de zeventiende Augustus, de verjaardag van Luitenant Lagerlöf, zoo’n groote dag werd, als hij eindelijk was. Maar men moet bedenken, dat als er zooveel begaafde menschen op een plaats als Ooster Ämtervik bij elkaar waren, het immers noodig was, dat ze ten minste eens in ’t jaar konden toonen wat ze konden.
Als er b.v. drie sprekers waren als ingenieur Noreen op Herrestad en de man van den rijksdag Nils Andersson van Bävik en koopman Theodoor Nilsson op Visteberg, van wie de eerste aanleg had in de pathetische, en de tweede in de ernstige en de derde in de poëtische richting, dan zou het toch heel jammer zijn, als ze nooit anders zouden optreden dan op kleine feestjes en gemeentevergaderingen.
En als er een dichter was als de koster Melanoz! Hij hoorde elken dag hoe de kleine kinders spelden [163]en stotterden en zich met moeite door het doolhof van de Zweedsche taal heenwerkten. Hij had behoefte om ten minste eens in het jaar die arme mishandelde taal in hooggestemde huldezangen uit te laten klinken.
En als er in de gemeente een kwartet was, bestaande uit zangers als Gustaaf en Jan Asker, uit het oude speelmansgeslacht en de twee gebroeders Alfred en Tage Schullström, die hun winkel bij de kerk hadden! Wel waren de menschen er hun heel dankbaar voor, zoo dikwijls zij zich lieten hooren, maar voor hen zelf was het immers een vreugde en een opwekking om te mogen zingen in een zoo groot en plechtig oogenblik, voor zulke veeleischende en kritische toehoorders.
En de oude Asker, die dansmuziek op bruiloften placht te spelen, waar niemand er om geeft welke geluiden er uit de klarinet komen, als er maar maat en gang in de muziek is,—hij was altijd heel gelukkig, als hij op den 17den Augustus naar Mårbacka mocht komen; want de jonge menschen daar begrepen immers wat zijn kunst waard was en zeiden hem, dat er geen muziek in de wereld was, waar je zoo heerlijk op kon dansen als op de zijne.
En als er een kopersextet was met den inspecteur [164]van Gårdsjö en Tage Schullström en sergeant Johan Dahlgren en een handelsbediende en twee muzikale onderwijzers van de lagere school, en nu die de onkosten hadden gedragen van instrumenten en muziekboeken, en marschen, walzen en ouverturen, en een bloemlezing uit de volksliederen hadden ingestudeerd, dan zou het toch al heel droevig geweest zijn als er niet een buitengewone feestdag was geweest, waar zij het loon van den triomf voor hun moeite hadden kunnen ontvangen.
En als er nu behalve dat alles onder de familieleden, die op Mårbacka vaak ’s zomers als gasten vertoefden, twee zulke grappenmakers waren als de auditor Oriel Afzelius, die met de zuster van Mevrouw Lagerlöf was getrouwd en haar broer Kristofer Wallroth, dan was het immers goed, dat er zoo diep in ’t boerenland een feestdag was, groot genoeg om het voor hen begeerlijk te maken zich te laten hooren.
En als er bovendien onder de gasten zulk een geboren primadonna was als Mevrouw Hedda Hedberg, de mooie, vroolijke Stockholmsche, die zangeres en tooneelspeelster was, en als voor het tooneel geschapen, hoewel ze getrouwd was met een armen luitenant uit Wermeland, dan kan men toch bijna wel zeggen, dat het goed en héél [165]noodig was, dat er den 17den Augustus op Mårbacka een feest werd gevierd, waar haar talent en dat van al die anderen tot hun recht konden komen.
II.
De eerste jaren, dat Luitenant Lagerlöf op Mårbacka woonde, werd de 17de Augustus alleen maar als een gewone verjaardag gevierd, met bloemen op de koffietafel en een versiering van groen aan het kopje van den luitenant. De naaste buren kwamen feliciteeren en zij werden als gewoonlijk op koffie, limonade, punch en toddy getracteerd en bleven meê ’t avondeten om negen uur gebruiken. Zij amuseerden zich met een gezellig praatje en na het avondeten zetten zij gewoonlijk de tafel uit de zaal en deden een dansje.
Maar ’t gerucht moet zeker door de streek zijn gegaan, dat die verjaarfeesten op Mårbacka heel gezellig waren, en daar er nooit uitnoodigingen werden rondgezonden, maar ieder, die komen wilde, welkom was, kwamen er langzamerhand steeds meer menschen.
De families werden ook grooter en zoodra de kinderen konden spreken en loopen, moesten ze meê naar Mårbacka om Luitenant Lagerlöf te feliciteeren. [166]’t Gebeurde ook vaak, dat de buren, die er altijd bij waren geweest, gasten hadden en die werden natuurlijk ook meêgenomen.
Eenzame, ongetrouwde jonge heeren, die in dien tijd uren ver konden rijden om wat te dansen, begonnen zich aan te wennen Luitenant Lagerlöf den 17den Augustus te gaan feliciteeren en de familieleden, die veraf woonden en in den zomer op Mårbacka kwamen, richtten het langzamerhand zóó in, dat ze daar op zijn verjaardag waren.
En omdat het altijd mooi weer was op den 17den Augustus, zoolang Luitenant Lagerlöf leefde, waren de gasten gewoon als tijdverdrijf rond te gaan om naar zijn gebouwen en tuinaanleg te kijken. Als er veel jongelui waren, begonnen ze al te dansen vóór het souper. Prettig en gezellig hadden ze het wel, maar toch niet beter dan ergens anders.
Maar toen kwam Luitenant Adolf Hedberg en zijn jonge mooie vrouw om de een of andere reden in Ooster Ämtervik wonen. En den volgenden keer, dat Luitenant Lagerlöf zijn verjaardag vierde, gebeurde het, dat midden op het feest een oude boerenvrouw in de keuken kwam met een mand eieren, die ze wou verkoopen. Ze werd dadelijk afgewezen, omdat niemand tijd had eieren te koopen in de drukte van ’t feest, maar zij verloor daarom den [167]moed niet; zij ging met haar mand naar de veranda, waar de luitenant zat met een grooten kring heeren. Zij werd heelemaal niet verlegen in dit groote gezelschap, maar sprak zoo vlug en levendig en hield zóó aan, dat hij haar eieren moest koopen om haar weg te krijgen. En toen zij ’t geld gekregen had en ’t in haar zak had gestoken, wilde ze nog niet heengaan. Nu moest ze weten wie die andere heeren waren en liet zich zeker wat al te ongegeneerd over hun uiterlijk uit. Eindelijk vond de jonge luitenant Hedberg, die ook in den kring zat, dat de scherts wat te ver ging, zoodat hij zijn zwijgenden mond opende en zei:
„’t Is nu ’t beste, dat je hiermeê maar ophoudt, Hedda,” waarop de oude boerin hard wegliep, en hem een flinken duw gaf, terwijl ze uitriep:
„Maar Adolf, hoe kun je nu zoo leelijk doen en zeggen, dat ik het ben!”
En dat was ook zeker jammer, want ze was zoo goed verkleed, en had zoo prachtig Wermelandsch gesproken, dat niemand op de gedachte was gekomen, dat dit de aardige Stockholmsche mevrouw was.
Maar dat grapje had de andere talenten in beweging gebracht en tegen den avond begon Kristofer Wallroth Erik Bögh’s liederen te zingen. Hij had [168]nu juist geen sterke stem, maar hij deed des te meer zijn best op de voordracht, en al zijn toehoorders waren slap van lachen. En op ’t laatst had de auditeur Afzelius een zijden doekje om ’t hoofd geknoopt en een mantille over de schouders gegooid om „Emilies hartklopping” te zingen en te declameeren. En dat werd natuurlijk het glansnummer van den avond, want de auditeur was uitgelaten, als hij de rol van een jong, hartveroverend meisje speelde.
Terwijl dit alles gebeurde, had zeker de koster Melanoz zich er over zitten ergeren, dat het alleen maar zulke stadsmenschen waren, die er slag van hadden aardige dingen voor den luitenant en zijn gasten te doen. Hij vond, dat dit zijn eer te na was.
’t Volgend jaar was hij het, die groote dingen deed. De luitenant had een heeleboel kleine geweertjes, die op Mårbacka gemaakt waren, aan de school van Östanby ten geschenke gegeven, opdat de schoolkinderen zouden leeren exerceeren. Hij had zelfs een ouden sergeant naar de school gezonden om hun de eerste handgrepen te leeren. En dat gaf den koster aanleiding om met al zijn schoolkinderen op den verjaardag van den luitenant naar Mårbacka te marcheeren. [169]
Ze droegen een vlag vooruit, ze sloegen op een trommel en hadden een geweer op schouder. Ze leken wel een heel leger, toen ze in optocht de laan uitkwamen. Er waren zóó veel, dat de stoet van de waranda naar de knechtenkamer reikte, waar de koster, die de aanvoerder van de schare was, hen halt liet houden.
Eerst zei hij er een paar woorden van, dat deze kinderen waren gekomen om Luitenant Lagerlöf te bedanken, omdat hij er aan had gedacht, dat hun lichaam even goed ontwikkeling noodig had als hun ziel. Toen liet hij hen toonen hoe zij konden marcheeren: links om, en rechts om, en de gelederen sluiten en ’t geweer schouderen.
’t Was een prachtige verrassing, die de koster had bedacht. De luitenant was verrukt en de gasten vonden ’t aardig.
Wat de oude huishoudster, en Juffrouw Lovisa en Mevrouw Lagerlöf er van dachten, toen ze midden onder een groot feest moesten zorgen voor koffie en koekjes voor zestig kinderen, kan men zich ook voorstellen. Iederen volgenden 17den Augustus herinnerden ze zich met schrik dien grooten kinderoptocht, en hoopten maar, dat de koster niet weer met zoo’n groote bende aan zou komen.
Dienzelfden dag, dat de koster met de schoolkinderen [170]aankwam, waren de ingenieur Noreen en zijn vrouw ook op de gedachte gekomen, dat het ongeschikt was, dat alleen menschen buiten de gemeente iets aardigs voor den luitenant zouden bedenken op 17 Augustus. Tegen den avond werd het mooie maneschijn en toen trok de ingenieur een kort zwart fluweel manteltje aan en zette een baret met veer op, en Mevrouw Emilie deed een ouderwetsche japon met hooge pofmouwen aan. En toen speelden ze op het pad voor de waranda een paar tooneelen uit Börjessons Erik XIV. Die voorstelling in den maneschijn was mooier dan men zich kan voorstellen, want Erik Noreen had zich zoo heelemaal in de rol van koning Erik ingeleefd, dat men vond, dat ieder woord uit zijn hart kwam, en zijn vrouw was lief en verlegen en een beetje bang, zooals Karin Månsdochter wezen moest.
’t Volgend jaar waren er den 17den Augustus meer menschen dan ooit op Mårbacka. De eene wagen, tandem en kariool, na de andere reed voor. Een zeventig, ja misschien tachtig menschen kwamen binnenkort bijeen. ’t Bleek duidelijk, dat het overal bekend was geworden, dat men op dien dag op Mårbacka allerlei aardige dingen kon zien, die nergens anders te vinden waren. [171]
Maar dien keer was de luitenant erg verlegen, omdat er niets merkwaardigs was om de gasten aan te bieden. Dien dag ging het op Mårbacka toe als op een gewoon feest. De jongeren begonnen vroeg op den middag te dansen, de heeren zaten bij hun toddy, de oudere dames waren in de voorkamer gaan zitten en smulden van bessen en suikergoed. Niemand verveelde zich, want de auditeur Afzelius en proost Hammargren aan den eenen kant en Mevrouw Hedda Hedberg en Mevrouw Nanna Hammargren aan den anderen kant verstonden de kunst een gezelschap te onderhouden. Maar niemand scheen zich op een of ander voorstelling te hebben voorbereid. Niet eens een gewone verjaardagtoast liep van stapel.
De luitenant keek om zich heen naar alle kanten. Nergens merkte hij geheimzinnige gezichten of drukke voorbereidselen.
Toen het begon te schemeren kwamen er massa’s menschen uit den heelen omtrek naar Mårbacka stroomen. Ze stonden in donkere groepen op de breede paden voor het woonhuis te wachten. De luitenant had medelijden met allen, die de moeite hadden genomen, daarheen te gaan. Er was immers niets te zien.
Toen de avondmaaltijd voorbij was, merkte hij [172]toch, dat er een kleine beweging van spanning en verwachting door ’t gezelschap ging.
Men kwam naar hem toe met een leunstoel, versierd met bloemen en verzocht hem daarin plaats te nemen. En nauwelijks zat hij daar of hij werd omhoog getild door sterke armen. Jan Asker hief een marsch aan, de heeren boden de dames den arm, en in een langen stoet gingen zij uit in den nacht. Maar men liep niet lang in het donker. De weg leidde naar den tuin en zoodra men om den hoek van ’t huis kwam, zag men den heelen omtrek vóór zich, door een massa gekleurde lampions verlicht.
De luitenant werd door de verlichte paden tot het kleine park gedragen. ’t Was voor ’t eerst, dat men op Mårbacka zulk een illuminatie had geprobeerd en hij was er heelemaal verbaasd over, zoo mooi als de tuin er uitzag. Was dat hetzelfde veld, waar hij en de oude tuinman nog maar een paar jaar geleden waren rondgegaan en hadden gemeten en bloemperken afgezet?
Van alle kanten hoorde men uitroepen van verrukking. Wat stonden de struiken daar donker en geheimzinnig, wat waren de lanen oneindig lang en hoog onder ’t bladgewelf. Wat glansden de bloemen mooi in dat wisselend licht en hoe hingen [173]niet de bladeren boven in de boomen als kostbare bontgekleurde draperieën!
De optocht hield stil op een van de open plekken in ’t park. De stoel van den luitenant werd neergezet, en zijn verblinde oogen zagen in een grot van bloemen en groen, waar Flora op een voetstuk stond, met een groote groep kleine nimfen om zich heen, en met een prachtige stem een danklied zong voor den schepper van den tuin.
„Ach, ik had wel kunnen weten, Hedda,” riep de luitenant de schoone bloemengodin toe, „ik had wel kunnen weten, dat je me niet vergeten zou!”
III.
’t Is ongeveer vier uur op den middag, den 17den Augustus, en de jongste meisjes op Mårbacka, Selma en Gerda, zijn bezig om zich voor ’t feest te kleeden, als ’t kamermeisje op de zolderkamer binnen komt, waar ze zijn,—want hun eigen kamer hebben ze natuurlijk afgestaan aan de familieleden, die op Mårbacka logeeren.
„Selma en Gerda! Jelui moeten beneden komen om te ontvangen,” roept ze. „Niemand is nog klaar en de eerste rijtuigen komen al de laan afrijden.” [174]
Nu krijgen de kleine meisjes ’t druk; maar tegelijk voelen ze een trilling van geluk. Stel je voor, nu begint het! Stel je voor, nu begint de 17de Augustus!
Ze knoopen hun jurken dicht, steken de broche op den halsdoek en haasten zich naar beneden. Geen van de volwassenen is nog te zien. Niet eens hun oudste zuster kan hen bij ’t ontvangen helpen, omdat ze bezig is met de laatste repetitie van het tooneelstuk voor den avond.
De gasten zitten al op de waranda. ’t Is mijnheer Nilsson van Visteberg, met zijn vrouw en drie, vier kinderen. Zij komen altijd te vroeg op feesten, maar nooit hebben ze zoo’n haast als op den 17den Augustus. En daar verwonderen de kleine meisjes zich heelemaal niet over. Alle menschen moesten immers verlangen naar Mårbacka te komen op zulk een dag.
’t Duurt misschien wat lang voor de gasten en voor hun kleine gastvrouwen, vóór het volgend rijtuig komt en de huisgenooten zich vertoonen. Maar vandaag is het de 17de, vandaag let men op zulke kleinigheden niet.
Zij, die daarna aankomen, wonen ver weg. ’t Zijn dominee Alfred Unger van Wester Ämtervik en zijn familie. Zij komen in een rijtuig met twee [175]paarden en hebben meer dan twee mijl gereden. ’t Rijtuig is vol vrouwen en kinderen; maar dominee Unger zit zelf op den bok, want hij is een echte paardenliefhebber.
Luitenant Lagerlöf is eindelijk klaar en komt juist naar buiten op de veranda, als dominee Unger de plaats oprijdt.
„Maar lieve hemel, Alfred,” roept hij hem toe. „Wat heb je met je paarden uitgevoerd? Zij lijken op elkaar als twee eieren.”
„Houd je stil, en verraad geen geheimen op je verjaardag,” roept dominee Unger terug.
Zie, de zaak is deze: dat hij twee mooie rijpaarden heeft, die precies op elkaar zouden lijken, als niet de een een bles op ’t voorhoofd had. Maar de dominee heeft bedacht een paar stukken wit leer in ’t hoofdtuig te zetten, waar de riemen elkaar kruisen over ’t voorhoofd van de paarden, zoodat niemand vermoeden kan, dat de paarden niet precies gelijk zijn.
Men zou dat heelemaal niet vermoed hebben, maar dominee Unger was zóó trotsch op zijn bedenksel, dat hij het links en rechts verteld had, en zoo had de luitenant het gehoord.
Maar trouwens—van de pastorie in Wester Ämtervik komt niet alleen één rijtuig. Nu verschijnt [176]ook een hooiwagen vol jonge menschen. Dat zijn familieleden uit Karlstad, die toevallig juist op tijd kwamen om meê te gaan naar Mårbacka.
Het eene rijtuig na het andere rolt de plaats binnen. Daar komen ze van Gårdsjö,—dat zijn de liefste gasten. Zij rijden voor met een heele rij wagens. Ten deele zijn dat de huisgenooten, ten deele Oriel en Georgine Afzelius en Kristofer Wallroth en zijn jonge zuster Julia, die daar logeeren.
In een van de wagens van Gårdsjö liggen een paar groote, wonderlijke witte pakken, die naar het tooneel gebracht moeten worden. Selma en Gerda worden vreeselijk nieuwsgierig. Zij vragen de meisjes Wallroth wat dat beteekent; maar die hebben beloofd te zwijgen en mogen niets zeggen. Maar zooveel kan er uit hen worden gekregen, dat Oom Oriel iets onbeschrijfelijk prettigs heeft bedacht.
Later komt de oude ingenieur Ivan Warberg uit Angersby in een tandem, vol mooie meisjes.
Dan stijgt een gejubel op van de waranda. Zoo’n verstokte oude jongenheer als Ivan Warberg! Wat bezielt hem?
Ze weten allemaal best, dat die jonge meisjes de dochters van zijn zuster zijn, die zomers bij [177]hem logeeren, maar ze kunnen niet laten Ivan verlegen te maken.
De kleine meisjes Lagerlöf zeggen tegen elkaar, dat het vreemd is, dat Mevrouw Hedda niet komt. Ze woont nu niet meer in Ämtervik, maar ze hadden toch gehoopt, dat ze zou komen en iets prettigs bedenken. ’t Is alsof ’t geen echte 17de Augustus is, als zij er niet bij is.
Nu komen ook de naaste buren; dominee Milén en zijn jongens zijn naar een andere gemeente verhuisd. Vandaag komen de lange mooie dominee Lindgren met zijn kleine gezellige vrouw van de pastorie aanwandelen. Van de andere buurhoeve „Där Ner” in Mårbacka komen Vader Olov en Moeder Kerstin.
Zij zijn zeker niet de eenige boeren, die den luitenant willen feliciteeren. De oude Jon Larsson in Zuider Ås, die de rijkste van de gemeente is, komt met zijn dochter. Het lid van den Rijksdag van Bävik is er met zijn vrouw en de kerkvoogd uit Västmyr met de zijne.
Omdat niemand is uitgenoodigd, is het heel spannend voor de meisjes naast den luitenant op de veranda te staan en te zien wie er komt. Een, die ze met groote onrust verwachten, is Jan Asker. Als hij maar niet op een of andere manier gekwetst is, zoodat hij niet komt. [178]
Ze probeeren te tellen hoeveel er komen, maar dat lukt niet. De menschen stroomen van alle kanten toe. Zouden er niet al wel honderd gasten zijn? Dat hopen ze vurig; ze vinden dat het zoo prachtig klinkt, als men zegt, dat er honderd menschen bijeen waren op Mårbacka den 17den Augustus.
Maar die ontvangst is immers maar de inleiding voor dat wat moet komen. En zoo is ’t ook met het koffiedrinken op het grasveld. De kinderen verlangen maar, dat het voorbij is.
Eindelijk zal het dan beginnen. Het kopersextet stelt zich op voor de trap van de waranda met zijn blinkende instrumenten. De heeren bieden de dames hun arm, een marsch weerklinkt, en met muziek voorop trekken alle paren door den tuin naar het kleine park.
Allen verzamelen zich om een tafel, waar een menigte gevulde glazen staan met bisschop en punch, want wijn komt niet voor op Mårbacka, en de glazen worden aan de dichtstbijzijnden uitgereikt. En nu is het toch wel voor iedereen duidelijk, dat het oogenblik gekomen is voor de verjaarstoespraak en het drinken op de gezondheid van Luitenant Lagerlöf.
De ingenieur Erik Noreen en ’t lid van den [179]Rijksdag Nils Andersson van Bävik en de heer Nilsson van Visteberg staan daar alle drie met hun speech kant en klaar. Ze zien elkaar aan, ze aarzelen en weten niet wat ze moeten doen. Niemand wil zich naar voren dringen en zijn mededinger het woord ontnemen.
„Nu, komt er niets?” zegt de luitenant. Zulke plechtige toespraken vallen niet in zijn smaak, zoodat hij er naar verlangt met dat gedeelte van het programma klaar te komen.
Daar klinkt een heldere stem in klankvol Stockholmsch dialect vlak achter hem, en als hij zich omkeert, komt een mooie zigeunersvrouw uit het kreupelhout en vraagt of ze hem mag waarzeggen. Ze neemt zijn linkerhand tusschen de hare en begint de lijnen daarvan uit te leggen.
Luitenant Lagerlöf is den vorigen winter ernstig ziek geweest, en om weer op kracht te komen, heeft hij weer een reis naar Strömstad gemaakt. En alle avonturen en heldendaden van die laatste reis leest nu de zigeunersvrouw uit zijn hand, en wat meer zegt, ze vertelt ze in vloeiende dichtregelen.
Dat is vermakelijk, maar ook een beetje ondeugend en plagerig, zoodat de menschen lachen, en de luitenant is verrukt.
„Jij ben toch weer eenig, Hedda,” zegt hij. [180]Maar als Mevrouw Hedda op zijn gezondheid heeft gedronken en zelf het hoera roepen heeft geleid en het sextet een fanfare heeft ten beste gegeven, zendt ze de drie sprekers van Ooster Ämtervik een scherpen blik.
„Excuseer u mij, dat ik u vóór was en u stoorde. Nu is de beurt aan de inwoners van de gemeente.”
„De inwoners zijn al heelemaal verslagen, Mevrouw Hedberg,” antwoordt de ingenieur Noreen.
Op datzelfde oogenblik hoort men de klarinet van den ouden Jan Asker in den tuin uit de verte. En een glanzen van blinkende helmen en harnassen schemert door de boomen.
En nu blijkt het, dat Jan Asker en de koster Melanoz onderweg drie van de onsterfelijke asen zijn tegengekomen: Freja, Odin en Thor, die op weg waren naar Mårbacka, maar verdwaald zijn. Zij hebben hen terecht geholpen, en nu ze goed en wel zijn, waar ze wezen moesten, laten zij de stralende goden zelf spreken.
Neen—niet „spreken”. De drie goden zingen op de bekende melodie van „Kom, schoone Mei”, een lied van alles, wat er in den tijd van Luitenant Lagerlöf op Mårbacka gebouwd en ontstaan is. Ieder woord is waarheid, en men ziet verscheidene van de gasten de tranen in de oogen krijgen. De [181]luitenant zelf is bewogen door het gedicht van zijn ouden vriend.
„Melanoz houdt zich kranig vandaag,” zegt hij. „Nu geloof ik zelfs, Hedda, dat de inwoners het winnen.”
Hiermeê is het feest uitnemend en plechtig ingeleid. De gasten verspreiden zich in den tuin, bekijken de bessenstruiken en de boomen, ja, enkelen willen probeeren of de heerlijke appels op Mårbacka al beginnen te rijpen.
Maar na een poosje klinkt een nieuwe fanfare. Weer bieden de heeren de dames hun arm en nu worden ze uit den tuin het huis binnen en de moeilijke zoldertrap opgeleid.
Op den zolder zijn plaatsen voor toeschouwers in orde gebracht vóór een klein tooneel, van witte draperieën gemaakt. Dat heele tooneel is het werk van Mevrouw Lagerlöf en zoo mooi als men zich maar voorstellen kan.
Een oogenblik wachten! En ’t gordijn gaat op voor een allegorische voorstelling, die Oriel Afzelius op dienzelfden morgen heeft geschreven en die getiteld is: „De monnik en de danseres.”
De handeling speelt op Luitenant Lagerlöfs eersten geboortedag, den 17den Augustus 1819. Bij de wieg van den pasgeborene staan niet de gewone [182]feeën, maar twee symbolische personen: een monnik en een danseres. En de danseres wil van het knaapje een vroolijken, levenslustigen kavalier maken; de monnik daarentegen verlangt, dat hij een man van ernst en onthouding zal worden. Na een levendige woordenwisseling worden ze het er toch over eens, dat ieder de helft van den levensweg van ’t kleine Mårbackakindje besturen zal. Dat zou dus een poos leven als een jong officier, en daarna, in de tweede helft van zijn levensloop tot rust komen en onthouding en goede werken beoefenen op Mårbacka als zijn klooster.
Dat is heerlijk, heerlijk! Oriel Afzelius als monnik en Kristofer Wallroth als danseres in sluiers en gaas gekleed, zingen op de wijs van aria’s en duetten uit de meest bekende opera’s; ze gesticuleeren en parlementeeren met het plechtigste pathos en eindigen hun twistgesprek met een uitgelaten dansje.
Als ’t gordijn valt, houdt het applaus maar niet op. De toehoorders klappen, stampen, roepen en wuiven. Mevrouw Lagerlöf zit in angst, dat de zoldervloer dien storm niet zal kunnen verdragen; maar de luitenant roept met luider stem:
„Ach, ach Melanoz, nu winnen de menschen buiten de gemeente het weer!” [183]
De jongeren op Mårbacka hebben een tooneelstukje ingestudeerd, en daarvoor is het tooneel in orde gemaakt. Maar nu ze zullen beginnen zijn ze moedeloos. Ze hebben immers niets te vertoonen, dat ook maar te vergelijken is met de allegorie van oom Oriel.
Anna Lagerlöf is nu veertien jaar en ze zal nu voor ’t eerst optreden in een echte rol. ’t Stuk heet: „Een sigaar”, en zij moet spelen voor de jonge Mevrouw.
Maar ’t wordt heelemaal geen nederlaag, en daarvan komt de eer toe aan kleine Anna. Waar in de wereld haalt dat kleine meisje haar moed en talent vandaan! Ze speelt zoo allerliefst en zoo zeker, dat de toeschouwers zich onophoudelijk er over verbazen. „Dat meisje wordt hartveroverend,” zeggen ze. „Neen maar! dat wichtje is immers heel mooi!” hoort men van een anderen kant. „En wat speelt ze goed!”
Ze wordt geapplaudisseerd en teruggeroepen zonder eind.
„Ziet u wel, luitenant,” roept de koster Melanoz tusschen al ’t lawaai door, „dat de inwoners het tòch winnen!”
Eindelijk komen allen toch goed en wel van de zoldertrap af en nu begint het dansen en praten, [184]het toddy drinken en vertellen, waar men tot nu toe geen tijd voor heeft gehad.
’t Souper wordt tegen middernacht rondgediend en daarna komt het aansteken van de gekleurde lampions. Dat mag niet ontbreken, dat komt ieder jaar terug.
Dien nacht heeft men voor de variatie de illuminatie naar ’t veld vóór ’t huis verlegd.
Ach, wat is het mooi, nu Juffrouw Lovisa’s bloemengroepen in ’t bontgekleurde licht staan, nu de treuresch als een lantaren straalt van licht, nu ’t is, alsof de donkere struiken vol vuurbloemen hangen.
Nu komen alle menschen naar buiten om de illuminatie te zien. Ze blijven staan als verblind. Waar is al die schoonheid vandaan gekomen? ’t Is immers als een tooverland.
’t Kwartet begint dadelijk te zingen. De toonen komen de stemming verhoogen.
Dan gebeurt er iets merkwaardigs. ’t Is alsof een zachte, zoele wind komt aansuizen. Ja eigenlijk weet niemand wat het is, maar al die menschen, die nu bijna tien uur bij elkaar zijn geweest, samen hebben gepraat, gedanst en gespeeld, tooneelstukken hebben gezien, zang en toespraken hebben gehoord—nu zijn ze als ’t ware voldoende voorbereid. [185]Als ze de schoonheid van den nacht en den zang ondergaan, worden ze door een zachte verrukking en liefelijke bekoring meêgesleept. Wat is het leven mooi, wat zijn de oogenblikken kostbaar, wat is iedere ademhaling een genot!
Alles wat de zangers zingen, ieder woord, iedere toon vindt weêrklank. En meer dan dat, die gevoelens zijn gemeenschappelijk: allen voelen zich vereenigd in één groot geluk.
Mevrouw Hedda krijgt een inval. Zij gaat op de bovenste trede van de verandatrap staan en begint het Wermelandslied te zingen.
Allen zingen meê. Op die manier vinden ze een uiting voor hun gevoel. Ach Wermeland, schoon, heerlijk land!
’t Is alsof de struiken en ’t kreupelhout meezingen, alsof de kabouters bij deze melodie een contra-dans uitvoeren onder de groote ahornen.
De menschen drukken elkaar de hand met tranen in de oogen. Niemand verwondert zich daarover. ’t Is zoo’n onuitsprekelijk geluk te leven, dat men zijn tranen niet bedwingen kan.
Als de zang ophoudt, treedt de ingenieur Noreen naar voren naar de plaats, waar Mevrouw Hedda zooeven stond. Ook hij wil de stemming van dit oogenblik vertolken. [186]
„Dít is de 17de Augustus,” zegt hij. „Niet het lied, niet het tooneelspel, niet de dans, niet de menschenmassa, maar dit, wat we nu voelen, dat stille, plechtige geluk, dat nu in ieder hart is gedrongen, die liefde en wederliefde, die door den nacht over ons stroomt, dit is ’t waarnaar we verlangden, toen we hierheen kwamen.
„Dit is het, waarvoor we ’t volgend jaar terug zullen komen. Beste Erik Gustaaf, hoe komt het, dat we naar jou toe moeten komen om ons met ons lot verzoend, trotsch op ons land, blij met ons zelf en met allen om ons heen te voelen? Je bent geen groot mensch. Je hebt geen merkwaardige dingen gedaan. Maar je hebt die groote welwillendheid, die met open armen staat. Wij weten, dat je, als je kon, ons allen en de heele wereld zou willen omvatten in één omhelzing.
„Daarom is ’t, dat het je ieder jaar is gelukt ons een paar uur zaligheid, een paar uur paradijsgevoel te geven, iets van wat we in onze taal hier in Ooster Ämtervik „den 17den Augustus” noemen.” [187]