HET HERINNERINGSGESCHENK.
Ze hadden afscheid genomen van Mevrouw Strömberg en waren weggetrokken van klein Mårbacka. De kinderen hadden hun kostbare schatten ingepakt en de groote menschen hun koffers gesloten. Nu zouden ze aan boord gaan van de stoomboot, die hen uit Strömstad weg zou voeren.
Op den steiger stonden een massa menschen. Daar was niet alleen Kapitein Strömberg en de bemanning van de boot, en andere bekende badgasten. Er waren oneindig meer menschen.
„Ik geloof, dat alle loodsen en kapiteins en visschers uit de stad hier gekomen zijn,” zei een van de heeren, die gewoonlijk met hen uit zeilen gingen.
„Ja, en alle badvrouwen en visschersvrouwen ook,” merkte een ander op.
„Ze zijn zeker gekomen om Gustaaf goeden dag te zeggen,” zei Mevrouw Lagerlöf, „hij maakt kennis met alle menschen.”
Luitenant Lagerlöf moest van zóó veel menschen [52]afscheid nemen, dat hij bijna niet op tijd in de boot kon komen. Allen wisten, dat hij naar Strömstad was gekomen om genezing te zoeken voor een kindje, dat niet loopen kon, en ze kwamen hem gelukwenschen.
„Dat is prettig, luitenant, om te zien, dat het kleine meisje nu op het dek staat bij de andere kinderen,” zei een visscher.
„’t Is zeker jouw visch, die haar beter heeft gemaakt, Olaus,” antwoordde de luitenant dadelijk.
„Ja, visch is een best eten,” zei de oude visscher.
De luitenant had zich al weer tot een groep badvrouwen gewend.
„Ik dank u hartelijk!” zei hij, „u hebt ook uw deel gehad aan ’t geheele werk.”
„Nu moet je aan boord komen, Gustaaf!” riep Mevrouw Lagerlöf van ’t dek. „Er is al voor den derden keer gefloten.”
Op ’t allerlaatste oogenblik kwamen twee mooi gekleede kleine meisjes aanloopen over de loopplank. Zij liepen gauw naar de meisjes Lagerlöf, maakten een knik, gaven ze de hand, wenschten haar een voorspoedige reis, gaven ieder een klein pakje en liepen weer naar land.
’t Waren de twee dochtertjes van den koekenbakker, [53]waar Anna den heelen zomer meê had omgegaan. ’t Kleine zieke meisje kende ze nauwelijks. Ze was er heelemaal verbluft door, dat ze ook voor haar een afscheidsgeschenk hadden.
Toen ze het papier opendeed, zag ze iets heel moois: een rood zijden lint, waarop een stuk stramien was geplakt met enkele, met zwart zij gestikte letters.
„Dat is een leesteeken,” zei Back-Kajsa, „dat mag jij hebben om in je gezangboek te leggen.”
„Daar staat op: „Ter herinnering”,” zei haar mama. „Dat is opdat je nooit het kleine meisje, dat dit voor je maakte, zoudt vergeten.”
’t Roode zijden lint met het stukje stramien en de zwart zijden letters heeft jaren lang in haar gezangboek gelegen. En als zij dat ’s Zondags in de kerk opensloeg en het leesteeken zag, bracht dat meestal haar gedachten naar lang verleden tijden terug.
Ze rook weer de zeelucht, ze zag booten en zeelieden voor zich, niet zoozeer de zee zelf, maar allerlei slakkenhuisjes, kwallen, krabben, zeesterren en makreel.
En dan dook het lichtroode huisje in de Karlstraat op uit de vergetelheid. Zij zag den paradijsvogel, Mevrouw Strömberg, de Jakob, het grauwe [54]eiland, de stoomboot Uddeholm en de drie paarden, die de groote koets trokken.
Eindelijk zag ze ook hoe de wagen over een groot groen grasveld reed, met lage roode gebouwtjes omgeven, door een wit hek bijeengehouden. Zij hielden voor een lang, rood woonhuis stil, met kleine vensters en een klein erkertje, en ze hoorde hoe allen, die meêreden, uit één mond riepen: „Goddank, nu zijn we weer thuis!”
Alle anderen zagen dadelijk, dat dit Mårbacka was, allen behalve zij. Als ze alleen geweest was, zou ze niet geweten hebben, wat dit voor een plaats was. Ze herinnerde zich haar huis wel, maar ze had nog nooit gezien hoe het er uitzag.
Op het erkertje stond een klein gebogen oud vrouwtje met wit haar, met een gestreepten rok en een zwart jakje aan. Dat was Grootmoeder. Haar herinnerde zij zich ook zoo goed, maar ze wist heelemaal niet hoe ze er uitzag.
En zoo was het ook met broer Daniël en het kleintje, en de huishoudster, en Otello. Ze waren allemaal nieuw voor haar. Ze herinnerde zich hen alleen, maar zij had ze nooit te voren gezien.
Ze werd naar Grootmoeder gebracht en moest laten zien, dat ze loopen kon. Later, wanneer ze in de kerk van Östra Ämtervik over het leesteeken [55]gebogen zat, dacht ze er over hoe ze niet alleen had leeren loopen op die reis naar Strömstad. Ze had ook leeren zien.
’t Kwam door die reis, dat ze wist hoe ze er uitzagen, al haar naaste familieleden, terwijl ze in hun beste dagen waren en zich over ’t leven verheugden. Als die reis er niet geweest was, zou alles van dien tijd uit haar hoofd zijn weggewischt.
Maar met behulp van dit roode lintje bleven die herinneringen leven.
„Laat de vergetelheid niet over dit alles heen groeien,” zei dit lint tegen haar.
„Denk aan je ouders, die zoo graag wilden dat hun kindje een gezond en flink mensch zou worden en die niet rustten vóór zij genezing voor je hadden gevonden! Denk aan Back-Kajsa en haar groote liefde en geduld en aan al den angst en schrik, op zee en aan land, die ze ter wille van jou heeft uitgestaan.” [56]