WeRead Powered by ReaderPub
Mårbacka cover

Mårbacka

Chapter 5: IN DE HUT OP DE UDDEHOLM.
Open in WeRead

About This Book

The narrative offers episodic recollections of childhood spent at the family estate, portraying domestic routines, servants, and small household dramas. It sketches characters such as a stern, unsentimental childminder and a warm grandmother, details of the children's rooms and toys, and the everyday noises and mishaps that shaped their mornings and nights. Through vivid anecdote and attentive description of objects, rooms, and seasonal life, the voice evokes a rural household's texture, mixing affection, mild anxieties, and humor while arranging memories into short, interlinked portraits rather than a single linear plot.

[Inhoud]

IN DE HUT OP DE UDDEHOLM.

De bewoners van Mårbacka waren nog altijd op reis. Maar nu zaten zij niet langer in de groote koets, maar waren aan boord van een mooie stoomboot, die de Uddeholm heette.

Ze hadden den heelen dag in Karlstad doorgebracht met bezoeken aan familieleden en ’t doen van inkoopen; en tegen den avond waren ze de stad uitgereden en hadden lang staan wachten op een langen steiger, die recht in het groote Weenermeer uitliep. En Back-Kajsa was dadelijk bang geworden, omdat het meer aan den eenen kant in ’t geheel geen strand had, zoodat het haar toescheen, dat daar het eind van de wereld was.

Wonderlijk was ’t geweest om te zien voor haar en de anderen hoe de mooie witte boot juist uit dat strandlooze gedeelte was komen opduiken en naar den steiger was gevaren om hen aan boord te nemen.

Back-Kajsa was meêgegaan, toen zij zag, dat de luitenant en zijn vrouw en Juffrouw Lovisa, en [26]Johan en Anna zonder de minste aarzeling over de loopplank aan boord gingen. Ze geloofde wel, dat Luitenant Lagerlöf zooveel geweten bezat, dat hij niet met opzet zijn kleine kinders aan doodsgevaar zou blootstellen; maar hoe ’t gaan moest, als zij aan ’t eind van de wereld kwamen, dat begreep zij ten minste niet.

Ze had graag op ’t dek willen blijven, om te zien of ’t water recht naar beneden in een afgrond stortte, of waar het heen liep.

Maar zoodra het begon donker te worden, werden alle vrouwen en kinderen verzocht naar beneden, onder het dek te gaan. Ze werden in een vertrek gebracht, dat een hut werd genoemd en dat het kleinste kamertje was, dat ze ooit gezien hadden; en daar begonnen ze zich voor den nacht gereed te maken.

Op een smalle sofa, die den heelen langen wand innam, lag Mevrouw Lagerlöf—heelemaal gekleed—en vlak over haar op een zelfde soort sofa lag Juffrouw Lovisa. Boven Mevrouw Lagerlöf lag Johan op een soort plankje, en op precies zoo’n plankje lag Anna boven Juffrouw Lovisa. Op den vloer tusschen de sofa’s in lag Back-Kajsa op een deken met het zieke meisje naast zich, en daarmeê was het heele kamertje vol, zoodat er niet het [27]kleinste plekje meer over was om te zitten, te liggen, of zelfs maar te loopen.

’t Licht was uitgegaan; allen hadden goeden nacht gezegd en zich neergelegd om te slapen. Een heele poos was het doodstil en rustig geweest. Maar zoo langzamerhand begon de vloer, waar Back-Kajsa en ’t kind lagen, op een wonderlijke manier op en neer te gaan, en ’t kleintje rolde als een bal eerst naar de sofa van Mevrouw Lagerlöf en dan weer terug naar Back-Kajsa. Dat was alleen maar grappig en ’t hinderde ’t kleine meisje heelemaal niet. Ze kon alleen niet begrijpen, waarom de vloer zich niet stil hield.

Na een poosje hoorde ze, dat haar mama en tante Lovisa met elkaar begonnen te fluisteren.

„Ik heb zeker te veel van dien vetten zalm gegeten bij de Sjösteds,” zei Mevrouw Lagerlöf.

„Ik vond, dat ze een heel verkeerd maal hadden gekozen. Ze wisten toch, dat we over ’t Weenermeer moesten,” zei Juffrouw Lovisa.

„Ja, dat Weenermeer is niet zoo best,” zei Mevrouw Lagerlöf met een zucht.

Ook Back-Kajsa begon te fluisteren.

„Zeg u eens, Mevrouw,” vroeg ze, „zijn we nu daar gekomen, waar het meer ophoudt, en ’t water in den afgrond valt?” [28]

„Lieve mensch! ’t meer houdt den heelen nacht niet op,” antwoordde Mevrouw Lagerlöf, die niet begreep wat ze bedoelde.

’t Werd weer stil; maar niet rustig. De vloer ging op en neer en ’t kleine meisje rolde steeds heel genoeglijk heen en weer.

Nu streek Mevrouw Lagerlöf een zwavelstok aan en stak licht aan.

„Ik moet eens zien of de kinderen wel op die plankjes kunnen blijven liggen,” zei ze.

„Goddank, dat je licht maakte,” zei Tante Lovisa. „Er is immers geen denken aan slapen.”

„Voelen Mevrouw en Juffrouw Lovisa niet, dat we al verder en verder naar beneden gaan?” jammerde Back-Kajsa. „Och, hoe komen we ooit weer uit die diepte, hoe komen we ooit weer thuis!”

„Wat bedoelt ze toch?” vroeg Juffrouw Lovisa haar schoonzuster.

„Ze zegt, dat we aan de uiterste grens gekomen zijn,” antwoordde Mevrouw Lagerlöf, die er even weinig van begreep.

Weer lagen ze stil, ieder in zijn eigen gedachten verdiept. ’t Kleine meisje had een gevoel, dat ze bang waren. Zelf had ze het uitstekend. ’t Was alsof ze in een groote wieg lag.

Maar nu was er iemand bij de deur. Een rood [29]gordijn werd op zij geschoven, en Luitenant Lagerlöf stond lachend in de open deur en keek in de hut.

„Hoe is het, Gustaaf? Komt er storm?” vroeg Mevrouw Lagerlöf snel.

„Zoo! zijn jelui wakker?” zei Luitenant Lagerlöf. „Ja, ’t waait een beetje,” gaf hij geruststellend toe. „De kapitein vond, dat ik eens naar beneden moest gaan en zeggen, dat het niet erger zal worden dan nu.”

„Wat ga je doen?” vroeg Tante Lovisa. „Ga je niet liggen?”

„Waar vind je, dat ik moest gaan liggen, lieve Lovisa?” vroeg Luitenant Lagerlöf.

En er was zooiets trouwhartigs en oerkomieks over hem, zooals hij daar stond rond te zien naar een ligplaats in die overvolle hut, dat ze allen begonnen te lachen. Mevrouw Lagerlöf en Juffrouw Lovisa, die zoo pas nog angstig en een beetje zeeziek waren, gingen overeind zitten om beter te kunnen lachen, Johan en Anna lachten daar boven op hun plankjes, zoodat ze er bijna afrolden; Back-Kajsa vergat, dat ze gauw bij die gevaarlijke plek zouden komen, waar ’t meer ophield, en lachte meê en ’t kleintje naast haar schaterde het uit.

Luitenant Lagerlöf schaterde zelden, maar hij [30]stond heel vergenoegd in de deur. Verder kon hij immers niet komen.

„Nu, ik zie, dat jelui ’t nog al goed hebben,” zei hij, toen ze wat tot rust waren gekomen.

„Ik ga maar weer naar boven, een praatje met den kapitein maken.”

Toen zei hij goeden nacht, en ging heen.

In de hut deden angst en gevoelens van zeeziekte weer hun intocht en Mevrouw Lagerlöf deed weer vergeefsche pogingen om Back-Kajsa gerust te stellen, die steeds verwachtte bij den afgrond te zullen komen. Maar het kleine meisje moet ingeslapen zijn, want ze herinnerde zich niets meer, van wat er dien nacht verder gebeurde. [31]