HOOG BEZOEK!
Johan en Anna waren heelemaal uit het veld geslagen, omdat er zoo’n beweging werd gemaakt over Selma’s ziekte.
Dat was wel te begrijpen. Johan was al zeven jaar en bezig lezen te leeren van Mijnheer Tyberg. Hij was immers een jongen en hij werd bijna als de oudste beschouwd. Wel had hij een ouderen broer, maar die was nooit thuis. Hij woonde bij de ouders van zijn moeder in Filipstad. En nu was ’t opeens zoo, dat niemand aan hem dacht, maar alleen, enkel en alleen aan het kleinste meisje.
En wat Anna betreft—zij was vijf jaar, en ze kon al naaien en in huis werken; en ze was lief om te zien en de oudste dochter en Moeders lieveling.
Maar wat had ze daar nu aan, nu Selma in haar hoofd had gekregen om ziek te worden?
Zie eens, alle volwassenen werden zoo vreeselijk aangedaan, als ze een kind zagen, dat niet loopen kon. „Hoe zal die stakker door de wereld komen?” [13]zeiden ze. „Nooit zal ze iets van de wereld zien, maar altijd stil op dezelfde plaats moeten zitten. Ze zal nooit trouwen, en niet voor zich zelf kunnen zorgen. Ze zal het zoo moeilijk krijgen.” En allen waren ze heel lief en vol medelijden met het zieke meisje, en daar hadden Johan en Anna ook niets tegen. Maar ze hoefden daarom toch niet heelemaal te vergeten, dat er ook andere kinderen waren.
En wie nog ’t allerergste was—dat was Back-Kajsa. Zij droeg Selma op haar rug en ze stoeide met haar en vertelde haar, dat ze een engeltje was. Vader en Moeder, Tante en Grootmoeder waren toch ook niet veel beter. Had die knappe meubelmaker in Askersby niet een wagentje voor haar moeten maken, waar Back-Kajsa haar in reed? En mochten Johan of Anna ooit dat wagentje hebben om zand in te rijden? Neen—dat was voor Selma, dat mochten zij niet vuil maken!
Johan en Anna wisten allebei, dat er, toen Selma nog loopen kon, niets bijzonders aan haar was, maar nu kon er geen bezoek komen, of zij moest naar binnen gedragen worden en om en om gekeerd om bekeken te worden. En kwam er een boerenvrouw in de keuken, dan was Back-Kajsa er dadelijk om haar Selma te laten kijken. [14]En ’t ergerlijkste was, dat Back-Kajsa er aldoor over moest praten hoe lief en bijzonder zoet ze was. Nooit schreide ze, en nooit was ze knorrig, hoewel ze niet loopen kon.
Johan en Anna wisten niet waarom ze niet zoet zou zijn. Kijk eens aan hoe zij ’t had! Ze werd den heelen dag gedragen en verzorgd en verwend!
Ja, Johan en Anna waren het er over eens, dat Back-Kajsa heel vervelend was. Ze kon niet verdragen, dat Mevrouw Lagerlöf voor Anna een mooier jurk maakte dan voor Selma, en als ’t gebeurde, dat iemand zei, dat Johan een aardige, lieve jongen was, kon ze nooit laten te zeggen, dat het wel een schande zou zijn, als zoo’n jongen, die loopen kon en gaan waar hij wou, niet lief was.
Dat de oude dokter Hedberg in Sunne keer op keer voor Selma werd gehaald, dat was natuurlijk goed—dat vonden Johan en Anna allebei. Ook konden ze er niet op tegen hebben, dat Högmans Inga, die vaak op de hoeve kwam om koeien en varkens te belezen, ook geraadpleegd werd. Maar wat ze vonden, dat te ver ging, was, dat Grootmoeder, de huishoudster en Back-Kajsa eens, toen Luitenant Lagerlöf niet thuis was, samen overlegden en de gevaarlijke oude tooverheks van Högbergsäter lieten komen, die elken Witten Donderdag [15]een bezem zalfde en naar den Bloksberg reed. Johan en Anna hadden gehoord, dat ze zulk een macht had, dat ze een huis in brand kon steken, alleen door er naar te zien. Ze waren vreeselijk bang zoolang zij op Mårbacka was, en ze vonden het heel verkeerd van Back-Kajsa om daar zulke vreeselijke menschen heen te halen.
Zeker zouden ze Selma graag beter zien. Ze wenschten meer dan eenig ander mensch, dat ze weer gezond zou worden. Maar ze konden toch niet vinden, dat het zoo iets bijzonders was, dat ze een ziekte had weten te krijgen, die niemand beter maken kon. Maar dat vond Back-Kajsa vast en zeker. Als noch dokter Hedberg, die hen zoo vaak van hoesten en pijn in de borst genezen had, of Högmans Inga, die nooit tegenspoed had met varkens en koeien, noch de gevaarlijke tooverheks van Högbergsäter, die een bezemstok levend maken kon, haar helpen kon, vond Back-Kajsa, dat ze hoe langer hoe merkwaardiger werd. Eindelijk, toen Luitenant Lagerlöf met haar naar Karlstad reisde en den regimentsdokter Haak over haar consulteerde en hij er ook niets aan doen kon, barstte Back-Kajsa bijna van hoogmoed. Maar zou ’t niet beter zijn geweest, als Selma een ziekte had gehad, die beter kon worden? Dat vonden zij ten minste. [16]
Johan en Anna zeiden, dat het vervelendste van alles was, dat Back-Kajsa veel te goed voor Selma was, zoodat ze heelemaal bedorven werd. Hoe klein ze ook was, ze had wel ontdekt, dat ze niet zoo gehoorzaam hoefde te wezen als de andere kinderen, die op hun beenen konden staan. Vooral hoefde zij niets te eten, waar ze niet van hield. Als Mevrouw Lagerlöf haar gestoofde raapjes opschepte of spinazie, of hard gekookte eieren, of biersoep, dan hoefde ze haar bordje niet leeg te eten, zooals vroeger. Zoodra ze het wegschoof, ging Back-Kajsa dadelijk naar de huishoudster in de keuken om iets te halen wat zij lekker vond.
Maar dat was nog niet alles. Johan en Anna merkten wel, dat nu noch dokter Hedberg, noch Högmans Inga of de gevaarlijke heks van Högbergsäter haar konden genezen, zij zich zelf zóó gewichtig vond, dat ze geen gewoon eten meer hebben wou, maar liefst gebraden kuikentjes, versche aardappelen of boschbessen met room. En toen ze naar Karlstad was geweest en ook dokter Haak niets voor haar kon doen, wou ze niets anders eten dan gebakjes en confituren.
Johan en Anna hadden gehoord, dat Tante Nanna Hammargren in Karlstad heelemaal wanhopend was geweest over Selma. Zij had voorspeld, dat [17]ze nog dood zou hongeren. En Johan en Anna waren ’t er over eens, dat, als er niet gauw verandering kwam, dit nooit goed zou gaan.
Maar er kwam werkelijk een verandering.
Op een morgen nam Back-Kajsa ’t kleine meisje op haar rug en bracht haar in ’t keukenkamertje. Daar stond een groot wit uittrekbed, waar de oude Mevrouw Lagerlöf gewoonlijk in sliep en Back-Kajsa ging met haar naar ’t bed. „Nu zal Selma eens wat zien,” zei ze en zette haar tusschen de kussens.
’t Bed was opgemaakt, maar niemand had er dien nacht in geslapen en ook nu lag er niemand in. De oude Mevrouw Lagerlöf, die anders gewoonlijk eerst laat op den dag klaar was, zat al gekleed op de sofa en Juffrouw Lovisa, die in dezelfde kamer sliep, was ook al op en aangekleed. Allebei zagen ze er blij en vergenoegd uit, en toen ’t kleine meisje in ’t bed zat, stonden ze op en kwamen naar haar toe.
„Ja, van nacht is er een hoog bezoek gekomen,” zei Grootmoeder en lachte haar toe. Zij begon ook te lachen, want er was immers niets prettigers dan dat er gasten kwamen.
Toen keek ze rond in de kamer en vroeg zich verwonderd af, waar de gast wel zou wezen; hier [18]in de kamer was die ten minste niet. Niet in de gele hoekkast, niet achter de hooge klok aan den muur en niet onder tante’s chiffonnière. Er was maar één plaatsje in de kamer, waar je je echt verstoppen kon, en dat was de afgesloten trap naar den kelder, maar daar zou zeker geen deftige gast inkruipen.
Dat alles was toch heel vreemd. Waarom moest zij in Grootmoeders bed zitten, en waarom stonden de anderen in dat bed te kijken, alsof daar een deftige gast zou zijn? Ze begreep er niets van en keek van de een naar de ander. Toen boog Juffrouw Lovisa zich voorover en verlegde de kussens wat, en toen zag ze, dat er naast haar in bed een klein, langwerpig pakje lag, maar daar dacht ze niet verder over na. Grootmoeder had immers gezegd, dat er een hoog bezoek gekomen was, en dat kon toch niet anders beteekenen, dan dat er iemand was gekomen van heel ver weg, die groote zakken met suikergoed en speelgoed voor de kinderen had meêgebracht. Dat was de gast, waar ze naar uitkeek.
„Zijn ze daar binnen?” vroeg ze en wees naar de zaaldeur. Ze probeerde te luisteren, of er ook iemand sprak in de andere kamer. Ze was in gespannen verwachting, omdat de anderen er zoo blij en gelukkig uitzagen. [19]
„Maar je hebt haar immers bij je,” zei Grootmoeder, en draaide het langwerpige pakje een beetje om. En nu zag ze, dat het twee kleine handjes en een gerimpeld gezichtje had.
Ze keek verachtelijk naar de zuigeling. Zoo iets had ze wel meer gezien, en ze gaf er niets om. Ze keek weer den anderen kant uit en haar gedachten waren bij de gast en de zakken met suikergoed.
„Kijk eens; dit is een zusje, dat van nacht bij je gekomen is,” zei Tante Lovisa. „Je moet heel lief voor haar zijn.”
Daar was ze heelemaal niet op voorbereid. Ze had wel graag nog een zuster willen hebben, als die maar spreken en loopen kon. Maar die zuigeling interesseerde haar heelemaal niet.
Toch—nu begreep ze er zooveel van, dat het haar duidelijk werd, dat er geen deftige gast was gekomen; Grootmoeder had alleen dat stumpertje van een kind bedoeld. Die had geen zakken met suikergoed meêgebracht, dàt begreep ze wel.
Toen voelde ze een groote, bittere teleurstelling. Ze kon haar schreien niet bedwingen en Back-Kajsa moest haar weer op den rug nemen en haar naar de keuken brengen, opdat zij de gast niet wakker zou maken.
Ze had alle reden om te schreien, want van [20]nu af was haar tijd van grootheid en geluk voorbij. Back-Kajsa moest Mevrouw Lagerlöf helpen bij ’t verzorgen van de kleine nieuweling, en die was nog hulpeloozer en had nog meer zorg noodig dan zij. Met dat kleintje kon je ook niet praten, zoodat ze altijd moest wachten en geduld hebben.
Van toen af werd zij ook niet meer zoo vaak aan de bezoekers vertoond; nu moest de zuigeling bekeken en geprezen worden. Al het merkwaardige aan haar raakte op den achtergrond, ze was niet van meer beteekenis dan Anna of Johan. Er kwamen veel droevige uren in ’t jaar, dat nu begon. Niet alleen moest ze ophouden met van gebak en confituren te leven, ’t ging zelfs zoover, dat als Mevrouw Lagerlöf haar gestoofde raapjes, spinazie of peultjes gaf, er niemand kwam om haar bordje weg te nemen en haar iets anders te geven; maar dat ze eten moest wat haar werd voorgezet.
Als Anna een mooier jurk kreeg dan zij, was er niemand, die er aanmerking op maakte. Allen vonden daarentegen, dat dit billijk was, omdat Anna de oudste was.
Ja, nu en dan werd het heel donker in haar kleine ziel, omdat ze er niet heelemaal zeker van was, dat Back-Kajsa niet even veel van ’t kleintje hield als van haar. [21]