WeRead Powered by ReaderPub
Mårbacka cover

Mårbacka

Chapter 6: ’T GRAUWE EILAND.
Open in WeRead

About This Book

The narrative offers episodic recollections of childhood spent at the family estate, portraying domestic routines, servants, and small household dramas. It sketches characters such as a stern, unsentimental childminder and a warm grandmother, details of the children's rooms and toys, and the everyday noises and mishaps that shaped their mornings and nights. Through vivid anecdote and attentive description of objects, rooms, and seasonal life, the voice evokes a rural household's texture, mixing affection, mild anxieties, and humor while arranging memories into short, interlinked portraits rather than a single linear plot.

[Inhoud]

’T GRAUWE EILAND.

Ze hadden geen zorgen voor ’t middagmaal, toen ze in Strömstad waren, ze konden maar naar de markt gaan en koopen wat ze noodig hadden. Zij hoefden niet ongerust te zijn of het gras voor de koeien wel goed was of over de haver, die niet groeien wilde. Ze leefden tusschen kale rotsen en water en hadden vergeten, dat er akkers en weiden in de wereld waren. Ze hoefden niet in de warme keuken te staan om een feestmaal voor gasten te bereiden, die van verre kwamen, of zich het hoofd te breken met de vraag hoe ze met logeerkamers en beddegoed zouden toekomen. Of ’t vee ziek was, of de huishoudster met de dienstmeisjes kibbelde—zij wisten er niets van. Zij trokken vrij en frank rond en mochten voor hun gezondheid zorgen en zonder angst of bekommeringen voor hun genoegen leven.

Nooit hadden zij zulke goede dagen gehad. Mevrouw Lagerlöf, die wat mager en uitgeteerd in Strömstad was gekomen, werd gevulder en kreeg [32]meer kleur. Zij zag er opeens tien jaar jonger uit en zoo voelde zij zich ook. Juffrouw Lovisa, die dik en zwaar was en zoo verlegen, dat zij liever haar mond niet open deed, waar vreemden bij waren, werd magerder, zag er aantrekkelijker uit en werd gemakkelijker in den omgang.

Johan en Anna kregen veel vriendjes onder de kleine kinders in Strömstad en Johan was zóó verrukt over het krabben visschen, en Anna was er zoo gelukkig meê, dat ze vriendschap gesloten had met een paar kleine meisjes, die dochters van den koekenbakker waren en vaak op ulevellen tracteerden, dat zij verklaarden, dat ze heelemaal niet naar huis wilden.

Wat het kleine, zieke meisje betrof, kon men niet merken, dat zij beter en sterker werd, maar dat trok zij zich in ’t geheel niet aan; ze was even gelukkig als alle anderen. Zij had het volkomen naar haar zin. Back-Kajsa en zij waren weer onafscheidelijk. Zij mocht over haar den baas spelen en werd door haar verwend, zooals in de eerste onvergetelijke dagen van haar ziekte.

Maar wie het ’t allerbeste had—dat was toch Luitenant Lagerlöf. Wel kreeg hij de eerste week veel strenge blikken en onvriendelijke antwoorden, als hij met iedereen, die hij tegenkwam, begon te [33]praten, juist zooals hij op den weg in de buurt van Mårbacka deed. Maar hij liet zich niet afschrikken. Het was zijn eer te na, dat hij geen goede vrienden met de bewoners van Strömstad zou worden. En op den duur konden zij hem ook niet weerstaan. Er ging een glimlach over ’t gezicht van de stugge stoere vrouwen, als hij ze op straat ontmoette, want hij was bij haar in haar huisjes geweest, had naar haar man gevraagd, haar kinderen geprezen en zich op koffie laten tracteeren. Een heele bende kleine jongens liep hem meestal na, omdat zij ontdekt hadden, dat hij altijd den zak vol kopergeld had. Met de visschers was ’t hem gelukt zulke goede vrienden te worden, dat nu de een, dan de ander hem vroeg, of hij niet meê wou uitzeilen om makreel te vangen. Alle oude gepensionneerde zeekapiteins, die zich thuis zaten te vervelen en naar zee verlangden, noodigden hem op grog in hun kleine waranda’s, en vertelden hem van hun vroegere avonturen en doorgestane gevaren.

Luitenant Lagerlöf hield van de menschen en wilde weten hoe ze leefden in deze streek, en hij had niet ’t minste respect voor standsverschil. Nooit ontbrak het hem aan een onderwerp voor een gesprek, en hij zag er zoo goedhartig en [34]vriendelijk uit, dat het waarlijk geen wonder was, dat de menschen in Strömstad van hem hielden.

Maar niemand moet denken, dat hij zich van zijn macht niet bewust was.

Het was de bewoners van Mårbacka met alles meêgeloopen op deze reis. Onder anderen hadden ze goede oude vrienden uit Wermeland ontmoet, waar ze dagelijks meê samen waren. Dat was een Dr. Tobiaeson met zijn vrouw en twee zusters, en een ongetrouwde Dr. Lundström, die tot hun vriendenkring hoorde.

Met deze menschen samen huurden zij een boot, en iederen dag of om den anderen dag maakten zij lange zeiltochten. Die tochten vonden de kinderen heerlijk. Dan vertelde Luitenant Lagerlöf gewoonlijk van al het grappige, wat de menschen in Strömstad tegen hem zeiden. Zij hoorden van menschen, die hem een onvriendelijk antwoord hadden gegeven, en van anderen, die hadden gezegd, dat het zonde en jammer was, dat een man als hij geen schipper was geworden. Dan waren er ook meestal een paar groote hengselmanden aan boord, en als het gezelschap het zeilen moe was, gingen zij gewoonlijk aan land en hielden feest op een of ander rotsachtig eilandje. Dan gingen de kleintjes schelpjes zoeken. Zulke als [35]hier hadden ze nog nooit gezien; ze waren er verbaasd over, dat ze zooveel konden oprapen als ze wilden, van zulke schatten; ze waren er even verrukt over als over de bloemen en dieren op ’t veld.

Ze waren op een van die zeiltochten. ’t Was mooi weer, er stond juist genoeg wind; de hengselmanden waren in de boot. Luitenant Lagerlöf was vol verhalen en allen hoopten op een prettigen avond.

In een ongelukkig oogenblik merkte een van allen op, dat ze nog niet aan land waren geweest op een klein eiland, vlak buiten Strömstad, dat het grauwe eiland werd genoemd en dadelijk werd er besloten, dat zij na den zeiltocht daar zouden aanleggen en hun klein gastmaal daar houden.

Nu was het zoo, dat voor eenige honderden jaren op dat grauwe eiland de beruchte heks de grijze Tita woonde, die machtiger was dan de Booze zelf; en zoo lang zij leefde, stond zij niemand toe op het eiland aan land te gaan. Als iemand dat probeerde, kreeg hij dadelijk een ongeluk, brak een arm of een been, of rolde langs de steile rotswanden naar beneden in zee.

Nu de grijze Tita al lang dood en weg was, kon het toch niet gevaarlijk zijn naar het grauwe [36]eiland te gaan, maar de schipper waarschuwde hen er toch voor. ’t Vorige voorjaar was hij met een paar andere mannen dwars over het eiland geloopen, en een van hen was in een kloof gevallen en had zijn been gebroken, eer ze er vandaan kwamen.

Maar dat maakte het eiland nog bekoorlijker voor de reizigers. Zij verlangden des te meer op het grauwe eiland te komen.

De boot laveerde op het eiland toe en gleed onder tegen den rotswand aan. De schipper zocht naar een geschikte landingsplaats.

Op dat oogenblik trok Anna haar moeder aan den arm.

„Mama!” zei ze. „Selma schreit.”

En dat was werkelijk waar. ’t Zieke meisje zat te schreien. Ze was tot nu toe nog niet bang geweest. Ze had het even prettig gevonden als de anderen om op het grauwe eiland aan land te gaan, maar nu ze bij den rotswand waren gekomen, zag die er zoo donker en griezelig uit. Anders was er niet. Ze schrikte alleen van den rotswand.

De anderen vroegen haar, waarom ze schreide, maar ze wilde niets zeggen. Ze kon toch niet vertellen, dat ze bang was voor een rotswand. [37]

Maar al gauw hield het vragen op, omdat de schipper een landingsplaats had gevonden en allen iets anders kregen om aan te denken.

Zoodra de boot aanlag, stond Dr. Lundström uit Filipstad op en sprong met den tros aan land. Maar juist, alsof er een onzichtbaar wezen aan den wal stond en hem een stoot voor de borst gaf, stoof hij achteruit en viel van den steen, waarop hij stond, regelrecht naar beneden in zee.

Verbazing, schrik, allerlei uitroepen! Maar de angst duurde niet lang. De schipper reikte, vlug als een visschende meeuw over de reling, pakte den jaskraag van den langen dokter en trok hem op uit het water, druipnat, maar volkomen ongedeerd.

Natuurlijk waren allen hevig ontroerd door het schrikkelijk gezicht: een man regelrecht in de levensgevaarlijke diepte te zien vallen. Hoewel het gevaar voorbij was, konden zij niet meer in hun vorige luchthartige stemming komen.

Dr. Lundström zelf stelde voor, dat het heele gezelschap aan land zou gaan, zoodat hij naar Strömstad terug kon varen en zich verkleeden. Dat was immers niet zoo ver, en wanneer zij maar wilden, kon de boot terugkomen om hen te halen. [38]

Maar dat wilden ze niet. Zij hadden genoeg van het grauwe eiland. Niemand had lust op dien steilen steenen oever aan land te gaan, of naar boven te klauteren langs dien dreigenden rotswand.

Men zeilde dus naar Strömstad terug, en allen zaten er over na te denken of er toch iets van waar was—van die oude verhalen. Was dat niet vreemd? Zij waren bijna op alle eilanden in de scheren bij Strömstad geweest en alles was goed gegaan.

„Ik vond het griezelig, dat het kind begon te schreien,” zei een van de dames Tobiaeson. „Toen begreep ik, dat er iets zou gebeuren.”

„Ja, wat zegt nu Luitenant Lagerlöf hiervan?” vroeg haar zuster en wendde zich tot hem.

„Wat ik zeg?” antwoordde hij. „Ik zeg, dat het wel niet anders kon gaan, toen we zoo’n schoolmeester aan land stuurden. Hij was geen man voor de grijze Tita.”

„U meent,” zei juffrouw Tobiaeson, „dat als we een ander hadden gestuurd—als u zelf aan land was gesprongen, dan zouden we beter ontvangen zijn?”

„Ja, natuurlijk meen ik dat,” zei Luitenant Lagerlöf.

Lieve hemel, wat lachten zij! De sombere stemming in de boot was op eens weg. Zij stelden [39]zich de ontmoeting tusschen Luitenant Lagerlöf en de grijze Tita voor.

Ja, ja—hij wist wel, dat hij onweerstaanbaar was.

Lieve hemel, wat lachten zij! [40]