WeRead Powered by ReaderPub
Mårbacka cover

Mårbacka

Chapter 24: SLOTWOORD.
Open in WeRead

About This Book

The narrative offers episodic recollections of childhood spent at the family estate, portraying domestic routines, servants, and small household dramas. It sketches characters such as a stern, unsentimental childminder and a warm grandmother, details of the children's rooms and toys, and the everyday noises and mishaps that shaped their mornings and nights. Through vivid anecdote and attentive description of objects, rooms, and seasonal life, the voice evokes a rural household's texture, mixing affection, mild anxieties, and humor while arranging memories into short, interlinked portraits rather than a single linear plot.

[Inhoud]

SLOTWOORD.

’t Was de 17de Augustus 1919.

Ik had een krans laten maken, zóó mooi als die maar op Mårbacka kon worden, en met dien vóór me in ’t rijtuig reed ik naar de kerk. Ik was zelf in feestkleeren, ’t rijtuig was pas geschilderd en vernist en de paarden hadden hun beste tuig op.

’t Was de mooiste dag, dien een mensch zich voorstellen kan. Zonneschijn lag over de aarde, warmte was in de lucht, en enkele mooie, witte wolken dreven langs den hemel. ’t Was Zondag en ik zag menschen in feestkleeren zich voorbereiden voor den kerkgang. Geen koeien, of schapen, of kippen, liepen het rijtuig in den weg, toen we door Åsby reden, zooals ze in de week plachten te doen.

Er stond een oogst op ’t veld, alsof de goede, oude tijd weer teruggekomen was. Alle hooischuren, die ik voorbij reed, waren zóó vol, dat deuren en vensters niet gesloten konden worden. Alle rogge-akkers waren met dichte rijen schooven bedekt, alle [188]appelboomen, die voor de huizen in Ås groeiden, hingen vol roode halfrijpe appels en alle pas bezaaide velden waren vol pas opgekomen gewas, dat juist groen begon te worden.

Ik zat er over te denken, dat Luitenant Lagerlöf, die vandaag zijn honderdjarigen verjaardag had, dit alles graag zou hebben gezien. Dit was welstand, dit was niet als in 1918 en 1917, en 1915, 1914 en 1911—die vreeselijke jaren, toen alles verdroogde. Hierover zou hij zich hebben verheugd, hij zou in zich zelf hebben geknikt en verzekerd, dat er ten minste in Wermeland nergens alles zóó groeien kon als in zijn gemeente.

Heel dien rit naar de kerk waren mijn gedachten bij hem. Dezen weg door Ås had hij zoo ontelbare malen afgelegd, en ik kon me voorstellen met hoeveel belangstelling hij alle veranderingen zou hebben opgemerkt. Elk huis, dat geschilderd, elk venster, dat er bij gekomen, elk dak dat van pannen voorzien was, zou hij hebben aangewezen en besproken. Over de hut: „Där Fram” in Ås zou hij zich hebben verheugd, omdat die volkomen was gebleven als ze was. Maar als hij had gezien, dat het oude woonhuis van Jan Larsson, in zijn tijd het voornaamste, was afgebroken, zou hij dat hebben gevoeld als een groot gemis. [189]

Hij was nooit een tegenstander geweest van veranderingen en verbeteringen, zelfs al was er veel van ’t oude, dat hij niet had willen aantasten. Zeker zou hij hebben gezegd, dat we stumpers waren, die nog heden ten dage even scheeve en overhangende hekken hadden als in zijn tijd. En dat de greppels aan den weg nog altijd waren dichtgegroeid en de huisjes oud en vol gevaarlijke gaten, en dat de mesthoopen nog altijd aan den kant van den weg lagen, zou hem niet hebben verblijd.

Toen ik aan den kruisweg kwam, waar de straat ophield, en de groote landweg begon, zou het prettig zijn geweest hem het badhotel te laten zien, dat daar tusschen de heuvels lag, en hem te vertellen, dat Åsbron elken zomer door honderden gasten werd bezocht. Het zou hem hebben verblijd, dat de gedachte, die hij had gehad, dat het een groote badinrichting kon worden, niet zoo verkeerd was geweest.

Ik zou hem graag bij mij in den wagen hebben gehad toen ik over de brug in Ämt reed? ’t Zou aardig zijn geweest hem te laten zien hoe de rivier eindelijk was uitgediept en recht tusschen haar oevers lag. Nu kon zij niet meer buiten haar oevers treden bij iedere regenbui en den bodem [190]van het dal tot een meer maken, heel van Mårbacka tot aan de brug toe.

Toen ik voorbij de school in Östanby reed, was het me, alsof ik hem bij ’t hek van de schoolplaats zag staan, gelukkig en opgewekt, zooals altijd, wanneer hij veel kinderen om zich heen had, en handenvol kopermunten onder de kleintjes uitstrooide.

Ontelbare malen had ik hem hooren zeggen, dat het volksonderwijs een ongeluk was en ons ten val zou brengen; maar toch reisde hij naar de school van Östanby op iederen examendag en bleef daar uren lang, terwijl zijn goede vriend Melanoz de kinderen de catechismus en geschiedenis overhoorde, en liet zien hoe goed ze konden rekenen en schrijven. En ik geloof niet, dat er iemand in de schoolkamer was, die zoo blij was met alle goede antwoorden en alle mooie getuigschriften en prijzen.—Ik herinner me hoe dikwijls ik me daar vroeger over heb verwonderd. Nu begrijp ik wel, dat—zoodra het kinderen gold, hij zijn principes over boord gooide.

Ik herinnerde me zoo goed hoe het was als we vroeger het plein voor de kerk opreden, als de menschen voor het rijtuig opzij sprongen met vroolijke groeten en Luitenant Lagerlöf daar glimlachend [191]zat en onophoudelijk de hand aan den rand van den hoed bracht. Terwijl ik nu over datzelfde plein reed, vond ik het er heel leeg en eenzaam. Ik zat alleen in den wagen en onder allen, die naar de kerk kwamen, was ik alleen met mijn herinnering, dat het de honderdste verjaardag van mijn vader was.

Ik stapte uit het rijtuig en ging naar het graf achter op het kerkhof met den krans om dien daar neer te leggen. En mijn treurend hart schreide er om, dat zij daar allen lagen, die allen, die ik liefhad: Vader en Moeder, Grootmoeder en Tante en de oude huishoudster—die allen, die ik meê ter ruste had gebracht.

Ik verlangde naar hen, ik wou, dat ze weerkwamen op Mårbacka en het bevolkten, zij, die het met hun arbeid hadden opgebouwd.

Maar stil, zwijgend en onbereikbaar sliepen zij daar beneden. Zij schenen mij niet te hooren.

Misschien deden ze dat toch wel. Misschien werden die herinneringen, die mij de laatste jaren omzweefden, wel door hen gezonden. Ik weet het niet, maar ik geloof het zoo heel graag. [192]